id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.213 Rolnummer: A. 192866/X-14215 Zaak: Arrest 194213 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 194.213 van 15 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.213 van 15 juni 2009 in de zaak A. 192.866/X-14.
(2000)1) - (...). Deze interpretatie vindt men echter ook in de Belgische rechtspraak terug, zoals in het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 11 oktober 1999 in de zaak betreffende de verbrandingsoven ISVAG: ‘Dat nu partijen hebben geopteerd om hun geschil te doen beslechten door de rechter, zij door die keuze het debat noodzakelijk hebben afgebakend tot wat in rechte relevant is; dat bijgevolg, te dezen, met die factoren, overwegingen en beginselen slechts rekening te houden is voor zoveel ze kunnen getransponeerd worden naar bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu waartegen een kennelijke inbreuk of een emstige dreiging voor een inbreuk wordt voorgehouden; dat die afbakening van het debat tevens de relativiteit aangeeft van onderhavige beslissing die geen bestuursdaad is maar slechts een rechterlijke beslissing; Overwegende dat klemmend is de bemerking van de eerste rechter dat de volksgezondheid juist de toekomst van de bevolking en de kwaliteit van het leven betreft, wat éénieder aanbelangt en niemand onberoerd moet laten; dat, gewis, daaromtrent maatschappelijk de noodzaak bestaat tot drastische beperking van de afvalberg, doch evenzeer tot verwerking van het bestaande afval op een ecologisch verantwoorde wijze en met de best beschikbare technologie; Dat het evenwel tot de bevoegdheid van de wetgever behoort daartoe het wettelijk kader te scheppen en aan de uitvoerende macht om er uitvoering aan te geven; dat de rechter desbetreffend geen beslissingsbevoegdheid heeft toegewezen gekregen;’ (...) Men moet zich met andere woorden de vraag stellen of het aan de rechter toekomt zich in de plaats van de wetgevende en/of uitvoerende macht te stellen en te bepalen of, en indien ja, in welke mate, het voorzorgsbeginsel in aanmerking moet worden genomen en meer bepaald wat de concrete uitwerking van dit beginsel in casu moet zijn.
- In het licht van het voorgaande, blijkt dat de visie die verzoekster heeft inzake het voorzorgsbeginsel geenszins strookt met de gangbare opvattingen betreffende dit beginsel. Het voorzorgbeginsel veronderstelt inderdaad geens- X-14.215-22/29 zins dat elke activiteit waarvan niet met zekerheid vaststaat dat zij volstrekt onschadelijk is voor mens en milieu verboden zou worden. Zulke interpretatie zou immers inhouden dat twee derde van het economisch leven moet worden lamgelegd. Het voorzorgsbeginsel veronderstelt integendeel dat de beleidsmakers in functie van een inschatting van de voorhanden zijnde wetenschappelijke gegevens betreffende de potentiële risico’s een beleidsbeslissing nemen aangaande het beschermingsniveau dat wenselijk is, waarbij van meet af aan duidelijk is dat een nulrisico niet steeds mogelijk is. Het zou volstrekt onredelijk zijn te eisen dat het voorzorgsbeginsel zo ver gaat dat geen enkele pyloon, UMTS- of GSM-mast mag worden ingeplant louter en alleen omdat er een straling aanwezig is waarvan onderzoeken beweren dat een schadelijk effect niet is uitgesloten en andere studies aantonen dat van een schadelijk effect geen sprake kan zijn Zoals hierboven reeds werd uitgelegd, bestaat voor het Vlaamse Gewest, sinds de vernietiging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot op heden geen concrete normering voor elektromagnetische stralen. Op internationaal niveau bestaan echter aanbevelingen van de WHO en werden besprekingen op Europees niveau gevoerd. De aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie zijn 50 keer strenger dan de effectieve grens waarop enige (enkel thermische) effecten werden vastgesteld. Dit blijkt uit het verslag aan de Koning bij het (vernietigd) koninklijk besluit van 29 april 2001 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10MHz en 10 GHz wordt het volgende gelezen: ‘3, Het voorzorgsprincipe De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gaat uit van de wetenschap dat er voorlopig onvoldoende gegevens zijn om tot de schadelijkheid van de microgolfstraling te besluiten maar geeft wel duidelijk aan dat er op sommige onderzoeksdomeinen nog te veel onzekerheden zijn om tot definitieve besluiten te komen. Hiermee rekening houdend neemt de WHO de richtlijnen over van ICNIRP (International Commission on Non lonizing radiation Protection). De ICNIRP richtlijnen zijn op weten-schappelijke onderzoeksresultaten gebaseerd. Men gaat uit van de gekende en bewezen, maar daarom nog niet schadelijke, biologische effecten, die optreden vanaf ongeveer 4 W/kg. Men voert een veiligheids-marge in door de blootstellingslimiet een factor 10 lager te stellen voor arbeiders (0.4 W/kg), en een factor 50 (0.08 Mg) voor de algemene bevolking die gevoeligere of zwakkere personen bevat zoals kinderen, zieken en zwangere vrouwen. Volgens de publicaties van de WHO wordt er hier rekening gehouden zowel met de thermische als de niet-thermische effecten. Het probleem in de RF-masten-problematiek is dat er op dit moment geen lange termijn effecten met zekerheid vastgesteld kunnen worden. Door het invullen van het voorzorgsprincipe wordt er tegemoetgekomen aan die onzekerheid. Het voorzorgsprincipe en de normbepaling die hiermee verbonden is, moet dan ook aangevuld en opnieuw bekeken worden wanneer wetenschappelijk onderzoek bijkomende wetenschappelijke informatie oplevert. Op Europees niveau zijn de besprekingen i.v.m. de toepassing van het voorzorgsprincipe zo goed als rond. Er bestaat een consensus over volgende elementen : Het voorzorgsprincipe kan gebruikt worden wanneer de mogelijkheid van ernstige gevolgen voor de gezondheid of het milieu worden X-14.215-23/29 vermoed maar er onvoldoende wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Er moet een risicoanalyse uitgevoerd worden om de eventuele impact van het gevaar te evalueren. De risico-evaluatie gebeurt door wetenschappelijke onderzoekers, nationaal en internationaal. De maatregelen inzake risicobeheer moeten worden genomen door de verantwoordelijke politieke autoriteiten op basis van de beoordeling van het na te streven beschermingsniveau. Deze maatregelen mogen bij hun toepassing niet tot willekeurige of onverantwoorde discriminatie leiden. De besluiten die uit hoofde van het voorzorgsprincipe genomen worden, moeten herzien worden in het licht van nieuw wetenschappelijk onderzoek. Daartoe moet aanvullend onderzoek verricht worden om het niveau van onzekerheid te verlagen.’ De vergunningverlenende overheid dient over de verenigbaarheid van de geplande installatie en de ingebruikneming ervan met het landschap en over de risico's op mens en milieu die verbonden zijn aan de exploitatie van de antenne op de plaats waar zij zich zal bevinden, te oordelen. De vergunningverlenende overheid heeft dit in casu ook gedaan. Vooreerst heeft de vergunningverlenende overheid op basis van de huidige stand van wetenschappelijk onderzoek in de bestreden beslissing, uitdrukkelijk overwogen dat ingevolge het onafhankelijk onderzoek door het BIPT de stralingsdensiteit van de betrokken pyloon zich zeer ruim onder de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie bevinden (deze normen zijn 50 keer strenger dan de effectieve grens waarop deze effecten werden vastgesteld). Het BIPT toetste, binnen het vroegere normatieve kader, aan de (strenge) federale norm ( vastgelegd in het inmiddels vernietigde koninklijk besluit van 10 augustus 2005) en leverde officiële attesten af. De norm die door de Belgische overheid destijds werd bepaald was vier keer strenger dan de norm die gehanteerd wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie, te weten een norm van 0,02 W/kg i.p.v. 0,08 W/kg; In de mededeling van de raad van het BIPT van 20 maart 2009 betreffende de opvolging van het arrest van het Grondwettelijk Hof aangaande de norm voor zendmasten die uitzenden tussen 10 MHz en 10 GHz (...) staat het volgende: ‘In afwachting van een duidelijk zicht, zet het BIPT de behandeling voort van de dossiers voor de nieuwe installaties, die zij blijft toetsen aan de voormalige federale norm. Het arrest van het Grondwettelijk Hof heeft als enige gevolg dat het Instituut niet langer officiële attesten afgeeft. De metingen ter plaatse die werden gevraagd voor 15 januari 2009, werden nog uitgevoerd. De aanvragen die na die datum binnenkomen, worden op een wachtlijst geplaatst totdat het BIPT juist weet welke verdere opvolging de Gewesten wensen ter zake.’ Het BIPT heeft evenwel in haar verslag van 6 juni 2008 met betrekking tot de site te Dentergem vastgesteld dat de stralingsdensiteit zich zeer ruim onder de bovenvermelde aanbevelingen van de WHO bevindt. (...). Onderhavig dossier werd door het BIPT dan ook getoetst aan een norm die 4 keer strenger is dan die van de Wereldgezondheidsorganisatie. Onafhankelijk van het officieel karakter op heden van dit attest dient te worden aangenomen dat vaststaat dat destijds een onafhankelijk onderzoek werd gevoerd naar de stralingsdensiteit van de betrokken zendmast. De vergunningverlenende overheid kon derhalve, bij afwezigheid van een wettelijke norm terzake rechtsgeldig verwijzen naar de aanbevelingen van de X-14.215-24/29 Wereldgezondheidsorganisatie die 50 keer strenger zijn dan de effectieve grens waarop enige (enkel thermische) effecten werden vastgesteld. Uit het gegeven dat ingevolge metingen van het BIPT destijds is komen vast te staan dat dergelijke pyloon een densiteit heeft die zeer ruim onder de bovenvermelde aanbevelingen van de WHO bevindt kon de vergunningverlenende overheid er redelijkerwijze van uitgaan dat de bezwaren met betrekking tot de gezondheidsproblematiek voldoende onder controle waren. Bovendien heeft de vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk gesteld dat wanneer naar de toekomst toe strengere normen zouden worden vastgelegd door de Vlaamse Overheid de betrokken operatoren zich uiteraard zullen dienen te conformeren aan deze nieuwe normen. Uit het voorgaande dient derhalve te worden vastgesteld dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de vergunningverlenende overheid het risico op gezondheidsschade op afdoende wijze bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken aan de hand van de op dat ogenblik beschikbaar zijnde wetenschappelijke gegevens. Daarbij werd door de vergunningverlenende overheid tevens in acht genomen daar zij in haar beoordeling duidelijk aangeeft dat indien in de toekomst zou blijken dat een strengere norm zou worden vastgesteld door de Vlaamse Overheid, deze norm uiteraard zal dienen te worden gerespecteerd. Het komt immers aan de vergunningverlenende overheid toe om het gezondheidsrisico, binnen haar discretionaire bevoegdheid, te beoordelen. De vergunningverlenende overheid oordeelt over de verenigbaarheid van de geplande installatie en de ingebruikneming ervan met het landschap en over de risico's op mens en milieu die verbonden zijn aan de exploitatie van de antenne op de plaats waar zij zich zal bevinden. Door in casu een norm te hanteren die vier keer strenger is dan de norm die door de WHO wordt aanbevolen, vult de vergunningverlenende overheid haar discretionaire bevoegdheid op een correcte en (meer dan) zorgvuldige wijze in.
- Tussenkomende partij wenst er nog op te wijzen dat de rechtspraak van Uw Raad reeds talloze malen heeft geoordeeld dat het oprichten van een zendmast voor mobilofonie geen plausibel gevaar voor de volksgezondheid inhoudt. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar de volgende arresten: (...).
- Verzoekers roepen eveneens de schending in van de artikelen 23, 35, 39, 128, 134 en 143 van de gecoördineerde Grondwet, doch laat na deze schending in concreto aan te tonen. Zij vergeten hier bovendien dat de economische en sociale rechten van artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet geen rechtstreekse werking hebben en bijgevolg niet kunnen ingeroepen worden voor de rechter enkel en alleen omdat zij voorkomen in de Grondwet.
- Gezien voorgaande, dient bijgevolg te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing wel degelijk het voorzorgsbeginsel respecteert en wel degelijk omstandig is gemotiveerd m.b.t het gezondheidsaspect zodat het middel van verzoekster faalt”. 5.
- Beoordeling van de ernst van het tweede middel In het middel wordt onder meer de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat het bestreden besluit geen “pertinent X-14.215-25/29 antwoord (...) op het gedetailleerd bezwaar van verzoekers betreffende de vrees voor de aantasting van de gezondheid” bevat. Een overheid die zich over een bouwaanvraag uitspreekt dient de nadelige gevolgen van het gebruik of de exploitatie van een installatie op de gezondheid van de omwonenden in overweging te nemen. Inzake de beoordeling van de risico’s voor de gezondheid verwijst de gewestelijke ambtenaar naar twee elementen. Ten eerste verwijst zij naar “de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die 50 keer strenger zijn dan de effectieve grens waarop enige (enkel thermische) effecten werden vastgesteld”, waaromtrent in bijlage bij het bestreden besluit “meer uitleg (wordt) gegeven” en - “ten titel van overvloede” - naar het technisch dossier “zoals eertijds vereist door het BIPT” waaruit blijkt dat “de stralingsdensiteit zich zeer ruim onder bovenvermelde aanbevelingen van de WHO bevindt”. Ten tweede verwijst zij naar “nieuwe normering” waaraan de aanvrager zich zal moeten conformeren “zodra de Vlaamse overheid eigen normen ter zake heeft uitgewerkt”. Op het eerste gezicht kan het laatstgenoemde element niet in aanmerking worden genomen, aangezien op basis van nog niet vastgestelde normen -zoals de verwerende partij het ter terechtzitting uitdrukt- “uiteraard geen beoordeling kan gebeuren”. Wat het eerste element betreft moet worden vastgesteld dat in de bijlage bij het bestreden besluit geen concrete blootstellingsrichtlijnen worden vermeld, maar enkel wordt aanbevolen dat de nationale overheden de blootstellingsrichtlijnen die werden ontwikkeld door de Internationale Commissie voor Niet-ioniserende Stralingsbescherming en het Instituut van Elektrische en Elektronische Ingenieurs zouden overnemen. Ter terechtzitting stelt de verwerende partij dat de verwijzing in het bestreden besluit naar het dossier van het BIPT als een overtollig en geenszins als een dragend motief moet worden beschouwd. In het licht van de voorstaande gegevens bevat het bestreden besluit op het eerste gezicht geen afdoende motivering inzake de risico’s voor de gezondheid van de aangevraagde installatie. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. X-14.215-26/29 X-14.215-27/29
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 6.
- De verzoekende partijen voeren onder meer het volgende aan : “a) visuele vervuiling en landschapsverontreiniging veroorzaakt door de constructie:
- De kwestieuze constructie en in het bijzonder de pyloon van 18 meter met een antennegedeelte met kap van ongeveer 8 meter wordt op geen enkele wijze gemaskeerd door bestaande gebouwen, hoogstammige bomen of andere schermen in de naaste omgeving. Achter de kwestieuze pyloon is enkel wat verwilderd laag groen voorhanden (...) en een niet benut industriegebouw met een nokhoogte van maximaal 7,6 meter, ofwel amper 1/4de van de totale hoogte van de pyloon. Dat gebouw reikt derhalve niet eens boven het lage groen uit zodat dit gebouw al evenmin ‘beschermend’ zou kunnen werken ten opzichte van de omgeving. Dit klemt des te meer vermits de hoogte van de huidige paal slechts 13 meter bedraagt en dus wordt verdubbeld, wat zonder meer een visuele aanslag vormt voor de omgeving. Bovendien stelt ook de aanvrager zelf in zijn nota dat het gebied geen voldoende hoge constructies in de onmiddellijke nabijheid heeft, wat vanzelfsprekend het visueel verloederend karakter van de beoogde constructie enkel nog benadrukt. Dat dit terecht is, blijkt trouwens uit het verleden vermits alsdan mede om die reden de plaatsing van een dergelijke pyloon in de naaste omgeving van de nu geviseerde plaats is tegengehouden door de gemeentelijke overheid (...). De woning van verzoekers - zie de foto’s en het schattingsverslag (...) bevindt zich binnen de verkaveling Baliekouter op het einde van een doodlopende straat in een zeer rustige omgeving en in de onmiddellijke nabijheid van agrarisch gebied met de Mandeldalroute. De zuidzijde van hun tuin paalt aan het voetbalplein, wat zorgt voor een ruimer zicht in vergelijking met een woning tussen 2 andere huizen (...) en hen - mede gelet op de rust en het pure zicht - ertoe bracht om aldaar te bouwen. Ten gevolge van de vergunde constructie zal er onmiskenbaar ernstige visuele vervuiling voorhanden zijn gelet op de beperkte afstand - ongeveer 80 meter (zijnde nagenoeg de breedte van het veld) - in rechte lijn tussen de mast en hun woning met tuin naast het voetbalplein. Vanuit hun tuin hebben ze immers rechtstreeks zicht op die constructie. (...)
- Deze nadelen hebben een onherstelbaar karakter. Eenmaal de constructie is opgericht, kunnen de aangevoerde nadelen alleen maar hersteld worden door de afbraak ervan, zodat het nadeel in hoofde van verzoekers in de gegeven omstandigheden moet worden beschouwd als moeilijk te herstellen”. 6.
- Het geciteerde visuele nadeel stemt volledig overeen met het nadeel dat als ernstig en moeilijk te herstellen werd aanvaard in het arrest nr. 184.301 van 17 juni 2008 (zaak A. 188.499/X-13.801). De uiteenzetting van de verzoekende partijen overtuigt. De desbetreffende schorsingsvoorwaarde is vervuld. X-14.215-28/29 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BELGACOM MOBILE in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 19 mei 2009 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan de n.v. BELGACOM MOBILE van de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een telecommuni- catiestation op een perceel gelegen te Dentergem, Kapellestraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 771/v. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2009, door : de H. J. CLEMENT, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. CLEMENT. X-14.215-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.213 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div