id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.257 Rolnummer: A. 92444/X-9589 Zaak: Arrest 194257 - Huisvesting - 16/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 194.257 van 16 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.257 van 16 juni 2009 in de zaak A. 92.444/X-
- In zake :
- Chantale LAUWERS,
- Patricia LAUWERS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. QUIRYNEN, kantoor houdende te 2840 REET, Molenstraat 137 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, 1000 BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- tussenkomende partij :
- de stad ANTWERPEN,
- de b.v.b.a. WALNOOD, die woonplaats kiest bij advocaat R. LECOUTRE, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, De Damhouderestraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Chantale LAUWERS en Patricia LAUWERS op 6 juni 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 april 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden houdende ongeschikt - en onbewoonbaarverklaring van de woning gelegen aan de Amerikalei 78 te Antwerpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 1 september 2000 ingediend door de stad Antwerpen; Gelet op de beschikking van 13 september 2000 die de tussenkomst van de stad Antwerpen toelaat; X-9589-1/7 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 1 september 2000 ingediend door de b.v.b.a. WALNOOD; Gelet op de beschikking van 13 september 2000 die de tussenkomst van de b.v.b.a. WALNOOD toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de beschikking van 18 april 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. LEFEVER, die loco advocaat W. MULS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. HEGMANS, die loco advocaat C. COEN verschijnt voor de eerste tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. DE SOMERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoeksters zijn eigenaar van een pand gelegen aan de Amerikalei 78 te Antwerpen. X-9589-2/7 1.
- Op 5 oktober 1999 stelt de controleur leegstand en verwaarlozing van de stad Antwerpen over deze woning een “technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen” op voor wat betreft de eerste, tweede en derde verdieping. Er wordt een eindscore van 104 punten toegekend. 1.
- Op 26 oktober 1999 stelt de controleur leegstand en verkrotting bij de AROHM Antwerpen over dit pand een “technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen” op voor wat betreft de drie verdiepingen. De woning behaalt een eindscore van 105 punten. 1.
- Op 5 november 1999 bezorgt de gewestelijk ambtenaar aan de burgemeester van de stad Antwerpen een advies inzake onbewoonbaarheid met het verzoek een besluit op te maken om het pand onbewoonbaar te verklaren. 1.
- Op 15 december 1999 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen de drie verdiepingen van de betrokken woning onbewoonbaar te verklaren. 1.
- Op 12 januari 2000 stelt de raadsman van de tweede verzoekster tegen dit besluit administratief beroep in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor huisvesting. 1.
- Op 16 maart 2000 stelt de controleur leegstand, verkrotting en kwaliteitsbewaking bij de AROHM Limburg over de drie verdiepingen van de betrokken woning een “technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen” op. Er wordt een eindscore van 71 punten toegekend. 1.
- Op 7 april 2000 neemt de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden het bestreden besluit houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de betrokken woning.
- Ontvankelijkheid 2.1.
- De verwerende partij werpt op dat onduidelijkheid bestaat over de woonplaats van de verzoeksters, nu de tweede verzoekster in het verzoekschrift tot nietigverklaring een ander adres vermeldt dan hetgene dat zij in de administratieve beroepsprocedure had gebruikt. De eerste verzoekster vermeldt in X-9589-3/7 het verzoekschrift dan weer het adres dat de tweede verzoekster in de administratieve beroepsprocedure had gebruikt. Aangezien er aldus geen duidelijkheid bestaat omtrent de woonplaats van de verzoeksters, is het beroep onontvankelijk. 2.1.
- Uit de gegevens van het dossier en uit de door de verzoeksters aangebrachte getuigschriften van woonplaats blijkt dat zij wel degelijk hun woonplaats hebben op de respectieve adressen die zij hebben vermeld in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Dat er tijdens de administratieve beroepsprocedure door de tweede verzoekster een ander adres werd gebruikt, tast de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring niet aan. De exceptie is niet gegrond. 2.2.
- De verwerende partij stelt dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is ten aanzien van de eerste verzoekster, omdat zij geen partij was in de administratieve beroepsprocedure die heeft geleid tot het bestreden besluit. 2.2.
- Het bestreden besluit is een in laatste aanleg genomen besluit. Voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring, ingesteld tegen dit besluit, is het niet relevant wie het administratief beroep heeft ingesteld dat heeft geleid tot dit besluit. De exceptie is niet gegrond.
- Ten gronde 3.
- Ambtshalve wordt de bevoegdheid van de steller van het bestreden besluit onderzocht. Overeenkomstig artikel 137 van de Grondwet kunnen het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Parlement van de Franse Gemeenschap en hun regeringen de bevoegdheden uitoefenen van respectievelijk het Vlaamse en het Waalse Gewest, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald in een bijzondere wet. Ter uitvoering van die grondwetsbepaling schrijft artikel 1, § 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voor dat het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering niet alleen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap, maar ook de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest uitoefenen. X-9589-4/7 De bijzondere wetgever wilde evenwel vermijden dat parlements- en regeringsleden die afkomstig zijn uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, zouden kunnen mee beslissen over aangelegenheden van het Vlaamse Gewest. Voor wat betreft de regeringsleden bepaalt artikel 76 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aldus wat volgt: “Wanneer de Vlaamse Regering beraadslaagt over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren, heeft elk lid van de Vlaamse Regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, slechts zitting met raadgevende stem”. Uit deze bijzondere wetsbepaling volgt dat het lid van de Vlaamse regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad enkel gemeenschapsbevoegdheden kan uitoefenen en geen gewestbevoegdheden. Overeenkomstig artikel 69 van dezelfde bijzondere wet beraadslaagt de Vlaamse regering weliswaar collegiaal “onverminderd de door haar toegestane delegaties” en luidens artikel 68 regelt zij haar werkwijze, maar die laatste bepaling schrijft eveneens voor dat dit slechts kan geschieden “onverminderd de bepalingen van deze wet”. 3.
- Er wordt niet betwist dat de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden die het bestreden besluit heeft vastgesteld, zijn woonplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bijgevolg kan hij overeenkomstig artikel 76 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel met raadgevende stem deelnemen aan de beraadslaging over aangelegenheden die, zoals de huisvesting, tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren. De bestreden beslissing werd genomen zonder dat deze beperking van de bevoegdheden van het lid van de Vlaamse regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in acht werd genomen. Derhalve moet ambtshalve worden vastgesteld dat de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. 3.
- De verwerende partij stelt dat het in dezen niet de uitoefening betreft van een discretionaire bevoegdheid. Overeenkomstig het delegatiebesluit van de Vlaamse regering was de betrokken minister als enige bevoegd om een besluit te nemen over het beroep dat wordt aangetekend tegen de beslissing of het stilzitten van de burgemeester. Gegeven het beroep dat door de gewestelijk ambtenaar was aangetekend, had de minister geen andere keuze dan een besluit te nemen. In het andere geval zou men zich in een situatie van totale rechtsonzekerheid bevinden doordat er op dat ogenblik sprake zou zijn geweest van rechtsweigering. X-9589-5/7 De eerste tussenkomende partij werkt een analoge redenering uit en stelt bovendien dat de aangehaalde bijzondere wetsbepaling enkel betrekking heeft op de gevallen waarin de Vlaamse regering collegiaal beraadslaagt, maar niet uitsluit dat de minister uitvoering kan geven aan een collegiale beslissing. Het delegatiebesluit waaraan de minister die individuele uitvoeringsbevoegdheid ontleent, is overigens een regeringsdaad die niet door de Raad van State kan worden getoetst. 3.
- Overeenkomstig artikel 7, eerste lid, 5° van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, was de betrokken minister bevoegd voor “de huisvesting, zoals vermeld in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet”. Dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met die bepaling, neemt niet weg dat die bepaling zelf niet mag ingaan tegen de voornoemde bijzondere wetsbepalingen. Voorts valt niet in te zien waarom die bepaling niet door de Raad van State zou kunnen worden getoetst op haar overeenstemming met de bijzondere wet, in tegenstelling tot wat de eerste tussenkomende partij voorhoudt. Het was aan de Vlaamse regering om hetzij collegiaal over deze aangelegenheid te beslissen, waarbij de betrokken minister slechts met raadgevende stem zou deelnemen aan de beraadslaging, hetzij de betrokken bepaling aan te passen zodat het besluit kon worden genomen door een andere minister die niet zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Dit laatste is naderhand overigens gebeurd door het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, dat onder meer de bevoegdheid inzake huisvesting heeft toegewezen aan een ander lid van de Vlaamse Regering. 3.
- Het ambtshalve opgeworpen middel is gegrond. X-9589-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 7 april 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woning gelegen aan de Amerikalei 78 te Antwerpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS X-9589-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.257 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div