← België

Arrest 194260 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.260 Rolnummer: A. 134239/X-11333 Zaak: Arrest 194260 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 194.260 van 16 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.260 van 16 juni 2009 in de zaak A. 134.239/X-11.333. In zake : Eric COLIN, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 3400 LANDEN, Brugstraat 17 tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric COLIN op 17 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 januari 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 9 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van het wijzigen van de bestemming van voormalige hoevegebouwen tot schrijnwerkerij, gelegen te Voeren, Kwinten 44, kadastraal bekend sectie B, nr. 453/b en c; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; X-11.333-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van K. VISSERS, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 1 februari 2002 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren een regularisatievergunning voor “een bestemmingswijziging van hoevegebouw tot schrijnwerkerij”, aan de Kwinten 44 te Voeren, kadastraal bekend sectie B, nr. 453/b en c. De aanvraag is, net als de daarbij gevoegde documenten, in het Nederlands gesteld. 1.2. Op 28 juni 2002 brengt de gemachtigde ambtenaar omtrent die regularisatieaanvraag een ongunstig advies uit. 1.3. Op 9 juli 2002 is er in het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren geen consensus om zich over de regularisatieaanvraag uit te spreken. 1.4. Overeenkomstig artikel 107 van de nieuwe gemeentewet wordt verzoekers aanvraag voorgelegd aan de gemeenteraad van de gemeente Voeren, welke op 22 augustus 2002 beslist de vergunning te weigeren. Van die beslissing wordt de verzoeker, met een op 23 augustus 2002, ter post aangetekend verzonden, brief in kennis gesteld. X-11.333-2/12 1.5. Op 30 augustus 2002 deelt de adjunct- arrondissementscommissaris aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren mee dat “volgens betrokkene het bewuste dossier (bouwaanvraag ....) totnogtoe in het Frans werd behandeld” en verzoekt om voornoemde betekening en beslissing in het Frans te ontvangen. Aan laatstgenoemd verzoek wordt, op 20 september 2002, voldaan. 1.6. Op 24 september 2002 stelt de verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep in tegen voormelde gemeenteraadsbeslissing van 22 augustus 2002. In zijn in het Nederlands gesteld beroepsschrift stelt de verzoeker dat hij “bij deze vraagt om door Uw Deputatie gehoord te worden in het bijzijn van zijn juridische en technische raaslieden en tevens vraagt (...) hem akte te verlenen van zijn verlangen dat de huidige procedure in de franse taal zou verdergezet worden”. Op 26 september 2002 meldt de verwerende partij aan de verzoeker de ontvangst van zijn beroep. Deze ontvangstmelding is in het Frans gesteld. 1.7. Op 25 november 2002 nodigt de verwerende partij de verzoeker uit voor de hoorzitting van 4 december 2002. Deze uitnodiging is in het Frans gesteld. 1.8. Op 17 maart 2003 neemt de verwerende partij het thans bestreden weigeringsbesluit, dat, met een op 13 januari 2003 ter post aangetekend verzonden brief, aan de verzoeker ter kennis wordt gebracht. Laatstgenoemde kennisgeving is in het Frans gesteld en er wordt een Franse vertaling van het besluit overgemaakt. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “Gelet op het beroep dat is ingesteld door de heer Eric Colin, Kwinten 44 te 3790 Voeren tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Voeren, dd. 9 juli 2002 (ref. 1153/2002), waarbij een vergunning is geweigerd voor de regularisatie van het wijzigen van de bestemming van voormalige hoevegebouwen tot schrijnwerkerij op het kadastraal perceel 1ste afdeling, sectie B, nr. 453 B-C langs Kwinten 44; Gelet op het beroep dat is aangetekend bij brief van 23 september 2002, bij de post afgegeven op 24 september 2002; Gelet op de beslissing van het college die aan belanghebbende werd betekend op 23 augustus 2002; Gelet op het beroep dat is aangetekend binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de beslissing en daarom ontvankelijk is; X-11.333-3/12 Gelet op het feit dat het perceel overeenkomstig het bij Koninklijk Besluit van 5 april 1977 goedgekeurd gewestplan Sint-Truiden-Tongeren gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Gelet op het feit dat er voor het deel van het gemeentelijk grondgebied, waar het perceel gelegen is, geen goedgekeurd algemeen noch bijzonder plan van aanleg of een behoorlijk vergunde verkaveling bestaat; Gelet op het genuanceerd advies van het schepencollege van 12 maart 2002, luidende als volgt : ‘...Gelet op de beslissing van de gemeenteraad d.d. 17 mei 2001 waarbij aan de heer Colin werd gevraagd om zijn dossier in orde te brengen, d.w.z. de nodige rechtsgeldige vergunningen te bekomen om een schrijnwerkerij uit te baten op het adres ‘Kwinten 44 te 3790 Sint-Martens-Voeren’. Gelet op het feit dat het schepencollege d.d. 18 december 2001 een bijkomende kans gaf om zijn dossier in orde te brengen en dit met als uiterste datum 31 maart 2002, dat hem dit hem per brief werd meegedeeld door de burgemeester op 28 december 2001 dat in geval er geen vergunning zou worden bekomen dit de sluiting tot gevolg zou hebben; Gelet op het feit dat de betrokkene een bouwaanvraag indiende; dat er evenwel nog geen milieuvergunning werd aangevraagd; dat dit evenwel nog steeds mogelijk zou kunnen zijn; Gelet op het feit dat het perceel en het gebouw waarop de aanvrager zijn werken wil uitvoeren en zijn zaak wil uitbaten gelegen zijn in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het bovendien grenst aan het geklasseerd landschap van de Martelberg; dat het eveneens in een habitatrichtlijngebied ligt, zoals vastgelegd door een Europese richtlijn die werd omgezet in een decreet van het Vlaams Gewest; Gelet op de mondelinge negatieve adviezen van de ambtenaren van RO in hun contacten met de architecten van betrokkene; Gelet op het PV dat ten laste van de uitbating werd opgemaakt door de diensten van RO; Gelet op het feit dat er een bezwaarschrift werd ingediend en dat dit werd vastgesteld door het College van burgemeester en schepenen d.d. 12 maart 2002; dat binnen het kader van een degelijke ruimtelijke structuurplanning dergelijke uitbatingen eerder thuishoren in een ambachtelijke zone; Besluit: Kenmerk 023.02/B/2002-275 Dossier 874.1/131.09.01 Bijlagen / 1. de aanvraag van de heer Colin met deze gekende negatieve gegevens over te maken aan de diensten voor RO van de Vlaamse Gemeenschap, Limburg 2. aan deze diensten te vragen het dossier grondig te onderzoeken en de gemeente in te lichten over alle mogelijke oplossingen of weigeringen 3. dat de gemeente de diensten van RO en Leefmilieu eveneens verzoekt bij eventuele inwilliging van het verzoek strenge en sluitende voorzorgsmaatregelen op te leggen zodat de omgeving niet gestoord zal en kan worden en dat er geen enkele overlast is voor de buren en de landschappelijke omgeving, 4. in dit geval een duidelijke en onweerlegbare motivering aan te brengen voor een van het decreet sterk afwijkende vergunning, 5. dat het voor haar wel toelaatbaar is dat het gebouw gebruikt en ingericht kan worden als woongelegenheid en dit binnen de ruimtelijke normen X-11.333-4/12 die nu bepalend zijn voor het Vlaams Gewest, maar dat vastgesteld dient te worden dat de huidige vraag niet hierover gaat...’; Gelet op het advies van de gemachtigde ambtenaar van 28 juni 2002, waarop de weigering van de vergunning gesteund is, in hoofdzaak gemotiveerd als volgt ‘...Ongunstig voor de regularisatie van het wijzigen van bestemming van voormalige hoevegebouwen tot schrijnwerker; Overwegende dat het perceel gelegen is binnen een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het koninklijk besluit van 5 april 1977 goedgekeurd gewestplan Sint-Truiden-Tongeren; Overwegende dat het gebruik van deze gebieden geregeld wordt in artikel 11.1.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972; Overwegende dat de voorgestelde bestemming hiermee niet in overeenstemming is; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Voeren op 12.03.2002 terzake een gunstig advies verleende; Overwegende het ongunstig advies van 11.02.2002 van de afdeling Land van AMINAL; Overwegende het gunstig advies van de afdeling ROHM-Limburg, Monumenten en Landschappen van 21.02.2002 gezien de ligging tegen het geklasseerd landschap ‘Martelberg-graftenlandschap’; Overwegende het gunstig advies van 05.06.2002 van de afdeling Natuur gezien de ligging van de aanvraag in habitatgebied; Gelet op de resultaten van het openbaar onderzoek; dat één bezwaarschrift werd ingediend; Op 28.05.2001 werd een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt; Overwegende dat het dossier reeds verschillende keren werd besproken op het structureel overleg tussen de gemeente en afdeling ROHM. - Ruimtelijke Ordening Limburg; Overwegende dat door de vorm en afmeting van het perceel en door het samengaan met de omringende percelen en bebouwing, het voorgestelde niet aanvaardbaar is; Overwegende dat inhoudelijk niet akkoord kan gegaan worden met het standpunt van het college van burgemeester en schepenen; Overwegende dat in het bezwaarschrift wordt verwezen naar eerdere briefwisseling omtrent deze schrijnwerkerij; dat eerdere briefwisseling melding maakt van het feit dat een schrijnwerkerij werd opgericht zonder bouw- en milieuvergunning, dat deze functie storend (geluids-, reukhinder, electriciteitsstoringen...) is voor de omgeving, dat deze industriële activiteit niet in overeenstemming is met de bestemming van het gebied, dat dit bezwaarschrift gegrond is; Overwegende dat het ongunstig advies van de afdeling Land kan bijgetreden worden, dat de bestemming van schrijnwerkerij niet in overeenstemming is met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw; Overwegende dat uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake ruimtelijke ordening, alsook dat het voorgestelde ontwerp niet bestaanbaar is met de goede plaatselijk(

  1. e)ordening en met zijn onmiddellijke omgeving...’; Gelet op het ongunstig advies van de afdeling Land van 11 februari 2002, luidende als volgt ‘...De bouwplaats behoort tot het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Uit landbouwkundig oogpunt en inzake de ordening van het agrarisch gebied kan de realisatie van een schrijnwerkerij in voormalige landbouwbedrijfsgebouwen niet aangenomen worden. Het omliggend agrarisch gebied zal duidelijk nadelig beïnvloed worden door deze zonevreemde X-11.333-5/12 activiteit. Dergelijke inrichtingen dienen verwezen te worden naar daartoe bestemde gebieden (o.a. industriegebieden). Enkel een herbestemming van de bestaande landbouwbedrijfsgebouwen binnen de agrarische sfeer zou uit landbouwkundig oogpunt ter plaatse gedoogd kunnen worden...’; Gelet op de aanvraag die onderworpen werd aan de speciale reglementen van openbaarmaking, bepaald bij Kenmerk 023.02/B/2002-275 Dossier 874.1/131.09.01 Bijlagen / besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000; dat er geen bezwaarschriften werden ingediend; Gelet op de wens van de beroeper om gehoord te worden, dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud van 4 december 2002 de heer Colin en zijn advocaat, en burgemeester Huub Broers namens het college van burgemeester en schepenen van Voeren zijn verschenen; Gelet op het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld; Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te verkrijgen om een landbouwbedrijfsgebouw om te vormen (herbestemmen) tot schrijnwerkerij op een perceel aan de Kwinten nr 44 te St-Martens-Voeren; dat de oorspronkelijke toestand een oude boerderij betrof bestaande uit een verdiepingswoning met een rechts aanpalende schuur-stalling; dat deze laatste constructie met een grondoppervlakte van 13 X 14,60 meter zonder stedenbouwkundige vergunning omgevormd werd tot schrijnwerkerij met berging en kantoor; dat inzake het bouwmisdrijf PV werd opgesteld; Overwegende dat volgens het goedgekeurd gewestplan de aanvraag gesitueerd is in de zone landschappelijk waardevol agrarisch gebied welke overeenkomstig artikel 11 (4.1) van het KB van 28 december 1972 bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin, en waarvoor overeenkomstig artikel 15 (§ 4.6.1) van voormeld KB bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat in deze gebieden alle handelingen mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in de grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat naar bestemming de voorgestelde gebruikswijziging naar schrijnwerkerij strijdig is met deze voorschriften; Overwegende dat de te regulariseren functiewijziging onderworpen is aan een stedenbouwkundige vergunning; dat artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 terzake stelt ‘... een stedenbouwkundige vergunning is nodig als één van de hierna vermelde hoofdfuncties van een onroerend bebouwd goed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd in een andere hierna vermelde hoofdfunctie. Worden als hoofdfunctie beschouwd : ... (4/) landbouw in de ruime zin ... (6/) industrie of ambacht...’; dat in casu de omvorming van een agrarisch bedrijfsgebouw naar een ambachtelijk bedrijf derhalve vergunningsplichtig is; Overwegende dat vervolgens dient gesteld dat het gebruik als schrijnwerkerij strijdig is met de voorschriften van het gewestplan (=landschappelijk waardevol agrarisch gebied); dat de huidige regelgeving inzake ruimtelijke ordening geen afwijking of uitzonderingsbepaling voorziet voor dergelijke functiewijziging; dat artikel 145bis enkel een afwijking voorziet voor een nieuwe niet agrarische functie binnen het agrarisch gebied in het geval van een inrichting voor hoevetoerisme (= tijdelijke verblijfsgelegenheid) en dan nog op voorwaarde dat de landbouw als nevenactiviteit aanwezig blijft; dat in casu de voorgestelde functiewijziging bijgevolg vanuit juridisch oogpunt niet regulariseerbaar is; X-11.333-6/12 Overwegende dat de uitbating van de schrijnwerkerij vergunningsplichtig is in het kader van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten (VLAREM klasse I of II); dat volgens de gegevens van de gemeente tot nu toe geen aanvraag werd ingediend; Overwegende dat het beroep niet kan worden ingewilligd”. 2. Ontvankelijkheid De verwerende partij voert als exceptie van onontvankelijkheid aan dat het verzoekschrift laattijdig werd ingesteld, aangezien “het verzoekschrift bij aangetekend schrijven werd verstuurd op 18 maart 2003, daar waar (...) dit ten laatste op 17 maart 2003 aangetekend verstuurd moest worden”. De exceptie mist feitelijke grondslag aangezien het verzoekschrift reeds op 17 maart 2003 aangetekend werd verstuurd. De exceptie wordt verworpen. 3. Ten gronde 3.1. Het eerste middel 3.1.1. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel voert de verzoeker het volgende aan: “Ondergetekende heeft bij de Bestendige Deputatie geen beroep aangetekend tegen de beslissing van het College van Burgemeester & Schepenen van de gemeente VOEREN van 9 juli 2002 gezien dit Orgaan bij toepassing van artikel 107 van de Nieuwe Gemeentewet beslist bij consensus en bij gebreke van consensus de zaak door de Burgemeester ter beslissing aan de gemeenteraad wordt voorgelegd; In casu was er in de schoot van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente VOEREN geen consensus over de aanvraag van ondergetekende tot het bekomen van een bouwvergunning derwijze dat dit Orgaan geen enkele bevoegdheid had om enige beslissing te nemen; Ondergetekende tekende daarentegen wel beroep aan bij de Bestendige Deputatie tegen de beslissing van de Gemeenteraad van 22 augustus 2002 aan wie de bouwvergunningsaanvraag van ondergetekende werd voorgelegd en welke oordeelde, na naamafroeping, dat er 8 stemmen voor en 5 stemmen tegen waren; Uit de bestreden beslissing blijkt dat de Bestendige Deputatie oordeelde dat het beroep van ondergetekende betrekking had op de beslissing van het College van Burgemeester & Schepenen van de gemeente VOEREN van 9 juli 2002 ; Zulks is onjuist; De devolutieve werkingskracht van het beroep bij de Bestendige Deputatie kan zich niet uitstrekken tot de beoordeling van een beslissing waartegen geen beroep werd aangetekend , in casu de beslissing van 9 juli 2002; X-11.333-7/12 Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt nergens dat de Bestendige Deputatie zich uitgesproken heeft over de beslissing nl. de beslissing van de Gemeenteraad van 22 augustus 2002 waartegen door ondergetekende beroep werd aangetekend; Doordat de Bestendige Deputatie, uitspraak doende in graad van beroep, uitspraak deed over een andere beslissing dan deze waartegen door ondergetekende hoger beroep werd aangetekend, is er in casu sprake van machtsoverschrijding en van schending van artikel 53 § 1 van het Decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening”. 3.1.2. Beoordeling van het eerste middel Het bestreden besluit spreekt zich uit over het administratieve beroep van de verzoeker tegen het besluit van de gemeenteraad van 22 augustus 2002 waardoor zijn stedenbouwkundige aanvraag werd geweigerd. De vermelding in het bestreden besluit als zou het administratieve beroep van de verzoeker gericht zijn tegen het besluit van 9 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen is een louter materiële verschrijving die de wettigheid van het bestreden besluit niet aantast. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2. Het tweede middel 3.2.1. Het aangevoerde tweede middel In het tweede middel voert de verzoeker het volgende aan: “Aangezien ondergetekende van mening is dat de procedure voor en de beslissing van de Bestendige Deputatie strijdig is met de taalkeuze welke werd gemaakt in de akte van beroep welke werd ingediend ; Terzake werd door ondergetekende, inwoner van de taalgrensgemeente VOEREN, gevraagd de volledige beroepsprocedure af te handelen in de franse taal hetgeen evenwel niet gebeurde ; Het voorgelegde dossier, inbegrepen alle uitgebrachte adviezen , bevat geen enkele vertaling en de bestreden beslissing werd gesteld in de Nederlandse taal ; De Bestendige Deputatie diende, gezien het uitdrukkelijk verzoek daartoe, de franse taal te gebruiken in haar betrekkingen met ondergetekende doch deed dit niet zodat de bestreden beslissing niet wettig tot stand kwam en nietig is cfr. o.a. artikel 12 , laatste lid (waartoe ook de Bestendige Deputatie gehouden was) en 58 van de Gec. Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken”. 3.2.2. Beoordeling van het tweede middel X-11.333-8/12 Als gewestelijke dienst in de zin van artikel 34, § 1, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gebruikt de verwerende partij in beginsel het Nederlands. Vanaf het ogenblik dat de verzoeker het gebruik van het Frans had gevraagd diende de verwerende partij die taal te gebruiken voor de betrekkingen met de verzoeker. Daarnaast kon de verzoeker zich, indien hij de noodzaak ervan aantoonde, een vertaling in het Frans laten uitreiken van de akten die hem betroffen. Zoals de verwerende partij opmerkt blijkt uit de gegevens van de zaak dat zij aan de voornoemde verplichtingen heeft voldaan. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3. Het derde middel 3.3.1. Het aangevoerde derde middel In het derde middel voert de verzoeker het volgende aan: “Vanuit een zelfde benadering is de beslissing van de Bestendige Deputatie ook strijdig met artikel 53 § 1 .a1.2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening en Stedenbouw van 22 oktober 1996; Ondergetekende vroeg om gehoord te worden, hetgeen essentieel en substantieel is, doch werd door de Bestendige Deputatie niet begrepen in de franse taal waarin ondergetekende zich uitdrukte en ook het recht had om begrepen te worden; Doordat alle dossierstukken en adviezen in de Nederlandse taal gesteld werden en niet volledig begrepen werden, heeft ondergetekende onmogelijk met kennis van zaken zijn opmerkingen, observaties en weerleggingen ten gehore kunnen brengen aan de Bestendige Deputatie en werd het doel van een hoorzitting niet bereikt; In dergelijke omstandigheden heeft verzoekende partij dat ook niet pertinent, adequaat en dienstig zijn standpunt kunnen vertolken hetgeen een schending is van een substantiële vormvereiste”. 3.3.2. Beoordeling van het derde middel In zoverre het middel samenvalt met het tweede middel is het ongegrond om de redenen waarom het laatstgenoemde middel ongegrond werd bevonden. De verzoeker spreekt niet tegen dat, zoals voorgehouden door de verwerende partij, “verzoekende partij tijdens deze hoorzitting werd ingelicht over het negatief standpunt van onze diensten met betrekking tot haar aanvraag”, dat “hiertoe de nota aan de bestendige deputatie houdende het negatief advies van de X-11.333-9/12 provinciale diensten (...) vertaald werd in het Frans” en dat de “verzoekende partij en haar raadsman alle opmerkingen hebben gemaakt in het Frans en dat er verder door ons college vragen werden gesteld in het Frans” en dat “bij deze gelegenheid noch de verzoekende partij noch haar raadsman enige klacht uitte over het verloop van de procedure noch over de samenstelling van het dossier”. In het licht van deze gegevens blijkt uit de loutere bewering van de verzoeker dat de verwerende partij “hem niet begrepen heeft in de franse taal”, geen schending van artikel 53, § 1, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996. Het derde middel is niet gegrond. 3.4. Het vierde middel 3.4.1. Het aangevoerde vierde middel In het vierde middel voert de verzoeker onder meer het volgende aan: “De bestreden beslissing is naar mening van ondergetekende ook strijdig met artikel 53 § 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 (...); De beslissing steunt nl. op diverse feiten die niet correct en onjuist vastgesteld werden; Het feit dat beroep werd aangetekend tegen een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van 9 juli 2002 terwijl in realiteit beroep werd aangetekend tegen een beslissing van de Gemeenteraad van 22 augustus 2002, de vaststelling door de Bestendige Deputatie dat geen bezwaarschrift werd ingediend en het feit dat verzoekende partij ‘volgens de gegevens van de gemeente’ geen aanvraag zou ingediend hebben voor een milieuvergunning (terwijl dit wel het geval
  2. is), zijn niet alleen onjuist maar kunnen de beslissing onmogelijk in rechte dragen; Ook het feit dat verzoekende partij ‘volgens de gegevens van de gemeente’ geen aanvraag zou ingediend hebben voor een milieuvergunning (terwijl dit wel het geval is), zijn niet alleen onjuist maar kunnen de beslissing onmogelijk in rechte dragen; Ook het feit van rekening houden met het advies van de gemachtigde ambtenaar ( terwijl deze functie afgeschaft is en waarmede geen rekening kon gehouden worden ) en het feit dat geen antwoord werd voorbehouden op de argumenten die in het beroep werden betrokken en die niet terug te vinden zijn in de beslissing (o.a. voorbeelden van activiteiten die in landschappelijk waardevol agrarisch gebied in VOEREN wel gedoogd worden door de Overheid en die op de hoorzitting aangehaald werden), maken dat de beslissing niet met redenen omkleed is”. X-11.333-10/12 3.4.2. Beoordeling van het vierde middel In zoverre het middel samenvalt met het eerste middel is het ongegrond om de redenen waarom het laatstgenoemde middel ongegrond werd bevonden. De verzoeker gaat voorbij aan het uitdrukkelijk in het bestreden besluit tot uitdrukking gebrachte motief dat de aanvraag strijdig is met het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan. Dit determinerend motief volstaat om het bestreden weigeringsbesluit te schragen. Als orgaan van het actief bestuur was de verwerende partij er niet toe gebonden al de in het beroep aangevoerde argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat in het bestreden besluit duidelijk wordt aangegeven door welke met de ruimtelijke ordening verband houdende redenen het is verantwoord. In zoverre het middel kritiek levert op overtollige motieven van het bestreden besluit is het niet ontvankelijk, aangezien dergelijke kritiek niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Het vierde middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-11.333-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.333-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.