id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.262 Rolnummer: Zaak: Arrest 194262 - Plannen van aanleg - 16/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 194.262 van 16 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.262 van 16 juni 2009 in de zaak A. 75.279/X-7615 (I) A. 75.796/X-7778 (II) In zake : I. de gemeente WETTEREN, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan 201 II. de n.v. OMNICHEM, die woonplaats kiest bij advocaat X. D’HULST, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : I. en II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : II. de gemeente WETTEREN (in de vordering tot schorsing), die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente WETTEREN op 8 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 “Uitbreiding industriezone STOOKTE” van de gemeente Wetteren, bestaande uit een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van het met een blauwe rand omzoomde gedeelte van het X-7615 en 7778-1/20 bestemmingsplan en van de met een blauwe rand omzoomde bijhorende teksten van de stedenbouwkundige voorschriften (zaak A. 75.279); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. OMNICHEM op 24 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 “Uitbreiding industriezone STOOKTE” van de gemeente Wetteren, bestaande uit een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van het met een blauwe rand omzoomde gedeelte van het bestemmingsplan en van de met een blauwe rand omzoomde bijhorende teksten van de stedenbouwkundige voorschriften (zaak A. 75.796); Gelet op het arrest nr. 74.051 van 3 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak A. 75.796; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting in de zaak A. 75.796, op 25 juni 1998 ingediend door de n.v. OMNICHEM; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL in de beide zaken; Gelet op de beschikking van 7 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier in de zaak A. 75.279 gelast; Gelet op de beschikking van 12 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier in de zaak A. 75.796 gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij in de zaak A. 75.279; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de zaak A. 75.796; X-7615 en 7778-2/20 Gelet op de beschikking van 2 april 2009 in de zaak A. 75.279 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gelet op de beschikking van 3 april 2009 in de zaak A. 75.796 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen in de zaak A. 75.279 van advocaat F. DIEU, die loco advocaat W. VAN DER GUCHT verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij Gehoord de opmerkingen in de zaak A. 75.796 van advocaat D. VAN DE SIJPE, die loco advocaat X. D’HULST verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL in de beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging De zaken A. 75.279/X-7.615 en A. 75.796/X-7.778 zijn dermate met elkaar verbonden dat het wenselijk is dat ze worden samengevoegd.
- De feiten 2.
- De verzoekende partij in de zaak sub II is een chemisch bedrijf met uitbatingszetel te Wetteren, Cooppallaan
- Zij is er gevestigd in het zuidelijk deel van de industriezone “Stookte”, die overeenkomstig de X-7615 en 7778-3/20 bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen is in industriegebied. De voormelde verzoekende partij heeft in het betreffende industriegebied 27 ha eigendom, waarvan het park “Valois” 7,5 ha beslaat. De gronden ten zuiden van en grenzend aan dit industriegebied, in de richting van en zich uitstrekkend tot aan de Schelde, hebben de gewestplanbestemmingen valleigebied en industriegebied. 2.
- Teneinde te kunnen voldoen aan haar uitbreidingsplannen, vraagt de voormelde verzoekende partij aan het gemeentebestuur van de verzoekende partij sub I op 18 april 1990 om een uitbreiding van het industriegebied naar het zuiden toe, middels de omzetting van valleigebied en natuurgebied in industriegebied, enerzijds, en de omzetting van een deel van het bestaande industriegebied, namelijk het park Valois, in de bestemming parkgebied, anderzijds. In een motivatienota, geactualiseerd op 28 februari 1995, stelt de verzoekende partij sub II het volgende : “De bedoeling van de aanvraag van OmniChem is, in afwijking van de beschikkingen van het Gewestplan, het scheppen van de nodige uitbreidingsmogelijkheid van het bedrijf. Hiertoe is OmniChem bereid de huidige bestemming ‘industriegebied’ van het park ‘Valois’ te wijzigen naar ‘parkgebied’. Ter compensatie van het aldus ontstane verlies van 7,48 ha industriegebied, vraagt OmniChem een bestemmingswijziging van het aanpalende gebied van 11ha, eigendom van het bedrijf en momenteel volgens de beschikkingen van het Gewestplan als valleigebied bestemd, naar industriegebied en bufferzone, respectievelijk 6,9 ha en 4,1 ha”. 2.
- Ingevolge de voormelde vraag besluit de gemeenteraad van de verzoekende partij sub I om de procedure tot het opmaken van een bijzonder plan van aanleg op te starten en gaat zij over tot het aanstellen van een ontwerper. Er wordt in mei 1991 een voorontwerp 1 opgemaakt waarin een gedeelte valleigebied en natuurgebied wordt omgezet naar industriegebied, en een gedeelte industriegebied, te weten het Valois-park, naar parkgebied. 2.
- In een advies van 29 mei 1991 van het Instituut voor Natuurbehoud over het voormelde voorontwerp 1 wordt de “ruil” van parkgebied voor valleigebied geen goede zaak genoemd en wordt gesteld dat de aantasting van het valleigebied dient te worden vermeden. X-7615 en 7778-4/20 2.
- De gemeentelijke commissie van advies bespreekt het voorontwerp 1 op 27.06.
- Een plenaire vergadering wordt gehouden op 3 juli
- Tevens worden over het voorontwerp de volgende schriftelijke adviezen verstrekt : - De dienst Natuurbescherming van de administratie AMINAL verleent op 2 juli 1991 een ongunstig advies. - De dienst Groen van de administratie AROHM Dienst Groen laat op 24 juni 1991 weten geen opmerkingen te hebben. 2.
- Op 2 augustus 1991 wordt een bijkomende plenaire vergadering gepland op aandringen van de vertegenwoordiger van het Instituut voor Natuurbehoud, met het oog op het nagaan van een alternatieve uitbreiding van het industriegebied in westelijke richting. De verzoekende partij in de zaak sub I stelt een aanvullende nota met het oog op deze vergadering op, waarin zij betoogt dat een uitbreiding in westelijke richting niet kan. 2.
- Met een tweede aanvullende nota van 1 oktober 1991, aansluitend op de vergadering van 2 augustus 1991, brengt de verzoekende partij in de zaak sub I zes varianten voor een voorontwerp naar voor. Deze zes varianten worden ter advies voorgelegd aan de gemeentelijke Landelijke Raad, die op 20 oktober 1991 opteert voor het voorontwerp
- Het Instituut voor Natuurbehoud en de Dienst Natuurbescherming en -ontwikkeling verzetten zich in hun gezamenlijk advies van 27 oktober 1991 tegen elk voorstel dat de vallei aantast. Het bestuur Landinrichting en Beheer, dienst Ordening Platteland van de administratie AMINAL spreekt zich in haar advies van 7 november 1991 in eerste orde uit tegen de uitbreiding en acht in tweede orde alleen de voorstellen 1 tot 3, die de vallei tot industrieel gebied bestemmen, aanvaardbaar. 2.
- Teneinde tegemoet te komen aan de bezwaren van het Instituut voor Natuurbehoud, wordt op 10 februari 1993 een “voorontwerp 1bis” opgemaakt, dat in essentie op twee punten afwijkt van het voorontwerp 1, namelijk het natuurgebied wordt buiten het BPA gelaten en de zone voor buffergroen wordt uitgebreid. X-7615 en 7778-5/20 2.
- Op 24 februari 1993 stuurt de verzoekende partij sub I het voorontwerp 1bis naar de administraties AMINAL en AROHM en vraagt daarin het volgende : “Alvorens de definitieve procedure voor het bpa aan te vangen, vragen wij u het aangepast voorontwerp aan de bevoegde minister met gunstig advies te willen overmaken, met het oog op het bekomen van een voor dit dossier positieve beleidsbeslissing”. 2.
- Bij brief van 31 januari 1995 antwoordt de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening wat volgt : “In aansluiting met de vergadering van 23 januari ll. en na contact met mijn administratie ruimtelijke ordening kan ik bevestigen dat het B.P.A. nr. 15 Stookte nog niet ter goedkeuring werd voorgelegd aan het bestuur ruimtelijke ordening. Door de gemeente dient de procedure hervat met een voorlopige aanvaarding. Inzake het advies van de administratie Milieu, Natuur en Landinrichting laat ik U in bijlage een afschrift geworden van het schrijven dat de Heer A. Denteneer mij op 28/5/93 liet geworden. Ik mag veronderstellen dat dit standpunt toen ook reeds aan de gemeente werd overgemaakt”. Het advies van de administratie AMINAL waar het voormelde schrijven naar verwijst, was ongunstig ten aanzien van het voorontwerp 1bis. 2.
- In zitting van 31 augustus 1995 beslist de gemeenteraad van de verzoekende partij sub I het BPA nr. 15, te weten het voorontwerp nr. 1bis, voorlopig te aanvaarden en besluit hij tot de organisatie van het openbaar onderzoek. 2.
- Het openbaar onderzoek vindt plaats van 25 september 1995 tot en met 25 oktober
- Er worden 38 bezwaren ingediend. 2.
- Bij brief van 3 januari 1996 vraagt de verzoekende partij sub I opnieuw advies aan de diverse overheden. 2.
- Bij brief van 30 januari 1996 antwoordt de administratie AROHM op de vraag voor advies wat volgt : “In antwoord op uw vraag heb ik de eer u mede te delen dat in toepassing van artikel 20 van de wet de adviesverlening geschiedt voorafgaand aan de voorlopige aanvaarding van het bestemmingsplan. Het lijkt bijgevolg op het X-7615 en 7778-6/20 huidig ogenblik niet langer opportuun het dossier inhoudelijk te evalueren gelet op de voorlopige aanvaarding ervan in de gemeenteraad van 31 augustus 1995 en het feit dat het openbaar onderzoek reeds werd gehouden”. 2.
- De gemeentelijke commissie van advies bespreekt het ontwerp op 12 maart
- 2.
- In zitting van 21 maart 1996 beslist de gemeenteraad van de verzoekende partij sub I tot de definitieve aanvaarding van het BPA. Dit laatste voorziet in de omzetting van 13,6 ha van de door het gewestplan Gentse en Kanaalzone voorziene bestemming valleigebied in 6,7 ha “bufferzones, waterlopen, openbaar domein” en 6,9 ha “industriegebied” en in de bestemming van 7,5 ha industriegebied tot “parkzone”. 2.
- Op 25 april 1996 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een gunstig advies uit. 2.
- De afdeling ROHM Oost-Vlaanderen brengt op 18 april 1996 een ongunstig advies uit ten aanzien van haar hoofdbestuur, waarin acht procedurebezwaren worden opgeworpen, o.a. dat de weerlegging van de bezwaren op een weinig ernstige manier gebeurde. Voorts wordt onder meer gesteld dat er niet voldaan wordt aan de rechtspraak van de Raad van State inzake de mogelijkheid om middels een BPA af te wijken van een gewestplan, dat 21 ha een andere bestemming geven geen “kleinigheden” zijn, dat er onvoldoende is aangetoond dat de bestemming achterhaald zou zijn en er geen realisatienoodzaak is voor het BPA. 2.
- In een nota van 17 juni 1996 brengt het voormelde hoofdbestuur een gedeeltelijk gunstig advies uit aan de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, waarin wordt voorgesteld dat “de minister het BPA slechts goedkeurt wat betreft de omzetting van industriegebied in parkgebied en dus het BPA niet goedkeurt wat betreft het deel dat voorziet dat valleigebied omgezet wordt in industriegebied”. 2.
- Op 28 juni 1996 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening tot goedkeuring van het BPA nr. 15 “Uitbreiding industriezone Stookte”, “met uitzondering van het met een blauwe rand omzoomde gedeelte van het bestemmingsplan (het gedeelte valleigebied) en de met een blauwe rand omzoomde bijhorende teksten van de stedenbouwkundige voorschriften”. X-7615 en 7778-7/20 Dit is het bestreden besluit, waarin het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat het betrokken plangebied is gesitueerd tussen de Schelde en het bestaande industriegebied Stookte; dat het plangebied op het vigerende gewestplan deels werd (deel geplande uitbreiding industriegebied) bestemd tot valleigebied en deels tot industriegebied (deel voorgesteld tot zone voor privaat park); Overwegende dat luidens de toelichtingsnota het gemeentebestuur, op initiële vraag van een bedrijf (Omnichem), streeft naar een bestemmingswijziging van een valleigebied naar industriegebied en de omvorming van een deel industriegebied naar een parkgebied (bestaand); dat deze operatie wordt voorgesteld als een ruiloperatie; Overwegende dat evenwel dient opgemerkt te worden dat in de toelichting bij het dossier wordt gesteld dat het in beide gevallen om bestemmingswijzigingen van het gewestplan gaat; dat aangaande deze problematiek evenwel kan gesteld worden dat volgens het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan de industriegebieden steeds een bufferzone bevatten; Overwegende dat de bestemming parkgebied bijgevolg als complementair aan de bestemming van het gewestplan kan worden beschouwd en niet als afwijkend dient aanzien; dat deze redenering reeds meermaals werd aangehouden naar aanleiding van het bestemmen tot groene ruimten in bijzondere plannen van aanleg van gebieden die op het gewestplan als woongebied zijn vastgelegd; dat bijgevolg de voorgestelde compensatietheorie niet langer kan verdedigd worden en feitelijk wordt ingestemd met de in de verschillende adviezen en de bezwaarschriften aangehaalde argumentatie dat slechts sprake is over een ruil op papier; Overwegende dat, gelet op de problematiek van het bijzonder plan van aanleg, het advies van de afdeling Natuur uitermate ernstig in overweging dient genomen; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat ten aanzien van de voorgestelde bestemmingswijziging van valleigebied tot industriegebied, dit advies steeds negatief was en verschillende malen werd bevestigd; dat bovendien de elementen die in de verantwoordingsnota werden opgenomen tot motivering van de bestemmingswijziging volgens de drie voorwaarden van het advies van de Raad van State ter zake niet kunnen worden aangenomen; dat de argumentatie waarbij de bestaande bestemming valleigebied als achterhaald wordt beschouwd niet kan worden bijgetreden, noch de verantwoording van de nieuwe bestemming industriegebied; Overwegende dat het betreffende plangebied deel uitmaakt van het (groter) valleigebied van de Schelde; dat het wijzigen van de bestemming valleigebied naar industriegebied een aantasting betekent van deze open ruimte; dat het doorvoeren van deze optie bovendien een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor de natuurwaarden van het eraan palende natuurgebied ‘De Ham’; dat in het kader van de inzichten zoals ze thans in het kader van het structuurplan Vlaanderen worden ontwikkeld, het behouden van de natuurlijke structuren als ruggegraat van het landschap behoort tot de taakstelling van het Vlaamse Gewest; dat dit niet alleen impliceert dat het voorgestelde bijzonder plan van aanleg principieel indruist tegen het vastgelegde principe, doch tevens dat het aangewezen instrument om in deze gebieden bestemmingswijzigingen door te voeren (eerder in omgekeerde zin) dient te geschieden middels een gewestplanwijziging en niet met een bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat verder uit de stukken van het dossier blijkt dat het zinvol is het bestaande parkgebied als dusdanig te bestemmen en het op deze wijze te X-7615 en 7778-8/20 beschermen; dat het parkgebied op deze wijze een bufferende functie vervult van het bestaande industriegebied naar het valleigebied van de Schelde; dat met deze optie kan worden ingestemd; Overwegende dat niet kan worden ingestemd met de motivatie waarbij de bezwaarschriften werden weerlegd; dat uit de stukken van het dossier niet kan worden afgeleid of de bezwaarschriften bij de bespreking van het dossier in de gemeentelijke commissie van advies in overweging werden genomen; dat in de notulen van deze vergadering in elk geval geen elementen van weerlegging voorkomen; dat los van het procedureel aspect van deze problematiek kan worden gesteld dat de motivatie waarmee de bezwaarschriften werden verworpen, in het kader van wat thans onder behoorlijk bestuur wordt begrepen, minstens als uiterst summier en tendentieus kan worden bestempeld; dat deze bezwaarschriften allemaal betrekking hebben op het plandeel waarbij de bestemmingswijziging van valleigebied naar industriegebied wordt voorgesteld; Overwegende dat in de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve aanvaarding van het bijzonder plan van aanleg wordt verwezen naar de uitgebrachte adviezen van de vermelde instanties; dat bij de opsomming van deze lijst niet wordt verwezen naar de data van deze uitgebrachte adviezen; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat feitelijk wordt verwezen naar de adviezen uitgebracht naar aanleiding van een adviesaanvraag van 3 januari 1996; dat door de afdeling Ruimtelijke Planning aan het gemeentebestuur bij brief van 30 januari 1996 werd medegedeeld dat in toepassing van artikel 20 van de stede(n)bouwwet de adviesverlening diende te geschieden voorafgaand aan de voorlopige aanvaarding van het bestemmingsplan; dat door het provinciebestuur en de buitenafdeling ROHM te Gent tevens in die zin werd geantwoord; dat uit de vermelding ‘geen’ bij de rubriek ‘uitgebracht advies’ in de gemeenteraadsbeslissing niet kan worden afgeleid als zouden deze adviezen ‘gunstig’ zijn bij ontstentenis van een advies; dat bijgevolg dient teruggegrepen naar de eerder uitgebrachte adviezen die in de loop van de procedure werden uitgebracht op de plenaire vergaderingen”.
- Het beroep in de zaak sub I (A. 75.279) 3.
- De ontvankelijkheid van het beroep 3.1.
- De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 3.1.1.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep ratione temporis op : “Het Ministerieel Besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij BPA nr. 15 ‘uitbreiding industriezone Stookte’ van de gemeente Wetteren gedeeltelijk werd goedgekeurd, werd aan het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Wetteren betekend bij schrijven van 25 juli
- Het Ministerieel Besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juli
- X-7615 en 7778-9/20 Het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend door de gemeente Wetteren werd neergelegd binnen de termijn van 60 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Wetteren had evenwel reeds kennis van het bestreden besluit bij schrijven van 25 juli
- Rekening houdend met deze vertrekdatum, werd het verzoekschrift tot nietigverklaring van 8 augustus 1997 ingediend buiten de termijn van 60 dagen. Waar verzoekende partij in haar verzoekschrift aangeeft dat ‘het annulatieberoep ingesteld wordt binnen de 60 dagen na de kennisname van het besluit door verzoekster’, is het verzoekschrift tot nietigverklaring laattijdig”. 3.1.1.
- Beoordeling De verzoekende partij werd bij brief van 25 juli 1996 van de afdeling Ruimtelijke Planning van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen in kennis gesteld van het feit dat bij ministerieel besluit van 28 juni 1996 een beslissing werd genomen en dat “een exemplaar van dit besluit (samen met het plan) en de administratieve stukken (u) door de diensten van de heer gouverneur (zullen) worden toegezonden overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 van de wet op de stedenbouw en de ruimtelijke ordening”. Alleen de door de wet voorziene kennisgeving doet de beroepstermijn bedoeld in artikel 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingaan. De voormelde brief kondigt de wettelijk voorziene kennisgeving van het besluit aan en doet de beroepstermijn niet aanvangen. De verwerende partij toont de laattijdigheid van het beroep niet aan. De exceptie is ongegrond. 3.1.
- De ontvankelijkheid van het beroep wat het vereiste belang betreft 3.1.2.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op : “Bij Ministerieel Besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, werd het BPA nr. 15 ‘uitbreiding industriezone Stookte’ van de gemeente Wetteren gedeeltelijk goedgekeurd, met dien verstande dat de omvorming van het valleigebied naar industriezone werd uitgesloten. Verzoekende partij houdt voor dat, vermits de thans bestreden beslissing minstens impliciet een weigering tot goedkeuring inhoudt van een belangrijk X-7615 en 7778-10/20 gedeelte van het door verzoekster aangenomen BPA, zij bijgevolg over een evident belang beschikt om de nietigverklaring van deze beslissing te vorderen. Op zich kan dit juist zijn, weze het dat verzoekende partij het belang van de gemeente Wetteren gelijkstelt met het belang van de particulier, in casu de NV Omnichem. In het verzoekschrift tot nietigverklaring geeft de gemeente zelf aan dat door de afwijzing van de omvorming van het valleigebied naar industriezone ‘hierdoor de mogelijkheid om in het bewuste parkgebied (vroeger : industriegebied) een fabriek op te starten nihil’. Het is een gekend gegeven dat hiermede de uitbreiding van de NV Omnichem wordt bedoeld. In zoverre het gemeentelijk belang gelijkgesteld wordt met het particulier belang van NV Omnichem, wordt niet voldaan aan het rechtens vereiste belang”. 3.1.2.
- Beoordeling De verzoekende partij heeft een eigen, van de n.v. Omnichem onderscheiden, belang om op te komen tegen het voorliggende besluit, dat de door haar gewenste ordening van haar grondgebied verhindert. De exceptie is niet gegrond. 3.
- De gegrondheid van het beroep - vierde middel 3.2.
- Standpunt van de partijen 3.2.1.
- In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur”, “het redelijkheidsbeginsel” en “het zorgvuldigheidsbeginsel” : “4.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat het bestuur haar beslissing op een zorgvuldige manier dient voor te bereiden. In casu heeft de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening duidelijk het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Zij heeft immers een BPA goedgekeurd (zij het gedeeltelijk) hoewel zij duidelijk in haar besluit blijk geeft kennis te hebben van tal van onwettelijkheden (niet motiveren van verwerping bezwaarschriften, schending procedureregels inzake adviezen ed.) waarmee de beslissing van de gemeenteraad behept was. Anderzijds stelt zij dat het ontbreken van adviezen geenszins kan gelijkgesteld worden met het verlenen van een gunstig advies, daar waar de wet uitdrukkelijk het tegenovergestelde voorschrijft. Bij het nemen van de bestreden beslissing werd duidelijk een inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel begaan. Ook keurde de Vlaamse Minister het BPA gedeeltelijk goed zonder hierbij rekening te houden met de essentie van het door de gemeenteraad definitief aanvaarde plan van aanleg. X-7615 en 7778-11/20 Dit plan bestond er in essentie duidelijk in dat verzoekster bereid was een gedeelte van de op haar grondgebied voorziene industriezone op te offeren aan parkzone, op voorwaarde dat door de gemeenteraad voor verzoekster evenzeer essentieel geachte belangen gevrijwaard werden door anderzijds de betrokken industriezone uit te breiden. Uit niets kan blijken dat de gemeenteraad het ene belang boven het andere zou verkozen hebben, en dat het met enig BPA zijn akkoord zou betuigd hebben, indien het niet de noodzakelijk geachte compensatie tussen beide belangen vertoond had. De bestreden beslissing stelt zich hier in de plaats van de gemeenteraad van verzoekster, hetgeen in de voorliggende omstandigheden minstens een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur uitmaakt. Het bestreden besluit geeft trouwens nergens blijk van het feit dat ook maar op enigerlei wijze rekening werd gehouden met de noodzaak voor de gemeente Wetteren om over een minimum aan industriezone te beschikken. Er kan eerder aangenomen worden dat de gemeenteraad niet tot enig BPA bereid zou geweest zijn, indien dit alleen maar een inkrimping van de industriezone op het grondgebied van de gemeente tot gevolg had gehad. De bestreden beslissing kan verzoekster geen BPA opdringen, dat verzoekster zelf niet gewild heeft. Na vaststelling van de onregelmatigheden in de procedure tot aanneming van het BPA diende de Vlaamse minister -in het kader van het behoorlijk bestuur waartoe hij gehouden wordt en in redelijkheid- het volledige BPA af te keuren daar waar thans de volledige achtergrond van de totstandkoming van het BPA en de voorafgaandelijke onderhandelingen en gesprekken dienaangaande, tot niets worden herleid. Ofwel had de Vlaamse minister dienen te oordelen dat de onregelmatigheden niet essentieel of op straffe van nietigheid voorgeschreven waren, en had hij deze minstens niet als middel kunnen inroepen om het BPA gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet goed te keuren. In feite keurt de beslissing thans een BPA goed, dat nooit door de gemeenteraad werd goedgekeurd, en zonder rekening te houden met die elementen, die voor de gemeenteraad essentieel leken in het door haar goedgekeurde BPA. Het vierde middel is gegrond”. 3.2.1.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : “Verzoekende partij roept de schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur, van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Door een BPA goed te keuren, dat met een aantal onwettelijkheden is behept, heeft de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, althans volgens verzoekende partij, het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Verzoekende partij houdt tevens voor dat de Vlaamse Minister het BPA gedeeltelijk goedkeurde ‘zonder hierbij rekening te houden met de essentie van het door de Gemeenteraad definitief aanvaarde plan van aanleg’. ‘Het bestreden besluit geeft trouwens nergens blijk van het feit dat ook maar op enigerlei wijze rekening werd gehouden met de noodzaak voor de gemeente Wetteren om over een minimum aan industriezone te beschikken’. Zij voegt hieraan toe dat ‘de bestreden beslissing verzoekster geen BPA kan opdringen, dat verzoekster zelf niet gewild heeft’. X-7615 en 7778-12/20 In het bestreden besluit werd op omstandige wijze aangegeven waarom de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening de voorstelling van de vermeende ruiloperatie heeft afgewezen. Planologisch werd wel voorzien in de omvorming van een deel industriegebied naar een bestaand parkgebied, terwijl een valleigebied werd omgevormd tot industriegebied. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat, ook al zou dit volgens de bestemming van het Gewestplan planologisch geen bezwaar hebben kunnen opleveren, het park ‘Kasteel Delvael’ (volgens de bestemming in het Gewestplan behorend tot industriegebied) niet meer in aanmerking kan komen voor de door NV Omnichem beoogde uitbreiding van haar industriële activiteiten. In het verzoekschrift tot schorsing, dat door NV Omnichem werd ingediend met betrekking tot hetzelfde Ministerieel Besluit van 28 juni 1996 (...), geeft het bedrijf zelf aan dat het park wordt beschouwd als ‘waardevol, ook voor de uitstraling van de onderneming’. Het park zou volgens het bedrijf ‘ook een sociale functie bezitten naar de locale bevolking toe en tevens een zekere historische waarde’. Om die reden ‘hebben ondermeer locale overheid en bevolking aangedrongen op het behoud van het park’. Het tot parkgebied omgevormde deel van een industriegebied had dan ook feitelijk reeds haar bestemming van industriegebied verloren. Het geven van een bestemming parkgebied vormt dan ook de bevestiging van de bestaande bufferende functie. Het bestreden besluit acht de bestemming parkgebied ‘als complementair aan de bestemming van het Gewestplan’ en overweegt dat ‘verder uit de stukken van het dossier blijkt dat het zinvol is het bestaande parkgebied als dusdanig te bestemmen en het op deze wijze te beschermen; dat het parkgebied op deze wijze een bufferende functie vervult van het bestaande industriegebied naar het valleigebied van de Schelde; dat met deze optie kan worden ingestemd’. Daartegenover staat dat niet hetzelfde kan gezegd worden van de omvorming van een valleigebied tot industriegebied. Volgens de constante rechtspraak van de Raad van State kan bij middel van een BPA worden afgeweken van de bestemmingen vastgelegd in het Gewestplan, tenzij daartoe aan specifieke voorwaarden werd voldaan (...). Voor wat betreft de omvorming van deel valleigebied in industriegebied, werd dit principe van het verbod tot afwijking door middel van een BPA miskend. Wanneer in een BPA meerdere afwijkingen worden voorgesteld, dan moeten in zoverre het reële afwijkingen betreffen, de voorwaarden tot afwijking aanwezig zijn voor elke bestemmingswijziging. Dit zou niet alleen het geval zijn voor de omvorming van het industriegebied naar het bestaande parkgebied, doch eveneens voor de omvorming van het valleigebied naar industriegebied. ‘Overwegende dat het betreffende plangebied deel uitmaakt van het (groter) valleigebied van de Schelde; dat het wijzigen van de bestemming valleigebied naar industriegebied een aantasting betekent van deze open ruimte; dat het doorvoeren van deze optie bovendien een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor de natuurwaarden van het eraanpalende natuurgebied ‘De Ham’; dat in het kader van de inzichten zoals ze thans in het kader van een structuurplan Vlaanderen worden ontwikkeld, het behouden van de natuurlijke structuren als ruggegraat van het landschap behoort tot de taakstelling van het Vlaamse Gewest ; dat dit niet alleen impliceert dat het voorgestelde bijzonder plan van aanleg principieel indruist tegen het vastgestelde principe, doch tevens dat het aangewezen instrument om in deze gebieden bestemmingswijzigingen door te voeren (eerder in omgekeerde zin) dient te geschieden middels een X-7615 en 7778-13/20 gewestplanwijziging en niet met een bijzonder plan van aanleg;’ (cfr. bestreden besluit). Voor de omvorming van valleigebied naar industriegebied kan onmogelijk worden voorgehouden dat de bestemming valleigebied zou achterhaald zijn. Het is een feitelijk Scheldevalleigebied. Dit gebied moet niet verwezenlijkt worden tot valleigebied, het is er één. Uit geen enkele motivering of element van het dossier kan blijken dat het valleigebied achterhaald zou zijn of dat die groene openheid, zoals in het Gewestplan voorzien is langs de Schelde, wegens economische of bevolkingsredenen geen nut meer zou hebben. Het is niet omdat een bestaande industriezone (in het BPA omgevormd tot parkgebied) zou achterhaald zijn om redenen eigen aan de zone, dat men kan stellen dat er een noodzaak is tot bestemmingswijziging op het gebied ernaast. De uitspraken over het achterhaald zijn moeten voortvloeien uit de kenmerken van dat gebied zelf. Het kan niet ernstig betwist worden dat het valleigebied niet achterhaald is. Geen wetsbepaling verhindert de bevoegde minister om in voorkomend geval slechts tot een gedeeltelijke goedkeuring van het voorgelegde bijzonder plan van aanleg over te gaan. In tegenstelling met de omvorming valleigebied naar industriegebied, wordt in het bestreden besluit het standpunt bijgetreden dat een bestemming parkgebied aan de feitelijke bestaande parkbestemming tegemoetkomt en hiermede de bufferende functie bevestigd. De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, kon slechts tot deze beslissing komen door een zorgvuldig onderzoek van het door de Gemeenteraad van de Gemeente Wetteren definitief aanvaarde BPA. Het valt dan ook niet in te zien op grond waarvan de in dit middel ingeroepen beginselen door het bestreden besluit zouden zijn geschonden. Het middel is dan ook ongegrond”. 3.2.1.
- De verzoekende partij dupliceert in haar memorie van wederantwoord wat volgt : “
- Verzoekster wierp terecht op dat de Vlaamse minister het BPA gedeeltelijk heeft goedgekeurd zonder daarbij rekening te houden met de essentie van het door de gemeenteraad definitief aanvaarde plan van aanleg. Dit plan bestond er in essentie duidelijk in dat verzoekster bereid was een gedeelte van de op haar grondgebied voorziene industriezone op te offeren aan parkzone, op voorwaarde dat door de gemeenteraad voor verzoekster evenzeer essentieel geachte belangen gevrijwaard werden door anderzijds de betrokken industriezone uit te breiden. Uit niets kan blijken dat de gemeenteraad het ene belang boven het andere zou verkozen hebben, en dat het met enig BPA zijn akkoord zou betuigd hebben, indien het niet de noodzakelijk geachte compensatie tussen beide belangen vertoond had. Het tegendeel blijkt uit het feit dat de gemeenteraad besliste om onderhavige procedure te voeren. Verzoekster heeft dan ook terecht gesteld dat de Vlaamse minister zich in de bestreden beslissing in de plaats van de gemeenteraad van verzoekster gesteld heeft, hetgeen in de voorliggende omstandigheden minstens een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur uitmaakt.
- Verweerster ontwijkt in essentie het door verzoekster ingeroepen middel. X-7615 en 7778-14/20 Verweerster put zich uit in argumenten om te verantwoorden waarom de uitbreiding van de industriezone niet kon goedgekeurd worden. Daarmee ontwijkt zij de kern van het door verzoekster ingeroepen middel. Verzoekster werpt immers op dat indien de uitbreiding van de industriezone niet kon goed gekeurd worden, die vaststelling diende te leiden tot de niet goedkeuring van het ganse BPA, en niet kon leiden tot wat in feite de goedkeuring is van een BPA dat de gemeenteraad nooit gewild heeft. Dit geldt minstens in casu waar uit het ganse dossier bleek dat beide gedeelten van het BPA (omzetting industriegebied in parkgebied en anderzijds uitbreiding van het industriegebied) voor de gemeente essentieel met elkaar verbonden waren. Een enkele omzetting van een gedeelte van het industriegebied in parkgebied, vormt in essentie een BPA dat de gemeenteraad nooit heeft aangenomen.
- Overeenkomstig art. 12 van het Coördinatiedecreet is het de gemeente en niet de Vlaamse minister die de bevoegdheid heeft om de bijzondere plannen van aanleg aan te nemen. De Vlaamse minister heeft hier zonder meer deze wetsbepaling omzeild, door via de gedeeltelijk goedkeuring van het BPA een BPA in voege te laten treden, zoals dit voor hem of zijn diensten wenselijk was. De Vlaamse minister schendt daardoor minstens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij heeft geen bevoegdheid om bijzonder plannen van aanleg aan te nemen, laat staan om deze op te dringen aan gemeente. Als een BPA, zoals door de gemeenteraad definitief aanvaard, niet kan goedgekeurd worden, dient dit zonder meer in zijn geheel verworpen. Het is niet aanvaardbaar dat de Vlaamse minister onder het mom van een gedeeltelijke goedkeuring, een gewijzigd, en uiteindelijk totaal verschillend BPA aanneemt (waartoe hij de bevoegdheid zelfs niet heeft) en aan de gemeente opdringt. Dat dit BPA totaal verschillend is van datgene dat de gemeenteraad definitief had aangenomen, is duidelijk - in het door de gemeenteraad van de gemeente Wetteren aangenomen BPA werd de industriezone binnen de gemeente Wetteren zelfs licht uitgebreid; - in het door de Vlaamse minister aangenomen BPA (onder het mom van een gedeeltelijke goedkeuring) wordt deze industriezone zonder meer met ca 7,5 ha verminderd. Er kan aanvaard worden dat een BPA gedeeltelijk wordt goedgekeurd, wanneer dit in essentie nog overeenstemt met de oorspronkelijke bedoeling van de gemeenteraad. Dit kan evenwel niet meer aanvaard worden, wanneer na de gedeeltelijk goedkeuring enkel een BPA overblijft, dat essentieel verschilt van datgene dat bedoeld was door de gemeenteraad.
- Door de bevoegdheid tot het aannemen van bijzondere plannen van aanleg toe te vertrouwen aan de gemeenten, heeft de wet(decreet)gever een duidelijke keuze gemaakt, waar de Vlaamse minister zich dient bij neer te leggen. Hij kan zijn inzichten omtrent een BPA (of deze van de verschillende adviserende instanties) niet in de plaats stellen van deze van de gemeenteraad. Voor zover de inzichten van de gemeenteraad omtrent een BPA niet aanvaardbaar zijn, kan de minister dit alleen niet goedkeuren. Hij kan niet van de gelegenheid gebruik maken om zelf een BPA aan te nemen overeenkomstig zijn inzichten, of zelfs deze van alle adviserende instanties. Dit strookt niet met de bedoeling van de wetgever : de bevoegdheid om een BPA aan te nemen ligt bij de gemeente, en niet bij de Vlaamse minister en/of de ter zake adviserende instanties”. X-7615 en 7778-15/20 3.2.1.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog wat volgt : “
- In het auditoraatsverslag wordt het vierde middel met een ‘ambtshalve redenering’ gegrond verklaard. In het auditoraatsverslag wordt gesteld dat een gedeeltelijke goedkeuring, wanneer de onttrekking van een gebiedsdeel uit een van planologisch oogpunt nochtans als een geheel op te vatten plan betreft, niet mogelijk is ‘vermits de toeziende overheid alsdan niet langer meer een goedkeuringstoezicht uitoefent, doch zich een veel ruimer toezicht aanmatigt, m.n. een dwangtoezicht.’ Verwerende partij herhaalt en benadrukt dat volgens de constante rechtspraak van uw Raad bij middel van een BPA niet kan worden afgeweken van de bestemming vastgelegd in het Gewestplan, tenzij daartoe aan specifieke voorwaarden werd voldaan. Op verzoek van verzoekende partij heeft (...) het BPA-nr. 15, zoals goedgekeurd door de gemeente Wetteren, de bestemmingswijziging van een valleigebied naar een industriegebied en de omvorming van een deel industriegebied naar een bestaand parkgebied tot voorwerp. Het door verzoekende partij bestreden besluit geeft aan dat in toepassing van artikel 7.2.2.
- van het KB van 28 december 1972 een bestemmingsgebied industriezone volgens het Gewestplan steeds bufferzones omvat. In die zin wordt beschouwd dat het bestemmen van het bestaande park tot zone voor privaatpark als onderdeel van het industriegebied als niet-afwijkend van de bestemming van het Gewestplan dient te worden beschouwd. Het bestreden besluit acht de bestemming parkgebied ‘als complementair aan de bestemming van het Gewestplan’ en overweegt dat ‘verder uit de stukken van het dossier blijkt dat het zinvol is het bestaande parkgebied als dusdanig te bestemmen en het op deze wijze te beschermen ; dat het parkgebied op deze wijze een bufferende functie vervult van het bestaande industriegebied naar het valleigebied van de Schelde ; dat met deze optie kan worden ingestemd’. Het geven van een bestemming parkgebied vormt een bevestiging van de bestaande bufferende functie en is dan ook te aanzien als een bijkomende bescherming van deze functie. De omvorming van een valleigebied naar een industriegebied is daarentegen volkomen strijdig met de bestemmingsvoorschriften van het Gewestplan. Voor de omvorming van valleigebied naar industriegebied kan onmogelijk worden voorgehouden dat de bestemming valleigebied zou achterhaald zijn. Het is een feitelijke Scheldevalleigebied. Dit gebied moet niet verwezenlijkt worden tot valleigebied, het is er één. Uit geen enkele motivering of element van het dossier kan blijken dat het valleigebied achterhaald zou zijn of dat die groene openheid, zoals in het Gewestplan voorzien is langs de Schelde, wegens economische of bevolkingsredenen geen nut meer zou hebben. Het is niet omdat een bestaande industriezone (in het BPA omgevormd tot parkgebied) zou achterhaald zijn om redenen eigen aan de zone, dat men kan stellen dat er een noodzaak is tot bestemmingswijziging op het gebied ernaast. De uitspraken over het achterhaald zijn moeten voortvloeien uit de kenmerken van dat gebied zelf. Het kan niet ernstig betwist worden dat het valleigebied niet achterhaald is. Het is niet duidelijk waarom in het auditoraatsverslag beide bestemmingswijzigingen ‘van planologisch oogpunt nochtans als één geheel’ worden beschouwd. De theorie van een ruiloperatie is immers niet aanvaardbaar. In een aanverwante, door N.V. OMNICHEM gevoerde procedure tot nietigverklaring (...) stelde deze verzoekende partij zelf dat ‘een desgevallend gewenste bufferzone evengoed had kunnen bereikt worden door toedoen van X-7615 en 7778-16/20 het door de gemeente opgemaakte bestemmingsplan’. Hiermede bevestigt deze partij zelf dat de voorgestelde zogenaamde ruiloperatie, waarbij in afwijking van de in het Gewestplan vastgelegde bestemmingen een deel industriegebied zou ingeruild worden voor parkgebied en een deel valleigebied zou ingeruild worden voor industriegebied, een verkeerde voorstelling uitmaakt. De ene wijziging wijkt niet af noch van de bestaande toestand noch van de bestemmingsvoorschriften, terwijl de andere wijziging wel een niet te tolereren afwijking van het Gewestplan vormt. Met deze vaststelling treedt de bevoegde Minister geenszins in de plaats van de gemeentelijke overheid, doch wordt de gedeeltelijke onthouding van de goedkeuring op een afdoende wijze gemotiveerd. Anders oordelen zou inhouden dat de in de Stedenbouwwet aan de bevoegde Minister toegekende bevoegdheid enkel zou kunnen vertaald worden in een algehele goedkeuring dan wel in een algehele niet-goedkeuring van het plan van aanleg. Uiteraard kan dat niet de bedoeling zijn van desbetreffende bepalingen uit de Stedenbouwwet.
- Verwerende partij handhaaft dan ook haar standpunt weergegeven in de memorie van antwoord”. 3.2.
- Beoordeling 3.2.2.
- De goedkeuring is de rechtshandeling waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt. De procedure tot aanneming van gemeentelijke plannen van aanleg behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid. Teneinde aan een definitief aangenomen bijzonder plan van aanleg verbindende kracht te verlenen, dient zodanig plan door de Vlaamse regering te worden goedgekeurd. Door de goedkeuring aanvaardt de toezichthoudende overheid de motieven onderliggend aan het goed te keuren besluit waarbij het plan van aanleg definitief is aangenomen. Als maatregel van bijzonder bestuurlijk toezicht, kan een goedkeuring zelf geen inhoudelijke wijzigingen aan een plan aanbrengen. Dergelijke inhoudelijke wijziging zou het gevolg zijn van een gedeeltelijke goedkeuring die de algehele economie van het plan zou aantasten. De schending van deze bevoegdheidsregeling wordt desnoods ambtshalve onderzocht. 3.2.2.
- De verzoekende partij sub I heeft het kwestieuze BPA nr. 15 “Uitbreiding industriezone Stookte” aanvaard na een vraag van de verzoekende partij sub II om middels een bijzonder plan van aanleg de bestemming industriegebied met het oog op een bijkomende bedrijfsvoering uit te breiden. Ten dien einde voorziet het kwestieuze plan in de omzetting van 13,6 ha van de door het gewestplan Gentse en Kanaalzone voorziene bestemming valleigebied in 6,7 ha X-7615 en 7778-17/20 “bufferzones, waterlopen, openbaar domein” en 6,9 ha “industriegebied” en, blijken de gegevens van het dossier, in ruil daarvoor, in de bestemming van 7.5 ha van het industriegebied tot “parkzone”. 3.2.2.
- Door enkel haar goedkeuring te verlenen aan het kwestieuze BPA nr. 15 ‘Uitbreiding industriezone Stookte’ in zoverre dit het deel van de door het gewestplan Gentse en Kanaalzone voorziene bestemming industriegebied tot “parkzone” bestemt, tast het bestreden besluit de algehele economie van het plan aan en wijzigt het derhalve inhoudelijk dit plan, daar de verzoekende partij sub I met de vaststelling van het kwestieuze BPA, in essentie, de uitbreiding van het industriegebied heeft beoogd. De verwerende partij overschrijdt hiermee haar bevoegdheid van toezichthoudende overheid. Het betoog van de verwerende partij dat de omvorming van valleigebied naar industriegebied volkomen strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, terwijl de bestemming parkgebied complementair is aan de bestemming van het gewestplan, noch haar betoog dat de verzoekende partij sub II heeft gesteld dat “een desgevallend gewenste bufferzone evengoed had kunnen bereikt worden door toedoen van het door de gemeente opgemaakte bestemmingsplan”, doen aan het voorgaande afbreuk. 3.2.2.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd.
- Het beroep in de zaak sub II (A. 75.796) Gelet op het bovenstaande is het beroep doelloos geworden. In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 75.279 en A. 75.796 worden gevoegd. X-7615 en 7778-18/20 Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 “Uitbreiding industriezone STOOKTE” van de gemeente Wetteren, bestaande uit een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van het met een blauwe rand omzoomde gedeelte van het bestemmingsplan en van de met een blauwe rand omzoomde bijhorende teksten van de stedenbouwkundige voorschriften. Artikel
- Het beroep wordt in de zaak A. 75.796 verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep in de zaak A. 75.279, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 75.796, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in de vordering tot schorsing in de zaak A. 75.796, bepaald op 123,95 euro komen ten laste van de tussenkomende partij. X-7615 en 7778-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7615 en 7778-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.262 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div