id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.284 Rolnummer: A. 165902/XIV-30917 Zaak: Arrest 194284 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 16/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Fiche Arrest nr 194.284 van 16 juni 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.284 van 16 juni 2009 in de zaak A. 165.902/XIV-30.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 9 september 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 augustus 2005 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 april 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 22 september 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 16 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juni 2009; XIV-30.917-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VANSTEENHUYSE die, loco Advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, beiden van Joegoslavische nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 19 maart 2005 en hebben zich op 21 maart 2005 vluchteling verklaard. 1.
- Op 5 april 2005 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 10 augustus 2005 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 april 2005 tot weigering van verblijf. De eerste bestreden beslissing, genomen ten aanzien van XXX, luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U bent een etnische Albanees uit Carrabreg i Poshtem, gemeente Decan, in Kosovo. Sinds 1990 bent u lid van de Democratische Liga van Kosovo (LDK). Tijdens het gewapend conflict in Kosovo was u actief bij de Gewapende Krachten van de Republiek Kosovo (FARK). U was verantwoordelijk voor de bewapening van uw dorp en stond mee in voor het wapentransport vanuit Albanië naar Kosovo. Tijdens een dergelijk transport in mei 1998 stootte u onderweg op een groep soldaten van het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UÇK) die u de wapens wilde afnemen. Na toestemming van R.H., de commandant van het UÇK, kon u alsnog het wapentransport verderzetten. Tot half augustus 1998 was u actief bij het FARK in Carrabreg. Daarna werd het dorp terug ingenomen door de Serviërs. Op 7 september 1998 leverde u, op bevel van FARK-leider T.Z., uw wapen in. Toen u daarna terug naar huis keerde werd u door de politie opgepakt en een dag en een nacht vastgehouden. Na het losbarsten van de NAVO-bombardementen ging u naar Albanië. Eind juni 1999 keerde u terug naar Kosovo. Na de oorlog werd er u verteld dat u geen aanspraak kon maken op humanitaire hulp. U opende dan maar een kleine winkel. Ex-leden van het UÇK namen XIV-30.917-2/8 evenwel de sleutel van uw winkel af omdat u tijdens het gewapend conflict niet met hen had meegevochten. Zij beschuldigden u er eveneens van zelf naar de Serviërs gestapt te zijn in plaats van opgepakt te zijn. Slechts na twee, drie maanden kreeg u uw sleutel terug. U diende evenwel uw winkel uit te baten in naam van uw broer om met rust gelaten te worden. In het najaar van 2001 legden onbekenden ’s nachts een handgranaat tussen de koopwaar van uw winkel. ’s Morgens merkte u dit op en lichtte meteen UNMIK en de KFOR in. Zij kwamen ter plaatse en hebben de granaat laten ontploffen. Later werden twee of drie keer goederen uit uw winkel gestolen. U bent ervan overtuigd dat het de bedoeling was uw zaak kapot te krijgen. Uiteindelijk besloot u het op te geven en liet u uw zaak over aan uw vader en uw broer. Zij hebben de winkel verder uitgebaat zonder ooit problemen gekend te hebben of tegengewerkt te worden. Op 5 januari 2003 ging u naar de begrafenis van T.Z.. Diezelfde avond werd er een hooimijt in de buurt van uw woning in brand gestoken door enkele gemaskerde personen. Zij zeiden dat zij dit gedaan hadden omdat u had deelgenomen aan de begrafenis van T.Z. en omdat u niet akkoord ging met het UÇK. Zij vroegen u ook tot het AKSH toe te treden. U wist niet wat zij hiermee bedoelden. Uit angst hebt u geen klacht neergelegd tegen hen. Een jaar later, op 5 januari 2004, nam u deel aan de herdenkingsceremonie voor T.Z.. Daarna werd opnieuw het hooi naast uw huis in brand gestoken. U hebt ermee gedreigd op de daders te schieten. Daarop lieten zij een projectiel achter uw woning ontploffen. De volgende ochtend vond u een brief waarin stond geschreven dat heel uw gezin zou vermoord worden indien u naar de politie zou stappen. In januari 2005 ging u opniew naar een herdenkingsceremonie. Deze keer werd er geen brand gesticht. In maart 2005 bood R.H. zich aan aan het oorlogstribunaal in Den Haag. Twee dagen later kwamen er ’s nachts drie gemaskerde personen naar uw woning. Zij dreigden ermee u te vermoorden als R.H. zou veroordeeld worden. Zij beweerden dat u tegen hem getuigd had. U hebt geen klacht neergelegd bij de autoriteiten over dit incident daar u meende dat dit toch geen gevolg zou teweegbrengen. De daders van het eerste incident waarbij een granaat gevonden werd, waren immers nog steeds niet gevonden. U hebt Kosovo verlaten op 14 maart 2005 en bent op 19 maart 2005 in België aangekomen. Op 21 maart 2005 hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U was in het bezit van uw identiteitskaart van UNMIK en uw rijbewijs van UNMIK. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u een attest van lidmaatschap van de LDK neer en een attest van de United Nations Interim Administration in Kosovo (UNMIK) over het incident met de granaat. B. Motivering Wat betreft uw verklaring dat er in het najaar van 2001 een granaat werd aangetroffen voor uw winkel, dat u toen meteen de Kosovo Force (KFOR) en politie van de UNMIK op de hoogte gebracht zou hebben en dat de KFOR-ontmijningsdienst dit explosief tot ontploffing zou gebracht hebben (cfr. gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 41 en gehoorverslag CGVS, blz. 7) dient vooreerst te worden opgemerkt dat het opmerkelijk is dat er in de door het Commissariaat-generaal geraadpleegde bronnen over dit incident echter niet de minste verwijzing werd teruggevonden. Informatie hieromtrent werd in bijlage in het administratief dossier toegevoegd. In dit verband is het bovendien ook opvallend dat het attest van de UNMIK dat u hebt neergelegd, behalve de vondst van het springtuig op 21 december 2001 tevens melding maakt van het gegeven dat er reeds op 27 november 2001 een strafrechtelijk dossier tegen onbekenden werd opgestart. Van dit laatste gegeven hebt u in uw opeenvolgende verklaringen evenwel niet de minste melding gemaakt. Voorts levert het document in kwestie (op naam van uw broer) geen uitsluitsel met betrekking tot de reden van het incident. Wat er ook van zij, u hebt niet aannemelijk gemaakt dat u uw land van herkomst hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Conventie van Genève, of dat u zich alsnog op een desbedoelde vrees kan beroepen in geval van een eventuele terugkeer naar Servië-Montenegro. Uit uw verklaringen (of uit het door u neergelegde document van de UNMIK) blijkt immers niet dat u geen beroep kon doen op hulp of bescherming bij de lokale of internationale autoriteiten, aanwezig in de provincie Kosovo. U verklaarde dat u zich de laatste jaren niet meer tot de autoriteiten hebt gewend omdat een klacht toch geen resultaat zou opleveren (gehoorverslag CGVS, blz. 10). Nochtans blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier, dat de veiligheidssituatie in de gemeente Decan stabiel is en dat de politiediensten van XIV-30.917-3/8 UNMIK, de KFOR en de Kosovo Police Service (KPS) de naleving van de wetten handhaven en afdwingen. Daarenboven blijkt uit niets dat u zich niet elders in Kosovo had kunnen vestigen om eventuele problemen met een aantal lokale burgers te Decan uit de weg te gaan. Het door u neergelegde attest van lidmaatschap van de LDK is niet van die aard bovenstaande appreciatie te wijzigen. Uw lidmaatschap van deze partij werd door mij immers nooit in twijfel getrokken. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat ik in het kader van uw zus L. (O.V. 4.866.508), die reeds sedert 1999 in België verblijft, tevens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen heb. Het gegeven dat ik in hoofde van uw zus A. (O.V. 4.845.926) een beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling heb genomen, doet geen afbreuk aan bovenstaande beslissing. Zij steunde haar asielaanvraag immers op andere asielmotieven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...).”. De tweede bestreden beslissing, genomen ten aanzien van XXX, luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U bent een etnisch Albanese uit Kosovo. Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op de motieven die terzake door uw echtgenoot, XXX, werden uiteengezet. U was in het bezit van uw identiteitskaart van UNMIK. B. Motivering Aangezien ik in hoofde van uw partner, in het kader van zijn asielaanvraag, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen, kan ten aanzien van u bijgevolg evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambsthalve op te werpen door de Raad van State , werpen verzoekers de volgende middelen tot nietigverklaring op : - Schending van de artikelen 2 + 3 wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; schending van de artikelen 52,62 en 63/2 van de Vreemdelingenwet + schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. XIV-30.917-4/8 Ten onrechte bevestigde het CGVS de beslissing dd. 05/04/2005 van de Algemene Dienst Vreemdelingenzaken waarin verkeerdelijk wordt gesteld dat verzoekers asielrelaas niet beantwoordt aan de criteria van de Conventie van Genève. De asielaanvraag van verzoekers is gebaseerd op het feit dat zij vrezen dat eerste verzoeker het slachtoffer zal worden van een aanslag op zijn persoon door ex-leden van het UCK. Deze laatsten nemen het eerste verzoeker kwalijk dat hij geweigerd had om met hen samen te werken. Bovendien wordt eerste verzoeker door diezelfde personen ervan beschuldigd te hebben samengewerkt met de Serviërs. Tenslotte wordt eerste verzoeker ervan beschuldigd dat hij zou getuigd hebben tegen R.H.; die zich in maart 2005 had aangeboden bij het oorlogstribunaal in Den Haag. Het CGVS stelt het incident in het najaar van 2001 met de granaat ten onrechte in vraag. Het is niet omdat het CGVS geen concrete informatiegegevens heeft kunnen terugvinden hieromtrent, dat dit voorval zich niet zou hebben voorgedaan. Verder stelt het CGVS ten onrechte dat verzoeker beroep kon doen op de bescherming van de lokale of internationale autoriteiten. Het feit dat de daders van het voorval met de granaat in het najaar van 2001 nog steeds niet werden gevonden, ondanks de klacht van verzoeker bij de UNMIK en KFOR, is voor verzoeker het bewijs dat de "bescherming" niet efficiënt is. Tenslotte alludeert het CGVS ten onrechte dat verzoeker zich elders in Kosovo had kunnen vestigen om alzo eventuele problemen met een aantal "lokale burgers" in Decan uit de weg te gaan. Welnu, verzoeker wordt sedert 2001 bedreigd door ex-leden van het UCK. Deze laatsten zijn verspreid over heel Kosovo zodat een verhuis naar een ander deel in Kosovo zinloos zou zijn. De problemen van verzoeker overstijgen wel degelijk het lokale niveau. De vrees van verzoekers is dan ook wel degelijk gegrond. Gelet op de uitvoerige uiteenzetting die verzoekers gegeven hebben, staat het vast dat hun leven wel degelijk in gevaar is indien zij naar Kosovo worden teruggestuurd. Om die reden heeft het CGVS een manifeste beoordelingsfout begaan. Uit hoofde van het principe van een goede rechtsbedeling alsook het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel) had het CGVS een vollediger onderzoek ten gronde dienen te wijden aan alle gegevens van het dossier en rekening dienen te houden met de opmerkingen en argumenten van verzoekers. Het CGVS heeft derhalve een onvolledige beoordeling van de situatie gemaakt. Het CGVS heeft ten onrechte onvoldoende de problemen erkend die verzoekers ondervinden in Kosovo. Verzoekers menen dat zij niet het slachtoffer mogen worden van verkeerde interpretaties. Verzoekers zijn van oordeel dat het CGVS het redelijkheidsbeginsel miskend heeft. Gelet op de door verzoekers uitgewerkte argumenten tijdens hun gehoor op het CGVS, kon deze laatste niet in redelijkheid komen tot de door haar genomen beslissing. De in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens zijn onverenigbaar met het door het CGVS genomen besluit. Om al de hierboven aangehaalde redenen dient derhalve de beslissing van bevestiging van weigering van verblijf te worden vernietigd.”; 2.
- Overwegende dat in hun middel verzoekers zich specifiek richten tegen de overwegingen in de eerste bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond heeft verklaard; dat verzoekers geen enkel ernstig argument inbrengen tegen de overweging van de Commissaris-generaal (in verband met het incident met de granaat, waarbij de politie en de ontmijningsdienst van KFOR zouden zijn tussengekomen), dat hiervan geen enkele melding wordt gemaakt in de door de Commissaris-generaal geraadpleegde bronnen; dat zij evenmin ingaan op de overwegingen XIV-30.917-5/8 van de Commissaris-generaal met betrekking tot de lacune in verzoekers relaas omtrent het neergelegde attest en met betrekking tot de reden van het incident; dat verzoekers enkel beweren dat het ontbreken van iedere verwijzing in de gehanteerde informatie niet betekent dat het incident niet heeft plaatsgevonden; dat zij die opmerking niet staven; dat de bestreden beslissing vermeldt dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, blijkt dat de veiligheidssituatie in de gemeente Decan stabiel is en dat de politiediensten van UNMIK, de KFOR en de Kosovo Police Service (KPS) de naleving van de wetten handhaven en afdwingen; dat verzoekers er aldus niet in slagen aan te tonen dat zij geen beroep konden doen op de hulp of bescherming van de lokale of internationale autoriteiten in Kosovo; dat verzoekers stellen dat het zinloos zou geweest zijn te verhuizen naar een ander deel van Kosovo gezien de ex-leden van de UCK verspreid zijn over heel Kosovo; dat dient opgemerkt dat verzoeker enkel melding maakte van lokale problemen met een aantal lokale burgers in Decan en hij aldus geenszins aannemelijk maakt dat zijn beweerde problemen het lokale niveau overstijgen; dat om aan de bedreigingen en geweldplegingen te ontkomen, verzoeker dan ook in een ander deel van Kosovo geprobeerd kon hebben zijn leven verder te zetten; dat verzoekers met hun loutere bewering omtrent de verspreiding van het UCK, de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet weerleggen; dat in wezen verzoekers zich beperken tot het zich niet akkoord verklaren met de appreciatie van de feiten door de Commissaris-generaal; dat verzoekers stellen dat het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een grondiger onderzoek diende te wijden aan alle gegevens van het dossier en rekening diende te houden met de opmerkingen en argumenten van verzoekers, dat het Commissariaat-generaal een onvolledige beoordeling van de situatie heeft gemaakt en onvoldoende de problemen erkent die verzoekers in Kosovo ondervonden, dat zij niet het slachtoffer van verkeerde interpretaties mogen worden; dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal wel degelijk rekening gehouden heeft met de relevante elementen van verzoekers asielrelaas; dat hij in een eerste deel van de bestreden beslissing op gedetailleerde wijze de feiten weergeeft die resulteren uit de neerslag van verzoekers verklaringen tijdens zijn verhoor op het Commissariaat- generaal; dat hij de verklaringen op nauwkeurige wijze heeft onderzocht en zijn bevindingen weergeeft van het onderzoek waaruit hij afleidt dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat niet kan worden gesteld dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing onzorgvuldig te werk is gegaan; dat verzoekers niet uiteenzetten met welke (relevante) elementen de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden; dat, wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, wordt opgemerkt dat evenmin wordt aangetoond dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing onredelijk te werk is gegaan; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen betreft, wordt opgemerkt dat verzoekers hebben nagelaten uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling of beginsel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden; dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van XIV-30.917-6/8 verzoekster kennelijk ongegrond heeft verklaard, daar zij haar asielaanvraag baseert op dezelfde motieven als diegene die werden aangehaald door haar echtgenoot en ten aanzien van laatstgenoemde een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van het kennelijk ongegronde karakter van zijn asielmotieven; dat verzoekers deze motivering niet betwisten; dat de bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal de motieven bevatten waarop zij zijn gesteund; dat zij aangeven waarom de asielaanvragen van verzoekers als kennelijk ongegrond werd verworpen; dat de motieven niet worden weerlegd; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-30.917-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-30.917-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.