id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.328 Rolnummer: A. 180389/IX-5551 Zaak: Arrest 194328 - Tucht (openbaar ambt) - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.328 van 18 juni 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.328 van 18 juni 2009 in de zaak A. 180.389/IX-
- In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDE MOORTEL, kantoor houdende te GENT, Groot-Brittanniëlaan 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 19 januari 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 november 2006 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en van de beslissing van 16 november 2006 van de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken waarbij hem die maatregel wordt opgelegd met ingang van 1 december 2006; Gelet op het arrest 171.101 van 14 mei 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 25 juni 2007 door de verzoeker; Gezien de memorie van antwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; IX-5551-1/21 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. DEBRABANDERE, die loco advocaat J. VANDE MOORTEL verschijnt voor de verzoeker, en van attaché B. BALDUYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Verzoeker was sedert 16 februari 1985 werkzaam bij de Federale Overheidsdienst (hierna: de FOD) Binnenlandse Zaken, waar hij tot vóór de bestreden beslissing tewerkgesteld was als administratief assistent bij de Algemene Directie Crisiscentrum. 1.
- Nadat twee verhoren niet konden doorgaan door de afwezigheid van verzoeker wegens ziekte tijdens de periode van 1 maart 2005 tot 2 november 2005 en van 9 november 2005 tot 31 maart 2006, wordt hij bij aangetekend schrijven van 11 mei 2006 voor een derde maal uitgenodigd om op 19 mei 2006 te worden gehoord in het kader van een tuchtprocedure. IX-5551-2/21 De hem ten laste gelegde feiten zijn volgens voornoemd aangetekend schrijven: “• Op maandag 3 januari 2005 bent u afwezig geweest zonder dat er een melding was van ziekte of verlof. U was ongewettigd afwezig. • Op dinsdag 4 januari 2005 was u nog steeds afwezig zonder bericht, Uw diensthoofd heeft contact opgenomen op uw privé-nummer teneinde zich te informeren waar u zich bevond. Uw vader meldde dat u contact zou opnemen met de dienst om uw afwezigheid te bevestigen. U was ongewettigd afwezig. • Op woensdag 5 januari 2005 was er vóór 10.00u nog steeds geen bericht. In de loop van de middag heeft u contact opgenomen met de dienst. U meldde zich ziek tot en met vrijdag 7 januari
- • Op donderdag 20 januari 2005 heeft u de dienst verlaten tussen 1 l.53u en l4.14u. • Op vrijdag 21 januari 2005 heeft u de dienst verlaten tussen 11.55u en 14.05u. • Op dinsdag 1 februari ’05 heeft u de dienst verlaten tussen 11.48u en l4.08u. • Op vrijdag 4 februari ’05 heeft u de dienst verlaten tussen l2.06u en l4.17u. • Op woensdag 9 februari ’05 heeft u de dienst verlaten tussen 12.00u en l4.13u. • Op donderdag 17 februari ’05 heeft u de dienst verlaten tussen l1.47u en 14.09u. • In de maand februari hebt U op de dagen dat U aanwezig was onvoldoende uren gepresteerd, namelijk een tekort van 1lu
- De debeturen hebben aldus op het einde van de maand februari de 8 uren overschreden. • Op dinsdag 1 maart ’05 bent u afwezig geweest zonder dat er een melding van verlof of ziekte was. U was ongewettigd afwezig. • Op woensdag 2 maart hebt u om 8.28u gebeld om te melden dat u ziek was en wachtte op de dokter. In de loop van de dag is er geen melding geweest voor wat betreft het aantal ziektedagen. • Op donderdag 3 maart ’05 hebt u om 10.00u nog steeds niets laten weten. U was ongewettigd afwezig op 3 maart ’
- • Op vrijdag 4 maart ’05 hebt u om l0.00u nog steeds niets laten weten. U was ongewettigd afwezig. • Op maandag 7 maart ’05 hebt u om 09.40u gebeld met de mededeling dat u op dinsdag 8 maart ’05 terug contact zou opnemen met de exacte duur van het toegekende ziekteverlof. • Op dinsdag 8 maart ’05 hebt u om 10.00u nog steeds niets laten weten. U was op 8 maart ’05 andermaal ongewettigd afwezig. • Op woensdag 9 maart ’05 hebt u ons uiteindelijk om 15.34u laten weten dat u afwezig was wegens ziekte van 1 tot 21 maart. U meldde ons namelijk in het bezit te zijn van een medisch attest om de afwezigheid vanaf 1 maart te rechtvaardigen. U hebt ons niet vóór l0u verwittigd. • Voor de verlenging van betrokkenes ziektedagen vanaf 22.03.05 hebt u de bijzondere schikkingen inzake spontane controle, voorzien in het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst niet nageleefd. U hebt het centrum niet verwittigd.” IX-5551-3/21 1.
- Na het verhoor geeft de directeur-generaal van de FOD Binnenlandse Zaken bij aangetekend schrijven van 7 juni 2006 verzoeker te kennen dat hij, overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna : het koninklijk besluit van 2 oktober 1937), op dezelfde dag het directiecomité heeft ingelicht nopens zijn voorstel tot tuchtstraf, met name de inhouding van wedde gedurende één maand. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 16 juni 2006 wordt verzoeker uitgenodigd om op 28 juni 2006 door het directiecomité te worden gehoord. Op 28 juni 2006 beslist het directiecomité na geheime stemming bij eenparigheid als definitieve tuchtstraf het ontslag van ambtswege voor te stellen. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 6 juli 2006 wordt verzoeker van dit voorstel in kennis gesteld. 1.
- Bij schrijven van 12 juli 2006 tekent verzoeker bij de departementale raad van beroep beroep aan tegen het voornoemd voorstel. 1.
- Op 21 september 2006 verleent de raad van beroep het volgend advies: “Overwegende dat artikel 79 § 5 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalt dat binnen de tien dagen die volgen op de betekening van het definitief tuchtvoorstel, de ambtenaar tegen dit voorstel beroep kan aantekenen bij de bevoegde Raad van Beroep; Overwegende dat deze termijn voorgeschreven is op straffe van verval; Overwegende dat de Heer XXXX bij aangetekend schrijven van 6 juli 2006 in kennis werd gesteld van het definitief tuchtvoorstel. Dat hij deze aangetekende zending voor ontvangst tekende op 8 juli
- Overwegende dat het beroep werd ingediend bij brief van 12 juli 2006, ontvangen door de griffie van de Departementale Raad van Beroep op 13 juli 2006; Dat het beroep aldus binnen de wettelijke termijnen werd ingesteld en ontvankelijk is; Overwegende dat de raadsman van de Heer XXXX de schending inroept van artikel 79 § 1, lid 1, artikel 79 § 1, lid 5 en artikel 80 § 1, lid 2 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; IX-5551-4/21 Dat echter de termijn van vijf dagen binnen dewelke de betrokken ambtenaar dient te worden opgeroepen voor het Directiecomité een termijn van orde is en dus niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; Overwegende dat artikel 79 § 1 lid 5 moet worden samengelezen met artikel 79 § 1 lid 4; Dat artikel 79 § 1 lid 5 immers bepaalt dat ‘Indien echter het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtsanctie doet dat strenger is dan het voorlopige, ze de ambtenaar opnieuw oproept voor een verhoor.’; Dat indien men artikel 79 §1 lid 4 en artikel 79 § 1 lid 5 samen leest, men dient te concluderen dat het enkel in de gevallen vermeld in lid 4 is dat de ambtenaar opnieuw moet worden opgeroepen voor een verhoor; Dat de band tussen lid 4 en lid 5 wordt aangetoond door het woord ‘echter* in lid 5; Voor wat de beweerde schending betreft van artikel 80, § 1, lid 2: de uitwissing van de tuchtstraf belet echter niet dat met de zwaarte van een uitgewiste tuchtstraf rekening wordt gehouden wanneer aan dezelfde ambtenaar opnieuw een tuchtstraf moet worden opgelegd voor gelijkaardige feiten (P.VANDERNOOT, La faute et la sanction dans le droit disciplinaire de la fonction publique, Revue de droit, ULB, 199l, p 76); Overwegende dat de assessoren de mening toegedaan zijn dat rekening dient te worden gehouden met het feit dat de Heer XXXX manisch-depressief is; Overwegende dat de definitief voorgestelde tuchtmaatregel niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten, gezien de specifieke context en het grote verschil met de voorlopig voorgestelde tuchtmaatregel; Dat de Directie waartoe de betrokkene behoort zelf toegeeft dat de maatregel van de verplaatsing bij tuchtmaatregel geen optie is in deze zaak; Dat echter de sanctie van de inhouding van de wedde gedurende één maand die in het verleden voor gelijkaardige feiten werd opgelegd te licht is aangezien betrokkene geen conclusies hieruit heeft getrokken; Dat bijgevolg de departementale Raad van Beroep adviseert met 4 stemmen van de 10 om de terugzetting in graad op te leggen (waarbij 2 assessoren zich uitspraken voor de lagere inschaling, 1 assessor zich uitsprak voor de schorsing gedurende 3 maanden, 1 zich uitsprak voor de inhouding van de wedde gedurende één maand, 1 assessor adviseerde om geen tuchtstraf op te leggen en 1 assessor stemde ongeldig).” 1.
- Op 13 november 2006 beslist de minister van Binnenlandse Zaken om aan verzoeker de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij luidt als volgt: “Bij deze deel ik u mee dat ik niet kan instemmen met het advies van de Departementale Raad van Beroep (waarvan kopie in bijlage) en dat ik beslist IX-5551-5/21 heb om u als tuchtmaatregel de maatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen, zoals definitief voorgesteld door het Directiecomité op 28 juni
- Tijdens de maanden januari en maart 2005 was u ongewettigd afwezig op verschillende data. Op het einde van de maand februari 2005 hebt u de toegelaten debeturen overschreden en in maart 2005 hebt u de stamtijden niet nageleefd noch hebt u de bijzondere schikkingen inzake spontane controle nageleefd. U hebt deze feiten op geen enkel ogenblik betwist; U erkende in het verhoor met de hiërarchische meerdere tevens op de hoogte te zijn van de interne regels; Overwegende dat uit de stukken van het dossier inderdaad blijkt dat u te kampen hebt met een medisch probleem; Dat indien dit medisch probleem aan de basis zou liggen van de onmogelijkheid om in geval van afwezigheid wegens ziekte de werkgever tijdig te verwittigen, er op geen enkel ogenblik een medisch attest werd ingediend die moet wijzen op deze onmogelijkheid; Overwegende dat ook in moeilijke omstandigheden men zich zodanig moet organiseren dat de werkgever zoals de reglementering het voorschrijft, onmiddellijk geïnformeerd wordt over zijn afwezigheid; Dat immers zelfs indien u in de periode waarbinnen de feiten zich situeren die u verweten worden niet in staat zou zijn geweest om uw naaste familie zoals uw broer of uw vader, waarmee u samenwoont, te vragen om tijdig de werkgever te verwittigen van uw afwezigheid, u gezien uw veelvuldige afwezigheden in het verleden wegens ziekte, dergelijke situaties had moeten voorzien en de nodige voorzorgsmaatregelen had moeten nemen om er u van te verzekeren dat één van de naaste familieleden waarmee u onder hetzelfde dak woont, de werkgever tijdig verwittigt bij ziekte of bij verlenging van de ziekteperiode, ook al bent u op dat ogenblik niet in staat om dit onmiddellijk te vragen; Overwegende dat voor wat betreft de afwezigheden tijdens de stamtijd moet worden vastgesteld dat ook dan geen zinnig medisch excuus kan worden opgeworpen aangezien u zich in de periode waarin de feiten zich voordeden verdiepte in filosofische werken zoals deze van Nietzsche, en u daardoor de stamtijd uit het oog verloren hebt. Dat hieruit dient besloten te worden dat u toen beschikte over uw volle verstandelijke vermogens en er zich bewust van moest zijn dat u systematisch inbreuken pleegde tegen de reglementering van het vlottend uurrooster; Overwegende dat de Departementale Raad van Beroep met 4 van de 10 stemmen weliswaar adviseert om de maatregel van de terugzetting in graad op te leggen gezien de specifieke context en dus de medische problemen waarmee u te kampen hebt; Dat deze medische problematiek omwille van de hierboven vermelde redenen dient gerelativeerd te worden; IX-5551-6/21 Overwegende dat u in het verleden reeds twee maal een tuchtstraf opliep voor gelijkaardige feiten waarvoor de ene keer een inhouding van de wedde gedurende 4 dagen en de andere keer een inhouding van de wedde gedurende 1 maand werd opgelegd; Overwegende dat ook de Raad van Beroep toegeeft dat de inhouding van de wedde een te lichte straf is, gelet op de recidive en het feit dat u geen conclusies hebt getrokken uit het verleden; Overwegende dat de maatregel van de terugzetting in graad, waarbij u in plaats van administratief assistent verder tewerkgesteld zou blijven in uw huidige dienst in de hoedanigheid van administratief medewerker, geen adequate sanctie is; Dat immers elke ambtenaar ongeacht zijn niveau en zijn verantwoordelijkheden geacht wordt om de verplichtingen in verband met het verwittigen van de hiërarchische meerdere bij ziekte of de verplichtingen in verband met het naleven van de stamtijden na te leven zodat het werk op de dienst kan georganiseerd worden, de dienst kan functioneren en de continuïteit van de dienstverlening niet in het gedrang komt; Dat ook een ‘lagere* ambtenaar zoals een administratief medewerker een schakel in het geheel van het Crisiscentrum is waarbij- meer nog dan voor andere diensten- men ook op hem moet kunnen rekenen aangezien het Crisiscentrum 24 uur op 24 u operationeel is; Overwegende dat het Crisiscentrum altijd moet voorbereid zijn op uw eventuele afwezigheid waardoor uw werk dikwijls door anderen moet gedaan worden en waardoor het nooit zeker is dat een bepaalde taak die aan u werd toevertrouwd tot een goed einde zou worden gebracht; Overwegende dat een terugzetting in graad geen garantie biedt op verbetering aangezien u voor gelijkaardige feiten in het verleden reeds een tuchtsanctie werd opgelegd met financiële consequenties en u zich thans opnieuw bezondigd hebt aan een hele reeks van feiten; Dat aangezien u het moeilijk blijft hebben om binnen een organisatie als de overheid waar interne regels noodzakelijk zijn om het functioneren van de organisatie en de continue dienstverlening aan de burger mogelijk te maken, u te conformeren naar deze regels, slechts het ontslag van ambtswege op een passende wijze de feiten kan bestraffen waaraan u zich schuldig hebt gemaakt; Daarom heb ik beslist om conform de beslissing van het Directiecomité u de maatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen.” 1.
- Op 16 november 2006 beslist de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken dat verzoeker met ingang van 1 december 2006 van ambtswege wordt ontslagen. Dit is de tweede bestreden beslissing. IX-5551-7/21 Ten gronde 2.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 79, § 1, eerste en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- In een eerste onderdeel betoogt hij dat het tuchtvoorstel door zijn hiërarchische meerdere aan het directiecomité werd overgezonden op 7 juni 2006 en dat het directiecomité verzoeker pas bij ter post aangetekend schrijven van 14 juni 2006 heeft opgeroepen om te verschijnen, terwijl luidens voormeld artikel 79, § 1, eerste lid, het directiecomité de betrokken ambtenaar binnen de vijf dagen vanaf de dag waarop het voorstel van tuchtstraf bij hem aanhangig is gemaakt, oproept om voor hem te verschijnen. In een tweede onderdeel zet verzoeker uiteen dat voornoemd artikel 79, § 1, vijfde lid, discriminatoir is, aangezien het voorziet in een gunstiger behandeling voor wie geen gevolg geeft aan de oproeping om te verschijnen voor het directiecomité, dan voor wie wel aan die oproeping gehoor geeft, nu enkel de niet verschenen ambtenaar opnieuw dient te worden gehoord in het geval dat het definitief voorstel van tuchtstraf strenger is dan het voorlopig voorstel. Hij stelt dat op die wijze de ambtenaar die wel gevolg geeft aan de oproeping zich niet kan verdedigen met betrekking tot de verzwaring van het tuchtvoorstel, zoals te dezen het geval was, terwijl de ambtenaar die geen gevolg geeft aan de oproeping zich in hetzelfde stadium van de procedure wel kan verweren tegen die verzwaring. Volgens verzoeker kan die bepaling niet de bedoeling hebben om het niet volgen van de procedure te belonen en kan zij dan ook niet anders worden gelezen dan dat ook de ambtenaren die reeds verschenen zijn voor het directiecomité opnieuw moeten worden opgeroepen wanneer dit comité een definitief tuchtvoorstel doet dat strenger is dan het voorlopig voorstel. Hij wijst erop dat dit te dezen echter niet gebeurd is. Het feit dat men zich alsnog in beroep kan verweren tegen de verzwaring van het tuchtvoorstel, al dan niet via een raadsman, is volgens verzoeker geen voldoende tegenargument, aangezien er reeds een aanleg verloren is. 2.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de in artikel 79, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bedoelde termijnen slechts ordetermijnen zijn, waarin geen sanctie is voorzien voor het overschrijden ervan. IX-5551-8/21 Met betrekking tot het tweede onderdeel stelt zij dat verzoeker zelf te kennen geeft dat de letter van de door hem ingeroepen bepaling niet geschonden is. Voorts geeft zij aan dat het hem met toepassing van het ingeroepen besluit vrij stond om zich te laten bijstaan door een raadsman of een ander persoon naar keuze om op de zitting van het directiecomité te verschijnen. 2.3.
- Artikel 79, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt: “§
- Binnen de vijf dagen vanaf de dag waarop het voorstel van tuchtstraf bij hem aanhangig is gemaakt, roept het directiecomité de ambtenaar bij een ter post aangetekende brief op om voor hem te verschijnen; het horen van de ambtenaar moet tussen de twintigste en de dertigste dag volgend op het aanhangig maken bij de raad gebeuren. De oproeping vermeldt de plaats, de dag en het uur van de zitting alsook de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden geraadpleegd. De ambtenaar verschijnt persoonlijk; hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van het directiecomité. Indien de ambtenaar of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het directiecomité uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren. Indien echter het directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf doet dat strenger is dan het voorlopige voorstel, roept ze opnieuw de ambtenaar op voor een verhoor.” 2.3.
- De in artikel 79, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 vastgestelde termijn van vijf dagen is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Bijgevolg merkt de verwerende partij terecht op dat die termijn een termijn van orde is. Er wordt overigens niet ingezien welk nadeel verzoeker door de minieme overschrijding van die termijn zou hebben geleden. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.3.
- Artikel 79, § 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is op verzoeker niet van toepassing, aangezien hij voor het directiecomité verschenen is en daarbij uitdrukkelijk bevestigd heeft zich niet te laten bijstaan door een verdediger. Artikel 79, § 1, vijfde lid, slaat immers enkel op de gevallen waarin of de ambtenaar of zijn verdediger zonder geldige reden niet verschijnt, of de zaak voor een tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de betrokkene een geldige reden kan aanvoeren. Te dezen heeft geen van beide situaties zich voorgedaan, zodat IX-5551-9/21 verzoeker zich redelijkerwijs ook niet dienstig op de schending van de ingeroepen bepaling kan beroepen. Evenmin houdt die bepaling een discriminatie in. De bedoeling ervan is er immers in gelegen de betrokken ambtenaar de kans te geven zich persoonlijk of via een verdediger voor het directiecomité te verweren met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten. Wanneer de betrokkene gevolg geeft aan de oorspronkelijke oproep om te verschijnen voor het directiecomité, heeft hij die kans reeds ten volle benut. Wanneer hij zonder geldige reden aan die oproep geen gevolg geeft, kan het directiecomité op grond van de stukken van het dossier een definitief tuchtvoorstel doen. Enkel indien het directiecomité een strenger voorstel wil doen dan het voorlopige tuchtvoorstel, moet het de betrokkene via een tweede oproep een nieuwe kans geven. Verzoeker stelt ten onrechte dat dit een bijkomende “aanleg” is waarin men zich kan verdedigen tegen de verzwaring van het tuchtvoorstel. De mogelijkheid om in persoon of via een verdediger zijn verweer te voeren tegen de verzwaring van het tuchtvoorstel staat voor de betrokkene in elk geval nog open via de beroepsmogelijkheid bij de raad van beroep. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 3.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, doordat zowel het directiecomité als de minister zelf hun beslissing tot ontslag van ambtswege op doorslaggevende wijze hebben gesteund op twee in het verleden opgelopen tuchtstraffen van inhouding van wedde, die echter sedert respectievelijk 3 mei 1991 en 9 juli 2003 door verloop van tijd zijn uitgewist. Verzoeker wijst erop dat luidens voormeld artikel 80, onverminderd de uitvoering van de straf, de uitwissing tot gevolg heeft dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, “inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie”. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat de uitwissing van een tuchtstraf niet belet dat met de zwaarte van een uitgewiste tuchtstraf rekening wordt gehouden wanneer aan dezelfde ambtenaar opnieuw een tuchtstraf moet worden opgelegd voor gelijkaardige feiten. Zij stelt dat de tuchtstraffen zelf werden uitgewist, maar dat de feitelijkheden die daaraan ten grondslag lagen, een belangrijk element blijven en dat verzoeker duidelijk niet leerde uit zijn fouten uit het verleden IX-5551-10/21 zodat deze feiten verzwarende omstandigheden uitmaken. De omstandigheid dat de tuchtstraffen werden uitgewist, heeft volgens haar niet tot gevolg dat met de desbetreffende tekortkomingen geen rekening meer kan worden gehouden in de beoordeling van een latere tuchtzaak omtrent gelijkaardige feiten. 3.
- Artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt: “§
- Elke tuchtstraf behalve de afzetting en het ontslag van ambtswege wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar uitgewist onder de in § 2 bepaalde voorwaarden. Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie. §
- De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op: (...) - één jaar voor de inhouding van wedde; (...) De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.” Uit deze bepalingen blijkt dat de tuchtsanctie van de inhouding van wedde in het persoonlijk dossier van de ambtenaar wordt uitgewist na een termijn van één jaar vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken en dat die uitwissing belet dat er in de toekomst rekening mee wordt gehouden in een aantal ambtelijke situaties. De uitwissing van een tuchtstraf betekent daarentegen niet dat de overheid geen rekening mag houden met de feiten die eraan ten grondslag liggen in het kader van een latere tuchtprocedure. Het middel is niet gegrond. 4.
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. IX-5551-11/21 Hij zet uiteen dat de minister, die het advies van de departementale raad van beroep niet heeft gevolgd, in de eerste bestreden beslissing nalaat te antwoorden op de processuele argumenten die door verzoeker voor de departementale raad van beroep zijn aangevoerd en ook andere feiten ter sprake brengt dan die waarop het advies van de raad van beroep steunt. Voorts betoogt verzoeker dat de minister de medische toestand van verzoeker minimaliseert en er zonder kennis van zaken gevolgen uit afleidt. Verzoeker wijst op het verslag van 3 oktober 2007 van dokter D. waarin de gevolgen van manische depressiviteit worden beschreven. Volgens verzoeker blijkt uit dit verslag dat die gevolgen erin bestaan dat de patiënt geen ziekte-inzicht heeft en zelfs beter meent te functioneren dan normaal, dat hij alle contact met zijn omgeving mijdt en dat hij vluchtgedrag vertoont. Dit verklaart volgens verzoeker waarom hij niet in staat was om zijn naaste familieleden waarmee hij samenwoont te vragen zijn werkgever te verwittigen bij zijn afwezigheid en waarom hij niet tijdig kon terugkeren naar de werkplaats en filosofische werken las. Bovendien geeft verzoeker aan dat de minister ten onrechte rekening houdt met het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat de minister geen nieuwe feiten aanhaalt en dat hij zijn beslissing niet steunt op de uitgewiste tuchtstraffen, maar dat hij slechts de feiten aanhaalt die daaraan ten grondslag liggen. Zij stelt dat de minister die feiten nog steeds kan aanhalen, “zeker indien de betrokkene blijkbaar niet leert uit zijn fouten uit het verleden”. Voorts is zij van mening dat de minister geenszins de medische toestand van verzoeker ontkent noch zich in de plaats stelt van een medisch expert. Zij stelt dat de minister slechts aan verzoeker verwijt dat hij geen beroep heeft gedaan op zijn naaste familieleden om zijn werkgever te verwittigen en dat het laattijdig terugkeren naar de werkplek als gevolg van het lezen van filosofische werken niet verantwoord kan worden door de medische toestand van verzoeker. 4.3.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze IX-5551-12/21 duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 4.3.
- Artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt: “De minister motiveert elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing. Hij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of zijn gemachtigde notificeert de beslissing aan de raad van beroep.” De formele motiveringsplicht, neergelegd in deze bepaling, is erop gericht de rechten van de betrokken ambtenaar te waarborgen en hem expliciet in kennis te stellen van de redenen die de minister ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep. Slechts in die omstandigheden is het mogelijk dat de betrokkene, terdege geïnformeerd, de eindbeslissing op een zinvolle wijze kan aanvechten. 4.3.
- Er bestaat geen verplichting voor de minister om de door een verzoeker voor de raad van beroep aangevoerde processuele argumenten, die door die raad zijn aangenomen, andermaal te betrekken in zijn beslissing. Bovendien preciseert verzoeker niet welke “nieuwe feiten” de minister in zijn beslissing ter sprake zou brengen. In dat verband citeert verzoeker in zijn verzoekschrift alleen volgende overweging uit de eerste bestreden beslissing zonder de “nieuwe feiten” aan te duiden: IX-5551-13/21 “Dat immers zelfs indien u in de periode waarbinnen de feiten zich situeren die u verweten worden niet in staat zou zijn geweest om uw naaste familie zoals uw broer of uw vader, waarmee u samenwoont, te vragen om tijdig de werkgever te verwittigen van uw afwezigheid, u gezien uw veelvuldige afwezigheden in het verleden wegens ziekte, dergelijke situaties had moeten voorzien en de nodige voorzorgsmaatregelen had moeten nemen om er u van te verzekeren dat één van de naaste familieleden waarmee u onder hetzelfde dak woont, de werkgever tijdig verwittigt bij ziekte of bij verlenging van de ziekteperiode, ook al bent u op dat ogenblik niet in staat om dit onmiddellijk te vragen. Overwegende dat voor wat betreft de afwezigheden tijdens de stamtijd moet worden vastgesteld dat ook dan geen zinnig medisch excuus kan worden opgeworpen aangezien u zich in de periode waarin de feiten zich voordeden verdiepte in filosofische werken zoals deze van Nietzsche, en u daardoor de stamtijd uit het oog verloren hebt. Dat deze medische problematiek omwille van de hierboven vermelde redenen dient gerelativeerd te worden.” In deze overweging is in de eerste plaats sprake van verzoekers gebrek aan voorzorgsmaatregelen om bij ziekte tijdig de overheid te verwittigen. Dit gegeven is reeds ter sprake gekomen in de beslissing van het directiecomité en is derhalve voorgelegd aan de raad van beroep. Vervolgens is in bedoelde overweging ook sprake van afwezigheden tijdens de stamtijd. Ook dit is het voorwerp geweest van verzoekers verhoor door het directiecomité en is derhalve ook aan de raad van beroep voorgelegd. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op verschillende tijdstippen in kennis is gesteld van de geïndividualiseerde feiten die aan de bestreden tuchtsanctie ten grondslag liggen. Uit de aangehaalde passus blijkt dat de minister in zijn bestreden beslissing verduidelijkt waarom hij die feiten toerekent aan de laakbare houding van verzoeker eerder dan aan zijn medische toestand. Ook blijkt uit die beslissing waarom de minister opteert voor het verbreken van de professionele band met verzoeker. Met name blijkt uit zijn recidive dat verzoeker blijvende moeilijkheden heeft met het verwittigen van zijn oversten bij afwezigheid en met het naleven van de stamtijden, zodat geen enkele functie binnen het crisiscentrum, dat meer dan een andere dienst moet voorzien in een continue dienstverlening, hem nog kan worden toevertrouwd. De eerste bestreden beslissing is dan ook op afdoende wijze gemotiveerd in de zin van de formele motiveringswet en houdt geen schending in van artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- IX-5551-14/21 4.3.
- Voor het overige bekritiseert verzoeker de materiële motivering van de eerste bestreden beslissing. Wat de inachtneming door de minister van de medische toestand van verzoeker betreft, blijkt vooreerst uit het voorgaande dat met de verwerende partij aanvaard wordt dat verzoekers lezing van de geciteerde passus onnauwkeurig is, zodat zijn kritiek hierop bezwaarlijk als gegrond kan overkomen. Bovendien kon de minister bij het nemen van zijn beslissing geen rekening houden met het latere verslag van 3 oktober 2007 van dokter D.. Evenmin blijkt dat hem destijds andere medische documenten bekend waren. Zelfs in de veronderstelling dat de minister ten tijde van de bestreden beslissing kennis zou hebben gehad van het verslag van 3 oktober 2007 van dokter D., lijkt de zienswijze van de minister, om verzoekers gebrek aan voorzorgsmaatregelen en communicatie met zijn naaste familieleden inzake het verwittigen van de werkgever bij afwezigheid, eerder toe te schrijven aan zijn laakbare houding dan aan zijn medische toestand, in redelijkheid niet onaanvaardbaar, gelet op het feit dat verzoeker en zijn familieleden onder hetzelfde dak wonen. Wat de inachtneming door de minister van het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker betreft, wordt verwezen naar de bespreking van het tweede middel. 4.3.
- Het middel is niet gegrond. 5.
- In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 94, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, doordat de beslissing van de minister, die dateert van 13 november 2006, niet is genomen binnen de termijn van vijftien dagen na de betekening van het advies van de raad van beroep op 4 oktober
- 5.
- Luidens artikel 94, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 beslist de minister binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat de in deze bepaling bedoelde termijn geen vervaltermijn is, maar een termijn van orde. IX-5551-15/21 Bovendien toont verzoeker niet aan dat door de overschrijding van die termijn zijn rechten werden geschaad. Het middel is niet gegrond. 6.
- In een vijfde middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, doordat de opgelegde tuchtstraf de op één na zwaarste tuchtstraf is vermeld in artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, terwijl de directeur-generaal van het crisiscentrum als tuchtvoorstel de inhouding van wedde gedurende één maand had geformuleerd en de departementale raad van beroep de tuchtstraf van de terugzetting in graad had geadviseerd. Verzoeker stelt dat in tegenstelling tot de minister de departementale raad van beroep wel rekening heeft gehouden met de medische toestand van verzoeker en dat gezien de ernst van een manische depressie ook bij de bepaling van de tuchtstraf de medische toestand van verzoeker in overweging diende te worden genomen. Verzoeker herneemt de inhoud van het verslag van 3 oktober 2007 van dokter D.. 6.
- De verwerende partij antwoordt dat de Raad van State ter zake slechts een marginaal toetsingsrecht heeft en dat de minister geenszins gebonden is door het advies van de raad van beroep en het hem toekomt, rekening houdende met alle feiten, een definitieve beslissing te nemen. Zij is van mening dat er wel degelijk rekening is gehouden met de medische problematiek van verzoeker, maar dat, zoals ook uit de motivering van de beslissing blijkt, het systematisch en bewust afwezig blijven tijdens de stamtijden niet kan worden toegeschreven aan de medische toestand van verzoeker. Volgens haar kan de medische toestand van verzoeker hem evenmin verhinderen om zich dusdanig te organiseren dat de werkgever bij afwezigheid van verzoeker tijdig wordt verwittigd en de vereiste doktersattesten worden overgemaakt. 6.3.
- De Raad van State beschikt ten aanzien van de aard en de zwaarte van een oplegde tuchtstraf slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de tuchtfeiten staande straf onwettig kan bevinden en de tuchtoverheid voor het overige op discretionaire wijze oordeelt over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf. De Raad van State kan bijgevolg alleen die sancties onwettig bevinden die kennelijk buiten verhouding staan tot de feiten waarvoor ze werden opgelegd, dit wil zeggen die sancties die IX-5551-16/21 dermate buiten verhouding staan tot de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen. 6.3.
- Artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt: “De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken: 1/ terechtwijzing; 2/ blaam; 3/ inhouding van wedde; 4/ verplaatsing bij tuchtmaatregel; 5/ tuchtschorsing; 6/ lagere inschaling; 7/ terugzetting; 8/ ontslag van ambtswege; 9/ afzetting.” Waar de raad van beroep geadviseerd heeft verzoeker de tuchtstraf van de terugzetting in graad op te leggen, zijnde de op twee na zwaarste tuchtstraf, opteren het directiecomité en naderhand de minister voor de achtste en op één na zwaarste tuchtstraf met name, het ontslag van ambtswege. Hierbij wordt expliciet de reden vermeld waarom niet voor de zevende maar wel voor de achtste tuchtstraf wordt gekozen: uit verzoekers recidive blijkt dat hij blijvende moeilijkheden heeft met het verwittigen van zijn oversten bij afwezigheid en met het naleven van de stamtijden, zodat geen enkele functie binnen het crisiscentrum, dat meer dan een andere dienst moet voorzien in een continue dienstverlening, hem nog kan worden toevertrouwd. Voorts blijkt uit de eerste bestreden beslissing dat de minister wel degelijk het medisch probleem van verzoeker erkent. De minister is evenwel van mening dat het niet tijdig verwittigen van de werkgever bij afwezigheid en het niet naleven van de stamtijden niet te wijten is aan de medische toestand van verzoeker. Zoals reeds gesteld, lijkt de zienswijze van de minister, om verzoekers gebrek aan voorzorgsmaatregelen en communicatie met zijn naaste familieleden, inzake het verwittigen van de werkgever bij afwezigheid, eerder toe te schrijven aan zijn laakbare houding dan aan zijn medische toestand, in redelijkheid niet onaan- vaardbaar, en dit zelfs in de veronderstelling dat de minister ten tijde van de bestreden beslissing kennis zou hebben gehad van het verslag van 3 oktober 2007 van dokter D.. IX-5551-17/21 Gelet op het voorgaande, kan de bestreden tuchtsanctie niet beschouwd worden als zijnde dermate buiten verhouding tot de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen. 6.3.
- Het middel is niet gegrond. 7.
- In een zesde middel voert verzoeker de schending aan van zijn recht van verdediging. Hij stelt, zoals uiteengezet in het eerste middel, dat hij in vergelijking met een ambtenaar die niet zou zijn verschenen op de hoorzitting van het directiecomité, in dezelfde stand van de procedure pas later kennis heeft gekregen van het feit dat het definitief tuchtvoorstel een verzwaring inhield van het voorlopig tuchtvoorstel en dat hij hieromtrent aldus geen verdediging heeft kunnen voeren. Voorts argumenteert hij dat artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 miskend is op de door hem in het tweede middel aangegeven wijze en dat het tuchtdossier de beslissingen in verband met vroegere tuchtstraffen niet bevatte, zodat hij er zich op geen enkele wijze tegen kon verdedigen. 7.
- De verwerende partij verwijst vooreerst naar haar antwoord op het eerste en het tweede middel. Voorts voert zij aan dat de desbetreffende stavingsstukken zich in verzoekers persoonlijk dossier bevinden welk hij op elk moment kan inzien, dat de bedoelde feiten nooit door hem betwist zijn en dat zij ook ter sprake kwamen op de hoorzitting van het directiecomité, zonder dat verzoeker daarbij enige opmerking geformuleerd heeft. Zij is van mening dat uit het dossier blijkt dat de rechten van verdediging optimaal zijn nageleefd. 7.
- Vooreerst wordt verwezen naar de bespreking van het eerste en het tweede middel. Voorts merkt de verwerende partij terecht op dat verzoeker zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen zowel voor het directiecomité als voor de departementale raad van beroep. Tijdens de zitting van het directiecomité is verzoeker uitgenodigd zich te verdedigen tegen de vaststelling dat hem voordien reeds gelijkaardige tuchtfeiten ten laste zijn gelegd. Verzoeker heeft zich ter zake verdedigd en heeft geen opmerkingen gemaakt over de al dan niet aanwezigheid in het tuchtdossier van de desbetreffende stavingsstukken. Het middel is niet gegrond. IX-5551-18/21 8.
- In een zevende middel voert verzoeker de schending aan van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, doordat de minister in de bestreden beslissing “gevolgtrekkingen (maakt) die buiten zijn bevoegdheden vallen”, aangezien hij een oordeel velt over de medische toestand van verzoeker, waardoor hij zich schuldig maakt aan “onwettige uitoefening van de geneeskunde”. 8.
- De verwerende partij antwoordt dat de minister bij het nemen van zijn beslissing op geen enkele wijze een medische diagnose heeft gesteld, noch enige andere medische handeling heeft verricht. Zij merkt hierbij op dat er in artikel 2, § 1, sprake is van “gewoonlijk verrichten ... van elke handeling...” en dat het duidelijk is dat de minister geen enkele medische “handeling” heeft verricht, en zeker niet op een “gewoonlijke” basis. 8.3.
- Artikel 2, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 78 luidt als volgt: “Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 7, § 1 of § 2 niet vervult. Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij lid 1 van deze paragraaf, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische, werkelijk of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, de handelingen bedoeld bij vorig lid nader bepalen.” 8.3.
- Blijkens zijn verzoekschrift neemt verzoeker met dit middel de hiernavolgende overwegingen uit de beslissing van de minister op de korrel: “Dat immers zelfs indien u in de periode waarbinnen de feiten zich situeren die u verweten worden niet in staat zou zijn geweest om uw naaste familie zoals uw broer of uw vader waarmee u samen woont, te vragen om tijdig de werkgever te verwittigen van uw afwezigheid, u gezien uw veelvuldige afwezigheden in het verleden wegens ziekte, dergelijke situaties had moeten voorzien en de nodige voorzorgsmaatregelen had moeten nemen om er u van te verzekeren dat één van de naaste familieleden waarmee u onder hetzelfde dak woont, de werkgever tijdig verwittigt bij ziekte of bij verlenging van de IX-5551-19/21 ziekteperiode, ook al bent u op dat ogenblik niet in staat om dit onmiddellijk te vragen. Overwegende dat voor wat betreft de afwezigheden tijdens de stamtijd moet worden vastgesteld dat ook dan geen zinnig medisch excuus kan worden opgeworpen aangezien u zich in de periode waarin de feiten zich voordeden verdiepte in filosofische werken zoals deze van Nietzsche, en u daardoor de stamtijd uit het oog verloren hebt. Dat hieruit dient besloten te worden dat u toen beschikte over uw volle verstandelijke vermogens en er zich bewust van moest zijn dat u systematisch inbreuken pleegde tegen de reglementering van het vlottend uurrooster. (...) Dat deze medische problematiek omwille van de hierboven vermelde redenen dient gerelativeerd te worden.” 8.3.
- In die overwegingen wordt er vooreerst op gewezen dat verzoeker de plicht had de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om de werkgever tijdig te verwittigen bij ziekte of bij verlenging van de ziekteperiode. Vervolgens stelt de beslissing ook vast dat verzoeker door het lezen van filosofische werken “zoals deze van Nietzsche” de stamtijd uit het oog verloren heeft, zodat hij hiervoor geen “zinnig medisch excuus” kan aanbrengen en integendeel blijkt dat hij op het ogenblik van zijn afwezigheden tijdens de stamtijd beschikte over zijn volle verstandelijke vermogens. Tenslotte concludeert de bestreden beslissing uit die reeks gegevens dat de “medische problematiek” waarachter verzoeker zich steeds verschuilt, gerelativeerd moet worden. Uit die overwegingen kan geenszins worden afgeleid dat de minister hier enige medische handeling zou hebben verricht of ter zake een medische diagnose zou hebben gesteld. 8.3.
- Het middel is niet gegrond.
- Ter zitting vraagt de verzoeker de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. IX-5551-20/21 Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. Artikel
- Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5551-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.328 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.