← België

Arrest 194331 - Tucht (openbaar ambt) - 18/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.331 Rolnummer: A. 192018/IX-6287 Zaak: Arrest 194331 - Tucht (openbaar ambt) - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.331 van 18 juni 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.331 van 18 juni 2009 in de zaak A. 192.018/IX-

  1. In zake : Guido VAN WYMERSCH, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 612 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Buitenlandse Zaken,
  3. de minister van Justitie, die woonplaats kiezen bij advocate K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210/a. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido VAN WYMERSCH op 30 maart 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 28 januari 2009 van de minister van Justitie en de minister van Buitenlandse Zaken, waarbij hem de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6287-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaten J.-F. DE BOCK en J. MOENS, die verschijnen voor de verzoeker, en van advocaten K. CRAUWELS en L. SCHELLEKENS, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  4. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker hoofdcommissaris van politie en korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad - Elsene. 1.
  5. Op 19 december 2008 ontvangt de verzoeker een inleidend tuchtverslag van de hand van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie. Als besluit met betrekking tot de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten wordt daarin het volgende vermeld: “U hebt aldus, zij het op verzoek, actief meegewerkt aan de redactie van het document waarbij de selectiecommissie haar beslissing motiveert om uzelf als eerste te plaatsen van de twee kandidaten, en dit in een context die zich klaarblijkelijk situeerde buiten de selectiecommissie. U hebt aldus duidelijk handelingen gesteld die kunnen gekwalificeerd, minstens gepercipieerd, worden als zijnde inmenging in uw eigen benoemings- dossier, zijnde enerzijds ten voordele van uzelf, anderzijds minstens impliciet ten nadele van de andere kandidaat. Door het stellen van voormelde handelingen heeft u een inbreuk gepleegd op de deontologische principes van integriteit en waardigheid van het ambt.” In het verslag wordt het voornemen geformuleerd om de verzoeker voor die feiten de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. De verzoeker wordt daarbij tevens gewezen op zijn recht om te worden gehoord, te dezen door de voorzitster van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst (hierna: FOD) Binnenlandse Zaken, op 19 januari
  6. IX-6287-2/10 Een kopie van het tuchtdossier wordt hem nog als bijlage bij het inleidend tuchtverslag bezorgd. 1.
  7. Met een brief van 12 januari 2009 vraagt de raadsman van de verzoeker om uitstel van de hoorzitting. Met een brief van 15 januari 2009 antwoordt de voorzitster van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken dat op dit verzoek niet kan worden ingegaan. 1.
  8. De verzoeker wordt op 19 januari 2009 door de voorzitster van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken gehoord. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld. De verzoeker legt ter gelegenheid van dat verhoor een verweerschrift neer. Met een brief van 19 januari 2009 maakt verzoekers raadsman een “definitieve versie van het verweerschrift” over aan de voorzitster van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken. 1.
  9. Met brieven van 27 januari 2009 zendt de voorzitster van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken een kopie van het proces-verbaal van de hoorzitting naar de verzoeker en diens raadsman. 1.
  10. Eveneens op 27 januari 2009 richt de (nieuwe) minister van Binnenlandse Zaken een schrijven aan de verzoeker, waarin hij het volgende uiteenzet: “In de bovenvermelde zaak kom ik, tezamen met mijn collega de Minister van Justitie, tussen in mijn hoedanigheid van tuchtoverheid. Het inleidend verslag van de tuchtprocedure steunt onder meer op rapporten geredigeerd door het Comité P. Op het moment dat deze rapporten werden geredigeerd was ik lid van de Bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten en heb ik destijds een aantal al dan niet publiekelijk gemaakte verklaringen afgelegd betreffende rapporten opgesteld door het Comité P. Teneinde iedere schijn van partijdigheid te vermijden, acht ik mij dan ook persoonlijk verhinderd om als tuchtoverheid op te treden en deel ik u mede dat mijn bevoegdheden in mijn hoedanigheid van tuchtrechtelijke overheid in deze zaak zullen worden uitgeoefend door de Minister van Buitenlandse Zaken, de heer K. DE GUCHT. De Ministerraad heeft op 16 januari 2009 mijn voorstel om op deze wijze te ageren, goedgekeurd.” IX-6287-3/10 1.
  11. Op 28 januari 2009 beslissen de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Justitie om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  12. De verzoeker ondertekent deze beslissing op 29 januari 2009 voor kennisneming en ontvangst. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing 2.
  13. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  14. Met betrekking tot de tweede genoemde schorsingsvoorwaarde voert de verzoeker aan dat hij een moeilijk te herstellen en ernstig moreel nadeel lijdt, hetwelk uit “maar liefst drie luiken” bestaat. Vooreerst laat hij gelden dat “de tuchtstraf van de blaam een ernstige smet is op [zijn] verdere loopbaan [...], die tot nu toe onberispelijk was”. Voorts stelt hij dat de opgelegde tuchtstraf “[zijn] eer en reputatie [...] in het algemeen” onherroepelijk zal schaden. Dat is, aldus de verzoeker, des te meer het geval omdat deze zaak “zeer breed uitgesmeerd werd in de media”. De talrijke artikels die in dagbladen, kranten en op het internet zijn verschenen, hebben zijn integriteit en professionaliteit volledig door het slijk gehaald. Zijn gedurende jaren opgebouwde goede reputatie werd door de vaak grove bewoordingen bijna volledig teniet gedaan. De extreme publiciteit die aan deze zaak werd gegeven, is volgens de verzoeker een zeer belangrijk element dat heeft bijgedragen tot de morele schade die hij lijdt. Deze media-aandacht heeft ook het vertrouwen in hem als korpschef van de zone Brussel-Hoofdstad - Elsene aangetast. IX-6287-4/10 Ten slotte betoogt de verzoeker dat de hem opgelegde tuchtstraf zijn gezag als korpschef aantast. Hij wijst er in dit verband op dat hij aan het hoofd staat van een tweeduizend manschappen tellend politiekorps, wat zijn gezag “eens zo belangrijk” maakt. Hij stelt dat de hem opgelegde blaam zijn eer en reputatie op zeer ernstige wijze aantast, niet alleen in het eigen korps, maar tevens in het ganse politiewezen. 2.
  15. De verwerende partij werpt in haar nota op dat de verzoeker zich beperkt tot vage en algemene beweringen en niet duidelijk en concreet aangeeft waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan. In “ondergeschikte orde” gaat zij in op “de verschillende elementen die door de verzoeker als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aangehaald”. Vooreerst wijst zij erop dat de blaam de op één na lichtste tuchtstraf is, die overigens geen financiële implicaties heeft en het betrokken personeelslid toelaat zijn functie verder uit te oefenen. De bewering dat de tuchtstraf een smet is op de loopbaan van de verzoeker en zijn eer en reputatie aantast, is volgens de verwerende partij een nadeel van morele aard dat als zodanig geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt en in beginsel kan worden goedge- maakt door de morele voldoening die een annulatiearrest teweegbrengt. De verwerende partij voegt daaraan toe dat een lichte tuchtstraf zoals een blaam in beginsel niet geacht wordt een nadeel op te leveren dat voldoende ernstig is om een schorsing te verantwoorden. Zij stelt dat weliswaar in bijzondere omstandigheden van dat beginsel kan worden afgeweken, maar dat dergelijke omstandigheden te dezen niet voorhanden zijn. Waar de verzoeker als bijzondere omstandigheid inroept dat zijn integriteit en professionaliteit door het slijk werden gehaald door talrijke artikels in de pers, wijst de verwerende partij erop dat de bedoelde artikels niet direct verband houden met de opgelegde tuchtstraf van de blaam of de feiten waarop die is gesteund. Zij zet uiteen dat de verzoeker ook om heel andere redenen in de pers in opspraak is gekomen. Zij is dan ook van oordeel dat er geen rechtstreeks verband IX-6287-5/10 bestaat tussen de aangevoerde reputatieschade en de bestreden beslissing, zodat een schorsing dat nadeel ook niet ongedaan kan maken. Voorts merkt de verwerende partij op dat de verzoeker hoe dan ook de onvoorwaardelijke steun van de burgemeester van Brussel, de andere politieoverheden en de vakorganisaties blijft behouden, waardoor een eventueel moreel nadeel reeds ernstig wordt getemperd. Volgens de verwerende partij is de bewering van de verzoeker dat zijn gezag als korpsoverste door de bestreden beslissing is aangetast, louter hypothetisch en vloeit het desbetreffende nadeel evenmin rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. Zij stelt dat het nadeel van de aantasting van de reputatie van een leidinggevende ambtenaar bovendien moet worden genuanceerd wanneer de betrokkene een functie uitoefent die uit haar aard gezaghebbend is. Dit geldt te dezen des te meer, nu de burgemeester van Brussel heeft benadrukt dat hij het vertrouwen in de korpschef behoudt. Op verzoekers argument dat de bestreden beslissing zijn eer en reputatie in het ganse politiewezen aantast, repliceert de verwerende partij dat verzoekers reputatie om andere redenen is geschaad, namelijk de inverdenkingstel- ling door de onderzoeksrechter en de preventieve schorsing door het politiecollege die hij voor andere feiten heeft opgelopen. 2.4.
  16. In zijn uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, voert de verzoeker uitsluitend een moreel nadeel aan. Een moreel nadeel is echter in beginsel niet moeilijk te herstellen. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt een dergelijk nadeel immers afdoende hersteld door de morele genoegdoening die uit een nietigverklaring voortvloeit. 2.4.
  17. De stelling van de verzoeker dat de tuchtstraf van de blaam een ernstige smet werpt op zijn tot nu toe onberispelijke loopbaan, hetgeen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt, kan niet worden bijgevallen. IX-6287-6/10 Of in het geval van een tuchtstraf, voor het betrokken personeels- lid sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, wordt in belangrijke mate bepaald door de strafmaat. Te dezen is de verzoeker gestraft met een blaam. Deze tuchtstraf is, luidens artikel 10 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, “de formele afkeuring die de tuchtoverheid aan een personeelslid richt”. Ze is de op één na lichtste tuchtstraf en heeft een louter moreel sanctionerend karakter. Bovendien bepaalt artikel 57, tweede lid, van de genoemde wet dat de tuchtstraf van de blaam na een termijn van twee jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraffen wordt uitgewist voor zover binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. Met die gegevens voor ogen kan niet worden aangenomen dat de tuchtstraf van de blaam -op zich genomen- een zodanige ernst vertoont dat het daaruit voor het gestrafte personeelslid voortkomende morele nadeel enkel door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de tuchtbeslissing kan worden weggenomen en dat een eventuele latere vernietiging van die beslissing daartoe niet zou volstaan. 2.4.
  18. Dat verzoekers eer en reputatie door de bestreden beslissing in het gedrang komt, is aannemelijk. Evenwel is de aantasting van de eer en de reputatie inherent aan iedere tuchtsanctie. Ze maakt als zodanig geen bijzondere omstandig- heid uit die een afwijking verantwoordt van het beginsel dat een moreel nadeel voldoende wordt hersteld door een eventueel annulatiearrest. Dat er sprake is van een “onherroepelijke” schending van verzoekers eer en reputatie, is niet meer dan een loutere bewering. Bij een eventuele latere vernietiging zou alleszins erga omnes blijken dat aan de verzoeker op een onwettige wijze een tuchtmaatregel werd opgelegd, die voortaan geacht moet worden nooit te hebben bestaan. De verzoeker benadrukt dat zijn tuchtzaak zeer breed is uitgesmeerd in de media. Hij voert aan dat “het inderdaad dit hele mediacircus [is] [...] dat [zijn] integriteit en bekwaamheid [...] bezoedeld heeft” en dat “door al deze media-aandacht het [...] het vertrouwen in [hem] als korpschef van de zone Brussel- Hoofdstad - Elsene [wordt] aangetast”. IX-6287-7/10 De verzoeker geeft aldus zelf aan dat het door hem aangevoerde morele nadeel eerder zijn oorzaak vindt in de berichtgeving in de pers dan in de bestreden beslissing zelf. De door de verzoeker neergelegde persartikels kunnen er echter niet van overtuigen dat hij ingevolge de bestreden beslissing nodeloos wordt blootgesteld aan publieke minachting en vernedering in verband met de hem verweten feiten. De desbetreffende artikels handelen onder meer over politieke tegenstellingen binnen de Brusselse politieraad met betrekking tot verzoekers tuchtzaak en maken voorts veelvuldig melding van andere feiten waarvan de verzoeker wordt verdacht en waarover nog een gerechtelijk onderzoek loopt, maar die niet aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing. In een aantal artikels wordt bovendien genuanceerd bericht over de opgelegde tuchtstraf en wordt vermeld dat de verzoeker “de lichtst mogelijke sanctie” heeft opgelegd gekregen, wat “dus geen smet op zijn reputatie [is]” en wat zou aantonen “dat hij geen echte fouten heeft gemaakt”. In één geval is het overigens de verzoeker zelf die omtrent deze feiten een interview geeft. Het aldus aangevoerde nadeel kan niet worden aangenomen als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 2.4.
  19. Ten slotte betoogt de verzoeker dat de opgelegde tuchtstraf zijn gezag ten aanzien van zijn manschappen en “bovendien in het hele politiewezen” aantast. Hij voert daarbij als bijzondere omstandigheid aan dat zijn korps het grootste van het land is. Er kan weliswaar worden aangenomen dat de verzoeker naar aanleiding van de bestreden beslissing een moreel nadeel ondergaat dat verband houdt met de aantasting van zijn gezag ten aanzien van zijn manschappen. Dit nadeel moet echter worden gerelativeerd, vermits de functie die de verzoeker uitoefent van zodanige aard is dat zijn manschappen hoe dan ook ertoe gehouden zijn verzoekers gezag te respecteren en hij als hiërarchische chef over de administra- tieve mogelijkheden beschikt om, desgevallend middels orde- en tuchtmaatregelen, de eerbiediging van zijn gezag af te dwingen. De omstandigheid dat verzoekers korps het grootste van het land is, doet hieraan geen afbreuk. De verzoeker brengt voorts geen gegeven aan dat aannemelijk maakt dat dit aangevoerde nadeel niet kan worden goedgemaakt door een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. IX-6287-8/10 Louter ten overvloede kan erop worden gewezen dat de verzoeker inmiddels bij beslissing van 19 maart 2009 van het politiecollege bij hoogdringend- heid op grond van andere feiten preventief werd geschorst en dat deze beslissing op 24 maart 2009 door datzelfde college werd bevestigd, waardoor hij alleszins tijdens de duur van die ordemaatregel geen gezag ten aanzien van zijn manschappen uit te oefenen heeft. Ten slotte brengt de verzoeker geen enkel gegeven aan dat aantoont dat hij gezag kan laten gelden in “het hele politiewezen” en dat hij dit gezag ingevolge de bestreden beslissing dreigt te verliezen. 2.4.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoeker niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  21. Aldus is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-6287-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6287-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.331 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.