← België

Arrest 194334 - Luchtvaart - 18/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.334 Rolnummer: A. 95095/IX-2519 Zaak: Arrest 194334 - Luchtvaart - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.334 van 18 juni 2009 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.334 van 18 juni 2009 in de zaak A. 95.095/IX-

  1. In zake : Luc AUDOORE, wonende te DESTELBERGEN, Ledebeekstraat 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaten E. GILLET en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc AUDOORE op 31 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 2000 van de Beroepscommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst waarbij zijn ongeschiktheid als beroepspiloot wordt vastgesteld; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-2519-1/13 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat P. SLEGERS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Op 9 december 1985 wordt de verzoeker voor een periode van 24 maanden medisch geschikt verklaard als privaat piloot (klasse 2) mits het gebruik van corrigerende glazen met zeer beperkte correctiewaarden. Daarna volgen tweejaarlijkse herkeuringen die leiden tot een geschiktheidsverklaring als privaat piloot voor 24 maanden, niettegenstaande optische correctie. 1.
  4. Op 19 juni 1989 ondergaat de verzoeker radiaire keratotomie (“krasjes”) aan het rechteroog. Op 26 november 1990 volgt dezelfde ingreep aan het linkeroog. 1.
  5. In die periode vat de verzoeker ook de beperkte opleiding voor beroepspiloot (klasse 1) aan. 1.
  6. In 1990 verkrijgt de verzoeker een licentie als beroepspiloot voor een periode van 12 maanden. 1.
  7. Na een medische herkeuring op 2 juli 1991 wordt zijn vergunning verlengd tot 9 september
  8. 1.
  9. Op 11 september 1991 verwittigt de Administratieve Gezond- heidsdienst (AGD) het bestuur van de luchtvaart dat het, na volledig onderzoek van het medisch dossier van de verzoeker, aangewezen blijkt om de medische beslissing IX-2519-2/13 om te zetten in een beslissing tot ongeschiktheid voor de klassen 1 en 2 met gevolg ex tunc op 19 juli
  10. 1.
  11. Op 4 oktober 1991 tekent de verzoeker tegen deze beslissing beroep aan bij de Beroepscommissie. 1.
  12. Op 26 december 1991 wordt in het verslag van een expertise- onderzoek tot het volgend besluit gekomen: “BESLUIT : Het betreft een bilaterale radiaire keratotomie voor een zwakke myopie. De postoperatieve periode bedraagt 4 jaar rechts en 1 jaar en 10 maanden links. Er is geen subjectieve last. Betrokkene voldoet aan de criteria voor beroepspiloot en privépiloot. Biomicroscopisch zijn er geen moeilijkheden, er is geen fluctuatie van de visus of refractie. VOORSTEL : Geschikt privépiloot enkel voor dagvluchten. Ongeschikt beroepspiloot.” Op 24 januari 1992 wordt de beslissing van de beroepscommissie, waarbij de beslissing van de AGD wordt bevestigd en de verzoeker ongeschikt wordt geacht voor klasse 1 (beroepspiloot) maar geschikt voor klasse 2 (privaat piloot) aan de verzoeker en het bestuur van de luchtvaart betekend. 1.
  13. Uit het herkeuringsformulier voor privaat piloot van 1992 blijkt dat de door de administratie aangestelde geneesheer zich vragen stelt bij het voorstel van 26 december 1991 en het besluit dat de verzoeker ongeschikt wordt geacht als beroepspiloot. Hij stelt dat dit voorstel en het besluit contradictorisch zijn en wijst erop dat de medische testen gunstig waren. Op dit formulier vermeldt de administra- tie “nieuw oftalmologisch onderzoek bij volgend onderzoek”. 1.
  14. Tussen 1992 en begin 2000 vliegt de verzoeker als privaat piloot. 1.
  15. Op 28 maart 2000 biedt de verzoeker zich opnieuw aan voor het medisch onderzoek teneinde een vergunning als beroepspiloot te verkrijgen. 1.
  16. Op 25 april 2000 verklaart de AGD de verzoeker andermaal geschikt als privaat piloot, doch ongeschikt als beroepspiloot. IX-2519-3/13 1.
  17. Op 17 mei 2000 tekent de verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. 1.
  18. Op 26 juni 2000 verschijnt de verzoeker voor de beroepscommis- sie. De verzoeker vraagt dat de motieven van de beslissing zouden worden overgemaakt aan zijn vertegenwoordigend geneesheer. Diezelfde dag wordt dan beslist om de verzoeker ongeschikt te verklaren als beroepspiloot. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 6 juli 2000 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  19. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvan- kelijkheid van het beroep op. Zij laat gelden dat uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat het de bedoeling van de verzoeker was om een schorsingsprocedure in te leiden. De verwerende partij wijst in dit verband evenwel op het vereiste van artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State waarin (ten tijde van de bestreden beslissing) wordt bepaald dat de “vordering tot schorsing wordt ingesteld met een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring”. Zij wijst erop dat haar geen afzonderlijke akte ter kennis werd gebracht dat als een verzoek tot nietigverklaring beschouwd zou kunnen worden, zodat het voorliggende verzoek tot schorsing onontvankelijk is. Deze onontvankelijkheid kan, aldus de verwerende partij, niet gedekt worden door het verzoekschrift als een verzoek tot nietigverklaring te beschouwen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de procedureregel van artikel 17, § 3, zinledig is. 2.
  20. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het wel degelijk om een verzoek tot nietigverklaring gaat. Het feit dat er te dezen geen sprake is van een verzoek tot schorsing met een afzonderlijke akte in de zin IX-2519-4/13 van artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State illustreert, aldus de verzoeker, dat er van een verzoek tot schorsing geen sprake is. Hij wijst er voorts op dat een verzoek tot schorsing zijn belangen niet kan dienen vermits er enkel na een vernietigingsarrest een basis is om een nieuw verzoek tot medische keuring aan te vatten. 2.
  21. Bij brief van 9 november 2000 van de griffie van de Raad van State wordt aan de verwerende partij “een kopie van het verzoekschrift tot nietigverklaring” ter kennis gebracht. Op grond hiervan alleen al kon er bij de verwerende partij geen twijfel over bestaan welk soort beroep bij de Raad van State aanhangig werd gemaakt. Bovendien moet erop worden gewezen dat de verzoeker in zijn verzoekschrift nergens een uiteenzetting geeft van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, laat staan van het dringend karakter van de vordering. Ook hieruit blijkt dat de verzoeker de bedoeling had om een beroep tot nietigverklaring in te stellen. 2.
  22. De exceptie kan niet worden aangenomen. 3.
  23. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvan- kelijkheid van het beroep op, afgeleid uit een gebrek aan belang in hoofde van de verzoeker. Zij verwijst naar de “algemene beschouwingen” van de bijlage bij het ministerieel besluit van 8 februari 1985 houdende regeling van de voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de leden van het stuurpersoneel van burgerlijke luchtvaartuigen, dat bepaalt dat de medische geschiktheid moet worden beoordeeld, “rekening houdend met de rechten en functies eigen aan de aangevraagde vergunningen, alsook met de omstandigheden waarin van deze laatste vermoedelijk zal gebruik gemaakt worden”. Zij verwijst ook naar hoofdstuk I van de bijlage, waarin onder meer het volgende bepaald wordt: IX-2519-5/13 “De werking van het oog en de adnexa ervan, dient normaal te zijn. De kandidaat mag generlei acute of chronische evoluerende aandoening van de ogen of van de adnexa vertonen die de werking ervan dusdanig zou aantasten dat de veiligheid van de vlucht in het gedrang komt.” Zij betoogt dat uit voormelde bepalingen blijkt dat de oogaandoe- ning van de verzoeker, waarvan het bestaan niet betwist wordt, het hem op zich onmogelijk maakt om ooit een vergunning als beroepspiloot te verkrijgen. Zij meent dan ook dat de AGD na een vernietiging van de bestreden beslissing geen andere beslissing zou kunnen nemen. 3.
  24. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker naar artikel 6, § 5, van het ministerieel besluit van 8 februari 1985, dat als volgt luidt: “De Administratieve Gezondheidsdienst kan, in voorkomend geval, rekening houden met de ervaring van de kandidaat en afwijken van de in bijlage van dit besluit gestelde normen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de noodwendige veiligheidsvereisten.” Hij stelt dat met een eenvoudige toepassing van dit artikel hem een medische geschiktheid categorie 1 toegestaan kan worden, weliswaar met de nodige beperkingen (enkel dagvlucht in visuele weersomstandigheden), hetgeen tegemoet komt aan zijn vraag. 3.
  25. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de mogelijke afwijking als bedoeld in artikel 6, § 5, van het ministerieel besluit van 8 februari 1985 een uitzonderingsregeling is die evenwel niet opweegt tegen de vliegveilig- heid. Zij wijst erop dat zowel in het ministerieel besluit van 8 februari 1985 als in het koninklijk besluit van 5 juni 2002 tot regeling van de organisatie van de controle van de voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de leden van het stuurpersoneel van burgerlijke luchtvaartuigen, het principe is dat wanneer een piloot als ongeschikt wordt beoordeeld, hij afgewezen moet worden als beroepspiloot voor de burgerlijke luchtvaart. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van deze regel worden afgeweken. Voorts verwijst zij naar artikel 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 8 februari 1985, dat als volgt luidt: “Voor de verkrijging, de hernieuwing of het behoud van een vergunning van een lid van het stuurpersoneel van een luchtvaartuig, dat geen zweefvliegtuig of vrije ballon is, moet voldaan zijn aan de in de bijlage bij dit besluit bepaalde IX-2519-6/13 voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid. Dezelfde voorwaarden moeten vervuld zijn voor de verkrijging, de hernieuwing of het behoud van een bevoegdverklaring”. Zij stelt dat nooit werd betwist dat de verzoeker niet voldoet aan de in de bijlage bij het besluit bepaalde voorwaarden zodat hem, op grond van de algemene regel, geen vergunning kon worden afgeleverd. 3.
  26. Ingeval van een eventuele vernietiging van de thans bestreden beslissing zal de verwerende partij, wanneer zij gevraagd wordt over een nieuwe aanvraag te oordelen, rekening dienen te houden met de alsdan van kracht zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen. Het ministerieel besluit van 8 februari 1985 is inmiddels opgeheven bij het koninklijk besluit van 5 juni 2002 tot regeling van de organisatie van de controle van de voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de leden van het stuurpersoneel van burgerlijke luchtvaartuigen. Artikel 24, § 2, van dat koninklijk besluit voorziet thans, in geval van een heronderzoek na een eerste weigering, in de mogelijkheid dat de Sectie luchtvaartgeneeskunde haar beslissing vergezeld kan laten gaan van een afwijking en/of beperking, na het in overweging nemen van de medische eisen en de huidige stand van kennis alsook van onder meer de geschiktheid, de bevoegdheid en de ervaring van de kandidaat omtrent de werkomstandigheden en zelfs van een vliegtest. Overigens voorzag ook artikel 6, § 5, van het ministerieel besluit van 8 februari 1985 in de mogelijkheid voor de AGD om, in voorkomend geval, en rekening houdend met de ervaring van de kandidaat, af te wijken van de gestelde normen “zonder evenwel afbreuk te doen aan de noodwendige veiligheidsvereisten”. De stelling van de verwerende partij dat zij niet anders zal kunnen dan opnieuw dezelfde beslissing nemen, kan niet worden aangenomen, gelet op de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 juni
  27. De exceptie kan niet worden aangenomen. 4.
  28. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een derde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van de verzoeker. IX-2519-7/13 Zij laat gelden dat de verzoeker na de bestreden beslissing een nieuwe aanvraag tot afgifte van een vergunning heeft ingediend, doch enkel als privaat piloot. Zij is van oordeel dat uit deze aanvraag duidelijk blijkt dat de verzoeker zelf inziet dat hij niet geschikt is als beroepspiloot. Zij vraagt dat bij gebrek aan gehandhaafd belang, de vordering zou worden afgewezen. 4.
  29. Met een op 5 maart 2009 ter post aangetekend schrijven informeert de staatsraad-verslaggever naar eventuele nieuwe feitelijke of juridische ontwikkelingen en naar het actueel belang van de verzoeker. 4.
  30. In een op 12 maart 2009 gedateerde brief verduidelijkt de verzoeker zijn actueel belang. Hij stelt dat hij in 2005 medisch geschikt verklaard werd als lijnpiloot klasse 1 en dat die geschiktheid hernieuwd is tijdens zeven opeenvolgende hernieuwingen. Hij wijst er echter op dat de bestreden beslissing zijn leven en loopbaan ingrijpend gewijzigd heeft. Een loopbaan in de burgerluchtvaart was onmogelijk geworden hetgeen de investering in opleiding en training teniet heeft gedaan. Voorts wijst de verzoeker op het geleden loonverlies. 4.
  31. De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgevallen. De verzoeker heeft wel degelijk blijk gegeven van een gehandhaafde belangstelling voor het verkrijgen van een vergunning voor beroepspiloot. Voorts maakt hij het aannemelijk dat hij nog steeds een actueel belang heeft bij zijn beroep. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 5.
  32. De verzoeker roept onder meer een tweede middel in. In zijn verzoekschrift adstrueert hij dit middel als volgt: “Het feit dat uit radiaire keratotomie medische ongeschiktheid volgt is niet bepaald door het M.B. van 08/02/85 hoewel personen binnen de Administratie deze norm toch hanteren. Andere redenen tot ongeschiktheid worden wel gespecifieerd. Bovendien waren de door de administratie aangeduide geneeshe- ren belast met de medische keuring zelf niet op de hoogte van dit feit, een onomkeerbare fout van de administratie met verregaande gevolgen.” IX-2519-8/13 In fine van zijn verzoekschrift schrijft de verzoeker nog hetgeen volgt: “
  33. In tegenstelling tot contactlenzen is radiaire keratotomie, alhoewel beiden oogcorrectietechnieken uit de 70'er jaren, niet weerhouden in het M.B. van 08/02/
  34. Nergens wordt impliciet noch expliciet vermeld dat deze oogcorrectietechniek, hoewel courant, tot definitieve ongeschiktheid als beroepspiloot leidt. Afgaande op het M.B. en de verslagen van Dr V.C. en Dr O. heeft het ontzeggen van de geschiktheid tot beperkt beroepspiloot dus noch een wettelijke noch een medische basis. Dit is een nalatigheid van de overheid.
  35. De door de administratie aangestelde oogartsen waren duidelijk niet op de hoogte van andere dan deze normen vastgesteld in het M.B. en geenszins van o.a. het feit dat keratotomie bij beslissing van de administratieve gezond- heidsdienst tot ongeschiktheid leidt. Gezien de schriftelijke bemerkingen van de door de administratie aangestel- de geneesheer Dr O. bleek dat op 01/06/92 trouwens nog altijd zo te zijn. Dit is een bijkomende nalatigheid van de overheid .
  36. Onafhankelijk van Par
  37. en 2., is het feit dat men de regels opgenomen in de JAR-FCL niet wenst toe te passen onterecht : a. Hetzij berusten de meerdere medische keuringen voor beperkt beroeps- piloot in de periode 1989 t/m 1991 inderdaad op één of meerdere ‘vergissing(en)’, maar dan investeerde ik persoonlijk meer dan 1 Mio BFr ( in 1990 courante BE franken ) volledig ten onrechte in allerhande vliegopleiding tot beroepspiloot; Ik dit geval wens ik dit evenwaardig bedrag terug te vorderen vanwege de Administratie. b. Indien het geen ‘vergissing’ betrof, word ik mijn inziens ten onrechte weerhouden van de pejoratieven opgenomen in de JAR-FCL door het hanteren van foutieve data . Dr H. zelf vermeldt op het keuringsverslag van 05/04/94: ‘... onderging in 1989 een keratotomie...’, feit dat bevestigd wordt door het attest van de oogarts welke de keratotomie uitvoerde.
  38. Onafhankelijk van Par 1 t/m 3 is het feit dat Dr B. en Dr V.D.B. in 2000 als lid van de beroepscommissie mijn dossier behandelden strijdig met het principe dat een lid in vorige instantie niet betrokken mag zijn. Het is begrijpelijk dat beide geneesheren een vroegere beslissing hunnentwege niet als foutief kunnen of willen erkennen. Dit is een bijkomende nalatigheid van de overheid.” 5.
  39. In zijn memorie van wederantwoord schrijft de verzoeker aangaande het tweede middel: “De verweerder bevestigt dat de radiaire keratotomie Niet als dusdanig opgenomen is in het MB van 08 / 02 / 85 als reden tot medische ongeschiktheid, maar verwijst naar de bijlage van het MB , Hfst 1, Titel 9 als basis voor de beslissing tot ongeschiktheid: ‘de werking van het oog en de adnexa ervan dient normaal te zijn. De kandidaat mag generlei acute of chronische evoluerende aandoening van de IX-2519-9/13 ogen of de adnexa vertonen die de werking ervan als dusdanig zou aantasten dat de veiligheid van de vlucht in het gedrang komt.’ Dat er bij radiaire keratotomie noch sprake is van een acute of chronisch evoluerende aandoening, of sprake kan zijn van het in het gedrang brengen van de veiligheid van de vlucht, wordt door de verweerder impliciet bevestigd in de diverse commentaren van de door de Administratie aangewezen onderzoekende geneesheren en gezien zij mij inmiddels gedurende acht jaar ( lees meer dan 2000 vlieguren) wel toelaten verder vluchten uit te voeren, zij het op basis van een vergunning van privaatpiloot. Hfst 1 Titel 9 is evenwel evenzeer van toepassing op beide categorieën van medische geschiktheid, wat de stelling van de verweerder totaal incoherent maakt. Bovendien ontkent de verweerder op geen enkele manier ( lees ‘houdt het absolute stilzwijgen’) het feit dat er door de Administratie nagelaten werd enige vorm van uitvoeringsbesluiten of richtlijnen te verspreiden naar de diverse door haar gemandateerde geneesheren aangaande de toe te passen houding of raadgevingen bij radiaire keratotomie en het leiden tot definitieve ongeschikt- heid categorie 1 bij uitvoering ervan. Deze nalatigheid is een onomkeerbare fout van de Administratie met verregaande gevolgen. De bewering van de verweerder dat ik ( ik citeer ) een ‘ernstige afwijking’ aan de ogen had voorafgaand aan de keratotomie beschouwt de verzoeker als een ultieme poging om de ontstentenis van motivering te verdoezelen. Deze bewering wordt door de Administratie trouwens zelf weerlegd in het Bijl D opgenomen verslag van (het) eerste oftalmologisch onderzoek als privaatpiloot opgemaakt door de door de Administratie aangestelde oogarts Dr H., (correctie -2 Re en -1,25 Li) welke in zijn eindbeoordeling stelt : ‘Luc Audoore vertoont een lichte myopie’. De verweerder ontkent evenmin dat de nieuwe Europese JAR-FCL wetgeving welke reeds door meerdere EU-landen geïmplementeerd wordt, steunt op de meest rigoureuze medische normen binnen de lidstaten van de EU, en de radiaire keratotomie niet beschouwt als een uitsluiting voor de medische geschiktheid categorie
  40. De verweerder stelt terecht dat tot implementatie van de JAR-FCL in België, het MB van 08 / 02 / 85 van toepassing is. Evenwel worden door de Administratie piloten met vergunningen uit landen welke de JAR-FCL wel implementeren (en expliciet dus de medische normen met betrekking hierop toepassen) wel reeds toegelaten om Belgische vliegtui- gen te besturen.” 5.
  41. In zijn verslag wijst de auditeur-verslaggever erop dat onder de oogartsen die de verzoeker hebben onderzocht, er geen eensgezindheid bestaat nopens diens lichamelijke geschiktheid. Hij zet uiteen dat in ieder geval de mogelijkheid bestond om af te wijken van de voorgeschreven normen. Noch uit de IX-2519-10/13 bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt echter, aldus de auditeur, dat die mogelijkheid is overwogen. Hij acht het middel dan ook gegrond in zoverre de schending van de motiveringsplicht wordt ingeroepen. 5.
  42. In zoverre de verzoeker in het middel aanvoert dat het ministerieel besluit van 8 februari 1985 niet bepaalt dat uit radiaire keratotomie medische ongeschiktheid volgt, moet worden opgemerkt, zoals de verwerende partij terecht in haar memorie van antwoord schrijft, dat dit niet betekent dat de verzoeker op grond van de genoemde aandoening niet ongeschikt zou kunnen worden verklaard aangezien ook rekening gehouden moet worden met hetgeen vermeld wordt in de algemene beschouwingen en de vereisten gesteld in punt 9 van hoofdstuk I van de bijlage. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, bepaalt artikel 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 8 februari 1985 het volgende: “Voor de verkrijging, de hernieuwing of het behoud van een vergunning van lid van het stuurpersoneel van een luchtvaartuig, dat geen zweefvliegtuig of vrije ballon is, moet voldaan zijn aan de in de bijlage bij dit besluit bepaalde voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid. Dezelfde voorwaarden moeten vervuld zijn voor de verkrijging, de hernieuwing of het behoud van een bevoegdverklaring.” In de algemene beschouwingen van de bijlage bij het ministerieel besluit van 8 februari 1985 wordt vermeld: “Teneinde geschikt te worden verklaard bij een geneeskundig onderzoek, dient de kandidaat vrij te worden bevonden van elke lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking welke een bepaald functioneel onvermogen kan bewerkstelligen dat een gevaar kan vormen voor de veiligheid bij het besturen van een luchtvaartuig. De antecedenten van de kandidaat mogen geen lichamelijke of geestelijke stoornissen vertonen die kunnen recidiveren en aldus voornoemde veiligheid in gevaar kunnen brengen. De kandidaat dient aan de in deze bijlage voorgeschreven normen te voldoen. Nochtans zijn deze onvoldoende gespecifieerd om in elk bijzonder geval te voorzien, zodat de onderzoekende geneesheer, in bepaalde gevallen, voor een part naar eigen oordeel, zich dient uit te spreken over de geschiktheid. De bepaling van de geschiktheid gebeurt op basis van een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle hulpmiddelen, die de geneeskunde biedt, aangewend worden, en rekening houdend met de rechten en functies eigen aan de aangevraagde vergunningen, alsook met de omstandigheden waarin van deze laatste vermoedelijk zal gebruik gemaakt worden.” IX-2519-11/13 Meer bepaald met betrekking tot het gezichtsorgaan wordt in de bijlage bij het ministerieel besluit, hoofdstuk I, punt 9, vermeld: “De werking van het oog en de adnexa ervan, dient normaal te zijn. De kandidaat mag generlei acute of chronische evoluerende aandoening van de ogen of van de adnexa vertonen die de werking ervan dusdanig zou aantasten dat de veiligheid van de vlucht in het gedrang komt. [...] De vereisten inzake gezichtsscherpte worden nader omschreven in punt 1 van hoofdstuk II van deze bijlage. [...]” 5.4.
  43. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de AGD blijkens de genoemde bepalingen beschikt, kon de Beroepscommissie uit de gegevens van het medisch onderzoek van de verzoeker afleiden dat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning als beroepspiloot. 5.4.
  44. In zoverre de verzoeker in het middel de schending van de formele motiveringsplicht aanvoert, blijkt dat de verzoeker zelf heeft gevraagd dat de medische redenen van de beslissing van de Beroepscommissie aan zijn vertegen- woordigend geneesheer zouden worden overgemaakt. Aldus blijkt dat de verzoeker wel degelijk kennis had van de medische en wettelijke redenen die tot het bestreden besluit hebben geleid. 5.
  45. Het middel is niet gegrond. 5.
  46. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van het tweede middel. Er is grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  47. De debatten worden heropend. IX-2519-12/13 Artikel
  48. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2519-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.334 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.947 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.