id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.345 Rolnummer: A. 184893/VII-37034 Zaak: Arrest 194345 - Milieuvergunningen - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.345 van 18 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.345 van 18 juni 2009 in de zaak A. 184.893/VII-37.
- In zake : Marianne VAN HULLE, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- tussenkomende partij : de BVBA WIMIEKO, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marianne VAN HULLE op 22 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juni 2007 waarbij verzoeksters beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 18 januari 2007, houdende het verlenen aan de tussenkomende partij van een vergunning om een varkenshouderij, gelegen aan de Danegemstraat te Beernem, te exploiteren, uit te breiden en te wijzigen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 179.251 van 1 februari 2008 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-37.034-1/23 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 september 2007 ingediend door de BVBA WIMIEKO; Gelet op de beschikking van 26 februari 2008 die de tussenkomst van de BVBA WIMIEKO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. LANDUYT die, loco advocaat S. SERGEANT verschijnt voor verzoekster, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-37.034-2/23 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Verzoekster woont in de Danegemstraat 5 te Beernem. 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust ligt het perceel van verzoekster in een woongebied met landelijk karakter. 1.
- Op 8 november 2001 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen akte van de melding van overname door de tussenkomende partij van een varkensbedrijf aan de Sijselestraat 59 te Beernem. Deze inrichting ligt binnen hetzelfde bestemmingsgebied als de woning van verzoekster. De inrichting is vergund voor 1.300 varkens voor een termijn die verstrijkt op 8 december
- 1.
- Op 19 juni 2006 meldt de tussenkomende partij de overname van een inrichting aan de Oude Damseweg 1 te Damme, die vergund is voor 144 runderen voor een termijn tot 1 september 2011, alsook de overname van een inrichting aan de Schardauwstraat 9 te Damme, die vergund is voor 80 runderen voor een termijn tot 1 september
- 1.
- Op 15 september 2006 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een varkenshouderij gelegen aan de Danegemstraat te Beernem (Oedelem). 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust ligt deze inrichting in agrarisch gebied. 1.
- De aanvraag van 15 september 2006 heeft betrekking op de samenvoeging van de te herlokaliseren inrichting aan de Sijselestraat 59 te Beernem en de te verplaatsen inrichtingen aan de Oude Damseweg 1 en de Schardauwstraat 9 te Damme. Het voorwerp van de aanvraag zijn onder meer 2.023 mestvarkens en 2.600 m³ mest. VII-37.034-3/23 1.
- Op 18 januari 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning aan de tussenkomende partij. 1.
- Hiertegen stelt verzoekster beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 1.
- Na het inwinnen van de nodige adviezen, neemt de verwerende partij op 25 juni 2007 de thans bestreden beslissing, waarbij verzoeksters beroep wordt verworpen, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de vergunning wordt verleend aan de tussenkomende partij. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op het besluit van de deputatie van 18 januari 2007, waarbij vergunning wordt verleend om een nieuwe varkenshouderij te exploiteren met stallen voor 2.023 mestvarkens en toebehoren na herlocalisatie en samenvoeging; Overwegende dat de definitieve bouwvergunning op de stop te zetten inrichting werd verleend vóór 1 september 1991; dat uit de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 4 februari 1993, wat vóór 29 maart 1993 is; dat er op deze aangifte dieren werden vermeld zodat de inrichting als een bestaande inrichting kan beschouwd worden overeenkomstig artikel 2, 7/, a van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; Overwegende dat de aanvraag een nieuwe inrichting betreft, na herlocalisatie en samenvoeging, met stallen voor 2.023 mestvarkens, wat overeenkomt met 2.023 varkenseenheden; dat er derhalve een stijging is van de mestproductie van de varkens op inrichtingsniveau zodat deze inrichting dient te voldoen aan de verbods- en afstandsregels van de artikels 5.9.4.4 en 5.9.4.5 van titel II van het VLAREM; dat aan de inrichting, uitgaande van het feit dat de nieuwe stal een ammoniakemissiearme stal zal zijn, volgens het systeem V-4.7 van de lijst vastgesteld in het ministerieel besluit van 19 maart 2004, tussen 50-100 waarderingspunten worden toegekend; dat voor dergelijke inrichting een verbod- afstandsregel geldt van 300 meter tot ieder hindergevoelig gebied, zoals aangegeven in het VLAREM; dat, zoals hoger vermeld, hieraan ruimschoots wordt voldaan; Overwegende dat de inrichting ook gelegen is op 325 meter van een woongebied met landelijk karakter; dat de voormelde afstandsregels in het Vlarem werden opgenomen teneinde de hinder van zulke inrichtingen ten opzichte van de omgeving tot een aanvaardbaar niveau te herleiden; dat deze afstand minimum 300 m dient te bedragen, zoals hoger vermeld; dat bijgevolg het risico op geurhinder tot een aanvaardbaar niveau zal beperkt zijn; Overwegende dat het een nieuwe veeteeltinrichting betreft en bijgevolg ook dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 33ter, §l, c), 5) en 3/ en 4/ van het decreet van 23 januari 1991; VII-37.034-4/23 Overwegende dat op de te verplaatsen en stop te zetten inrichting te Beernem er een vergunde mestproductie is van 16.900 kg N en 6.929 kg P2O5, overeen-komstig 1.300 mestvarkens; dat op de stop te zetten en overgenomen inrichting te Schardauwstraat 9 te Damme er een vergunde mestproductie is van 6.260 kg N en 1.980 kg P2O5, overeenkomstig 80 runderen (15 Overwegende dat op het inrichtingsadres Danegemstraat z/n, 8730 Beernem er geen milieuvergunningen bekend zijn; dat de aangevraagde inrichting als nieuw kan beschouwd worden, zodat voldaan is aan deze aangehaalde bepaling; dat de nieuwe inrichting volledig dient gelegen te zijn in een agrarisch of landschappelijk waardevol agrarisch gebied (artikel 33ter, §1, 1/, c), 5)); dat de nieuwe inrichting volledig gelegen is in agrarisch gebied en dat er derhalve voldaan is aan deze bepaling; dat de nieuwe inrichting vroeger geen stopzettingsvergoeding mag verkregen hebben in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest (artikel 33ter, §1, 4/); dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, geen stopzettingsvergoeding toegekend is en derhalve hieraan voldaan is; Overwegende dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, voldaan is aan de bepaling van het decreet van 23 januari 1991; dat de te verplaatsen inrichtingen niet geheel of gedeeltelijk mogen gelegen zijn in een agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat de nieuwe inrichting moet gelegen zijn in een agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied (artikel 33ter, § l, l/, c), 5)); dat de te verplaatsen inrichtingen niet gelegen zijn in een agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat dus voldaan is aan deze bepaling; dat de vergunningsaanvrager reeds 5 jaar houder dient te zijn van de vergunningen van de te verplaatsen inrichtingen (artikel 33ter, §1,1/, c); dat zoals vermeld in het advies van de Vlaamse Landmaatschappij hieraan voldaan is; dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, de te verplaatsen inrichtingen geen stopzettingsvergoedingen hebben verkregen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest (artikel 33ter, §1, 1/, c), 4); dat de vergunningsaanvrager van de nieuwe inrichting, dezelfde natuurlijke/rechtspersoon dient te zijn als degene die bij de Mestbank voor de te verplaatsen inrichtingen gekend is als producent (artikel 33ter, §l, l/, c); dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, hieraan voldaan is; dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, de drie voorafgaande kalenderjaren (artikel 33ter, § l, 3/) voldaan is aan de aangifteplicht; dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, in het verleden de opgegeven mestproductie conform de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 is gebeurd (artikel 33ter, § l, 3/); dat de aanvrager een ondertekende en gedateerde verklaring dient voor te leggen, waaruit blijkt dat de exploitatie van de te verplaatsen inrichtingen volledig zal worden stopgezet (artikel 33ter, § l, 1/, c), 4); dat volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij hieraan voldaan is; Overwegende dat de exploitant na de samenvoeging een vergunning wenst te bekomen voor een mestproductie van 26.299 kg N en 10.783 kg P2O5; dat, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991, er maar 75% van de vergunde mestproductie van de stop te zetten en de te verplaatsen inrichting in aanmerking komt voor de exploitatie van de nieuwe inrichting; dat dit overeenkomt met een vergunde mestproductie van 7.458 kg N en 2.370 kg P2O5 voor de inrichting op Oude Damseweg 1 te Damme en een vergunde VII-37.034-5/23 mestproductie van 4.695 kg N en 1.485 kg P2O5 voor de inrichting op Schardauwstraat 9 te Damme; dat de vergunde mestproductie na verplaatsing maximaal 29.053 kg N en 10.784 kg P2O5 mag bedragen; dat er derhalve na de verplaatsing geen stijging is van de vergunde mestproductie en derhalve voldaan is aan de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991; Overwegende dat er een nieuwe stal wordt gebouwd; dat de nieuw te bouwen stal een ammoniakemissiearme stal dient te zijn; dat de nieuw te bouwen stal zal worden uitgevoerd conform stalnummer V-4.7 ('mestkelders met water- en mestkanaal, de laatste met schuine putwanden en met andere dan metalen driekantroosters') van de lijst van toegelaten systemen voor ammoniakemissie-reductie van varkensstallen, zoals vastgesteld in het ministerieel besluit van 19 maart 2004, BS van 14 oktober 2004; dat er dus voldaan is aan de bepa-lingen van zowel artikel 5.9.2.1bis, § 1 van titel II van het VLAREM als aan artikel 33ter, § l, l/, c, 4) van het decreet van 23 januari 1991; Overwegende dat in artikel 5.9.2.3 van titel II van het VLAREM gesteld wordt dat iedere inrichting waar mengmest wordt geproduceerd over een mestopslagcapaciteit dient te beschikken van minimaal 6 maanden; dat, uitgaande van de inrichtingsplannen, er een mestopslagcapaciteit van minimaal 1.618 m³ dient voorzien te worden; dat er een opslagcapaciteit van 2.600 m³ is voorzien; dat er dus voldaan is aan vermeld artikel; Overwegende dat op 13 april 2007 een bouwvergunning werd verleend mits de stal 10 m naar het oosten wordt verschoven zodat de stal beter aansluit bij het naastliggende landbouwbedrijf; dat er in deze bouwvergunning een groenscherm van 15 m is voorzien; dat derhalve, gezien ook de afstand van 325 m van het woongebied met landelijk karakter, de visuele hinder zal beperkt zijn; Overwegende dat er een nieuwe ammoniakemissiearme stal wordt (...) zal zowel de geurhinder, uitstoot van fijne stof en andere hinder beperkt zijn; Overwegende dat, gezien ligging van andere bedrijven in de omgeving en gezien er door de gemeente aangepaste maatregelen genomen zullen worden zodat het vrachtverkeer zal afgeremd en de straat niet meer kan gebruikt worden als sluiproute, de verkeershinder zal beperkt zijn; Overwegende dat de inrichting wordt geëxploiteerd in een nieuwe ammo- niakemissiearme stal en overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem worden alle sanitaire maatregelen genomen om de inrichting hygiënisch te exploiteren; Overwegende dat, volgens de watertoets, de inrichting zich niet in overstromingsgebied bevindt en gesitueerd is in het Bekken Brugse Polders; dat er nieuwe v(a)rk(en)sstallen voorzien zijn met een dakoppervlakte van 1.900 m²; dat het regenwater wordt opgevangen in een regenwaterput; dat deze regenwaterput een overloop heeft naar een waterbekken; dat, gelet op de ligging van de voorziene regenwateropvang en bufferbekken, kan gesteld worden dat de huidige aanvraag geen schadelijk effect zal veroorzaken; dat er kan gesteld worden dat het schadelijk effect van de grondwaterwinning op het milieu en op het grondwatersysteem beperkt is; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de openbare bekendmaking is gebeurd zoals wettelijk voorzien is; - de inrichting voldoet aan de voorziene afstandsregels en voldoet aan de planologische voorschriften; dat de overige aanspraken in voorgaande overwegingen voldoende worden geëvalueerd; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". VII-37.034-6/23 VII-37.034-7/23
- Ten gronde Eerste middel Standpunten van de partijen 2.1.
- Als eerste middel voert verzoekster de "exceptie van onwettigheid van artikel 5.9.4.
- en 5.9.4.5 VLAREM II" aan, in zoverre die bepalingen het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden, en de schending van de zorgvuldig- heidsplicht en de materiële motiveringsplicht, doordat het bestreden besluit zou zijn gebaseerd op onjuiste feitelijke gegevens. Samengevat houdt het middel in dat de inrichting vlak bij een landschappelijk waardevol gebied is gelegen, op het kruispunt van de Danegemstraat en de Sijselestraat, waar verzoekster woont, en op minder dan 250 meter van een woongebied met landelijk karakter. De verwerende partij gaat er volgens verzoekster ten onrechte van uit dat de inrichting gelegen is op 325 meter van een woongebied met landelijk karakter. Verzoekster verwijst naar artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), en betoogt dat deze bepaling nog niet is onderzocht vanuit het oogpunt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het is volgens verzoekster strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel dat de afstandsregels van artikel 5.9.9.
- van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) niet zouden gelden voor een woongebied met een landelijk karakter, en wel zouden gelden voor andere woongebieden. Er valt volgens verzoekster niet in te zien waarom inwoners van woongebieden met landelijk karakter een hogere tolerantie zouden moeten vertonen voor agrarische activiteiten, en waarom de toepasselijkheid van bepaalde afstandsregels helemaal buiten spel wordt gezet. 2.1.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij, kort samengevat, dat krachtens het gelijkheidsbeginsel ongelijke toestanden ongelijk moeten worden behandeld, maar dat er een redelijke basis moet bestaan om te VII-37.034-8/23 differentiëren. Zij meent dat, als in bepaalde gebieden stallen mogen voorkomen, het geen zin meer heeft om nog gewag te maken van afstanden tussen deze gebieden en de stallen, hetgeen evenwel geenszins betekent dat in die gebieden meteen alles is toegelaten. 2.1.
- In de memorie van wederantwoord betwist verzoekster niet dat in woongebieden met landelijk karakter gewone landbouwbedrijven moeten worden getolereerd, maar meent zij dat het in de voorliggende zaak gaat om een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf voor intensieve veeteelt. 2.1.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst stelt de tussenkomende partij dat de verbods- en afstandsregels geenszins gelden voor een woongebied met landelijk karakter. Beoordeling 2.1.
- Het bestreden besluit overweegt dat de inrichting moet voldoen aan de verbods- en afstandsregels van de artikelen 5.9.4.
- en 5.9.4.
- van Vlarem II. Zij stelt dat ruimschoots is voldaan aan de voor de inrichting geldende verbods- en afstandsregel van 300 meter tot ieder hindergevoelig gebied. Uit de aangehaalde bepalingen volgt dat de afstandsregels, wat de woongebieden betreft, slechts gelden voor woonuitbreidingsgebieden en woongebieden andere dan woongebieden met een landelijk karakter. Verzoeksters stelling dat de feitelijke afstand tussen de inrichting en het woongebied met landelijk karakter niet correct is, is bijgevolg niet terzake dienend. Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen de beide soorten gebieden. Dit onderscheid volgt uit de artikelen 5 en 6.1.2.
- van het inrichtingsbe- sluit. Uit die bepalingen blijkt dat woongebieden met een landelijk karakter zowel bestemd zijn voor woningbouw als voor landbouwbedrijven. In tegenstellig tot "zuivere" woongebieden staan in woongebieden met landelijk karakter wonen en landbouw op gelijke voet. In dergelijke gebieden kunnen landbouwbedrijven worden toegelaten. Het zou bijgevolg ongerijmd zijn een afstandsregel ten opzichte van dergelijke gebieden op te leggen. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, zijn intensieve veehouderijen evenzeer landbouwbedrijven. De reglementering maakt terzake geen onderscheid. VII-37.034-9/23 Het in artikel 5.9.4.
- van Vlarem II gemaakte onderscheid tussen woongebieden en woongebieden met een landelijk karakter is bijgevolg niet willekeurig. Het vindt zijn grondslag in artikel 6.1.2.
- van het inrichtingsbesluit zelf. Het gemaakte onderscheid is objectief en niet kennelijk onredelijk. Er is bijgevolg geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Dat de Raad van State de grondwettigheid van de afstandsregel in artikel 11.4.
- van het inrichtingsbesluit nog niet zou hebben onderzocht, doet weinig terzake. Aan de orde is immers de vraag of de artikelen 5.9.4.
- en 5.9.4.
- van Vlarem II de toets aan het gelijkheidsbeginsel kunnen doorstaan, en hierboven is aangetoond dat dit het geval is. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunten van de partijen 2.2.
- Verzoekster voert als tweede middel de schending aan van de artikelen 1.1.2., § 1, 8/, en 4.3.
- van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : decreet van 5 april 1995) en van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapporta- ge. Zij betoogt dat, hoewel de milieudienst van de gemeente Beernem van oordeel was dat de exploitatie van de nieuw op te richten stal als één milieutech- nische eenheid (hierna : MTE) met de reeds bestaande inrichting op het naast- liggende perceel dient te worden beschouwd, de gemeente niet overeenkomstig heeft gehandeld. De voorgenomen exploitatie betreft volgens verzoekster een project in de zin van artikel 4.1.1., § 1, 5/, van het decreet van 5 april
- Zij tracht in haar verzoekschrift de geografische, materiële en operationele samenhang van de geplande inrichting aan te tonen en wijst daarbij op de volgende elementen : VII-37.034-10/23 - de tussenkomende partij is familiaal verbonden met Willem COMPERNOL, die samen met zijn echtgenote eigenaar is van alle betrokken percelen in de Danegem- straat : de tussenkomende partij is niets anders dan Willem COMPERNOL; - op bepaalde momenten wordt zelfs niet meer verhuld dat de exploitatie door de tussenkomende partij te vereenzelvigen is met de exploitatie door Willem COMPERNOL; - de tussenkomende partij heeft in het geheel geen beschikking over enig perceel; de landbouwgrond van Willem COMPERNOL wordt de facto gebruikt voor de exploitatie van de inrichting van de tussenkomende partij, zodat deze exploitatie verre van autonoom is; - de tussenkomende partij heeft onvoldoende eigen grond om de mest uit te strooien; - bij de behandeling van de bouwaanvraag door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen ging de aanvrager er zelf van uit dat het te herlokaliseren bedrijf aan de Sijselestraat en het bestaande bedrijf aan de Danegem- straat samen dienden te worden beoordeeld; - Willem COMPERNOL heeft steeds ingestaan voor de totaliteit van de exploitatie, zowel in de Danegemstraat als in de Sijselestraat; niet de zaakvoerder van de tussenkomende partij, die zich bezig houdt met putboringen, maar Willem COMPERNOL verzorgt de algehele exploitatie; de materiële en de operationele samenhang staat vast; - de opbouw van de algehele exploitatie door Willem COMPERNOL in de Danegemstraat wordt gekenmerkt door parallelle overnames door de tussenkomende partij en Willem COMPERNOL op hetzelfde moment; de schaalvergroting van de exploitatie wordt de facto door Willem COMPERNOL uitgeoefend; - de geplande exploitatie komt vlak naast de bestaande inrichting; "de geografische samenhang is legio"; - de voorgenomen exploitatie zal op de eigendommen van Willem COMPERNOL en Mieke CLAEYS plaatsvinden. Ten slotte meent zij dat, vermits de aanvraag zou moeten worden beoordeeld op het niveau van de MTE, het over een project gaat dat aan een milieueffectenrapport (hierna : MER) moet worden onderworpen. 2.2.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij, samengevat, dat er geen sprake is van een MTE, zodat er ook geen MER-plicht geldt. VII-37.034-11/23 Zij stelt dat de aangevraagde vergunning niet de exploitatie van 3.000 plaatsen voor mestvarkens betreft, zodat er geen MER-plicht geldt. Er is volgens haar geen sprake van een MTE die zou zijn samengesteld uit de te vergunnen inrichting en de nabijgelegen inrichting die wordt uitgebaat door Willem COMPERNOL. De verwerende partij tracht de door verzoekster aangevoerde geografische, materiële of operationele samenhang van de inrichtingen en activiteiten te weerleggen. Voorts betwist zij dat de vergunning betrekking heeft op een project in de zin van artikel 4.3.2., § 1, van het decreet van 5 april
- 2.2.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat niet zozeer de familiale verbondenheid doorslaggevend is, maar wel het feit dat de exploitatie van de tussenkomende partij onmogelijk te scheiden valt van de exploitatie door Willem COMPERNOL, met wiens inrichting volgens haar een MTE wordt gevormd. 2.2.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst wordt, kort samengevat, betoogd dat er slechts een MER-plicht geldt voor een intensieve varkenshouderij met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens, terwijl het in casu slechts gaat om een vleesvarkensstal voor 2.200 varkens. De tussenkomende partij tracht voorts het bestaan van een MTE te weerleggen. 2.2.
- In de laatste memorie tracht verzoekster onder meer aan de hand van foto's, schetsen en feitelijke elementen aan te tonen dat het bij de exploitaties van de inrichtingen van Willem COMPERNOL en de tussenkomende partij wel degelijk om een MTE gaat. Het bufferbekken en de voedersilo's zijn volgens verzoekster niet uitgevoerd volgens de ingediende plannen en het groenscherm zou niet zijn aangelegd. Zij onderstreept dat de tussenkomende partij zelf geen personeel in dienst heeft. Beoordeling 2.2.
- Verzoekster toont niet aan dat er te dezen sprake is van een MTE. De omstandigheid dat er familiale bindingen zijn tussen de exploitanten van de beide inrichtingen bewijst op zich niet dat er sprake is van een MTE, aangezien de decreetgever dit criterium niet heeft ingesteld. Het is niet vereist dat de tussenkomende partij eigenaar is van de gronden waarop de exploitatie plaatsvindt. Het volstaat dat zij over de gronden kan VII-37.034-12/23 beschikken via zakelijke of contractuele rechten. Voorts is de naam van de vennoot- schap, die wijst op bepaalde familiebanden, geen determinerend criterium om te bepalen of er al dan niet een MTE is. De beide inrichtingen palen niet aan elkaar. Uit niets blijkt dat er slechts één enkele toegangsweg tot de openbare weg zou zijn. Een geografische verbondenheid wordt bijgevolg niet aangetoond. De loutere omstandigheid dat bepaalde inrichtingen zich in elkaars nabijheid bevinden, noch de ligging van de woning zijn determinerend om te besluiten tot het al dan niet bestaan van een MTE. Evenmin wordt een materiële verbinding tussen de beide bedrijven aangetoond. Niets wijst er op dat er één en dezelfde uitbater zal zijn. Het is niet omdat Eric COMPERNOL ook nog actief is in een andere sector dat hij onmogelijk kan instaan voor de uitbating van de geplande inrichting. Willem COMPERNOL en de tussenkomende partij hebben elk een afzonderlijk ondernemings- en landbouwnummer. Dat de tussenkomende partij geen personeel in dienst heeft, is niet doorslaggevend vermits Eric COMPERNOL zelf de inrichting kan uitbaten. Verzoekster toont evenmin aan dat de beide bedrijven gezamenlijke nutsvoorzieningen zouden hebben. Zelfs al zouden bepaalde of zelfs alle gronden waarop de tussenkomende partij exploiteert eigendom zijn van Willem COMPERN- OL, dan nog is dit geen bewijs van materiële samenhang. De exploitant hoeft geen eigenaar te zijn van de percelen waarop de exploitatie plaatsvindt; hij kan er evengoed een zakelijk of persoonlijk recht op hebben. Om te beoordelen of de inrichting een MTE vormt met een andere inrichting kon de vergunningverlenende overheid niets anders dan voortgaan op de ingediende plannen. De beweerd onwettige inplanting van de voedersilo's en het bufferbekken is te dezen niet relevant om te weten of er sprake is van een MTE. Het groenscherm moet worden aangelegd, en het is de verplichte aanleg van dit groenscherm die bepaalt of er al dan niet sprake is van een MTE. Tenslotte blijkt ook niet dat er een operationele samenhang zou zijn, in die zin dat de bedrijven op elkaar zouden zijn afgestemd voor hun werking. Zelfs al zou de tussenkomende partij onvoldoende eigen gronden hebben voor mestafzet, dan nog belet niets dat aan mestverwerking wordt gedaan of dat de mest wordt afgezet op gronden van derden. Verzoekster toont niet aan dat er een juridische binding is tussen de bedrijven. VII-37.034-13/23 Het tweede middel is niet gegrond. VII-37.034-14/23 Derde middel Standpunten van de partijen 2.3.
- Verzoekster voert als derde middel de schending aan van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffen- decreet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). In essentie meent verzoekster dat de betwiste vergunning een te herlokaliseren bedrijf betreft met een vergunning voor 1.300 mestvarkens, waarbij moet worden nagegaan of er voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet. Zij meent voorts dat de formele motiveringsplicht is geschonden, doordat de bestreden beslissing er, in tegenstelling tot de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie, zonder meer van uit gaat dat voor de stop te zetten inrichtingen de aanvrager dezelfde natuurlijke persoon is als diegene die bij de Mestbank gekend is als producent, en doordat de bestreden beslissing stelt dat er geen stijging is van de mestproductie, terwijl er volgens haar, en ook volgens de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie, wel degelijk een stijging is. Zij meent dat de bestreden beslissing een vergunning verleent boven 75 % van de mestproductie van de bestaande vergunningen. Volgens verzoekster wordt de regeling van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet van haar doel afgewend. Deze bepaling wordt volgens haar immers gebruikt voor de oneigenlijke uitbreiding van de activiteit van Willem COMPERNOL. Verzoekster zet uiteen dat de beide inrich- tingen dienen te worden uitgebaat door dezelfde exploitant die vijf jaar vergun- ninghouder is en dat het te dezen vaststaat dat de tussenkomende partij niet de exploitant zal zijn, voor wie de decreetgever deze mogelijkheid heeft gecreëerd. Zij stelt dat de feitelijke exploitant Willem COMPERNOL zal zijn. 2.3.
- In de memorie van antwoord meent de verwerende partij dat het bestreden besluit wel degelijk voldoende is gemotiveerd waar wordt gesteld dat is voldaan aan de voorwaarde dat de aanvrager van de nieuwe inrichting dezelfde persoon is als diegene die bij de Mestbank gekend is als producent. Volgens haar VII-37.034-15/23 was de tussenkomende partij sinds 2001 exploitant en dus producent van de stop te zetten inrichting. De verwerende partij betoogt verder dat op de inrichting, gelegen aan de Sijselestraat 59 te Beernem (Oedelem), artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet van toepassing is, dat geen eisen stelt met betrekking tot een beperking van de vergunde mestproductie, zodat de volledige mestproductie kan worden overgezet. Op de twee overgenomen inrichtingen, gelegen te Damme, is volgens haar daarentegen artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet van toepassing. Met toepassing van die bepaling mag 75 % van de vergunde mestproductie van de Damse inrichtingen in aanmerking worden genomen. Wanneer men de totale berekening maakt, is er volgens de verwerende partij bijgevolg geen stijging van de mestproductie. 2.3.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster nog dat niet is voldaan aan twee voorwaarden voor het verplaatsen van de inrichting: de te verplaatsen inrichtingen mogen niet geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een agrarisch gebied of een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en de tussen- komende partij moest op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag reeds minstens vijf jaar houder zijn van de milieuvergunning van de stop te zetten inrichting. 2.3.
- De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat zowel de verwerende partij als de Mestbank de vergunningsaan- vraag hebben onderzocht op alle voorwaarden van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet en dat verzoekster geen enkel bewijskrachtig argument aanvoert waaruit blijkt dat niet aan de voorwaarden van de voornoemde bepaling zou zijn voldaan, of waaruit zou blijken dat de motivering onvoldoende is. De tussenkomende partij meent voorts dat het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op de oneigenlijke feitelijke uitbreiding van de activiteit van Willem COMPERNOL, met stijging van de vergunde mestproductie, onduidelijk is geformuleerd. In haar memorie betoogt de tussenkomende partij nog dat verzoekster geen belang heeft bij het middel, nu artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet sinds 31 december 2007 is opgeheven door artikel 80 van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de VII-37.034-16/23 verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen en de verwerende partij daarom in de huidige stand van de wetgeving geen rekening meer moet houden met de vraag of de aanvraag al dan niet een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg zou hebben. De tussenkomende partij meent dat een vernietiging op basis van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet aan verzoekster geen enkel voordeel zou opleveren. 2.3.
- In haar laatste memorie bekritiseert verzoekster de in het auditoraatsverslag gehuldigde stelling dat in de memorie van wederantwoord een nieuwe grondslag zou worden gegeven aan het middel. Beoordeling 2.3.6.
- De wettigheid van een overheidshandeling wordt in beginsel beoordeeld op grond van de regelgeving die gold op het ogenblik waarop die handeling werd gesteld. De Raad van State mag zich in het kader van het voorlig- gende geding niet uitspreken over de eventuele uitkomst van de herneming van de administratieve procedure na het vernietigingsarrest. De Raad zou zich hierbij dan immers in de plaats van het bestuur stellen. De exceptie inzake het gebrek aan belang bij het middel, zoals aangevoerd door de tussenkomende partij, kan dus niet worden aangenomen. 2.3.6.
- In haar memorie van wederantwoord voert verzoekster nieuwe argumenten aan die zij reeds had kunnen aanvoeren in haar verzoekschrift. Aldus wordt aan het middel een andere grondslag verleend. Verzoekster kon op basis van de gewestplannen weten in welk bestemmingsgebied de te verplaatsen inrichting lag, zodat zij dit in haar verzoekschrift kon aanvoeren. Enkel het middel, zoals het werd ontwikkeld in het verzoekschrift, moet worden onderzocht. 2.3.6.
- De bestreden beslissing omvat in wezen twee luiken : 1) de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting, gelegen aan de Danegemstraat te Beernem, gecombineerd met de stopzetting van een inrichting gelegen aan de Sijselestraat 59 te Beernem, die 1.300 varkens omvat; op die nieuwe exploitatie, gecombineerd met een stopzetting, was artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet van toepassing; 2) een uitbreiding met een stijging van de vergunde mestproductie van de inrichting gelegen aan de Danegemstraat te Beernem, gecombineerd met een volledige stopzetting van de bestaande veeteeltinrichtingen te Damme (gelegen aan VII-37.034-17/23 respectievelijk de Schardauwstraat 9 en de Oude Damseweg 1, en respectievelijk omvattende 80 en 144 runderen); op die operatie was artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet van toepassing. Voor de herlokalisatie van de inrichting, gelegen aan de Sijselestraat 59 te Beernem, naar de Danegemstraat te Beernem, geldt geen beperking van de vergunde mestproductie. Uit artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet blijkt immers dat de volledige vergunde mestproductie van 1.300 varkens mocht worden overgebracht naar de nieuwe inrichting, gelegen aan de Danegemstraat te Beernem. Wat het tweede luik betreft, namelijk de uitbreiding, kan overeenkomstig artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet slechts 75 % van de vergunde mestproductie van de rundveehouderijen, gelegen te Damme, worden overgebracht. Uit de berekening blijkt dat de mestproductie die de tussenkomende partij wil verkrijgen voor de inrichting, gelegen aan de Danegemstraat te Beernem, lager ligt dan de som van de mestproductie van de inrichting, gelegen aan de Sijselestraat 59 te Beernem, en 75 % van de mestproductie van de inrichtingen, gelegen te Damme. Het meststoffendecreet vereist niet dat de mestproductie van alle inrichtingen die worden stopgezet, moet worden gereduceerd tot 75 %. Uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat correct toepassing werd gemaakt van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4) en 5), van het meststoffendecreet. Het bestreden besluit overweegt dus terecht dat er geen stijging is van de vergunde mestproductie, althans wanneer men rekening houdt met de stopzetting van drie bedrijven en met de decretale beperking terzake. Uit de motivering van het bestreden besluit, die een concrete berekening bevat, waarvan niet wordt aangetoond dat zij niet correct is, blijkt duidelijk waarom er geen stijging is van de mestproductie. Aldus wordt op afdoende wijze aangegeven waarom wordt afgeweken van de zienswijze van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. De tussenkomende partij was sedert minstens vijf jaar houder van de milieuvergunning voor de inrichting gelegen aan de Sijselestraat 59 te Beernem en het is eveneens de tussenkomende partij die het nieuwe bedrijf aan de Danegemstraat te Beernem wil exploiteren. In de motivering van het bestreden besluit wordt terecht vastgesteld dat de vergunningsaanvrager reeds vijf jaar houder is van de vergunning van de te verplaatsen inrichting. Zelfs al zou de Provinciale VII-37.034-18/23 Milieuvergunningscommissie er een andere mening op nahouden, zoals verzoekster stelt, dan nog motiveert het bestreden besluit duidelijk dat er aan de decretale voorwaarde terzake is voldaan. Uit de beoordeling van het tweede middel blijkt dat de tussenkomende partij en Willem COMPERNOL autonome bedrijven uitbaten en dat de thans vergunde inrichting niet zonder meer als een uitbreiding van de inrichting van Willem COMPERNOL kan worden gekwalificeerd. Het derde middel is bijgevolg niet gegrond. Vierde middel Standpunten van de partijen 2.4.
- In het verzoekschrift wordt als vierde middel de schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel, van het beginsel "patere legem quam ipse fecisti" en van artikel 19 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.). Verzoekster stelt dat zij in haar beroepschrift heeft laten gelden dat de beroepen beslissing in strijd was met het ruimtelijk structuurplan van de provincie West-Vlaanderen, met het milieubeleidsplan 2005-2009 van de gemeente Beernem en met het voorontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 2.4.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat uit artikel 19, § 6, van het D.R.O. blijkt dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor de werken en handelingen bedoeld in de artikelen 99 en 101 van het D.R.O., noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135 van het D.R.O.. 2.4.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst stelt de tussenkomende partij eveneens dat uit artikel 19, § 6, van het D.R.O. blijkt dat ruimtelijke structuurplan- nen geen beoordelingsgrond vormen voor stedenbouwkundige vergunningen of attesten en dat zij geen verordenende kracht hebben en dus geen basis vormen voor het weigeren of verlenen van milieuvergunningen. Zij verwijst daarbij naar het arrest van de Raad van State nr. 160.589 van 27 juni
- Het D.R.O. geeft volgens haar evenmin verordenende kracht aan gemeentelijke milieubeleidsplannen. VII-37.034-19/23 Beoordeling 2.4.
- Een ruimtelijk structuurplan, dat een beleidsinstrument is, vormt geen basis voor de beoordeling van een bouw- of verkavelingsaanvraag noch voor een aanvraag van een stedenbouwkundig attest. A fortiori moet men aannemen dat ruimtelijke structuurplannen evenmin een beoordelingsgrond kunnen vormen voor milieuvergunningsaanvragen, vermits de stedenbouwkundige toetsing bij milieu- vergunningsaanvragen geringer is dan bij aanvragen voor bouwvergunningen. Verzoekster geeft niet aan op basis van welke rechtsregel gemeentelijke milieubeleidsplannen als bindend toetsingsinstrument zouden moeten fungeren voor de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen. Ruimtelijke structuurplannen en milieubeleidsplannen zijn beleidsdocumenten, geen rechtsregels. Het beginsel "patere legem quam ipse fecisti" vindt hier dan ook geen toepassing. Het vierde middel is niet gegrond. Vijfde middel Standpunten van de partijen 2.5.
- Verzoekster voert als vijfde middel de schending aan van artikel 8, §§ 1 en 2, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en van de materiële motiveringsplicht. Verzoekster betoogt dat de geplande stal zich op een heuvelrug bevindt en dat de Danegemstraat licht hellend is, met het laagste punt naar het woongebied aan het kruispunt met de Sijselestraat toe. Op de kaart van de overstromingsgebieden in Vlaanderen wordt de strook die afhelt van de inrichting naar het woongebied op het kruispunt van de Danegemstraat en de Sijselestraat aangegeven als "van nature overstroombaar gebied". Het regenwater wordt afgevoerd via de Poulagiebeek en 600 meter stroomafwaarts van voormeld kruispunt wordt dit ingekleurd als "recent overstroom(d) gebied" en "risicozone voor overstroming". Volgens verzoekster wordt dan ook ten onrechte in de bestreden beslissing overwogen dat de inrichting zich niet in een overstromingsgebied bevindt VII-37.034-20/23 en komt haar tuin, wanneer de Poulagiebeek buiten haar oevers treedt, onder water te staan. Verzoekster betoogt dat de overwegingen van het bestreden besluit met betrekking tot de watertoets een letterlijke overname zijn van de overwegingen van de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 18 januari 2007 en dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. 2.5.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat het bestreden besluit wel degelijk een gemotiveerde watertoets bevat, dat de inrichting zich absoluut niet in een overstromingsgebied bevindt, maar wel bovenop een heuvelrug, en dat bij het uitvoeren van de watertoets geen kennelijk onredelijke beoordeling werd gemaakt. 2.5.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst wordt betoogd dat het middel onontvankelijk is, enerzijds omdat verzoekster niet aantoont dat haar tuin is gelegen in het desbetreffende overstromingsgebied en haar belang dus niet griefhoudend zou zijn, en anderzijds omdat verzoeksters belang niet rechtstreeks zou zijn, omdat er geen rechtstreeks verband zou bestaan tussen de bestreden milieuver- gunning en de beweerde overstromingsproblematiek in het verderop gelegen gebied. Beoordeling 2.5.
- Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat er een watertoets werd uitgevoerd. Het bestreden besluit bevat een gemotiveerde waterparagraaf waaruit blijkt dat de inrichting zich niet in een overstromingsgebied bevindt. Verzoekster toont het tegendeel niet aan. Verzoekster toont niet aan dat de overstromingen in haar tuin iets te maken hebben met het bestreden besluit, vermits deze overstromingen zich blijkbaar al voordeden vooraleer de bestreden beslissing werd genomen. Voorts stelt verzoekster zelf dat er 600 meter liggen tussen de inrichting en het woongebied op het kruispunt van de Danegemstraat en de Sijselestraat, zodat het niet evident is dat de inrichting de oorzaak zou zijn van de overstromingen in het betrokken woon- gebied. VII-37.034-21/23 Het bestreden besluit overweegt dat het regenwater wordt opgevangen in een regenwaterput en dat deze put een overloop heeft naar een regenwaterbekken. Het bestreden besluit leidt uit de ligging van de voorziene regenwateropvang en het voorziene bufferbekken af dat de huidige aanvraag geen schadelijk effect zal veroorzaken. Verzoekster toont niet aan dat deze beoordeling feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. De verwerende partij mag de motivering van de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen overnemen indien deze motivering afdoende is. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat de motivering niet afdoende is. Het vijfde middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-37.034-22/23 D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.034-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.345 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.251 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div