id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.347 Rolnummer: A. 188674/VII-37215 Zaak: Arrest 194347 - Milieuvergunningen - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.347 van 18 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.347 van 18 juni 2009 in de zaak A. 188.674/VII-37.
- In zake : Emile SCHAMP, die woonplaats kiest bij advocaten S. RONSE en B. VANDROMME, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, Archimedesstraat
- tussenkomende partij : de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ, die woonplaats kiest te WAREGEM, Papegaaistraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emile SCHAMP op 23 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 april 2008 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 houdende het verlenen aan de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ van de vergunning voor het exploiteren van een tankstation, gelegen aan de Oudenaardestraat te Anzegem- Vichte, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 augustus 2008 ingediend door de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 die de tussenkomst van de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ toelaat; VII-37.215-1/11 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 6 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDROMME, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. DE KETELAERE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.1 Op 3 mei 2007 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een tankstation, gelegen aan de Oudenaardestraat te VICHTE (ANZEGEM). De inrichting wordt gepland op een perceel dat volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrie. VII-37.215-2/11 1.
- Op 8 november 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. 1.
- Tegen deze beslissing stellen verschillende omwonenden, waaronder verzoeker, bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur beroep in. In zijn beroepschrift voert verzoeker onder meer het volgende aan: "
- Mobiliteit Net zoals bij de argumentatie voor de betoncentrale waarbij de mobiliteit, ook door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen, als een belangrijk element werd aangevoerd om de vergunning te weigeren (besluit van 11 juni 2007) menen wij dat hier ook het element telt. Het benzinestation heeft tot doel industriële klanten te bedienen. Op die manier wordt de Oudenaardestraat nogmaals de aantrekkingspool voor extra zwaar verkeer. In de Oudenaardestraat is er nu al verkeersoverlast door het extra verkeer van de Heirweg (Betoncentrale Douterloigne nu CRH), verkeer van Termote Van Halst uit Waregem, uit KMO-zone Huttegem, en de verkeersas Vichte- Anzegem waar zich ook tal van bedrijven bevinden. Opnieuw is het Anzegemse Ruimtelijk Structuurplan, voor wat betreft het herinrichten van de Oudenaardestraat tot echte centrumstraat, erg duidelijk. Alle activiteiten die in tegenspraak zijn met deze visie moeten worden geweerd. Wij citeren hier uit uw Structuurplan (deel 2 richtinggevend gedeelte p. 56) : 'Door de herinrichting van het openbaar domein met verkeersremmen- de elementen (zoals 'poorten', verkeersplateau's, bermen...) en met veilige fietsvoorzieningen en voetpaden moet de verblijfsfunctie langs deze wegen verhoogd worden. Vooral de Oudenaardestraat-Heirbaan én het kruispunt met de Waregemstraat-Bosstraat zouden grondig heringericht moeten worden... De centrumfunctie van het noordoostelijke kwadrant, dat aansluit bij de wijk 'Nieuw Centrum' dient te worden behouden. De Oudenaardestraat dient als een echte centrumstraat te worden hering- ericht'. (...)
- Toetsing aan de ruimtelijke ordening Het gewestelijk ruimtelijk structuurplan voor deze site is nagenoeg twintig jaar oud, en werd destijds genomen als uitbreidingsmogelijkheid van het toen bloeiende bedrijf STERVERLYNCK dat honderden mensen aldaar tewerkstel- de. Ondertussen is het verkeer op de aanpalende wegen zeer intensief te noemen. De Oudenaardestraat verbindt twee toegangswegen tot de E17, en loopt voor een stuk parallel met de autosnelweg, zodat zij de verbindingsweg is tussen meerdere dorps- en stadskernen met belangrijke groeiende bedrijvencentra (b.v. Zwevegem-Waregem). Uit het dossier ANN-SOPHIE blijkt dat deze straat reeds verzadigd is. Zij is ook onveilig : de gemeente heeft reeds plannen laten uittekenen om de straat her aan te leggen tegen onaangepaste snelheid. (...)". In zijn beroepschrift vraagt verzoeker om in de loop van de beroepsprocedure te worden gehoord. VII-37.215-3/11 1.
- Met een brief van 22 januari 2008 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen aan verzoeker mee dat "om reden van materiële aard" geen positief gevolg kan worden gegeven aan zijn verzoek om te worden gehoord. 1.
- Het Agentschap voor Natuur en Bos meent dat de exploitatie van de inrichting geen negatieve effecten zal hebben op de bos- en natuurwaarden, indien op milieutechnisch vlak wordt voldaan aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). De afdeling Milieuvergunningen, de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren eveneens gunstig. 1.
- De tussenkomende partij wordt op haar uitdrukkelijk verzoek wel gehoord tijdens de beroepsprocedure. 1.
- Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 april 2008 worden de ingestelde beroepen ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 integraal bevestigd. Dit besluit is onder meer als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat het project een 20.40 m brede en 48.40 m lange werkplaats omvat op 14 m van de linkse en 13.00 m van de voorste perceels- grens; dat rondom verharding is voorzien voor een parking en manoeuvreer- ruimte voor vrachtwagens; dat er vooraan een grote luifel met drie brandstof- verdeelinstallaties wordt gepland; dat behoudens één grote brandstoftank de meeste brandstofhouders zich vooraan bevinden achter de werkplaats, allen ondergronds; dat er achteraan de werkplaats zich eveneens een wasplaats voor voertuigen bevindt; dat er langs de inrichting een groenscherm wordt voorzien; dat dit vooraan links (zijde industriegebied) 2 m breed is; dat dit achteraan 6 m breed is; dat rechts een deel van het terrein ingenomen wordt door een weide, die ook door een bufferstrook met groenaanleg afgescheiden wordt van het omliggende landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het bedrijventerrein zelf; dat deze weide echter nog gelegen is in het industriegebied; (...) Overwegende dat de beroepsindieners verwijzen naar het dossier NV Ann-Sophie; dat het dossier NV Ann-Sophie echter een andere milieuvergun- ningsaanvraag betreft; dat elk dossier aangaande een milieuvergunningsaan- vraag zijn eigen, specifieke kenmerken heeft, en afzonderlijk moet beoordeeld worden, ook wat het al dan niet veroorzaken van hinder betreft; Overwegende dat titel I van het VLAREM de deputatie geen verplichting oplegt om de bezwaarindieners te horen; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 150 m van het dichtstbijgelegen woongebied; dat gezien de ruime afstand tot het dichtstbijge- legen woongebied, de inrichting geen bovenmatige hinder zal veroorzaken ten opzichte van de omwonenden in het woongebied; dat er aan de overkant van de VII-37.215-4/11 straat een paar bedrijven en enkele woningen in industriegebied gelegen zijn; dat er in de omgeving eveneens enkele woningen in agrarisch gebied gelegen zijn; Overwegende dat de inrichting gelegen is aan een vrij drukke tweevaksbaan Vichte-Anzegem op circa 400m afstand van het centrum van Vichte; dat gezien het drukke verkeer op de rijweg, de plaatsing van een nieuw benzinestation geen noemenswaardige impact zal hebben op de geluidshinder; dat de inrichting dient te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen inzake geluid; Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen er geen sprake was van een risico op filevorming; dat mag aangenomen worden dat het tankstation geen bovenmatige verkeersoverlast zal veroorzaken; dat de Oudenaardestraat voldoende breed is om een veilige verkeersafwikkeling toe te laten".
- De ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt in haar memorie op dat verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang. In de eerste plaats zou verzoeker op een afstand van "minstens 100 meter" van de vergunde inrichting wonen en zou hij er geen rechtstreeks uitzicht op hebben. Daarenboven zou verzoekers woning, die volgens haar in een agrarisch gebied gelegen is, zonevreemd zijn terwijl de vergunde exploitatie wel planologisch verenigbaar is wegens haar ligging in een gebied voor milieubelastende industrie. Om voormelde reden zou verzoeker in werkelijkheid de bestendiging nastreven van een toestand die strijdig is met de ruimtelijke bestemmingsvoorschriften. Bovendien zou verzoeker de hinder die afkomstig is van een bedrijf dat in een gebied voor milieubelastende industrie gelegen is, moeten tolereren. Beoordeling 2.
- Met het bestreden besluit wordt een vergunning verleend voor de exploitatie van een tankstation en voor onder meer de opslag van aanzienlijke hoeveelheden diverse brandstoffen. Het is aannemelijk dat verzoeker op zijn woonplaats, die gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Die hinder is niet beperkt tot mogelijke zichthinder. De omstandigheid dat de woning van verzoeker "zone- vreemd" zou zijn, terwijl de vergunde inrichting, gelegen in een industriegebied, "zoneconform" is, maakt verzoekers belang niet onwettig. De uitkomst van het voor- liggende annulatieberoep heeft immers geen invloed op de beweerde zonevreemde toestand van verzoekers woning. De beweerde hogere tolerantiedrempel is niet van aard verzoeker zijn belang te ontnemen in een annulatieprocedure. VII-37.215-5/11 De exceptie gaat niet op.
- Ten gronde Eerste middel Standpunten van de partijen 3.1.
- Verzoeker voert als eerste middel de schending aan van de "algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel". Het middel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert verzoeker aan dat zijn grieven inzake de mobiliteitsproblemen niet op een afdoende wijze werden onderzocht. Hij wijst in dit kader in hoofdorde naar de recente weigeringsbeslissingen van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen in eerste aanleg en van de bevoegde minister in hoger beroep, inzake een milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een betoncentrale aldaar, die zijn gesteund op de ernstige verkeershinder in combinatie met de aard van de onmiddellijke omgeving. Hij stelt dat de verwerende partij niet aantoont dat er rekening werd gehouden met de mogelijke verkeershinder die ze in deze andere procedure omtrent dezelfde percelen wél ernstig genoeg vond om de vergunning te weigeren. Hij betoogt dat het evident is dat bij het vergunnen van een tankstation, dat is gericht op zwaar verkeer ("vrachtwagens en landbouwvehikels"), de verkeershinder een ernstig te onderzoeken grief is en dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat dit werd onderzocht. De verwijzing naar een plaatsbezoek van een ambtenaar van de afdeling Milieuvergunningen waarvan de besluiten zelfs niet worden meegedeeld, is volgens verzoeker niets meer dan een louter gezagsargument waarvan de relevantie niet kan worden nagegaan. Dit maakt volgens verzoeker een schending uit van de materiële motiveringsplicht. In het tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de toetsing van de milieuvergunningsaanvraag aan de onmiddellijke omgeving en de plaatselijke aanleg kennelijk gebrekkig is. Enerzijds zou de verwijzing naar een naastgelegen weide, die een buffer zou vormen, een louter feitelijke vaststelling betreffen, waarbij nergens als voorwaarde zou worden opgelegd dat deze weide als buffer moet dienen, hetgeen een grote juridische onzekerheid zou betreffen. Anderzijds zou de motivering in het bestreden besluit inzake de toetsing van de inrichting aan de VII-37.215-6/11 plaatselijke aanleg, waaronder de vaststelling dat er in de omgeving enkele woningen in agrarisch gebied zijn gelegen, niet afdoende zijn, en alleszins geen rekening houden met de dichtbij gelegen woning van verzoeker. 3.1.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij ten aanzien van het eerste onderdeel, samengevat, dat verzoeker volledig voorbijgaat "aan de duidelijke vaststelling dat de milieuvergunningsaanvraag voor de betoncentrale en deze voor het tankstation inzake de beoordeling van het aspect mobiliteit geenszins vergelijkbaar zijn", vermits het tankstation, in tegenstelling tot de betoncentrale, op zich amper bijkomend verkeer zou genereren. Zij verwijst daarbij onder meer naar de overweging uit het bestreden besluit dat de plaatsing van een nieuw benzinestation, gezien het drukke verkeer op de rijweg, geen noemenswaar-dige impact zal hebben op de geluidshinder. Met betrekking tot het tweede onderdeel tracht de verwerende partij aan de hand van een citaat uit het bestreden besluit aan te tonen dat de planologische toets wel degelijk werd uitgevoerd. Zij wijst voorts op de geldende gewestplanbestemming, op het feit dat de woning van verzoeker zonevreemd zou zijn en op het feit dat een groenscherm wordt voorzien rond de bestemmingsconfor- me inrichting. 3.1.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat een tankstation als zodanig verkeer genereert, waardoor de noodzaak om het mobiliteits- aspect te onderzoeken des te groter zou zijn, en dat het loutere feit dat de vergunde exploitatie in overeenstemming is met de gewestplanbestemming, terwijl zijn woning zonevreemd is, nog niet betekent dat er geen afdoende toets aan de onmiddellijke omgeving en de plaatselijke aanleg nodig is. 3.1.
- De tussenkomende partij stelt in haar memorie dat verzoekers bezwaar inzake mobiliteitsproblemen wel degelijk werd onderzocht en wijst er voorts op dat de vergelijking met een andere milieuvergunningsaanvraag, voor de exploitatie van een industriële betoncentrale, niet opgaat, gezien de belangrijke verschillen tussen de beide soorten inrichtingen. Wat het tweede onderdeel betreft, verwijst zij onder meer naar de overweging in het bestreden besluit met betrekking tot het voorzien van een groenscherm en het bestaan van een weide, die zelf in het industriegebied zou zijn gelegen. VII-37.215-7/11 3.1.
- Verzoeker tracht in zijn laatste memorie in concreto aan te tonen, onder meer door rekening te houden met het aantal verdeelslangen in het tankstation, dat de betrokken inrichting minstens evenveel verkeer zal genereren als een betoncentrale, waarvoor geen milieuvergunning werd verleend. Wat het tweede onderdeel betreft, poneert hij dat er in het auditoraatsverslag verkeerdelijk wordt van uit gegaan dat zijn woning in agrarisch gebied is gelegen, en dat het feit dat de weide als buffer wordt aanzien wel degelijk rechtsgevolgen creëert. Beoordeling 3.1.
- Uit het motief van het bestreden besluit in verband met het plaatsbezoek blijkt dat de bezwaren inzake mobiliteit wel degelijk werden onderzocht en beantwoord. Verzoeker toont niet aan dat dit motief feitelijk onjuist is. De verwijzing in het bestreden besluit naar de bevindingen van een beëdigd ambtenaar vormen geen onwettigheid. De verwerende partij heeft voorts op goede gronden kunnen oordelen dat het dossier van de betoncentrale, de NV ANN- SOPHIE, een "andere milieuvergunningsaanvraag" betreft en dat "elk dossier aangaande een milieuvergunningsaanvraag zijn eigen, specifieke kenmerken heeft, en afzonderlijk moet beoordeeld worden, ook wat het al dan niet veroorzaken van hinder betreft". In de loutere vaststelling dat voor een milieuvergunningsplichtig project op dezelfde plaats in het ene geval de vergunning wordt geweigerd, en in het andere geval de vergunning wordt verleend, ligt niet automatisch een schending van het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel besloten, te meer wanneer het zoals te dezen inrichtingen betreft waarvan, zoals de verwerende partij beklemtoont, de concrete kenmerken verschillend zijn. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verkeershinder die met de exploitatie van het vergunde tankstation gepaard gaat vergelijkbaar is met de 94 zware transporten die in de vergunningsaanvraag van de NV ANN-SOPHIE werden aangekondigd. Verzoeker betwist niet dat zijn woning, waarvan hij stelt dat ze in industriegebied is gelegen, zonevreemd is. Het bestreden besluit vermeldt dat "aan de overkant van de straat een paar bedrijven en enkele woningen in industriegebied gelegen zijn". De omgeving aan de "overkant van de straat" is volledig vergelijk- baar met de omgeving waar verzoeker woont want het gaat in beide gevallen over woningen die in industriegebied gelegen zijn en die zich op ongeveer dezelfde afstand bevinden van de vergunde inrichting. Het bestreden besluit bevat ook andere motieven waarin de mogelijk nadelige milieu-effecten van de inrichting op de onmiddellijke omgeving worden onderzocht. In zoverre in het bestreden besluit VII-37.215-8/11 wordt geoordeeld dat er van overmatige hinder voor de buurt geen sprake is, heeft deze beoordeling ook betrekking op de (leef)omgeving van verzoeker. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunten van de partijen 3.2.
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, de artikelen 24, § 4, en 28, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker vraagt ook de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Het bestreden besluit is volgens hem onwettig, omdat hij niet werd gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en omdat zijn vraag om te worden gehoord, werd beantwoord met een loutere stijlformule. Ondergeschikt, stelt verzoeker dat de ongelijkheid die Vlarem I invoert in zijn artikel 28, § 4, op zich de rechtsgelijkheid tussen burgers schendt. Artikel 28, § 4, van Vlarem I bepaalt immers dat de aanvrager verplicht wordt gehoord en andere partijen - zoals bezwaarindieners - kunnen worden gehoord. Het mondeling horen zou volgens verzoeker "een interactief surplus" met zich brengen. De omstandigheid dat de bezwaarindieners, in tegenstelling tot de aanvragers, overeenkomstig artikel 28, § 4, van Vlarem I niet moeten worden gehoord, schendt, steeds volgens verzoeker, het gelijkheidsbeginsel. Die bepaling moet volgens hem dan ook buiten toepassing worden verklaard op grond van artikel 159 van de Grondwet, zodat het bestreden besluit onwettig is. 3.2.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de gewraakte regeling, waarbij een "normatieve hoorplicht" bestaat ten aanzien van de aanvrager en waarbij het horen van een bezwaarindiener slechts facultatief is, in de lijn ligt van de draagwijdte van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat "in principe niet van toepassing is op bestuurshandelingen die de rechtstoestand van de bestuurde niet in ongunstige zin wijzigen, maar die een weigering inhouden om een door de bestuurde gevraagd voordeel te verlenen". Zij wijst er voorts op dat de afdeling Milieuvergunningen aan alle beroepsindieners, VII-37.215-9/11 onder wie ook verzoeker, de kans heeft gegeven hun eventuele bijkomende argumenten schriftelijk over te maken. De verwerende partij wijst er verder op dat de aanvrager van de milieuvergunning en de beroepsindieners onderscheiden categorieën vormen, zodat een verschillende behandeling ten aanzien van het horen niet kennelijk onredelijk is. Wat de beweerde onwettigheid van artikel 28, § 4, van Vlarem I betreft, wijst de verwerende partij er op dat de artikelen 24, § 4, en 28, § 4, van Vlarem I enkel de nadere uitvoering zijn van hetgeen is bepaald in artikel 13, § 3, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet). 3.2.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat, als alle mededelingen en grieven schriftelijk dienen te gebeuren, het horen van de partijen zelf zinloos is, wat volgens hem tevens een schending betekent van artikel 24, § 5, tweede lid, van Vlarem I, dat stelt dat de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie een advies moet formuleren, na beraadslaging over het dossier en rekening houdend met alle beschikbare gegevens. 3.2.
- In zijn laatste memorie verwijst verzoeker nog naar het arrest van de Raad van State nr. 178.458 van 10 januari 2008 en stelt hij dat het advies en de beslissing van de Milieuvergunningscommissie tot het al dan niet horen van partijen een "dermate vergaand gezag" heeft dat zij moeten worden onderworpen aan de formele motiveringsverplichting. Beoordeling 3.2.
- Het horen van omwonenden tijdens de beroepsprocedure op grond van artikel 28, § 4, van Vlarem I is louter facultatief, zodat de afwijzing door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van een verzoek in die zin geen schending impliceert van deze bepaling en die afwijzing evenmin moet worden gemotiveerd. Het niet-horen van de omwonenden impliceert evenmin een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, vermits deze omwonenden, zowel naar aanleiding van het openbaar onderzoek tijdens de procedure in eerste aanleg als in hun beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen beslissing, hun bezwaren respectievelijk hun middelen naar voor hebben gebracht en deze laatste aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ter kennis zijn gebracht. Verzoeker heeft de kans gekregen en benut om zijn grieven schriftelijk te formuleren, zodat de beroepsinstantie van zijn argumenten kennis heeft kunnen nemen. De verwijzing die verzoeker in zijn laatste memorie maakt naar het arrest VII-37.215-10/11 van de Raad van State nr. 178.458 van 10 januari 2008 is niet relevant aangezien die zaak betrekking heeft op het horen van de aanvrager van de milieuvergunning, terwijl verzoeker te dezen enkel een bezwaar heeft ingediend. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.215-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div