← België

Arrest 194384 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.384 Rolnummer: A. 191752/XII-5750 Zaak: Arrest 194384 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.384 van 18 juni 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.384 van 18 juni 2009 in de zaak A. 191.752/XII-

  1. In zake : Walter PIETERS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Deridder, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de GEMEENTE AARTSELAAR. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Walter Pieters op 10 maart 2009 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen, evenals de schorsing van de tenuitvoerlegging van : “
  2. De beslissing d.d. 28 januari 2009 van de gemeentesecretaris van de gemeente Aartselaar, waarbij aan verzoekende partij de beoordeling ‘ongunstig’ wordt gegeven
  3. De beslissing d.d. 23 februari 2009 van de contactpersoon van de beroepsinstantie van de gemeente Aartselaar, waarbij de beroepsinstantie zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het intern beroep tegen een negatieve beoordeling”; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 18 mei 2009, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5750-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feiten
  4. Verzoeker, ploegleider in de technische dienst van de gemeente Aartselaar, wordt op 31 december 2008 door zijn diensthoofd en de gemeente- secretaris “ongunstig” beoordeeld voor de beoordelingsperiode van 1 januari 2007 tot 31 december
  5. De gemeentesecretaris ondertekent de “beoordelingslijst” op 28 januari 2009 voor gezien. Verzoeker tekent op 30 januari 2009 voor ontvangst van de beoordeling. Met brieven van 12 februari 2009 tekent hij “tegen de beoordeling ‘ongunstig’ d.d. 28 januari 2009, zoals ontvangen op 30 januari 2009” beroep aan bij zowel het college van burgemeester en schepenen als bij de beroepsinstantie van de gemeente. Toegelicht wordt dat “[g]elet op de inwerkingtreding van de nieuwe rechtspositieregeling en de onduidelijkheid van de overgangsbepalingen c.q. hun precieze uitwerking” het beroep wordt ingesteld bij “zowel de ‘oude’ beroepsinstantie (college van burgemeester en schepenen) als bij de ‘nieuwe’ (de beroepsinstantie zoals bedoeld in artikel 71 van de rechtspositieregeling)”. Met een schrijven van 23 februari 2009 antwoordt de “contactpersoon van de beroepsinstantie” dat de “in de rechtspositieregeling voorziene beroepsinstantie” “in deze casus nog niet bevoegd [is]”, maar dat “de evaluatie waartegen beroep werd ingediend nog valt onder de procedure, zoals voorzien in het administratief personeelsstatuut”. Op 24 februari 2009 antwoorden de burgemeester en de gemeentesecretaris namens het college van burgemeester en schepenen onder meer dat “er voor de procedures opgestart vóór 01 januari 2009, een juridisch vacuüm ontstaan [is]” : “Artikel 231 van het besluit rechtspositieregeling bepaalt immers dat de procedureregels die van toepassing waren bij de start van de evaluatieperiode die doorloopt na de datum van de plaatselijke uitvoering van dit besluit, van XII-5750-2/6 toepassing blijven op die lopende evaluatieperiode met uitzondering van de bestaande plaatselijke regels over het interne beroep tegen de ongunstige evaluatie bij het college van burgemeester en schepenen (in de lopende ‘oude’ evaluatieprocedure werd evenwel door uw bestuur niet in een ambtelijke beroepsprocedure voorzien). De beroepsprocedure zoals voorzien in de nieuwe rechtspositieregeling is evenmin van toepassing. De door uw gemeenteraad vastgestelde rechtspositie- regeling, met inbegrip van de te volgen beroepsprocedure ingeval van ongunstige evaluatie, zijn slechts uitvoerbaar voor de evaluatieprocedures opgestart na 01 januari 2009”. De vordering tot nietigverklaring
  6. Verzoeker betoogt in het verzoekschrift dat de eerste bestreden beslissing voor vernietiging in aanmerking komt omdat ze een eindbeslissing in een evaluatieprocedure is. De tweede bestreden beslissing is de eindbeslissing van de beroepsinstantie aangeduid door de rechtspositieregeling, waarin die instantie zich ten onrechte onbevoegd verklaart.
  7. Volgens het auditoraatsverslag is het beroep niet-ontvankelijk: de eerste bestreden beslissing is geen eindbeslissing, maar een in eerste aanleg genomen beslissing; de tweede bestreden beslissing is “geen beslissing van de genoemde beroepsinstantie zelf” en evenmin een eindbeslissing.
  8. Op 1 januari 2009 is te Aartselaar de “rechtspositieregeling voor het gemeentepersoneel” in werking getreden. In zoverre die rechtspositieregeling de bevoegdheid en de procedure inzake het administratief beroep tegen de evaluatie wijzigt, vindt ze in principe -behoudens anders luidende bepaling- toepassing op de hangende en niet definitief afgedane zaken.
  9. Bevat titel IX, hoofdstuk I, afdeling II, van de nieuwe rechtspositieregeling weliswaar “Overgangsbepalingen over diverse lopende procedures en lopende periodes”, een bepaling die specifiek het geval van verzoeker viseert is er niet. Ook het artikel 329 is geen dergelijke bepaling. Het eerste lid luidt : “De procedureregels die van toepassing waren bij de start van de evaluatieperiode die doorloopt na de datum van inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling, blijven van toepassing op die lopende evaluatieperiode, met uitzondering van bestaande plaatselijke regels over het interne beroep tegen de ongunstige evaluatie bij het college van burgemeester en schepen[en]”. XII-5750-3/6 Zoals sub 1 gezien, loopt de evaluatieperiode van verzoeker niet door na 1 januari 2009, maar loopt ze slechts tot 31 december
  10. Overigens wordt opgemerkt dat zelfs indien de evaluatieperiode wel mocht hebben doorgelopen na de datum van inwerkingtreding van de rechtspositieregeling, dan nóg niet op grond van de aangehaalde overgangsbepaling van artikel 329 zou kunnen worden geclaimd dat de vroegere procedureregels ook wat “het interne beroep tegen de ongunstige evaluatie bij het college” betreft voort van toepassing moeten blijven. De procedureregels terzake worden door het artikel immers expliciet uitgezonderd.
  11. Waar verzoeker onder vigeur van het vroegere administratief statuut, overeenkomstig het artikel 84 ervan, binnen vijftien kalenderdagen na de overhandiging van het ongunstig evaluatieverslag daartegen beroep kon instellen bij het college van burgemeester en schepenen, schrijft met ingang van 1 januari 2009 artikel 71 van de nieuwe rechtspositieregeling voor dat het beroep tegen een evaluatieresultaat moet worden ingediend binnen vijftien dagen vanaf de ondertekening voor kennisneming van de evaluatie, bij een zogenaamde “beroepsinstantie”. Naar voorts blijkt, bestaat de beroepsinstantie voor elke behandeling van een beroep minimaal uit drie leden (artikel 72), formuleert de beroepsinstantie een gemotiveerd advies aan de gemeentesecretaris (artikel 75), neemt deze de beslissing in beroep waarbij de evaluatie bevestigd of aangepast wordt (artikel 76), en is, wanneer de beroepsinstantie in een beroep tegen een ongunstige evaluatie geen advies formuleert binnen de termijn van het artikel 75, § 2, “het evaluatieresultaat gunstig en past de gemeentesecretaris de evaluatie en het evaluatieresultaat in die zin aan” (artikel 77). Uit een en ander volgt dat er tegen het eerste bestreden besluit een administratief beroep mogelijk was, dat het besluit derhalve geen beslissing is die in laatste aanleg werd genomen en dat het ook niet voor vernietiging vatbaar is. Eveneens volgt uit wat voorafgaat dat het tweede voorwerp van het beroep, vervat in de brief van 23 februari 2009 van de “contactpersoon van de beroepsinstantie”, geen beslissing uitmaakt die aan de beroepsinstantie zelf is toe te rekenen, maar alleen een loutere en niet voor vernietiging in aanmerking komende mededeling. Zelfs indien in de brief toch een beslissing van de beroepsinstantie zou XII-5750-4/6 worden gelezen, is het beroep terzake evengoed niet ontvankelijk. Die beslissing zou in voorkomend geval immers moeten worden aangezien als een besluit dat niet vermag de verzoeker een dadelijk nadeel te doen lijden, maar dat voor hem louter voorbereidend is ten aanzien van de beslissing in beroep van de gemeentesecretaris.
  12. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is. De vordering tot schorsing De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat ook de vordering tot schorsing dient te worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5750-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5750-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.