← België

Arrest 194418 - Penitentiair recht - 19/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.418 Rolnummer: A. 193038/IX-6411 Zaak: Arrest 194418 - Penitentiair recht - 19/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:17 Fiche Arrest nr 194.418 van 19 juni 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.418 van 19 juni 2009 in de zaak A. 193.038/IX-

  1. In zake : Atman BOUFOS, die woonplaats kiest bij advocaat T. GILLIS, kantoor houdende te GENT, Vlaanderenstraat 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Atman BOUFOS op 18 juni 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Dendermonde van 13 juni 2009 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 9 dagen strafcel; Gelet op de beschikking van 18 juni 2009 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2009, om 16.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CEUNINCK, die loco advocaat T. GILLIS verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6411-1/7 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak
  2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker gedetineerd in de gevangenis te Dendermonde.
  3. Op 11 juni 2009 wordt vastgesteld dat een gedetineerde iets schuift onder de deur van de cel van de verzoeker en een medegedetineerde. Naar aanleiding van die vaststelling wordt een celcontrole gehouden. Bij die controle worden verscheidene stukken privé-kledij gevonden. Ter gelegenheid van de celcontrole zou de verzoeker zich agressief gedragen tegenover de penitentiair beambte. Naar aanleiding van dit incident worden twee rapporten aan de directeur opgesteld. Op 12 juni 2009 beslist de directeur om een tuchtprocedure op te starten. Op 13 juni 2009 worden de verzoeker en zijn raadsman door de directeur gehoord. Blijkens het verslag van de hoorzitting verloopt het verhoor als volgt: “De directeur herinnert de gedetineerde aan de ten laste gelegde feiten:
  4. Een gedetineerde [kwam] op 11 juni 2009 iets onder de celdeur naar binnen [...] schuiven.
  5. Bij de daaropvolgende celzoeking werd privé-kleding van betrokkene op cel gevonden.
  6. Betrokkene gebruikte verbale en fysieke agressie aan het adres van de vaststellende beambte. Hij uitte verschillende verwijten, maakte obscene gebaren en uitte meerdere dreigementen. IX-6411-2/7 Hij geeft het woord aan de gedetineerde [...], die verklaart: Feit 1: volgens betrokkene werd er een telefoonnummer van een raadsman doorgegeven, dit klopt echter niet met de verklaring van die andere gedetineerde. Feit 2: pas na aandringen geeft betrokkene toe dat hij onrechtmatig privé- kledij op cel had die hem toebehoorde. Feit 3: hiervoor wenst hij zich te verontschuldigen. Hij heeft er spijt van. Hij ging te ver, dat is te wijten aan ziekte.” Dezelfde dag beslist de directeur om aan de verzoeker de volgende tuchtstraf op te leggen: “9 dagen strafcel”. De motivering van de tuchtstraf luidt als volgt: “Gezien de erg uitdagende houding van betrokkene reeds sinds zijn aankomst in Dendermonde, de op korte tijd reeds ernstige disciplinaire overtredingen, is het opleggen van een maximum tuchtstraf gerechtvaardigd. Het gaat hier immers om verbale en fysieke agressie naar een beambte.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. In rechte
  7. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  8. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert in de eerste plaats aan dat de bestreden beslissing niet duidelijk maakt waarom geen geloof gehecht wordt aan zijn verklaring dat een telefoonnummer van een raadsman werd doorgegeven, en kan uit de overweging dat de genoemde verklaring niet strookt “met de verklaring van die andere gedetineer- de” niet worden afgeleid wie die andere gedetineerde is en wat deze verklaard heeft. Voorts voert de verzoeker aan dat hij volgens de bestreden beslissing bekend zou IX-6411-3/7 hebben en spijt zou hebben over de feiten, terwijl hij allerminst iets begrepen heeft van de inhoud van de hoorzitting, daar hij de Nederlandse taal niet bijzonder goed machtig is. Ten slotte voert de verzoeker aan dat onvoldoende uitgelegd wordt waarom hem een zo zware straf als de straf van 9 dagen strafcel wordt opgelegd. Dit alles brengt de juistheid, de nauwkeurigheid en de objectiviteit van de rapporten en van de beslissing in het gedrang.
  9. Te dezen worden in de bestreden beslissing de drie ten laste gelegde feiten vermeld, worden de verklaringen van de verzoeker, zoals vermeld in het verslag van de hoorzitting, letterlijk aangehaald, worden de tuchtrechtelijke antecedenten vermeld, en wordt uitgelegd waarom aan de verzoeker het maximum aantal dagen strafcel wordt opgelegd. In zoverre de verzoeker motiveringsgebreken aanvoert in verband met het ontvangen van doorgegeven voorwerpen of geschriften (feit 1) en in verband met het hebben van privé-kleding op cel (feit 2), lijkt de kritiek betrekking te hebben op tenlasteleggingen waarop de opgelegde straf niet steunt. Uit de motivering van de straf blijkt immers dat het de verbale en fysieke agressie (feit 3) is, die de directeur ertoe aanzet om de plaatsing in een strafcel op te leggen. De desbetreffende feiten worden nader omschreven in één van de rapporten aan de directeur. In het bedoelde rapport, dat op voorhand aan de verzoeker is meegedeeld, wordt in detail beschreven hoe de verzoeker tijdens de celcontrole verbaal agressief werd tegenover de aanwezige beambten, in het bijzonder de beambte J.D.P., en hoe hij deze beambte uitdaagde, tegen haar obscene gebaren maakte en uiteindelijk met een vuist in haar richting sloeg. In de bestreden beslissing wordt voorts uitdrukkelijk overwogen dat de verzoeker sinds zijn aankomst in Dendermonde een “erg uitdagende houding” heeft aangenomen en op korte tijd “reeds ernstige disciplinaire overtredingen” heeft begaan. Omwille van de feiten van verbale en fysieke agressie, enerzijds, en omwille van het gedrag van de verzoeker sinds zijn aankomst in Dendermonde, anderzijds, wordt beslist hem de maximum tuchtstraf op te leggen. IX-6411-4/7 Het komt de Raad van State voor dat de motivering van de bestreden beslissing, gelezen in samenhang met de rapporten aan de directeur, de verzoeker voldoende duidelijk maakt op grond van welke feiten hij is bestraft en om welke redenen is beslist om hem voor die feiten de maximumstraf op te leggen. Het middel is niet ernstig.
  10. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel. Hij voert aan dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de feiten. Dit is des te minder het geval, nu de verzoeker pas uit de strafcel kwam en hij dus opnieuw in die cel wordt geplaatst en opnieuw van de buitenwereld wordt geïsoleerd. De verzoeker verwijst naar artikel 83 van het koninklijk besluit houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, dat bepaalt dat de plaatsing van een gedetineerde in een strafcel alleen wordt bevolen “wegens erge fouten of tuchteloosheid of wanneer de andere straffen hun uitwerking hebben gemist”. Hij wijst erop dat hij sinds zijn aankomst in Dendermonde alleen maar op strafcel is geplaatst, zodat onmogelijk gezegd kan worden dat andere straffen hun uitwerking hebben gemist.
  11. De Raad van State herinnert eraan dat het hem in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht niet toekomt om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. Hij kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten is gegaan. Aldus kan hij nagaan of de overheid in redelijkheid tot haar oordeel is kunnen komen en, meer bepaald, of zij geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Te dezen is aan de verzoeker weliswaar een straf opgelegd, die als zeer streng kan worden beschouwd. Die straf wordt echter opgelegd voor feiten van agressie, niet enkel verbaal, maar ook fysiek, tegenover penitentiaire beambten. Dergelijke feiten zijn als ernstig te beschouwen. Daarenboven verwijst de bestreden beslissing naar de tuchtrechtelijke antecedenten van de verzoeker, met name op de overtredingen die hij in de korte tijd sinds zijn aankomst in de gevangenis te IX-6411-5/7 Dendermonde heeft begaan. Ter terechtzitting is overigens gebleken dat de verzoeker ook in andere gevangenissen herhaaldelijk tuchtrechtelijk bestraft is voor daden van agressie. In het licht van de aard van de feiten waarvoor de verzoeker bestraft wordt en in het licht van zijn tuchtrechtelijk verleden, maakt de verzoeker voorshands niet aannemelijk dat de opgelegde straf kennelijk onevenredig is met de door hem gepleegde inbreuk. Het middel is niet ernstig.
  12. Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  13. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6411-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 juni 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6411-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.418 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.