id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.522 Rolnummer: A. 132397/X-11274 Zaak: Arrest 194522 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:18 Fiche Arrest nr 194.522 van 22 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.522 van 22 juni 2009 in de zaak A. 132.397/X-11.274. In zake : Jean-Marie ERNST, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 3400 LANDEN, Brugstraat 17 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. KNAEPS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Willekensmolenstraat 72, bus 1-2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Marie ERNST op 27 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 september 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende de verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 10 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning wordt geweigerd voor “de regularisatie van de verbouwing van een woning aan de Rode Bos 34 te Voeren, kadastraal bekend sectie B, nr. 598 B”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-11.274-1/6 Gelet op de beschikking van 17 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. PEETERS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat W. GILLARD, die loco advocaat B. KNAEPS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 2 maart 1998 wordt lastens de verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens het wederrechtelijk uitvoeren van bouwwerken aan een woning, gelegen op een perceel te Voeren, “Roodbos 34”, kadastraal bekend “sectie B, nr. 589 b”. Luidens dat proces-verbaal “bestaan (deze werken) uit: het verbouwen van een woning tot een volledige nieuwbouwconstructie met een (gewijzigd) bouw- en dakvolume”. 1.2. Op 13 augustus 1998 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren, de (regularisatie)vergunning voor “verbouwingswerken aan een woonhuis”, gelegen op het hierboven vermelde perceel. 1.3. Op 3 november 1998 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit. 1.4. Daarop weigert het betrokken college van burgemeester en schepenen op 10 november 1998 de gevraagde regularisatievergunning. X-11.274-2/6 1.5. Op 10 juni 1999 besluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tot het niet inwilligen van verzoekers beroep tegen het voornoemde weigeringsbesluit. 1.6. Daartegen stelt de verzoeker op 14 juli 1999 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 1.7. Tijdens de hoorzitting van 24 maart 2000 werden de verzoeker en zijn raadsman gehoord door “G. STEYVERS”, “vertegenwoordiger (van
- de)afdeling stedenbouwkundige vergunningen”. 1.8. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, verwerpt dat beroep bij het bestreden besluit van 9 september 2002. 2. Gegrondheid van het beroep 2.1. De verzoeker voert in een tweede middel onder andere de schending aan van artikel 53, §2, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: gecoördineerde decreet). Daartoe stelt hij ondermeer dat “het recht om gehoord te worden door een gemachtigde van de Vlaamse Executieve welke daartoe uitdrukkelijk werd aangeduid als bevoegd ambtenaar (...) een wezenlijk onderdeel (uitmaakt) van de beroepsprocedure” en dat “het onderhoud dat doorging te Brussel op 24 maart 2000 gebeurde ten overstaan van een onbevoegde ambtenaar”. 2.2.1. Artikel 53, §2, derde lid van het gecoördineerde decreet bepaalde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onder andere dat “de aanvrager of zijn raadsman (...) op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde (worden) gehoord”. Luidens artikel 3 van het ministerieel besluit van 1 februari 1995 houdende aanwijzing van de gemachtigde ambtenaren inzake ruimtelijke ordening, dat van kracht was op het tijdstip waarop de verzoeker met toepassing van artikel 53, § 2, derde lid van het gecoördineerde decreet werd gehoord, “kunnen de ambtenaren van minstens niveau A1 van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen, in de plaats van de Vlaamse minister optreden om de aanvrager of zijn raadsman (...) te horen”. X-11.274-3/6 2.2.2. De hoorplicht vormt een wezenlijk onderdeel van de in artikel 53 van het gecoördineerde decreet vastgestelde beroepsprocedure. Het verhoor van de verzoeker door een onbevoegde ambtenaar maakt daarom een schending uit van een substantiële vormvereiste. 2.2.3. Het bestreden besluit vermeldt dat “op het onderhoud d.d. 24 maart 2000 de aanvrager en zijn raadsheer zijn verschenen”. Blijkens het verslag van die hoorzitting was “G. STEYVERS” de “vertegenwoordiger (van
- de)afdeling stedenbouwkundige vergunningen”. Hij heeft, met andere woorden, de verzoeker en zijn raadsman gehoord. Als reactie op de opmerking van de verzoeker in zijn verzoekschrift dat hij werd gehoord door een “onbevoegde ambtenaar”, beperkt de verwerende partij zich tot het stellen in haar memorie van antwoord dat “in de huidige zaak (...) (de verzoeker) (heeft verzocht) om te worden gehoord door de minister” en dat zij “(inging) op dit verzoek”. Antwoordend op een brief van 21 december 2005 van de auditeur- verslaggever, waarin wordt verwezen naar de opmerking van de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat “in het administratief dossier (...) geen enkel stuk of aanstellingsbesluit wordt bijgebracht dat aantoont (...) dat de heer Gerard STEYVERS, (...) ooit enige delegatie ontving (algemeen of bijzonder) en gemachtigd werd door de Vlaamse Executieve om (de verzoeker) en zijn raadsman te horen” en waarin wordt gevraagd om ondermeer een afschrift van “het (eventueel) proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van de hoorzitting van 24 maart 2000” neer te leggen, bezorgt de raadsman van de verwerende partij per brief van 27 december 2005 onder andere het “P.V. van het verhoor dd. 24.3.2000” en meldt hij in een brief van 17 juli 2006 hetgeen volgt: “Ik kom terug op het in rand vermeld dossier, en dit naar aanleiding van uw vraag of de heer Gerard STREYVERS ooit enige delegatie ontving (algemeen of bijzonder) en gemachtigd werd door de Vlaamse Executieve om verzoekende partij en zijn raadsman te horen. Mijn cliënt brengt mij ervan op de hoogte dat, ingevolge art. 3 van het ministerieel besluit van 01.02.1995, de ambtenaren van minstens niveau A1 van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen in de plaats van de Vlaamse Minister optreden om de aanvrager of zijn raadsman, alsmede het College van Burgemeester en Schepenen of de gemachtigde ambtenaar van dit college te horen. Dit ministerieel besluit werd gepubliceerd op 22.02.1995. In bijlage laat ik u hiervan een uittreksel geworden.” Als reactie op het auditoraatsverslag waarin de auditeur “met aandrang” verzoekt om “alsnog met de nodige stukken te staven dat “G. X-11.274-4/6 STEYVERS inderdaad een ambtenaar is van minstens niveau A1 van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen”, bezorgt de raadsman van de verwerende partij per brief van 23 januari 2007 een kopie “van het besluit van 12.4.2006 houdende salarisvaststelling-adjunct van de directeur G. STEYVERS, architect” waaruit, aldus de verwerende partij, “blijkt dat de heer STEYVERS wel degelijk een ambtenaar (
- is)van niveau 1”. In dat besluit van “het afdelingshoofd van de afdeling personeel” wordt overwogen “dat de heer Gerard STEYVERS, adjunct van de directeur bij de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen met ingang van 1 april 2006 over voldoende schaalanciënniteit beschikt om over te gaan van salarisschaal A112 naar salarisschaal A113”. Onder “nuttige anciënniteit” wordt in dat besluit bij “datum” en “jaren” respectievelijk “01/09/2001” en “24” vermeld, waarna het nieuwe salaris wordt aangegeven. Bij dat besluit is ook nog een een afdruk uit het “personeelssysteem Vlimpers” gevoegd, waaruit blijkt, buiten hetgeen hiervoor reeds is vermeld, dat de “begindatum” van de “functionele schaal” en de “salarisschaal” “A112” (“graad” “adjunct van de directeur”, “niveau” “A”, “rang” “1”) van Gerard STEYVERS “1/1/2002” is. Aangezien de hoorzitting gehouden werd op 24 maart 2000, kunnen de voormelde stukken niet aantonen dat Gerard STEYVERS op dat ogenblik ambtenaar was van minstens niveau A1 van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen. 2.2.4. Het tweede middel is in die mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 9 september 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende de verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 10 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning wordt geweigerd voor “de regularisatie van de verbouwing van een woning aan de Rode Bos 34 te Voeren, kadastraal bekend sectie B, nr. 598 B”. X-11.274-5/6 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.274-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div