← België

Arrest 194524 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.524 Rolnummer: A. 168577/X-12618 Zaak: Arrest 194524 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:18 Fiche Arrest nr 194.524 van 22 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.524 van 22 juni 2009 in de zaak A. 168.577/X-12.

  1. In zake : Evangelos GROUSDANAKIS, die woonplaats kiest bij advocaat J. SMEETS, kantoor houdende te 3600 GENK, Weg naar As 17, bus 16 tegen : de gemeente ZONHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. EVERS, kantoor houdende te 3520 ZONHOVEN, Bekerveldweg
  2. tussenkomende partij : Rocco SALVIA, wonende te 3530 HOUTHALEN - HELCHTEREN, Koolmijnlaan 5 A
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Evangelos GROUSDANAKIS op 13 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 oktober 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven waarbij, eensdeels, aan Rocco SALVIA de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van “een woongeheel” gelegen te Zonhoven, Kleine Hemmenweg 19 A bus 1, 2, 3 en 4, kadastraal bekend sectie C, nr. 477/g/2, en anderdeels, het besluit van 12 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven wordt ingetrokken en wordt vervangen door het voormelde besluit; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 27 januari 2006 ingediend door Rocco SALVIA; Gelet op de beschikking van 3 februari 2006 die de tussenkomst van Rocco SALVIA toelaat; X-12.618-1/11 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SMEETS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. EVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij besluit van 31 oktober 2008 van de adjunct-auditeur-generaal, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De feiten 1.
  5. Op 21 februari 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het gemeentebestuur van Zonhoven een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woongeheel met 4 appartementen op een perceel gelegen te Zonhoven, Kleine Hemmenweg 19 A, kadastraal bekend sectie C, nr. 477/g/
  6. X-12.618-2/11 1.
  7. De verzoeker is de eigenaar en de bewoner van het pand gelegen op het linksaanpalend perceel. 1.
  8. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt- Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is het bouwperceel gelegen in woongebied. Het perceel is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  9. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dient de verzoeker een bezwaarschrift in. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven heeft in de zitting van 2 mei 2005 beraadslaagd over dit bezwaarschrift en een voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht over de aanvraag. 1.
  10. Op 21 juni 2005 adviseert de gemachtigde ambtenaar de aanvraag gunstig onder de voorwaarde dat de voorwaarden opgelegd in het voorwaardelijk gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen strikt worden nageleefd. 1.
  11. Bij besluit van 12 juli 2005 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven de stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden af. 1.
  12. Op 23 augustus 2005 vordert de verzoeker de schorsing en de nietigverklaring van voormeld besluit van 12 juli
  13. 1.
  14. Bij het bestreden besluit van 11 oktober 2005 trekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven het besluit van 12 juli 2005 in. Bij hetzelfde besluit wordt aan de tussenkomende partij een nieuwe vergunning toegekend met dezelfde draagwijdte als de bestreden vergunning. In het arrest 153.773 van 16 januari 2006 worden de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring verworpen, wegens de doelloosheid ervan. X-12.618-3/11
  15. Ontvankelijkheid 2.
  16. In de memorie van toelichting werpt de tussenkomende partij op dat de verzoeker “zelf bouwmisdrijven (heeft) gepleegd op zijn terrein” en dat hij dan ook “geen rechtmatig belang” heeft om de vergunning van de tussenkomende partij te bestrijden. 2.
  17. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de eigendom van de verzoeker onmiddellijk paalt aan het bouwperceel. Daardoor alleen reeds doet de verzoeker blijken van het rechtens vereiste belang. De argumentatie van de tussenkomende partij dat de verzoeker zelf bouwmisdrijven heeft gepleegd, wat overigens op geen enkele manier wordt gestaafd, doet aan dat belang geen afbreuk. 2.
  18. De exceptie is ongegrond.
  19. Ten gronde 3.
  20. Eerste middel 3.1.
  21. Standpunt van de partijen 3.1.1.
  22. In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Meer bepaald beroept de verzoeker zich op de schending van de motiveringsplicht. In zijn verzoekschrift zet de verzoeker dit eerste middel als volgt uiteen: “In de thans bestreden intrekkende en vervangende beslissing stelt wederpartij dat er in de ingetrokken en vervangen beslissing per vergissing zou zijn vermeld dat er over het bezwaarschrift van verzoeker zou zijn beraadslaagd op 18/04/2005 en dat er in werkelijkheid pas op 02/05/2005 zou zijn beraadslaagd en het bezwaar toen ongegrond werd verklaard. Bovendien zou bij het ‘samenstellen van de beslissing van 12/07/2005’ per vergissing zijn vermeld dat het bezwaarschrift van verzoeker bij de beraadslaging gedeeltelijk gegrond werd verklaard. Dit zou betekenen dat er bij de beslissing van 12/07/2005 tweemaal een vergissing zou zijn begaan: - vooreerst zou er ten onrechte melding zijn gemaakt van een beraadslaging van wederpartij over het bezwaarschrift van verzoeker op 18/04/2005; - verder zou er ten onrechte zijn vermeld dat de wederpartij het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond zou hebben verklaard; X-12.618-4/11 Wederpartij gaat echter voorbij aan het feit dat de beslissing van 12/07/2005 in extenso de bespreking weergeeft van het bezwaarschrift van verzoeker en voor het eerste van de drie bezwaren in duidelijke bewoordingen vermeldt welke de argumenten waren om dit eerste bezwaar van verzoeker gedeeltelijk GEGROND te verklaren. Verzoeker citeert de bestreden beslissing van 12/07/2005: ‘Overwegende dat ten aanzien van het advies uit de vorige stedenbouwkundige aanvraag, het project niet aangepast werd. Dat de woning met aanhorigheden, Kleine Hemmenweg 19, gedeeltelijk gelegen is op de perceelgrens. Dat het wenselijk is dat, gezien de woning Kleine Hemmenweg 19 slechts op een beperkte afstand staat van de perceelgrens, er een oplossing gezocht wordt om, ofwel tegen de woning Kleine Hemmenweg 19 te bouwen, of zoals voorgesteld de inrit naar de ondergrondse garages aan de linker zijde, langs de woning Kleine Hemmenweg 19, wordt aangelegd. Dat de kwaliteit van het terras, behorende bij appartement 3, gezien zijn ligging tegen de woning Kleine Hemmenweg 19, geen kwaliteit bied. Overwegende dat door de perceelindeling, die in het verleden gebeurd is, het perceel waarvoor deze aanvraag ingediend wordt gehypothekeerd is, gezien er grondoverschotten blijven liggen naast de woning Kleine Hemmenweg
  23. Dat deze overschotten het gebruik van de naastliggende grond bepalen. Dat het wenselijk is dat een overeenkomst gevonden wordt tussen de twee eigenaars om te komen tot een aanvaardbare oplossing. Dit bezwaar is aldus gedeeltelijk GEGROND;’ Wederpartij kan bezwaarlijk voorhouden, nu het hier een uitvoerige argumentatie betreft, die geenszins een aanhaling is van de bewoordingen van het bezwaar van verzoeker (die wel cursief boven de argumentatie is terug te vinden), dat deze passus uit de beslissing van 12/07/2005 het loutere gevolg zou zijn van een materiële vergissing. Bovendien verwijst de beslissing van 12/07/2005 ook nog tweemaal uitdrukkelijk naar de beraadslaging van wederpartij op 18/04/2005 met betrekking tot de twee andere bezwaren van verzoeker en haalt daarbij naast de in cursieve tekst weergegeven formulering van de betreffende bezwaren ook nog de argumentatie aan die de wederpartij bracht tot de ongegrondverklaring van deze beide bezwaren. Verder blijkt dat in de beslissing van 12/07/2005 onder de weergave van de beraadslaging van 02/05/2005 nogmaals verwezen wordt naar de beraadslaging van 18/04/2005 met dien verstande dat er dan plots wordt gesteld dat de drie bezwaren van verzoeker in de beraadslaging van 18/04/2005 ongegrond zouden zijn verklaard en dat er voor het ongegrondverklaring van het aanvankelijk gedeeltelijk gegrond verklaarde eerste bezwaar een totaal verschillende argumentatie wordt gebruikt, meer bepaald: ‘Overwegende dat het project voorziet in het gedeeltelijk bouwen op de linker perceelsgrens van een schakelvolume met beperkte oppervlakte. Dat voor het overige niet tegen het gebouw van de bezwaarindiener wordt gebouwd en zelfs een afstand van 3 meter wordt bewaard. Dat het gebouw van de bezwaarindiener zelf op of minder dan 3 meter van de perceelsgrens werd gebouwd. Dit bezwaar is aldus ONGEGROND;’ Hieruit blijkt dat er niet zomaar twee materiële missingen zijn gebeurd bij het opstellen van de ingetrokken en vervangen beslissing van 12/07/2005 doch dat deze beslissing een totaal ander aspect geeft aan het standpunt van de wederpartij dan dat zij thans, in de intrekkende en vervangende beslissing, tracht voor te stellen. Wederpartij geeft niet de minste verklaring hoe het komt dat er melding wordt gemaakt van twee totaal verschillende argumentaties omtrent haar standpunt ten overstaan van het eerste bezwaar van verzoeker, en dat op twee verschillende data. X-12.618-5/11 Wederpartij kan bezwaarlijk voorhouden dat de bewoordingen, die worden aangehaald als haar argumentatie tijdens een beraadslaging van 18/04/2005 en die duidelijk betrekking hebben op het door verzoeker geformuleerde eerste bezwaar, tot stand zijn kunnen komen zonder dat er ook maar enige werkelijke relatie zou hebben bestaan tot het bezwaar van verzoeker. Bovendien wordt het door wederpartij niet aannemelijk gemaakt dat er op 18/04/2005 helemaal geen beraadslaging zou hebben plaatsgevonden over het bezwaarschrift van verzoeker en wordt er niet de minste verklaring gegeven waarom de beslissing van 12/07/2005 melding maakt van een beraadslaging van 18/04/2005 én van 02/05/2005, indien er, zoals nu blijkbaar wordt beweerd, alleen op 02/05/2005 een beraadslaging over het bezwaarschrift van verzoeker zou hebben plaatsgevonden. Deze gebrekkige motivering staat minstens gelijk aan een gebrek aan motivering, zodat de wederpartij in de bestreden beslissing een substantiële vorm heeft overtreden”. 3.1.1.
  24. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op bij het eerste middel. De verwerende partij zet deze exceptie als volgt uiteen: “Het middel is om tweevoudige reden niet ontvankelijk: - Er wordt niet uiteengezet welke rechtsregel geschonden werd. - De verzoekende partij heeft geen belang bij het inwilligen van het middel. i. Er wordt niet uiteengezet welke rechtsregel geschonden werd In elk middel dient uiteengezet te worden welke rechtsregel geschonden is en op welke wijze dit gebeurd is. Uit het middel kan evenwel niet afgeleid worden of de materiële dan wel de formele motiveringsplicht werd geschonden: - De formele motiveringsplicht, zoals bepaald in art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. - Het materieel motiveringsbeginsel houdt in dat een overheidsbeslissing gemotiveerd dient te worden met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. Het middel is om die reden reeds onontvankelijk. ii. De verzoekende partij heeft geen belang bij het inwilligen van het middel Het middel is in feite énkel gericht tegen het eerste onderdeel van de beslissing van 11 oktober 2005, met name de beslissing tot intrekking van het besluit van 12 juli 2005, meer bepaald tegen de motieven van de intrekking van het besluit van 12 juli
  25. De verzoekende partij heeft geen belang bij dit middel. Hij kan daaruit geen voordeel halen: het gegrond verklaren van dit middel impliceert dat de beslissing van 12 juli 2005 niet had mogen ingetrokken worden en de beslissing van 12 juli 2005 herleeft. Dit impliceert dat de op 12 juli 2005 aan Dhr. Salvia Rocco afgegeven vergunning herleeft. Daaruit haalt de verzoekende partij uiteraard geen voordeel. Het middel is derhalve niet ontvankelijk”. X-12.618-6/11 3.1.1.
  26. De tussenkomende partij stelt in zijn verzoekschrift tot tussenkomst dat de bezwaren van de verzoeker in het kader van het openbaar onderzoek door de gemeente “op een afdoende en pertinente wijze” werden weerlegd. 3.1.1.
  27. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker met betrekking tot de exceptie van onontvankelijkheid dat de bestreden beslissing duidelijk niet “de correcte en volledige feitelijke overwegingen die aan de grondslag van de beslissing liggen (bevat)” en dat, meer bepaald, de bestreden beslissing niet motiveert “waarom zij het (eerste) bezwaar dat verzoeker formuleerde aanvankelijk (gedeeltelijk) gegrond verklaarde en in de bestreden beslissing stelt dat dit bezwaar ongegrond verklaard werd”. Met betrekking tot het vermeende gebrek aan belang dupliceert de verzoeker dat de “eerste verwerende partij voorbij (gaat) aan de kern van de zaak: verzoeker diende bezwaar in tegen de aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning door de vrijwillig tussenkomende partij” en dat “alleen al uit het feit dat verzoeker drie bezwaren heeft ingediend, en dat het eerste van deze drie bezwaren door eerste verwerende partij op de beraadslaging van 18/04/2005 gedeeltelijk gegrond verklaard werd, het belang van de verzoeker (blijkt)”. De verzoeker meent dat “de intrek(king) van de beslissing van 12 /07/2005, (...) hier uiteraard volkomen los van (staat), nu door de bestreden beslissing een nieuwe vergunning werd toegekend ‘op basis van identiek dezelfde plannen en met dezelfde draagwijdte’(...) en dus met miskenning van het (gedeeltelijk) gegrond bezwaar van de verzoeker”. 3.1.1.
  28. In zijn laatste memorie beperkt de verzoeker zich ertoe te stellen het niet eens te zijn met de conclusies van het auditoraat en bevestigt hij verder uitdrukkelijk het in zijn voorgaande memories geformuleerde standpunt. 3.1.
  29. Beoordeling 3.1.2.
  30. Uit het principe dat de Raad van State niet vrijelijk de grenzen van de rechtsstrijd mag vaststellen, vloeit voort dat de middelen die niet kunnen bijdragen tot het beoogde voordeel dat een verzoekende partij beoogt, of anders gezegd het door die partijen geschetste nadeel niet kunnen weren - of het zelfs vergroten - niet moeten worden onderzocht. Te dezen bekritiseert de verzoeker in het eerste middel, zoals het is ontwikkeld in het inleidend verzoekschrift, en in zoverre dit kan worden begrepen, enkel de motivering van de intrekking van de vergunning van 12 juli X-12.618-7/11
  31. Het gegrond bevinden van dit middel zou bijgevolg enkel de intrekkingsbeslissing tenietdoen zodat het voordeel dat de verzoeker met de huidige vordering beoogt, met name de vernietiging van de verleende stedenbouwkundige vergunning, niet wordt bereikt. Het middel is dienvolgens niet dienstig. De verzoeker vermag niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord aan te voeren dat zijn bezwaren door de vergunningverlenende overheid in de ten deze bestreden beslissing onvoldoende werden beantwoord. 3.1.2.
  32. Het eerste middel faalt naar recht. 3.
  33. Tweede middel 3.2.
  34. Standpunt van de partijen 3.2.1.
  35. De verzoeker zet het tweede middel als volgt uiteen: “De wederpartij begaat minstens machtsoverschrijding nu zij een voorheen genomen beslissing, die door verzoeker reeds werd aangevochten ingevolge haar gebrekkige motivering, meer bepaald doordat zij enerzijds een bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaarde doch bij haar uiteindelijke beslissing geen enkele rekening meer hield met de gedeeltelijke gegrondheid van het bezwaar van verzoeker, waarbij deze beslissing de belangen van verzoeker zeker heeft geschaad, gewoon intrekt en vervangt door een nieuwe beslissing, waarbij de onverklaarbare tegenstrijdigheden in de ingetrokken en vervangen beslissing zonder meer worden weggelaten en afgedaan als materiële missingen. Deze werkwijze zou inhouden dat iedere administratieve overheid, die vaststelt dat één of andere van haar beslissingen door enig gebrek zou zijn aangetast dat tot vernietiging van die beslissing aanleiding zou kunnen geven, een door de door haar beslissing benadeelde persoon ingestelde procedure zou kunnen omzeilen door zonder al te veel motivatie deze gebrekkige beslissing in te trekken en te vervangen door een andere. De belangen van verzoeker worden door deze nieuwe beslissing dan ook evenzeer zoniet nog ernstiger geschaad. Verzoeker legt, ten bewijze van de gestelde feiten, de genummerde en gebundelde stukken over, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven. (...)”. 3.2.1.
  36. De verwerende partij repliceert dat het tweede middel ongegrond is om twee redenen. Ten eerste stelt de verwerende partij dat zij “de eerste procedure niet (heeft) ‘omzeild’. De verzoekende partij heeft immers het door haar gewenste resultaat bereikt: de eerste bestreden beslissing, (...), is uit het rechtsverkeer verdwenen”. Verder stelt de verwerende partij nog dat “bovendien (...) de intrekking van een rechtverlenende handeling steeds mogelijk is binnen de X-12.618-8/11 termijn van 60 dagen bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en ingeval een dergelijk beroep is ingesteld tot aan de sluiting van de debatten”. 3.2.1.
  37. In zijn verzoekschrift tot tussenkomst wijst de tussenkomende partij eveneens op de mogelijkheid voor de administratieve overheid om een “administratieve beslissing” in te trekken “wanneer er een procedure voor de Raad van State hangende is”. 3.2.1.
  38. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker dat de verwerende partij “minstens machtsoverschrijding (begaat) (...) doordat zij enerzijds een bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaarde doch bij haar uiteindelijke beslissing geen enkele rekening meer hield met de gedeeltelijke gegrondheid van het bezwaar van verzoeker, waarbij deze beslissing de belangen van verzoeker zeker heeft geschaad (en doordat de verwerende partij deze beslissing) gewoon intrekt en vervangt door een nieuwe beslissing, waarbij de onverklaarbare tegenstrijdigheden in de ingetrokken en vervangen beslissing zonder meer worden weggelaten en afgedaan als materiële vergissingen”. Daarenboven stelt de verzoeker dat “de eerste verwerende partij enkel en alleen op formeel vlak (redeneert)” en dat het gewenste resultaat niet is bereikt “aangezien er in de genomen beslissingen wordt voorgehouden dat de bezwaren van verzoeker ongegrond zouden zijn verklaard, hoewel uit de beraadslaging van 18/04/2005 blijkt dat één van de bezwaren van verzoeker wel degelijk (gedeeltelijk) gegrond verklaard werd”. Tot slot stelt de verzoeker nog dat “aangaande de aangehaalde termijn van 60 dagen, moet vastgesteld worden dat deze verstreken is nu de eerste beslissing dateert van 12/07/2005 en de tweede beslissing slechts dateert van 11/10/2005” en “(d)at, bovendien, de intrekking van de beslissing van 12/07/2005 de nadelige gevolgen van deze beslissing onverminderd laat voortbestaan, aangezien de bestreden beslissing een vergunning toekent aan de vrijwillig tussenkomende partij ‘op basis van identiek dezelfde plannen en met dezelfde draagwijdte’”. 3.2.1.
  39. In zijn laatste memorie beperkt de verzoeker zich ertoe te stellen het niet eens te zijn met de conclusies van het auditoraat en bevestigt hij verder uitdrukkelijk het in zijn voorgaande memories geformuleerde standpunt. 3.2.
  40. Beoordeling 3.2.2.
  41. Buiten het geval waarin de intrekking het voorwerp uitmaakt van X-12.618-9/11 een wettelijke regeling, of wanneer het gaat om een zgn. “onbestaande handeling”, kan een onregelmatige rechtverlenende handeling slechts worden ingetrokken, ofwel binnen de termijn voor het instellen van een annulatieberoep, ofwel, wanneer een dergelijk beroep werd ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten. In dit laatste geval is de intrekking slechts mogelijk indien het beroep ontvankelijk werd ingesteld, en binnen de grenzen van de uitvoering van het eventueel annulatiearrest, hetzij op grond van één of meer van de deugdelijk te achten rechtmatigheidsbezwaren die de verzoeker ontvankelijk voor de Raad van State heeft doen gelden, hetzij op grond van de overtreding van een regel van openbare orde. Het bestreden besluit overweegt ten deze: “Overwegende dat in het besluit van 12/7/2005 een materiële vergissing is gebeurd. Dat het college op 02 mei 2005 over het bezwaarschrift heeft beraadslaagd ipv 18 april 2005 en het bezwaarschrift ongegrond werd verklaard (...). Dat echter bij het samenstellen van de beslissing van 12/07/2005 werd vermeld dat het college van burgemeester (en schepenen) het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaarde. Dat het bijgevolg aangewezen is deze vergissing recht te zetten door het besluit van 12/7/2005 in te trekken en te vervangen door het huidig besluit. Dat deze rechtzetting geen wijziging inhoudt aan het project”. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker zelf een annulatieberoep heeft ingesteld tegen de ingetrokken beslissing van 12 juli
  42. Bovendien staat vast dat het betwiste intrekkingsbesluit werd genomen voor de sluiting van de debatten en op grond van een rechtmatigheidsbezwaar dat werd aangevoerd binnen het raam van een hangend annulatieberoep gericht tegen de ingetrokken beslissing, met name op grond van de tegenstrijdige motivering. Het feit dat in het bestreden intrekkingsbesluit van 11 oktober 2005 niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar dit annulatieberoep en de daarbij aangevoerde middelen doet hieraan geen afbreuk. 3.2.2.
  43. Het tweede middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  44. Het beroep wordt verworpen. X-12.618-10/11 Artikel
  45. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-12.618-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.