← België

Arrest 194572 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.572 Rolnummer: A. 79283/X-8263 Zaak: Arrest 194572 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:18 Fiche Arrest nr 194.572 van 23 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.572 van 23 juni 2009 in de zaak A. 79.283/X-

  1. In zake : Hans VERBOVEN, die woonplaats kiest bij advocaten J. SMEETS en P. PANIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Weg naar As 17, bus 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat R. VAN RIET, kantoor houdende te 9250 WAASMUNSTER, Nijverheidslaan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hans VERBOVEN op 8 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 19 december 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een paneel met gedeponeerd logo te Kinrooi, Venlosesteenweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 621/L; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 5 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2009; X-8263-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker is exploitant van een meubelzaak aan de Venlose- steenweg 393 te Kessenich-Kinrooi. 1.
  5. Het onroerend goed is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Limburgs Maasland gesitueerd in woongebied met landelijk karakter. 1.
  6. Op 10 oktober 1995 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi een bouwaanvraag in, strekkende tot de regularisatie van het plaatsen van een paneel met een gedeponeerd logo aan de straatkant. Het metalen paneel, dat 13 meter lang is en tot meer dan 5 meter boven de begane grond uitkomt, is bevestigd op drie metalen steunen en staat langs de zijgevel van het links aanpalende gebouw, en bevat naast het gedeponeerde logo, meer bepaald een groen eikenblad, nog de vermeldingen “Flämische Eichenmöbel-Vlaamse Eiken Meubelen”. 1.
  7. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 18 oktober 1995 een ongemotiveerd gunstig preadvies. 1.
  8. Omdat de regularisatieaanvraag betrekking heeft op een perceel gelegen langs een gewestweg, de N 78 Vroenhoven-Maaseik-Venlo, wordt het advies opgevraagd van de afdeling Wegen, die op 30 november 1995 ongunstig adviseert omdat de bouwlijn is gelegen op 21 meter afstand uit de as van de gewestweg en het reclamepaneel achter de bouwlijn moet worden ingeplant terwijl het er vóór is ingeplant. X-8263-2/8 1.
  9. Ook de gemachtigde ambtenaar brengt op 19 december 1995 een ongunstig advies uit, met verwijzing naar het voormelde advies van de afdeling Wegen. 1.
  10. Met een besluit van 10 januari 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi de gevraagde regularisatie- vergunning, om de redenen vermeld in het overgenomen advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  11. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg verwerpt op 19 december 1996 het beroep van de verzoeker tegen dit weigerings- besluit omdat “de oppervlakte van het publiciteitspaneel overdreven is”, “het uitzicht ervan niet past in het straatbeeld”, er gedurende het openbaar onderzoek bezwaar werd ingediend door de aanpalende eigenaar die problemen heeft met “de te grote oppervlakte van het bord, (de) verkeersgevaarlijke inplanting en de waardevermindering van zijn pand”, en omdat de afdeling Wegen een “ongunstig lijnrichtingsadvies” heeft verstrekt. 1.
  12. Met een aangetekend schrijven van 19 januari 1997 tekent de raadsman van de verzoeker tegen deze beslissing beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister, onder meer argumenterend dat zijn zaak “ingesloten” wordt door de twee aanpalende gebouwen die dichtbij de rooilijn van de weg werden ingeplant, en dat in die omstandigheden de inplanting van het paneel op die plaats noodzakelijk is om de meubelzaak zichtbaar te maken, het college van burgemeester en schepenen een gunstig preadvies heeft verleend, niet bewezen is dat de oppervlakte van het paneel overdreven is en niet past in het straatbeeld, “de constructie niet dient beschouwd te worden als zijnde ingeplant tegen de perceelsgrens en ‘bijgevolg' als scheidsmuur ‘kan’ aanzien worden, zodat de aanvraag niet diende bekend gemaakt te worden aan de aanpalende eigenaar”, “het enige ingediende bezwaarschrift (...) van deze aanpalende eigenaar niet dienstig was, nu deze geen last kan hebben van de constructie, daar deze ingeplant is tegen de blinde muur van de aanpalende eigenaar”, “het ongunstig advies van de afdeling Wegen (...) niet determinerend kan zijn, nu ten onrechte geen antwoord werd verstrekt op het afwijkingsvoorstel van verzoeker dd. 15.02.1996”. 1.
  13. Op 1 december 1997 vindt op de diensten van de administratie van de minister een hoorzitting plaats. X-8263-3/8 1.
  14. Op 16 april 1998 laat de afdeling Wegen de administratie van de minister weten dat het door de afdeling Wegen verleende advies wordt “behouden”, eraan toevoegend dat het paneel ook “gedeeltelijk (...) binnen de ontworpen rooilijn” staat, en dat het een “volwaardige vaste inrichting” betreft die derhalve stedenbouwkundig vergunningsplichtig is. 1.
  15. Met het bestreden besluit van 7 mei 1998 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het door de verzoeker ingestelde beroep. De regularisatievergunning wordt geweigerd om de volgende redenen: “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Limburgse Maaskant, vastgesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1980, gelegen is in een woongebied met landelijk karakter; dat overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en eveneens voor landbouwbedrijven; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat het publiciteitspaneel, 13 meter breed en reikend tot een hoogte van 5 meter, tegen de linker zijdelingse eigendomsgrens is geplaatst, loodrecht op de rijbaan van de gewestweg N 78 Vroenhoven - Maaseik - Venlo; dat de Administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Limburg op 30 november 1995 een ongunstig advies heeft uitgebracht om reden dat de bouwlijn, gelegen op 21 meter uit de as van de gewestweg, niet wordt gerespecteerd, daar het paneel op 13,55 meter uit de as werd opgericht; dat de aanvrager op 15 februari 1996 om een afwijking verzocht, omdat de door hem uitgebate meubelzaak op 14,4 meter achter de rooilijn ligt, en dat deze zaak ingesloten wordt door twee gebouwen, slechts 2,22 meter achter de rooilijn, waardoor het zicht op de zaak van verzoeker vanaf de Venlosesteenweg sterk wordt belemmerd; Overwegende dat het om een groot paneel gaat, een werkelijke constructie aan bouwvergunning onderworpen, en met een duidelijk beoogde opvallende verschijning in het straatbeeld; dat door plaatsing op 70 cm van de linker zijdelingse erfscheiding met andermans goed, door schaal en uitvoeringswijze een bezwarende ruimtelijke weerslag op dit aangrenzend erf wordt gelegd; dat met kennisname van alle argumenten in hoger beroep, de bevoegde administratie Wegen en Verkeer op 19 april 1998, haar eerder ingenomen ongunstig standpunt van 30 november 1995 met integraal behoud van alle argumenten bevestigt; Overwegende dat overeenkomstig artikel 45 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de vergunning- verlenende overheid inzake de plaatsing van de gebouwen aan een grote weg, X-8263-4/8 zich richt naar de adviezen van genoemde administratie; dat hier de inplanting van het paneel niet tegemoet komt aan de voorwaarden gesteld door de wegbeheerder; dat geen vergunning kan gegeven worden en dat het beroep van de particulier dient verworpen”.
  16. Ten gronde 2.1.
  17. Als zevende middel betoogt de verzoeker wat volgt: “g. Aangezien, in tegenstelling tot het bestreden besluit zonder verdere motivering of redengeving voor waarheid aanneemt, de constructie niet dient beschouwd te worden als zijnde ingeplant tegen de perceelsgrens en bijgevolg als scheidsmuur dient te worden aanzien, zodat de aanvraag niet diende bekend te worden gemaakt aan de aanpalende eigenaar, zodat het enige ingediende bezwaarschrift komende van deze eigenaar terzake niet dienstig was, nu deze geen last kon hebben van de constructie, ingeplant tegen de blinde muur van de aanpalende eigenaar, zodoende dat het bestreden besluit onwettig is genomen door te overwegen dat terzake een bezwarende ruimtelijke weerslag op dit aangrenzend erf zou worden gelegd”. In de memorie van wederantwoord laat de verzoeker nog gelden wat volgt: “nu bij lezing van het bestreden ministerieel besluit blijkt dat er slechts twee motieven zijn ter weigering van de vergunning aan verzoeker, m.n.: ‘dat de Administratie (...) op 30 november 1995 een ongunstig advies heeft uitgebracht om reden dat de bouwlijn, gelegen op 21 meter uit de as van de gewestweg, niet word gerespecteerd (...); dat door plaatsing op 70 cm van de linker zijdelingse erfscheiding met andermans goed, door schaal en uitvoeringswijze een bezwarende ruimtelijke weerslag op dit aangrenzend erf wordt gelegd.’ Dat hieruit volgt dat, naast de inplanting opzichtens de rooilijn, uitdrukkelijk werd verwezen naar de bezwarende ruimtelijke weerslag op het aanpalend erf, hetgeen derhalve als substantiële motivering werd weerhouden ter weigering van de vergunning aan verzoeker. Aangezien er derhalve geen sprake is van een ‘overtollige redengeving’, doch integendeel om een determinerend motief. Aangezien verzoeker vaststelt dat verwerende partij klaarblijkelijk niet betwist dat de constructie niet als scheidsmuur dient aanzien te worden, zodat de aanvraag niet diende bekend te worden gemaakt aan de aanpalende eigenaar. Aangezien zulks derhalve een schending van de wettelijke vormvoor- schriften uitmaakt, ten gevolge waarvan - indien de aanpalende eigenaar geen bezwaarschrift had ingediend, nu hij niet in kennis diende gesteld te worden van de aanvraag- het niet ondenkbeeldig is dat de vergunning wel zou toegekend zijn aan verzoeker. Aangezien immers de loutere inplanting opzichtens de bouwlijn (onafgezien van de hoger ontwikkelde middelen) niet volstond om de vergunning aan verzoeker te weigeren, gelet op alle supra reeds ontwikkelde argumentatie”. X-8263-5/8 2.1.
  18. De verzoeker voert terecht aan dat het motief dat het paneel “door de plaatsing op 70 cm van de linker zijdelingse erfscheiding met andermans goed, door schaal en uitvoeringswijze een bezwarende ruimtelijke weerslag (heeft) op dit aangrenzend erf” een “substantieel” of “determinerend motief” is voor de weigering van de regularisatieaanvraag. 2.1.
  19. Ten onrechte meent de verzoeker dat dit weigeringsmotief zijn grondslag vindt in het openbaar onderzoek dat volgens de verzoeker “met schending van de wettelijke vormvoorschriften” werd georganiseerd, en derhalve in het bezwaarschrift van de aanpalende eigenaar. Daargelaten de overweging dat niet valt in te zien hoe het organiseren van een niet-verplicht openbaar onderzoek de “wettelijke vormvoorschriften” voor een verplicht openbaar onderzoek kan schenden, blijkt uit de gegevens van het dossier niet alleen dat de bestreden akte op geen enkele wijze gewag maakt van enig bezwaarschrift dat zou zijn ingediend door een “aanpalende eigenaar”, maar ook dat het administratief dossier geen enkel bezwaarschrift bevat. Het voormelde besluit van de bestendige deputatie van 19 december 1996 maakt weliswaar gewag van een “beperkt openbaar onderzoek” dat op een niet nader bepaalde periode zou moeten hebben plaatsgevonden, van een bezwaarschrift dat op een onbepaalde datum door een niet bij naam genoemde “aanpalende eigenaar” zou zijn ingediend en van het bijtreden van dit bezwaarschrift door het college van burgemeester en schepenen op een eveneens niet nader bepaalde datum, maar het voormelde collegebesluit van 10 januari 1996 stelt uitdrukkelijk dat “de aanvraag niet onderworpen werd aan de speciale regelen van openbaarmaking, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 06.02.71, gewijzigd bij K.B. dd 16.12.81”. 2.1.
  20. Het zevende middel is bijgevolg niet gegrond. 2.2.
  21. Wat betreft het derde middel stelt de verzoeker wat volgt: “c. Aangezien bezwaarlijk kan gesteld worden dat de inplanting van het paneel tegen de linker zijdel(ingse) erfscheiding met het aanpalend pand, ingeplant op 2.22 meter achter de zijlijn, en met een volledig blinde gevel, ook maar enig bezwarende ruimtelijke weerslag op dit aangrenzend erf wordt gelegd, minstens dat niet aangetoond wordt waaruit deze zou bestaan, zodat ook om deze reden het besluit niet wettig genomen is”. X-8263-6/8 De verzoeker voegt in de memorie van wederantwoord daar het volgende aan toe: “Bovendien stelt verwerende partij in haar memorie van antwoord in beantwoording van het tweede door verzoeker ingeroepen middel dat enkel een afweging van belangen dient te geschieden tussen verzoeker en de wegbeheerder, en niet tussen verzoeker en de aangelanden. Door het bestreden besluit alsnog te baseren op de bezwarende ruimtelijke weerslag op het aangrenzend erf, quod in casu certe non, is het bestreden besluit niet wettig genomen”. 2.2.
  22. Het middel wordt gelezen en begrepen als een tekortkoming aan de motiveringsplicht. Aan de motiveringsplicht is voldaan, wanneer de beslissing duidelijk de met de goede plaatselijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het voor de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen. De Raad van State vermag in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.2.
  23. Het decisieve weigeringsmotief dat de aanvraag een bezwarende ruimtelijke weerslag legt op het aangrenzend erf is niet louter ingegeven door de inplantingsplaats van het paneel maar mede door “schaal en uitvoeringswijze”. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het om een paneel gaat van “13 meter breed en reikend tot een hoogte van 5 meter (...) en met een duidelijk beoogde opvallende verschijning in het straatbeeld (...) op 70 cm van de linker zijdelingse erfscheiding met andermans goed”. Het wordt niet betwist dat deze feitelijke gegevens juist zijn. De verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij deze gegevens niet correct heeft beoordeeld noch dat de daarop gesteunde weigering kennelijk onredelijk is. 2.2.
  24. Het derde middel is niet gegrond. 2.3.
  25. In het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde middel bekritiseert de verzoeker het andere, tweede weigeringsmotief dat gesteund is op het ongunstig advies van de afdeling Wegen omwille van de inplanting van het paneel voor de bouwlijn. X-8263-7/8 2.3.
  26. In zoverre deze middelen al ontvankelijk zijn, volgt uit de bespreking van het eerste middel dat dit tweede weigeringsmotief een overtollig motief is. Kritiek op een overbodig motief kan niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. Het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8263-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.572 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.