id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.588 Rolnummer: Zaak: Arrest 194588 - Monumenten en Landschappen - 23/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:19 Fiche Arrest nr 194.588 van 23 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.588 van 23 juni 2009 in de zaken A. 139.095/X-11.506 154.743/X-12.
- In zake : I. + II. Gustaaf KEMPENEERS, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gustaaf KEMPENEERS op 14 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 april 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, houdende “- onder artikel 1 de opname in de ontwerp van lijst van het aan verzoeker toebehorende 19de-eeuws woonhuis gelegen te 9900 Eeklo, Stationsstraat 62, gekend ten kadaster Eeklo, 2de afdeling, sectie E, perceelnummer 876D deel, wegens de artistieke en historische waarde - onder artikel 2 de motivering voor de opname van dit woonhuis met aanhorigheden; - onder artikel 3 de mededeling dat met het oog op de bescherming van toepassing zijn de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten”; (I) Gezien het verzoekschrift dat Gustaaf KEMPENEERS op 13 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 april 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een lijst van voor X-11.506 & 12.019-1/13 bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, houdende de bescherming als monument van het 19de-eeuws woonhuis, met uitsluiting van het recent woongedeelte aan de Stationsstraat 62 te Eeklo, kadastraal bekend sectie E, nr. 876/d(deel) “- onder (een weliswaar niet nader genummerd) artikel 2 de motivering voor de bescherming van dit woonhuis; - onder artikel 3 de mededeling dat met het oog op de bescherming van toepassing zijn de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten”; (II) Gelet op het arrest nr. 126.394 van 15 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 20 januari 2004 ingediend door de verzoeker in de zaak sub I; Gezien het administratief dossier in de zaak sub I; Gezien de toelichtende memorie in de zaak sub I; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak sub II; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 5 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 4 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC in beide zaken; X-11.506 & 12.019-2/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. VAN ASSCHE, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging De zaak A.139.095/X-11.506 en de zaak A.154.743/X-12.019 worden wegens verknochtheid gevoegd.
- Feiten 2.
- De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar van een woonhuis aan de Stationsstraat 62 te Eeklo. Dit huis wordt bewoond door de verzoeker en zijn gezin. Hij oefent er samen met zijn zoon en dochter een oogartsenpraktijk in uit. 2.
- In een niet-gedagtekende nota stelt de dienst monumenten en landschappen van de ROHM Oost-Vlaanderen aan de Vlaamse minister van Cultuur voor om de procedure in te zetten voor de bescherming als monument van een aantal onroerende goederen in Eeklo. Met betrekking tot het bovenvermelde huis van de verzoeker wordt in die nota het volgende gesteld : “Het tweede imposante, vrij intact behouden herenhuis aan de Stationsstraat is de woning die leerlooier Aime Vermast-De Buck enkele percelen voorbij de notariswoning Dauwe liet optrekken, eveneens in
- Na de eerste wereldoorlog was Jules Vermast, eigenaar van de gemechaniseerde leerlooierij aan de Zuidmoerstraat, bewoner van het pand en liet er naar verluidt interieurverfraaiingen aanbrengen. Thans is het gekend als huis van doktor Kempeneers die de 19de-eeuwse herenwoning met veel respect restaureerde voor zijn praktijk en aanvulde achteraan met een modern woongedeelte. Het neoclassicistisch gebouw met kenmerkende enkelhuisopstand telt vijf traveeën en twee en een halve bouwlagen onder pannen zadeldak. De X-11.506 & 12.019-3/13 gepleisterde en witgeschilderde voorgevel wordt sterk horizontaal gemarkeerd door arduinen kordonlijsten, geprofileerde waterlijsten, imitatievoegen en een overstekende houten kroon- en tandlijst op klossen. De arduinen plint is links doorbroken door vier getraliede keldervensters. De rechter travee wordt gemarkeerd door een brede getoogde koetspoort in een geprofileerde arduinen omlijsting met diamantkopsluitsteen. De originele geverniste houten paneeldeur verrijkt met festoenen en ijzeren deurklopper is een mooi voorbeeld van neoclassicistische poorten uit het einde van de 19de eeuw. In de rechter plint bleef ook de ijzeren voetenschraper bewaard. Getoogde, omlijste vensters met T-vormig witgeschilderd houtwerk en diamantkoppen of voluten als sluitsteen ritmeren de lijstgevel en geven hem een harmonische statische allure. Liggende rechthoekige venstertjes in geriemde omlijstingen met oren doorbreken de eenvoudige fries onder de kroonlijst. Het 19de-eeuwse huis heeft de klassieke plattegrond van een enkelhuis behouden met rechts de brede gang van de vroegere koetsdoorrit met midden in de drie treden hoger gelegen vestibule met trappenhuis, afgesloten door een vierledige beschilderde houten en beglaasde deur tussen gemarmerde Ionische pilasters. De wit en zwarte tegelvloer in dambordpatroon en hoge plint in rode gevlamde tegels werden later aangebracht. De wandbeschildering in marmerimitatie bleef hier bewaard. De vestibule met bordestrap behield wel de originele wit- en zwartmarmeren vloer en ook de marmerbeschilderingen, een mooie houten achtzijdige trappaal en groot glas-in-loodraam met bloem- en slingermotieven. Vanuit de vestibule geeft een deur toegang tot een wachtkamer vooraan met behouden stucplafond met centrale rozet en in de jaren 1920 aangepaste schouw in art-decostijl. De twee dooreenlopende linker salons getuigen nog van de rijkdom, smaak en stand van de oorspronkelijke en voormalige bewoners. Het salon vooraan met nog eind 19de-eeuws plafond met uitgewerkte rozet en witmarmeren schouw, werd naar verluidt circa 1920 door toenmalig eigenaar Jules Vermast voorzien van de huidige aankleding in een Engelse neoclassicistische stijl met typische wedgwoodkleuren en motieven. De witgeschilderde deuren en supraportes werden voorzien van vergulde medaillons met classicistische figuren op hemelsblauwe fond. Een fries met gelijkaardige medaillons gevat in fijne arabesken loopt omheen de kamer en wordt ondersteund door pilasters met vergulde kapitelen. De boogvelden boven de ramen vallen op door de typische wedgwoodmotieven en vergulde leeuwenkopjes in de zwikken. Het tweede salon heeft een mooie stucrozet met medaillonversiering en behield de typische neo-Lodewijk- XVI-schoorsteenboezem met bovenaan een grisailleschildering met puttifiguurtjes in een medaillon onder festoen”. 2.
- Met toepassing van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten (hierna : het monumentendecreet) stelt de Vlaamse minister van Cultuur op 24 april 2003 een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten vast waarbij onder meer het bovenvermelde “herenhuis” van de verzoeker wegens de artistieke en historische waarde op die ontwerp van lijst wordt geplaatst. In art. 2 van dat besluit dat door de verzoeker in zaak I wordt bestreden, wordt onder meer het volgende gesteld : X-11.506 & 12.019-4/13 “Artikel
- De representatieve selectie van het cultuurhistorisch belangrijk patrimonium van Eeklo bevat een diversiteit van bouwkundige monumenten die kenmerkend zijn voor de sociaal-economische geschiedenis en de cultuurhistorische en architecturale ontwikkeling van de gemeente. De te beschermen objecten vertonen intrinsieke historische, architecturale of andere sociaal-culturele kwaliteiten. Aspecten als authenticiteit, representativiteit, zeldzaamheid of gaafheid bepalen mee het waardevolle karakter van dit patrimonium. Het overzicht omvat interessante voorbeelden van burgerlijke stedelijke architectuur met name twee 18de-eeuwse woonhuizen, rijke 19de eeuwse woningen in neoclassicistische stijl met inbegrip van het stijlvolle interieur en vroeg 20ste-eeuwse architectuur in neostijlen en interbellumarchitectuur. Zowel in de landelijke als in de stedelijke woningbouw als in de gebouwen van openbaar nut, zoals bestuursgebouwen, gebouwen met dienstverlenende functie, het industriële en het religieuze erfgoed, zijn relevante en fraaie voorbeelden te vinden. Ook de stedelijke begraafplaats is een imponerende getuige van cultuurhistorisch waardevol funerair erfgoed. ( ... ) De artistieke en de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde, van het herenhuis, Stationsstraat 62: De herenwoning die leerlooier Aimé Vermast in 1881 liet optrekken aan de Stationsstraat is een mooi voorbeeld van woningbouw voor de gegoede burgerij aan het einde van de 19de eeuw. De authentiek bewaarde bepleisterde en beschilderde voorgevel met kenmerkende schijnvoegen, horizontaliserende kordons en omlijste vensters verrijkt met sluitstenen is door zijn harmonische verhoudingen en ritmering zeer representatief voor de neoclassicistische stijlrichting. Het originele schrijnwerk van de koetspoort en de verschillende authentieke interieurelementen zoals de marmerschilderingen, stucplafonds en houten bordestrap, getuigen van vakmanschap en kunstzin. Vooral de stoffering van het salon vooraan in een verfijnde Engelse neoclassicistische stijl met typische wedgwoodkleuren en -motieven vormt een uitzonderlijk en zeldzaam geheel”. 2.
- Een afschrift van dit besluit wordt bij aangetekende brieven van 14 mei 2003 onder meer verstuurd naar de verzoeker, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Eeklo en de dienst ruimtelijke ordening van de ROHM Oost-Vlaanderen. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli
- 2.
- Bij brief van 3 juni 2003 deelt de dienst ruimtelijke ordening van de ROHM Oost-Vlaanderen mee geen bezwaar te hebben tegen de bescherming als monument van het bovenvermelde huis van de verzoeker. 2.
- Bij brief van 13 juni 2003 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen de bescherming van de woning waarin hij o.m. het volgende heeft gesteld : X-11.506 & 12.019-5/13 “Ik heb objecties tegen de vorm van aanpak. Hier is een mevrouw gekomen tijdens mijn spreekuur, onaangekondigd en onverwacht. Ze vroeg of ze foto’s kon maken van het interieur van het huis. Ik vroeg haar wat de bedoeling was, waarop zij antwoordde dat het was om het pand eventueel te klasseren. Ik heb haar onmiddellijk geantwoord dat ik hierin niet geïnteresseerd was, om volgende redenen :
- Dat mijn huis in orde staat (Ik kreeg er zelfs een prijs voor enkele jaren geleden van de stad Eeklo) en dat het mijn intentie is het zo te houden, anders had ik het niet opgekalefaterd.
- Dat ik geen inmenging wilde van vreemden die zouden dicteren hoe het al dan niet moet (privacy). De dame heeft toen gesuggereerd ‘dat ik in deze niets te zeggen had’. Dit is ongehoord. Nu krijg ik, zoals van ‘bovenhand’ bepaald, een aangetekende brief waarin de klassering wordt bevestigd. Hierop de volgende objecties :
- Het gaat hier niet alleen om een woonhuis, maar om een consultatiebureau van oogartsen (vader, zoon en dochter) + woonhuis, achteraan modern veranderd sedert 1976-
- De koetspoort achteraan is er niet meer.
- De beschrijving van het interieur in de klasseringsbrief is helemaal niet correct : het is geen neoclassicistische stijl met typische Wedgwoodkleuren. (...) Zijn wij uitgekozen op een eigenzinnige manier tussen tientallen Eeklose huizen die in aanmerking kwamen, ook al had ik aangegeven geen belangstelling te hebben? Misschien zijn er andere eigenaars wel in klassering van hun pand geïnteresseerd en krijgen zij er de kans niet toe?”. 2.
- Tijdens zijn vergadering van 30 juni 2003 sluit het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Eeklo het openbaar onderzoek en stelt het proces-verbaal vast van de ingediende bezwaren. Op 7 juli 2003 “aanvaardt” het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Eeklo “het principe van bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten” maar vraagt begrip op te brengen voor de standpunten van de betrokken eigenaars en hun argumenten grondig te onderzoeken. Het college vraagt tevens dat de eigenaars voorafgaandelijk voldoende geïnformeerd worden over de gevolgen van dergelijke bescherming. 2.
- De bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen brengt een gunstig advies uit over de bescherming van het bovenvermelde huis van de verzoeker. De bestendige deputatie vraagt eveneens aandacht voor de standpunten van de betrokken eigenaars en een grondig onderzoek. 2.
- De aangehaalde bezwaren van de verzoeker worden als volgt weerlegd: X-11.506 & 12.019-6/13 “A. Objecties tegen de vorm van aanpak De ambtenaren vragen steeds de toestemming van de eigenaar om het huis te bezoeken en te fotograferen ten behoeve van de opmaak van de systematische inventaris van het bouwkundig erfgoed. De bescherming van Monumenten, stads- en dorpsgezichten wordt geregeld door het decreet van 3 maart
- Hierin wordt geen verband gelegd met inventarissen van het bouwkundig erfgoed noch met de bereidheid of uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar om een bepaald goed op te nemen in de ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten. Het akkoord van de eigenaar is geen randvoorwaarde voor de bescherming. B. Objecties tegen de klassering van ‘bovenhand’ Het beschermingsbesluit bepaalt uitdrukkelijk dat omwille van het algemeen belang de Vlaamse regering de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten vastlegt. Het algemeen belang dat hier de bescherming verantwoordt, wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de intrinsieke waarden (voor het pand Stationsstraat 62, de artistieke en de historische, meer bepaald de architectuurhistorische waarde) gemotiveerd. Deze waarden worden door de eigenaar niet weerlegd. Hij geeft zelf aan dat hij van de stad Eeklo jaren geleden een prijs heeft ontvangen voor de goede staat van zijn woning en dat hij de intentie heeft het zo te houden. De motivatie spreekt verder over de typologie van het gebouw. Het herenhuis is exemplarisch voor de woningbouw van de gegoede burgerij aan het einde van de 19de eeuw en dit is vandaag nog duidelijk herkenbaar. De functie of bestemming die het pand nu heeft is niet relevant voor de motivatie van de bescherming. De decoratie van het salon vooraan, omschreven als - verfijnde Engelse neoclassicistische stijl met typische wedgwoodkleuren en -motieven - wordt betwist. De decoratie is pas in 1920 aangebracht doch de stijl is ontegensprekelijk geïnspireerd op het classicisme met verfijnde empiregetinte elementen en een opvallend blauwe fondkleur die aan het Wedgwood blauw herinnert. Of het eerder Engels dan wel Frans geïnspireerd is doet eigenlijk niet ter zake. De beschrijving zal aangepast worden. (...) Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid, het Vlaamse Gewest, om de keuze te maken welke goederen (voorlopig) worden beschermd. De appreciatie van de waarden behoort enkel toe aan de bevoegde overheid. Deze keuze moet gemotiveerd zijn. Uit het dossier blijkt dat dit onmiskenbaar het geval is. Als basis voor de selectie is de inventaris gebruikt, als wetenschappelijk instrument. De selectie en de waarden van de verschillende voor bescherming voorgestelde monumenten zijn voldoende gemotiveerd in het beschermingsbesluit”. 2.
- Op 5 februari 2004 verleent de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) na beraadslaging eenparig gunstig advies mits volgende motieven: “De artistieke en de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde van het 19de-eeuwse gedeelte van het herenhuis, Stationsstraat 62: De herenwoning die leerlooier Aimé Vermast in 1881 liet optrekken aan de Stationsstraat is een mooi voorbeeld van woningbouw voor de gegoede burgerij aan het einde van de 19de eeuw. De authentiek bewaarde bepleisterde en beschilderde voorgevel met kenmerkende schijnvoegen, horizontaliserende X-11.506 & 12.019-7/13 kordons en omlijste vensters verrijkt met sluitstenen is door zijn harmonische verhoudingen en ritmering zeer representatief voor de neoclassicistische stijlrichting. Het originele schrijnwerk van de koetspoort en de verschillende authentieke interieurelementen zoals de marmerschilderingen, stucplafonds en houten bordestrap, getuigen van vakmanschap en kunstzin. Vooral de stoffering van het salon vooraan in een verfijnde classiciserende stijl met typische naar de klassieke oudheid verwijzende motieven vormt een uitzonderlijk en zeldzaam geheel”. 2.
- Met het in zaak II bestreden besluit van 30 april 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken wordt onder meer “het 19de eeuws gedeelte van het herenhuis, met uitsluiting van het recent woongedeelte” van de verzoeker wegens de artistieke en historische waarde en met de motieven van de KCML beschermd als monument.
- De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak I 3.
- Door het definitieve beschermingsbesluit (het bestreden besluit in de zaak sub II) heeft het in deze zaak bestreden besluit geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, § 7 van het monumentendecreet geen uitwerking meer hebben. De verzoeker heeft bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 3.
- Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk.
- Ten gronde in de zaak II 4.1.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 15 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoeker betoogt dat het monumentendecreet “geen enkele bepaling bevat die aan welbepaalde ambtenaren de bevoegdheid zouden toekennen om zich in de privé-eigendommen te begeven of zich aldaar toegang te verschaffen met het oog op het verzamelen van inlichtingen en documentatie ter samenstelling en fundering van de ontwerp-lijst en de definitieve lijst der beschermde X-11.506 & 12.019-8/13 monumenten en stads- en dorpsgezichten, “een daarbij te volgen procedure (niet) bestaat”, “desalniettemin (...) ambtenaren van ROHM zich onaangekondigd (melden) bij de eigenaars en (...) onder aanvoering van onjuiste redenen (vragen) de woning te mogen betreden; (...) zich daarbij in wezen van ongeoorloofde methodes (bedienen), vermits zij de ware toedracht van hun bezoek verborgen houden en met vleiende bewoordingen de kwaliteiten van de te bezoeken woning prijzen in de overtuiging dat ze aldus de eigenaars gemakkelijker tot gewilligheid zullen kunnen bewegen”, en dat “deze handelswijze (...) manifest bedoeld is om gegevens te kunnen verzamelen die mogelijks tot de bescherming van het gebouw zullen leiden, met een onmiskenbare zware negatieve patrimoniale impact voor de betrokken eigenaar(s) en derhalve strijdig met de aangevoerde bepalingen”. 4.1.
- Het voormelde besluit van 24 april 2003 en het bestreden besluit zijn genomen na een voorafgaand bezoek aan het woonhuis door ambtenaren van de cel Monumenten en Landschappen. Dat bezoek heeft plaatsgevonden vooraleer aan de bevoegde ambtenaren voor het onderzoek naar de beschermingswaarden, een bevoegdheid tot toegang tot de monumenten die op een ontwerp van lijst voorkomen, werd gegeven door het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, dat in werking is getreden op 4 maart
- Deze nieuwe bevoegdheid geldt evenwel niet voor “de woningen en beroeps- en bedrijfslokalen”. 4.1.
- Er valt niet in te zien hoe het onaangekondigd karakter van het plaatsbezoek van de betrokken ambtenaren de door de verzoeker ingeroepen rechten zou kunnen schenden. De “onjuiste redenen” die deze ambtenaren volgens de verzoeker zouden hebben ingeroepen om met zijn instemming de woning te kunnen betreden worden tegengesproken door de aangehaalde bezwaarschriften waaruit blijkt dat hij op de hoogte was van het feit dat het om ambtenaren van de cel Monumenten en Landschappen ging die zich in het kader van de opmaak van een “inventaris” van het bouwkundig erfgoed in Eeklo hebben aangeboden. Dit werd bovendien bevestigd door de cel Monumenten en Landschappen in het kader van de bespreking van de bezwaren van de verzoeker. 4.1.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de bedoelde ambtenaren van de verzoeker de instemming hebben gekregen om de woning te betreden en foto’s van het interieur te nemen met het oog op de opmaak van de voormelde inventaris. Er is zodoende geen sprake van een huiszoeking, schending van het recht op X-11.506 & 12.019-9/13 eerbiediging van de woning, schending van het ongestoord genot van het eigendomsrecht of een willekeurige inmenging in het huis of privéleven van de verzoeker. Er valt evenmin in te zien hoe in deze omstandigheden het bestreden besluit deze rechten van de verzoeker zou kunnen schenden louter door het feit dat voor de bescherming van de woning van de verzoeker werd geput uit de voormelde inventaris van het bouwkundig erfgoed in Eeklo. 4.1.
- Het middel is niet gegrond. 4.2.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van “de motiveringsplicht, voorgeschreven door art. 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991” en “van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel der artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet”. In een eerste onderdeel betoogt de verzoeker dat in het bestreden besluit “van de foute premisse (wordt) uitgegaan dat het zou gaan om een gebouw met wonen als oorspronkelijke bestemming en als huidige bestemming, wat evenwel totaal onwaar is, vermits de oorspronkelijke bestemming was
(1)uitoefening van vrije beroepen en
(2)wonen, terwijl de huidige bestemming
(1)de uitoefening van een artsenpraktijk en
(2)wonen is” en, voorts “een hele reeks affirmaties (staan) die de toets van de feitelijke juistheid niet doorstaan. De verzoeker betoogt verder : “Zeer treffend is de beschrijving die wordt gegeven van de stoffering van het salon. In het besluit tot opname in de ontwerp-lijst werd gesproken van een ‘verfijnde Engelse neoclassicistische stijl met typische wedgwoodkleuren en -motieven’ die een ‘uitzonderlijk en zeldzaam geheel’ vormen. Verzoeker heeft in zijn verzoekschriften van 14.07.2003 uiteengezet dat elke geschoolde kunsthistoricus onmiddellijk zou kunnen vaststellen dat in dit salon helemaal geen Engelse stijl is aan te treffen, en dat de zo beweerde ‘wedgwoodkleuren’ van Franse inspiratie zijn. Blijkbaar heeft deze opmerking op verwerende partij indruk gemaakt, vermits nu niet meer over deze Engelse stijl wordt gesproken, maar nu te lezen staat : ‘Vooral de stoffering van het salon vooraan in een verfijnde classiciserende stijl met typische naar de klassieke oudheid verwijzende motieven vormt een uitzonderlijk en zeldzaam geheel’. Welke pertinentie en relevantie kan dergelijke motivering nog hebben, wanneer verzoeker moet vaststellen dat de kunsthistorische invulling wordt aangepast in functie van de reacties van de getroffen eigenaar ? Alles wijst er zodoende op dat de motivering slechts schijn is, en dus hoegenaamd niet draagkrachtig”. In een tweede onderdeel acht de verzoeker het gelijkheidsbeginsel geschonden “in de mate waarin van de circa 330 ‘objecten’ er zonder opgave van een reden tot het maken van een welbepaalde keuze voor nog geen 20 gebouwen of monumenten (werd geopteerd)”, “(om)dat zich bij de circa 330 ‘objecten’ nog heel X-11.506 & 12.019-10/13 wat andere gebouwen bevinden die qua cultuurhistorische en artistieke waarde beduidend interessanter zijn dan dit van verzoeker, maar dat voor deze gebouwen niet werd geopteerd omdat de ambtenaren geen toegang kregen tot deze gebouwen en er dus geen illustratieve beelden en gegevens hebben kunnen van opnemen”. 4.2.
- Daargelaten de vaststelling dat in de bestreden akte niet aan de bestemming van de woning wordt gerefereerd, blijkt uit de gegevens van het dossier, meer bepaald de motiveringsnota (randnummer 2.2) en de bespreking van de bezwaren van de verzoeker (randnummer 2.9), dat de verwerende partij op de hoogte was van het feit dat de woning bewoond wordt door de verzoeker waar “een consultatiebureau van oogartsen (vader, zoon en dochter)” is gevestigd en dat de verwerende partij van oordeel was dat “de functie of bestemming die het pand nu heeft (...) niet relevant (is) voor de motivatie van de bescherming”. Het is derhalve niet aangetoond dat de bestreden besluiten steunen op een foutief uitgangspunt. 4.2.
- Krachtens de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. Te dezen vinden de hiervoor aangehaalde motieven voor de artistieke en historische waarde van het negentiende eeuwse gedeelte van het herenhuis, met uitsluiting van het recent woongedeelte, steun in de motiveringsnota van het bestuur monumenten en landschappen, dat zelf gebaseerd is op een aantal historische gegevens en een beschrijving van het betrokken herenhuis bijeengebracht uit literatuur, documentatie en een plaatsbezoek, en in de hiervoor aangehaalde gemotiveerde weerlegging door hetzelfde bestuur van de bezwaren van de verzoeker. Deze bezwaren werden daadwerkelijk ontmoet in, wat de grief van de verzoeker betreft, volgende bewoordingen: “De decoratie van het salon vooraan, omschreven als - verfijnde Engelse neoclassicistische stijl met typische wedgwoodkleuren en -motieven - wordt betwist. De decoratie is pas in 1920 aangebracht doch de stijl is ontegensprekelijk geïnspireerd op het classicisme met verfijnde empiregetinte X-11.506 & 12.019-11/13 elementen en een opvallend blauwe fondkleur die aan het Wedgwood blauw herinnert. Of het eerder Engels dan wel Frans geïnspireerd is doet eigenlijk niet ter zake. De beschrijving zal aangepast worden”. De verzoeker betwist deze feitelijke elementen niet en toont derhalve niet aan dat deze concrete gegevens onjuist of onvolledig zouden zijn. De verzoeker kan derhalve niet worden gevolgd in zijn uiteenzetting dat deze aanpassing van de omschrijving van het salon in bestreden besluit van 30 april 2004 zou wijzen op een motivering die “slechts schijn is, en dus hoegenaamd niet draagkrachtig”. 4.2.
- Het eerste onderdeel is niet gegrond. 4.2.
- In zoverre de verzoeker opwerpt dat zijn woning “zonder opgave van reden” uit de inventaris van het bouwkundig erfgoed te Eeklo werd geselecteerd om als monument te worden beschermd, mist het tweede onderdeel van het middel feitelijke grondslag. Uit de bestreden akte blijkt genoegzaam dat de woning om de daarin uiteengezette artistieke en historische waarde als monument wordt beschermd. 4.2.
- Het gelijkheidsbeginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoeker die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. 4.2.
- In de laatste memorie betwist de verzoeker de vaststelling in het auditoraatsverslag niet dat zijn grief “dat andere gebouwen niet beschermd werden om reden dat de ambtenaren in die gebouwen geen toegang kregen” een loutere bewering is. Ook het feit dat hij “weet (heeft) van twee personen” die “geen bezoek van ambtenaren ontvingen en dat hun woning - bijgevolg - niet werd beschermd” is een blote, niet gestaafde en zelfs vage bewering in zijn laatste memorie. Daargelaten de vraag of een eventuele ongelijkheid door het niet - beschermen van de kwestieuze “andere gebouwen” om de voormelde reden tot de door de verzoeker gevorderde nietigverklaring kan leiden van de thans bestreden besluiten, faalt de verzoeker in de bewijslast die op hem rust om een schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen. 4.2.
- Het tweede onderdeel is niet gegrond. X-11.506 & 12.019-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 139.095/X-11.506 en A. 154.743/X-12.019 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 139.095/X-11.506, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van het beroep in de zaak A. 154.743/X-12.019, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.506 & 12.019-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div