← België

Arrest 194591 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.591 Rolnummer: A. 79304/X-8264 Zaak: Arrest 194591 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:19 Fiche Arrest nr 194.591 van 23 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.591 van 23 juni 2009 in de zaak A.79.304/X-8264. In zake : Maurice LOIX, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. KNAEPS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Willekensmolenstraat 72/1-2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice LOIX op 9 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 17 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hem de vergunning werd verleend voor de uitbreiding van een dakappartement aan de Kunstlaan te Hasselt, kadastraal bekend sectie D, nrs. 36/a, 38/l en 38/h; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 21 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-8264-1/7 Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GEBRUERS, die loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. BAILLIEN, die loco advocaat B. KNAEPS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelinghoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De gegevens van de zaak 1.1. De verzoeker is eigenaar en bewoner van een flat op de zesde verdieping van een appartementsgebouw met zes verdiepingen gelegen aan de Kunstlaan te Hasselt. Aan de achtergevel heeft de verzoeker op het terras van dat appartement reeds meer dan 20 jaar geleden een veranda laten bouwen. 1.2. Het goed is, volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk, gelegen in woongebied. Het is tevens gelegen binnen de begrenzing van het bij ministerieel besluit van 22 juni 1994 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Casterwijk nr. 15 sexto”, dat onder meer het volgende voorschrijft : “Op het technisch verdiep mogen pergola’s - veranda’s in glas of gelijkaardig materiaal opgericht worden, mits 1.00 m van de gevelrand vrij te laten en de konstruktie binnen de verbindingslijn (gevelrand - nok techn. bouwlaag) blijft”. X-8264-2/7 1.3. Op 19 december 1996 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt de vergunning tot “het vergroten van dakappartement (regularisatie)”. 1.4. Op 21 januari 1997 adviseert het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt gunstig om af te wijken van de voormelde voorschriften, onder meer gezien “in de omgeving meerdere vergunningen werden afgeleverd in deze zin” en gezien “de constructie niet storend is in deze omgeving”. 1.5. De gemachtigde ambtenaar brengt op 6 februari 1997 het volgende ongunstige advies uit inzake de afwijkingsaanvraag : “Overwegende dat het voorgestelde aanleiding geeft tot een oneigenlijke wijziging van de geldende plannen : - gezien het goedgekeurd bijzonder plan van aanleg meer bepaald artikel 7 en artikel 4 punt 7 (dakvorm) die stipuleren dat de ‘technische woonlaag’ moet worden opgericht op 3 m in terugwijking op de naakte achtergevelmuur; - Overwegende dat door uitbreiding van de technische woonlaag tot op de naakte achtergevel een volwaardige 7de woonlaag wordt gecreëerd, waar het bijzonder plan van aanleg slechts 6 volwaardige woonlagen + 1 technische woonlaag voorziet”. 1.7. Op 13 februari 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt de gevraagde regularisatievergunning. 1.8. Verwijzend naar het voornoemde voorstel van het college van burgemeester en schepenen tot afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften, willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 17 juli 1997, verzoekers beroep tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen in. Op 7 augustus 1997 stelt de gemachtigde ambtenaar daartegen beroep in bij de bevoegde minister. 1.9. Op 4 mei 1998 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening dit beroep in. Dit is het bestreden besluit. 2. De gegrondheid 2.1. De verzoeker voert in een eerste middel het volgende aan : X-8264-3/7 “Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening (gecoördineerd op 22/10/1996; hierna genoemd ‘stedebouwdecreet’); de artikelen 2 en 3 van de Wet inzake de uitdrukkelijk(

  1. e)motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991 (Motiveringswet) en artikel 53 § 3 van het stedebouwdecreet. Toelichting van het middel * Het voorwerp van de regularisatieaanvraag is een afwijking die gevraagd wordt van de afmetingen van de bouwwerken. Immers wordt gevraagd om een veranda te bouwen tot bijna tegen de gevelrand, waardoor de afmeting van het gebouw vergroot met 2,7m. Daarvoor kan dus de jure wel een afwijking van het BPA toegestaan worden. Artikel 49 Stedebouwdecreet stelt immers: ‘Op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft’ Het bestreden besluit is dus in rechte onjuist door te stellen dat ‘de afwijking niet valt onder één der opgesomde mogelijkheden; dat geen vergunning kan verleend worden’; * De Minister motiveert ook nergens in het bestreden besluit waarom geen rekening kan gehouden worden met de voorgestelde afwijking van het schepencollege van Hasselt. Dat schepencollege heeft nochtans overeenkomstig artikel 49 stedebouwdecreet op 09/01/1997 voorgesteld in casu af te wijken van de voorschriften van het geldende bijzonder plan van aanleg omdat in de omgeving nog vergunningen zijn afgeleverd en de constructie niet stoort in deze omgeving. Hierop zegt de Minister in het bestreden besluit niets wat een essentieel motiveringsgebrek is. Nochtans was dit een essentieel argument voor de Bestendige Deputatie om de vergunning wel goed te keuren (...) Bovendien blijkt uit het bestreden besluit ook helemaal niet dat de werken waarvoor verzoekende partij vergunning vraagt, storend zouden zijn voor de ruimtelijke ordening in de omgeving. Integendeel volgens de stad Hasselt en de Bestendige Deputatie zijn de werken juist niet storend ! Ook hier weer ontbreekt elke motivering”. 2.2.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  2. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende X-8264-4/7 de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting enkel geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 2.2.2. Artikel 49 van het gecoördineerde decreet luidt als volgt : “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. Het betreffende bestemmingsvoorschrift van het toepasselijke BPA “Casterwijk nr. 15 sexto” luidt als volgt : “Op het technisch verdiep mogen pergola’s - veranda’s in glas of gelijkaardig materiaal opgericht worden, mits 1.00 m van de gevelrand vrij te laten en de konstruktie binnen de verbindingslijn (gevelrand - nok techn. bouwlaag) blijft”. Het bestreden besluit willigt het beroep van de gemachtigde ambtenaar in, en weigert de gevraagde afwijking op grond van de volgende overweging : “(...); dat een afwijking op een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg enkel kan toegestaan worden voor wat betreft de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk; Overwegende dat de veranda is voorzien tot tegen de achtergevelbouwlijn; dat volgens het bijzonder plan van aanleg een afstand van 1 m vanaf de gevelrand vrijgehouden dient te worden; dat aldus strijdigheid bestaat met de voorschriften van het vigerend bijzonder plan van aanleg(;) dat de afwijking niet valt onder één der opgesomde mogelijkheden; dat geen vergunning kan X-8264-5/7 verleend worden; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te worden ingewilligd”. Met de verzoeker dient te worden gesteld dat de blote bewering dat “de afwijking niet valt onder één der opgesomde mogelijkheden” in casu geen afdoende motivering uitmaakt om de gevraagde afwijking niet toe te staan. Hieruit blijkt immers op geen enkele wijze waarom de voornoemde afwijking niet valt onder de in het voormelde artikel 49 opgesomde mogelijkheden. In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt kan “de vermeende schending van de motiveringsplicht” “in de loop van de procedure” niet worden “geregulariseerd, door de gronden van de beslissing bij te brengen”. Zo kan de schending van de motiveringsverplichting niet worden goedgemaakt door een slechts in de memorie van antwoord verstrekte redengeving, meer bepaald door de verwijzing naar de “omzendbrief van 17.9.1973 betreffende de aanvraag tot afwijking”. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. 2.2.3. Het auditoraatsverslag is met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Op de door de verzoeker in zijn laatste memorie geformuleerde vraag tot het onderzoek en het gegrond bevinden van het tweede middel, dat afgeleid is uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, kan te dezen niet worden ingegaan, nu de zonet vastgestelde gebrekkige formele motivering van het bestreden besluit een degelijk onderzoek naar de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel in de weg staat. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 4 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 17 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij aan Maurice LOIX de vergunning werd verleend voor de uitbreiding van een X-8264-6/7 dakappartement aan de Kunstlaan te Hasselt, kadastraal bekend sectie D, nrs. 36/a, 38/l en 38/h. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8264-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.