id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.638 Rolnummer: A. 168634/VII-35107 Zaak: Arrest 194638 - Milieuvergunningen - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.638 van 25 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.638 van 25 juni 2009 in de zaak A. 168.634/VII-35.
- In zake :
- Alexandre MAHIEUX,
- Diane MAHIEUX,
- Philippe VAN BOCKSTAL,
- de VZW VORMINGS- EN ONTMOETINGSCENTRUM- KASTEEL VAN VELM, die woonplaats kiezen bij advocaten W. MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- tussenkomende partij : Olivier SCHUPPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Fr. JANSSEN, kantoor houdende te HERSELT, Aarschotsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alexandre MAHIEUX, Diane MAHIEUX, Philippe VAN BOCKSTAL en de VZW VORMINGS- EN ONTMOETINGSCENTRUM-KASTEEL VAN VELM op 15 december 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 oktober 2005 waarbij het beroep, ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 24 maart 2005 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Olivier SCHUPPEN voor het verder exploiteren en veranderen door uitbreiding van een rundveebedrijf, gelegen aan de Halleweg te Sint-Truiden, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; VII-35.107-1/16 Gelet op het arrest nr. 159.449 van 1 juni 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door eerste verzoeker en de vierde verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 september 2006 ingediend door Olivier SCHUPPEN; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 die de tussenkomst van Olivier SCHUPPEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van eerste verzoeker en de vierde verzoekende partij en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 april 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 4 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor eerste verzoeker en de vierde verzoekende partij, van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. DIERICKX die, loco advocaat Fr. JANSSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; VII-35.107-2/16 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij exploiteert een rundveebedrijf aan de Halleweg te Sint-Truiden. 1.
- Op 5 november 2004 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot hernieuwing van de lopende vergunningen voor het houden van 263 runderen en voor de aanhorigheden van het veeteeltbedrijf en tevens tot uitbreiding van de bestaande inrichting met 149 bijkomende runderen. Het betreft een vroegtijdige hernieuwingsaanvraag die samen- hangt met de overname door de tussenkomende partij van drie andere veeteeltinrich- tingen. 1.
- Bij beslissing van 24 maart 2005 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunningsaanvraag volledig in. 1.
- Op 3 mei 2005 stellen de verzoekende partijen beroep in tegen het voormeld besluit bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 1.
- Tijdens de beroepsprocedure worden onder meer de volgende adviezen uitgebracht : Het advies van de Vlaamse Landmaatschappij (hierna: VLM) van 13 juli 2005 is gunstig. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen brengt op 20 juli 2005 eveneens een gunstig advies uit. De aanvraag wordt in overeenstem- ming geacht met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften (agrarisch gebied). Op 20 juli 2005 verleent ook de afdeling Milieuvergunningen een gunstig advies. VII-35.107-3/16 Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 25 juli 2005 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.
- Met het bestreden besluit wordt het beroep van de verzoekende partijen ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg bevestigd.
- De rechtspleging De Hoofdgriffier heeft, bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen, melding gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, geldt ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Tweede verzoekster en derde verzoeker hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest. Op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, stelt de kamer in dat geval de afstand van het geding vast. Wat hen betreft, staat niets de toepassing van die bepaling in de weg. Waar verder in dit arrest over de verzoekende partijen wordt gesproken, worden bijgevolg hiermee eerste verzoeker en de vierde verzoekende partij bedoeld.
- Ten gronde Eerste middel Standpunten van de partijen VII-35.107-4/16 3.1.
- Als eerste middel roepen de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring de schending in van de artikelen 2, tweede lid, 55/, en 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna: meststoffendecreet), artikel 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I). Het middel houdt in essentie in dat het bestreden besluit ten onrechte rekening houdt met de milieuvergunning van 8 september 2000 voor de herlokalisatie van 165 runderen. Volgens de verzoekende partijen is die vergunning vervallen, aangezien de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. Beweren dat deze vervaltermijn pas zou aanvatten bij het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning zou volgens hen betekenen dat de houder van een milieuvergunning het verval van die vergunning eeuwig zou kunnen beletten en dat op alle mogelijke momenten allerlei oude milieuvergunningen uitvoerbaar kunnen worden. 3.1.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de vervaltermijn voor de vergunning niet loopt, aangezien die vergunning geschorst blijft zolang de exploitant niet over een stedenbouwkundige vergunning beschikt. 3.1.
- De tussenkomende partij stelt dat de in artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet vermelde termijn van twee jaar niet is beginnen lopen vanaf 8 september 2000, omdat de milieuvergunning wegens het ontbreken van de vereiste stedenbouwkundige vergunning op dat ogenblik van rechtswege geschorst was, dat een milieuvergunning die op grond van artikel 5, § 2, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet geschorst is, niet kan vervallen, en dat de Raad van State reeds in dezelfde zin heeft geoordeeld in het arrest nr. 114.041 van 20 december
- 3.1.
- In de memorie van wederantwoord maken de verzoekende partijen een onderscheid tussen de schorsing van de tenuitvoerlegging van een milieuvergun- ning enerzijds en het verval van de milieuvergunning anderzijds en stellen zij dat het milieuvergunningsdecreet niet bepaalt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning tevens de schorsing van de vervaltermijn impliceert. VII-35.107-5/16 VII-35.107-6/16 Beoordeling 3.1.
- Artikel 28, § 1, 3/, van milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die "gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd". Dit verval kan slechts optreden wanneer de exploitant over een uitvoerbare milieuver- gunning beschikt maar er geheel of gedeeltelijk geen gebruik van wenst te maken. Te dezen was de milieuvergunning krachtens artikel 5, § 2, van het milieuvergun- ningsdecreet geschorst zolang de vereiste stedenbouwkundige vergunning niet was verleend. De stedenbouwkundige vergunning van 8 augustus 2003 werd verleend op grond van de aanvraag die de tussenkomende partij reeds op 27 november 2001 had ingediend, zodat de bewering van de verzoekende partijen dat de tussenkomende partij "ad aeternam" heeft gewacht met het indienen van de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning die vereist was om de milieuvergunning van 8 september 2000 te kunnen uitvoeren feitelijke grondslag mist. Bijgevolg mocht de verwerende partij bij het nemen van het thans bestreden besluit rekening houden met de op 8 september 2000 verleende vergunning voor het verplaatsen van 165 runderen. Het middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunten van de partijen 3.2.
- Als tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet, artikel 2, 4/, van het milieuvergunningsdecreet, artikel 1, 7/, van Vlarem I en het zorgvuldigheidsbegin- sel. Zij lichten daarbij toe dat deVLM in haar advies van 13 juli 2005 artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet verkeerd heeft toegepast. Concreet betekent dit voor de verzoekende partijen dat de VLM en de verwerende partij moeten nagaan met welke mestproductie 75% van de laatste nutriëntenhalte VII-35.107-7/16 van de stop te zetten inrichtingen overeenstemde, vermits dit het percentage zou zijn dat de maximaal toelaatbare uitbreiding van de milieuvergunning van de overnemer vormde. Bovendien menen de verzoekende partijen dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie rekening heeft gehouden met hun bijkomende argumentatie, vervat in een brief van 28 juli 2005, hetgeen een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zou vormen, aangezien de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie eerder had meegedeeld dat bijkomende argumentatie schriftelijk kon worden overgemaakt. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt met betrekking tot de beweerde schending van artikel 33ter van het meststoffendecreet, dat aan beide voorwaarden van artikel 33ter, § 1, 1/, c), is voldaan, en, met betrekking tot de beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, dat wel degelijk nota werd genomen van de opmerkingen van de verzoekende partijen in hun brief van 28 juli
- 3.2.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst zet de tussenkomende partij uiteen dat aan de geschonden geachte bepaling van het meststoffendecreet werd voldaan doordat in het bestreden besluit wordt bepaald dat de exploitant, na het verlenen van de milieuvergunning, op de hoogte zal worden gesteld van de maximale uitbreiding van de nutriëntenhalte, dat de vergunning alleszins beperkt is tot 75 % zodat de productie van nutriënten in dezelfde verhouding zal verminderen, dat geen enkele wetsbepaling er uitdrukkelijk in voorziet dat in de milieuvergunning zelf de overeenkomstige nutriëntenhalte moet worden bepaald en dat de bedoelde beperking alleszins van toepassing is "op grond van de wet" en ongeacht de bewoordingen van de verleende milieuvergunning. 3.2.
- In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat volgens artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet de uitbreiding van de milieuvergunning van de overnemende inrichting beperkt is tot 75% van de nutriëntenhalte van de stop te zetten inrichtingen en dat deze bepaling niets zegt over de uitbreiding van de milieuvergunning van de overnemende inrichting. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, menen de verzoekende partijen dat de door de verwerende partij aangehaalde passage die zou moeten aantonen dat met hun argumentatie rekening is gehouden, ook reeds voorkomt in het advies van de VLM. VII-35.107-8/16 3.2.
- In de laatste memorie merken de verzoekende partijen nog voornamelijk op dat het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000 houdende regeling van de nutriëntenhalte en het registreren van de noodzakelijke gegevens betreffende de gemeentelijke en gewestelijke productiedruk ter uitvoering van het meststoffendecreet (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000) in de hiërarchie der normen ondergeschikt is aan een decreet en geen afbreuk kan doen aan de duidelijke inhoud daarvan. Beoordeling 3.2.
- Artikel 33bis, § 1, van het meststoffendecreet, ingevoegd bij artikel 29 van het decreet van 11 mei 1999, bepaalt dat aan elke landbouwinrichting en/of een deel hiervan en/of aan elke veeteeltinrichting en/of een deel hiervan, die voldoet aan de definitie van bestaande veeteeltinrichting of waarvan minstens sinds het aanslagjaar 1995 tijdig, regelmatig en jaarlijks een aangifte werd gedaan bij de Mestbank, een P2O5-nutriëntenhalte (NHp) en een N-nutriëntenhalte (NHn) wordt "toegekend". De nutriëntenhalte is de maximaal toegelaten jaarlijkse productie aan dierlijke mest, ongeacht het aantal vergunde dieren. Deze decretale bepaling werd uitgevoerd met het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart
- Artikel 6, § 3, van dit besluit, zoals vervangen door artikel 2, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 11, § 1, 13/ en § 7, 33 en 33bis van het meststoffendecreet, bepaalt : "§
- In uitvoering van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), 5) en 6), van het decreet, kan de Mestbank de nutriëntenhalte NHn en NHp van de stop gezette veeteeltinrich- ting overdragen aan de veeteeltinrichting die een nieuwe of bijkomende vergunde mestproductie heeft bekomen. Indien de overdracht van de nutriënten- halte NHn en NHp gebeurt in uitvoering van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het decreet, wordt de procentuele beperking toegepast die door dat artikel is voorzien. De overdracht van de nutriëntenhalte NHn en NHp gebeurt op aanvraag van de vergunninghouder van de veeteeltinrichting die de nieuwe of bijkomende vergunde mestproductie heeft bekomen. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden gevoegd waarin de aanvrager bevestigt dat de veeteeltinrichting waarvan de nutriëntenhalte NHn en NHp zal worden overgedragen, volledig en definitief is stopgezet. De aanvraag dient te gebeuren uiterlijk 12 maanden na de ingebruikname van de verleende vergunning op grond van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), 5) en 6) van het decreet". VII-35.107-9/16 Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid in het bestreden vergunningsbesluit de over te dragen (gereduceerde) nutriëntenhalte van de stop te zetten inrichtingen niet diende te berekenen. In het bestreden besluit heeft de verwerende partij dan ook terecht kunnen overwegen dat "na de vergunning- verlening (...) de exploitant op de hoogte (wordt) gesteld van de maximale uitbreiding van de nutriëntenhalte, zijnde 75 % van de nutriëntenhalte van de stop te zetten inrichting en (...) deze conform de regelgeving (wordt) toegekend". Aangezien de geldende reglementering correct werd toegepast, kan niet worden ingezien hoe bij het verlenen van de bestreden milieuvergunning het zorgvuldig- heidsbeginsel geschonden kan zijn. In tegenstelling tot de zienswijze van de verzoekende partijen legt artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het meststoffendecreet niet uitdrukkelijk op dat de beperking van de nutriëntenhalte moet gebeuren in de beslissing waarbij de uitbreiding van de veestapel wordt vergund. Het argument van de verzoekende partijen betreffende de hiërarchie der rechtsnormen gaat dus niet op. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel Standpunten van de partijen 3.3.
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt een derde middel afgeleid uit "de schending van art. 159 van de Grondwet, van de beginselen van behoorlijk bestuur (oa. het legaliteits-, gelijkheids-, redelijkheids-, rechtzekerheids-, en het zorgvuldigheidsbeginsel) en van het beginsel van de onbestaande handeling". In de toelichting bij het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de foutieve toepassing van het meststoffendecreet, aangevoerd in het tweede middel, niet enkel kan worden aangevoerd tegen het thans bestreden besluit, maar ook tegen vroegere milieuvergunningen, verleend bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 16 juli 2004 en bij beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 januari
- De voormelde vergunningen zouden op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten, zodat deze beslissingen geen wettige basis kunnen vormen om de verdere uitbreiding van het betrokken rundveebedrijf te vergunnen. VII-35.107-10/16 3.3.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het bij de voormelde beslissingen van 15 januari 2004 en 16 juli 2004 om individuele beslissingen gaat "waarvan de wettigheid dus niet onbeperkt in de tijd in vraag gesteld kan worden" en dat de exceptie van onwettigheid onontvankelijk is na verloop van 60 dagen na de kennisneming van de individuele beslissingen. 3.3.
- De tussenkomende partij stelt dat de milieuvergunningsbesluiten van 15 januari 2004 en 16 juli 2004 niet het voorwerp vormden van het administra- tief beroep dat de verzoekende partijen hebben ingesteld en dat het rechtszekerheids- principe voorschrijft dat de "exceptie van onwettigheid ex art. 159 G.W. onontvan- kelijk is na verloop van 60 dagen na kennisname van de individuele beslissingen". 3.3.
- In de memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 159 van de Grondwet ook van toepassing is op administratieve handelingen van individuele aard. Beoordeling 3.3.
- Daargelaten of artikel 159 van de Grondwet toelaat te allen tijde de onwettigheid aan te voeren van definitieve individuele rechtshandelingen, desgevallend in samenhang met het "beginsel van de grovelijk onrechtmatige en derhalve onbestaande handeling", blijkt uit de bespreking van het tweede middel dat de kritiek van de verzoekende partijen alleszins niet opgaat, wat op zich volstaat om het middel te verwerpen. Het derde middel is niet gegrond. Vierde middel Standpunten van de partijen 3.4.
- In het vierde middel roepen de verzoekende partijen de schending in van de artikelen 20, 21, 25, 30, en 30bis, van Vlarem I, de artikelen 1.1.2., § 1, 8/, en 1.2.2., §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : decreet van 5 april 1995), het preventie- en het voorzorgsbeginsel en de artikelen 5.9.8.
- en 4.5.6.
- van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). VII-35.107-11/16 Het eerste onderdeel van het middel houdt in dat het bestreden besluit volgens de verzoekende partijen de beoordeling inzake milieurisico's overneemt die door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werd gemaakt, terwijl die beoordeling niet volledig en correct zou zijn. Daarbij zou in het bijzonder zijn voorbijgegaan aan hun kritiek dat de betrokken inrichting een milieutechnische eenheid vormt met de inrichting, gelegen aan de Halleweg 30 te Sint-Truiden. Het tweede onderdeel van het middel heeft betrekking op de schending van basisbeginselen van het milieubeleid. Volgens de verzoekende partijen moet artikel 33ter, § 1, van het meststoffendecreet begrepen worden als een principieel verbod om tot 31 december 2006 nog een milieuvergunning te verlenen die betrekking heeft op runderen, en is de verwerende partij manifest uitgegaan van een verkeerd uitgangspunt. Voorts is de vergunning volgens de verzoekende partijen verleend zonder garantie dat de milieurisico's tot een aanvaardbaar niveau werden beperkt. Zo zou in het bijzonder een vliegenplaag hebben aangetoond dat de algemene en sectoriële voorwaarden niet volstonden op het ogenblik dat er 263 dieren werden gehouden, en zou de uitbreiding tot 412 dieren strijdig zijn met de artikelen 25 en 30bis van Vlarem I. 3.4.
- In de memorie van antwoord tracht de verwerende partij, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, het bestaan van een milieutechnische eenheid te weerleggen. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de verwerende partij onder meer dat artikel 33ter van het meststoffendecreet geen absoluut verbod instelt voor milieuvergunningen voor de exploitatie van runderen. De verwerende partij betwist het bestaan van een vliegenplaag op het ogenblik dat er 263 dieren werden gehouden en wijst er op dat er klachten bestonden ten tijde van de vergunningsaanvraag voor de uitbreiding van 165 naar 263 runderen, en dat toen werd vastgesteld dat deze klachten dateerden van vóór de exploitatie, zodat het oorzakelijk verband met exploitatie erg onzeker was. Ten slotte noemt de verwerende partij het middel onontvankelijk in de mate dat het de schending inroept van sommige bepalingen uit Vlarem II, bij VII-35.107-12/16 gebrek aan een uiteenzetting over de wijze waarop die bepalingen zouden geschonden zijn. 3.4.
- De tussenkomende partij ontkent in haar verzoekschrift het bestaan van een milieutechnische eenheid. Bovendien stelt zij dat artikel 1.1.2., § 1, 8/, van het decreet van 5 april 1995, dat het begrip milieutechnische eenheid definieert, niets bepaalt over het samenvoegen van een vergunningsaanvraag met betrekking tot de samenstellende delen van de inrichtingen. 3.4.
- In de memorie van wederantwoord gaan de verzoekende partijen eveneens verder uitgebreid in op het bestaan van een milieutechnische eenheid, hetgeen ook reeds bij het tweede middel aan bod kwam, en menen zij dat nergens in het bestreden besluit wordt gespecifieerd dat artikel 33ter van het meststoffendecreet niet "in absolute termen" het vergunnen van uitbreidingen voor runderen verbiedt. 3.4.
- In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen dat het een raadsel is hoe uit een bepaalde passage uit het bestreden besluit zou blijken dat de verwerende partij het aspect inzake de milieutechnische eenheid heeft gekaderd in het aspect betreffende de vliegenoverlast en dat het al te gemakkelijk is voor een bestuur om te stellen dat het enkel die elementen in het onderzoek moet betrekken die "de beroeper" expliciet ter kennis brengt. Beoordeling 3.4.6.
- In het administratief beroepschrift van 3 mei 2005 hebben de verzoekende partijen als "eerste middel" de schending aangevoerd van de "artt. 20, 21, 25, 30, 30bis VLAREM I, van art. 1.2.2., § 1 en § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid, van het preventie- en het voorzorgsbeginsel, van art. 5.9.8.4 en 4.5.6.
- VLAREM II". In wezen hebben de verzoekende partijen in het beroepschrift betoogd dat de in eerste aanleg verleende vergunning niet garandeerde dat de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau zou worden beperkt en dat de vaststelling dat zulks mogelijk het geval zou zijn, niet voldoende was om de beoogde milieuvergunning te verlenen. In dat verband hebben de verzoekende partijen inzonderheid gewezen op de overlast door insecten die enkel maar zou toenemen door de uitbreiding van het aantal runderen. Dienaangaande hebben de verzoekende partijen in hun beroepschrift onder meer het volgende uiteengezet : VII-35.107-13/16 "Bovendien spreekt het voor zich dat de Afdeling Milieuvergunningen, de PMVC en de bestendige deputatie bij het beoordelen van het tolereerbaar karakter van de hinder ook rekening hadden moeten houden met de hinder die reeds voortspruit uit andere, in de nabije omgeving gelegen, hinderlijke inrichtingen. Beroepsindieners hadden immers ook benadrukt dat hun eigendom ingesloten ligt tussen twee hinderlijke inrichtingen, meer bepaald de vee- teel(t)inrichting Halleweg z/n te Velm en de veeteeltinrichting Halleweg 30 te Velm waarvan de heer Schuppen telkens de exploitant is (...)". In het beroepschrift hebben de verzoekende partijen geen concrete gegevens aangevoerd waaruit zou blijken dat de veeteeltinrichting waarop de vergunningsaanvraag in kwestie betrekking heeft, een milieutechnische eenheid zou vormen met de veeteeltinrichting die gelegen is aan de Halleweg 30 te Velm. Op grond van de in het beroepschrift bijgebrachte argumenten en gegevens, die met betrekking tot het aspect "milieutechnische eenheid" zeer algemeen en summier zijn, rustte op de beroepsinstantie niet de verplichting om zelf een onderzoek terzake uit te voeren, temeer omdat de betrokken veeteeltinrichtingen in het verleden altijd afzonderlijk vergund zijn. In hun verzoekschrift tot nietigverklaring brengen de verzoekende partijen evenmin concrete gegevens aan waaruit moet blijken dat er te dezen sprake is van een milieutechnische eenheid op grond van de "aanwijzingen" die worden vermeld in artikel 1.1.2., § 1, 8/, van het decreet van 5 april 1995, inzonderheid de "onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen en activiteiten". Uit de stukken van het dossier blijkt overigens dat er een duidelijke geografische scheiding bestaat tussen de hoeve aan de Halleweg 30 - die blijkbaar tezamen met het kasteel van de verzoekende partijen beschermd werd als monument - en de met het bestreden besluit vergunde stallen (Halleweg z/n) en dat die scheiding precies wordt gevormd door het kasteel van Velm. De kortste afstand tussen de stallen van de betrokken veeteeltinrichtingen bedraagt circa 100 meter. Door de bewering dat de tussenkomende partij de facto de exploitant zou zijn van beide inrichtingen, wordt op zich de uit milieuoogpunt relevante samenhang niet aangetoond die wordt bedoeld in het voormelde artikel 1.1.2., § 1, 8/, van het decreet van 5 april
- In de motivering van het bestreden besluit wordt uitvoerig aandacht besteed aan de concrete milieubezwaren die de verzoekende partijen in hun beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen beslissing hebben aangevoerd. De verzoekende partijen tonen niet concreet aan dat de beoordeling van de aanvaard- baarheid van de hinder wezenlijk anders zou zijn geweest indien het begrip "milieutechnische eenheid" uitdrukkelijk ter sprake zou zijn gebracht in het bestreden besluit. VII-35.107-14/16 3.4.6.
- Artikel 1.2.
- van het decreet van 5 april 1995 bevat "algemene beleidsdoelstellingen" die gelden in het Vlaamse Gewest. Deze bepaling legt evenwel geen concrete en op elke individuele en lokale vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen en verbodsbepalingen op. Het voorschrift van artikel 1.2.
- van het decreet van 5 april 1995 kan enkel geschonden worden door een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen, en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. Te dezen kan, gelet op het voorwerp van de vergunnings- aanvraag - de uitbreiding van een bestaande veeteeltinrichting met 149 bijkomende runderen - die een louter plaatselijke impact heeft, niet tot een kennelijke schending van de in artikel 1.2.
- van het decreet van 5 april 1995 vervatte algemene beleidsdoelstellingen worden besloten. Het middel is in geen van beide onderdelen gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van tweede verzoekster en derde verzoeker. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van eerste verzoeker en de vierde verzoekende partij, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-35.107-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-35.107-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.638 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div