id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.642 Rolnummer: A. 175217/VII-36334 Zaak: Arrest 194642 - Milieuvergunningen - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.642 van 25 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.642 van 25 juni 2009 in de zaak A. 175.217/VII-36.
- In zake : Maureen TOLLENAERE, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE SIMONE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- tussenkomende partij : de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- ------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maureen TOLLENAERE op 24 juli 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 april 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 september 2005, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRAC- TORS om een recyclagecentrum voor bagger- en ruimingsspecie te exploiteren, gelegen aan de Kuhlmannkaai te Gent, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 163.767 van 19 oktober 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-36.334-1/30 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 december 2006 ingediend door de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS; Gelet op de beschikking van 28 december 2006 die de tussen- komst van de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoekster en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 7 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. TIELEMAN die, loco advocaten E. DE SIMONE, I. MOHAMMAD en G. DAEM verschijnt voor verzoekster, van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.334-2/30
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 11 mei 2005 dient de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS, de tussenkomende partij, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een aanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe inrichting gelegen aan de Kuhlmannkaai te Gent (Desteldonk) op de percelen, kadastraal bekend onder Evergem, 4de afdeling (Ertvelde), sectie A, nr. 13/n/3, Zelzate, 1ste afdeling, sectie D, nrs. 5682, 5683, 568/h, 568/k, en Gent, 14de afdeling, sectie X, nrs. 660/t en 660/v, met als voorwerp een recyclagecentrum voor bagger- en ruimingsspecie. Deze aanvraag omvat de volgende rubrieken : "2.2.2.a) 2/
(1)de opslag van maximaal 60.000 ton en het breken van inerte afvalstoffen afkomstig van de behandeling bagger-en ruimingsspecie. 2.2.2.f) 2/
(1)de opslag van maximaal 60.000 ton en het breken van niet-gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van de behandeling bagger- en ruimingsspecie. 2.2.8.a)
(3)de opslag van baggerspecie in afwachting van behandeling in 3 bufferbekkens van 5.000 m³ elk of in een of meerdere van de beschikbare laguneringsvelden met het oog op de nuttige toepassing ervan. 2.2.8.b)
(3)recyclagecentrum voor de behandeling van reeds geborgen en nieuw aan te voeren bagger- en ruimingsspecie door versneld ontwateren en zandafschei- ding via lagunering, hydrocyclonen, filterpersen of vergelijkbare technieken en eventueel gecombineerd met bioremediatie met een jaarcapaciteit van ca. 375.000 m³ of 300.000 ton droge stof en met het oog op de nuttige toepassing van de behandelde bagger- en ruimingsspecie. 2.3.7.c)
(2)de opslag van baggerspecie in afwachting van behandeling in 3 bufferbekkens van 5.000 m³ elk of in een of meerdere van de beschikbare laguneringsvelden met het oog op de definitieve verwijdering ervan. 2.3.7.d)
(2)recyclagecentrum voor de behandeling van reeds geborgen en nieuw aan te voeren bagger- en ruimingsspecie door versneld ontwateren en zandafschei- ding via lagunering, hydrocyclonen, filterpersen of vergelijkbare technieken en eventueel gecombineerd met bioremediatie met een jaarcapaciteit van ca. 375.000 m³ of 300.000 ton droge stof en met het oog op de definitieve verwijdering van de behandelde bagger- en ruimingsspecie. 3.6.3.1/
(2)een afvalwaterzuiveringsinstallatie (pH-correctie, zandfilter en actiefkoolfilter) voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat met een effluent van maximaal 50 m³/uur, 1.200 m³/dag en 200.000 m³/jaar dat geloosd wordt in het kanaal Gent-Terneuzen. VII-36.334-3/30 12.1.1/
(2)een hulpstroomgenerator met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van 1.000 kW. 12.2.1/
(3)een transformator met een individueel nominaal vermogen van 1.000 kVA. 15.1.1/
(3)de stalling van maximaal 25 werfvoertuigen andere dan personenwagens. 15.4.2/
(2)het reinigen van meer dan 10 werfvoertuigen per dag. 16.3.1.1/
(3)diverse compressoren met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 190 kW en een airconditioningsinstallatie van 10 kW. 16.7.1/
(3)de opslag van maximaal 1.000 liter diverse gassen in gasflessen. 16.8.1/
(3)de opslag van propaan in een bovengrondse houder van 3.000 liter. 17.3.3.3/
(1)de opslag van maximaal 512.000 kg diverse schadelijke, corrosieve, irriterende en oxiderende stoffen in verplaatsbare recipiënten. 17.3.6.2/
(2)de opslag van 30.000 liter gasolie in een bovengrondse dubbelwandige houder van 25.000 liter en in een bovengrondse dubbelwandige dagtank van 5.000 liter. 17.3.7.1/
(3)de opslag van maximaal 13.000 liter diverse P4-producten in verplaatsbare recipiënten. 17.3.9.3/
(1)2 verdeelslangen voor gasolie. 17.4.
(3)de opslag van maximaal 1.000 liter of 1.000 kg diverse gevaarlijke stoffen in kleine verpakkingen. 24.4.
(3)een kwaliteitslabo. 29.5.2.2/
(2)diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 25 kW. 30.10.1/
(2)de opslag van gereinigd zand op een oppervlakte van 1 ha. 31.1.2/
(1)een hulpstroomgenerator met een nominaal vermogen van 1.000 kW". De bagger- en ruimingsspecie zal worden verwerkt, enerzijds, via lagunering, al dan niet gecombineerd met zandscheiding, door middel van sedimentatiebekkens en bioremediatie en, anderzijds, via mechanische ontwatering, al dan niet gecombineerd met zandscheiding en/of zandwassing. 1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag worden de vereiste adviezen ingewonnen die overwegend gunstig zijn, behoudens het advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM). Deze afdeling stelt dat de geplande inrichting deels is gelegen in een gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven en deels in een koppelingsge- VII-36.334-4/30 bied K1, volgens het gewestplan "Gentse en Kanaalzone". Zij adviseert ongunstig omdat de geplande inrichting strijdig is met de bestemming voor het gedeelte gelegen in het koppelingsgebied. Ter zitting van de Provinciale Milieuvergunnings- commissie wordt het advies van AROHM evenwel bijgestuurd: de afdeling kan dan gunstig advies verlenen aangezien inmiddels het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoe- ringsplan (hierna: GRUP) is goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en er naar aanleiding van de bouwaanvraag de verplichting zal worden opgenomen om vóór de ingebruikname van de slibverwerkingsinstallatie de aanleg van een bosstrook te realiseren. Het GRUP voorziet immers tussen de woonwijk "Klein Rusland" en het recyclagecentrum in een zone voor bos met een breedte van 100 meter en een lengte van ca. 330 meter. Volgens het GRUP is de inrichting gelegen deels in een zone voor bos, deels in een zone voor zeehaven- en waterge- bonden bedrijven, en deels in een reservatiezone voor waterwegeninfrastructuur. Verzoekster woont in de wijk "Klein Rusland" in de A. Mechelincklaan. Zij geeft geen verdere uitleg over de situering van haar woning ten aanzien van de bestreden inrichting. Uit de plannen door de tussenkomende partij neergelegd, kan worden afgeleid dat de afstand tussen de grens van de percelen waar de inrichting gevestigd zal worden en de A. Mechelincklaan een 150- tal meter bedraagt. Op 29 september 2005 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat een bos met een breedte van 100 meter moet worden aangelegd. 1.3. Tegen deze beslissing wordt administratief beroep aangetekend door Philip DIERICK -voorzitter van de bewonersgroep "Klein Rusland"- en Freddy WILLEMS, en door Karl SEGERS, namens "Geneeskunde voor het Volk Zelzate". Verzoekster dient geen administratief beroep in. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen ingewonnen : (
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij onthoudt zich van advies omdat zij "om de redenen van beroep niet over adviesbevoegdheid beschikt"; (
- b)de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert dat er vanuit medisch milieukundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de exploitatie; (
- c)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) stelt dat de beroepsargumenten in hoofdzaak van stedenbouwkundige aard zijn en ziet bijgevolg geen reden om haar gunstig advies in eerste aanleg te wijzigen; VII-36.334-5/30 (
- d)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verleent een voorwaardelijk gunstig advies. Als voorwaarde wordt onder meer de aanleg van een bos langs de perceelsgrens met de wijk "Klein Rusland" gesteld, zoals bepaald in het GRUP; (
- e)de afdeling Milieuvergunningen adviseert de beroepen ongegrond te verklaren en de beslissing in eerste aanleg te bevestigen; (
- f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommmissie adviseert dit eveneens. 1.4. Op 12 april 2006 beslist de verwerende partij de beroepen ongegrond te verklaren en de beslissing in eerste aanleg te bevestigen. Dit is het bestreden besluit; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang beschikt; dat zij hierbij uiteenzet dat verzoekster niet duidelijk maakt waar zij in de wijk "Klein Rusland" woont, dat er tussen die wijk en het exploitatiegebied een bosbuffer van 100 meter breed wordt aangelegd samen met de aanleg van een aarden wal en van een visueel scherm van vijf meter breed rond de exploitatiesite, dat de installaties voor mechanische ontwatering, zandafscheiding en voor het breken van steenpuin op meer dan 300 meter van de dichtste vreemde woning worden ingeplant, dat aldus niet zonder meer wordt aangenomen dat verzoekster op grond van nabuurschap een persoonlijk, rechtstreeks en zeker belang heeft; 2.2. Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens het belang van verzoekster ontkent; dat zij, samengevat, wijst op de waarborg dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder en de effecten op het milieu door de bestreden beslissing tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt; dat zij voorts stelt dat de vordering van verzoekster niet zozeer gericht is tegen de afgeleverde milieuvergun- ning doch veeleer tegen het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005 houdende de definitieve vastlegging van het GRUP "Afbakening Zeehaven", dat de aangevoerde middelen zulks doen uitschijnen, dat ook om deze redenen de vordering niet ontvankelijk is; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie nogmaals uitvoerig en gedetailleerd uiteenzet waarom verzoekster niet van het vereiste belang doet blijken; dat zij daarbij onder meer op allerlei factoren wijst VII-36.334-6/30 die de hinder moeten beperken; dat zij tevens benadrukt dat er een bos zal worden aangelegd en dat er gronden zullen worden gesaneerd; 2.3. Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift stelt dat het beroep tijdig is ingesteld en dat zij een voldoende belang heeft bij haar beroep; dat zij betoogt dat haar woning vlakbij het gebied ligt waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden, zodat zij rechtstreeks hinder zal ondervinden, dat de bestreden beslissing niet waarborgt dat de inrichting geen hinderlijke uitwerking zal hebben; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord betoogt dat iedereen die de situatie kent, weet dat de wijk "Klein Rusland" slechts een "zakdoek" groot is; dat zij kaarten ter illustratie daarvan neerlegt; dat zij stelt dat de wijk "Klein Rusland" onmiddellijk grenst aan de betrokken inrichting en zo klein is dat de vraag waar verzoekster precies woont in de wijk totaal irrelevant is, dat zij in de A. Mechelincklaan 2 woont, in de onmiddellijke omgeving van het bewuste terrein, dat de wijk "Klein Rusland" zo klein is dat iedereen die in deze wijk woont, last zal hebben van het slibstort; dat verzoekster stelt dat zij als het ware een rechtstreekse buur van de inrichting is; 2.4. Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift het precieze adres van haar woning geeft; dat het op die manier mogelijk is verzoeksters woning te situeren ten opzichte van de inrichting; dat verzoekster relatief dicht bij de inrichting woont, met name op een afstand van een paar honderd meter; dat het een grootschalige inrichting betreft waarvan de activiteiten in open lucht gebeuren zodat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat verzoekster hinder zal ondervinden; dat de exceptie verband houdt met de grond van de zaak, aangezien verzoekster zich in haar middelen onder meer beklaagt over de geluidshinder; dat verzoekster in de wijk "Klein Rusland" woont; dat het feit dat doorheen haar verzoekschrift wordt verwezen naar de gevolgen voor de wijk "Klein Rusland", haar op zich haar persoonlijk belang niet ontneemt; dat weliswaar in diverse aangevoerde middelen kritiek wordt geformuleerd op het GRUP "Afbakening Zeehaven", doch dat zulks het belang van verzoekster niet wegneemt om de vernietiging van de bestreden beslissing na te streven; 3. Ten gronde 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van het besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 tot VII-36.334-7/30 vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (hierna : Vlarea), van de motiveringsverplichting, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van artikel 149 van de Grondwet, doordat er noch in de bestreden beslissing zelf noch in de in de bestreden beslissing aangehaalde adviezen voldoende wordt gemotiveerd waarom een milieueffectenrapport (hierna : MER) en een geluidsstudie in dezen overbodig zijn terwijl in het bezwaarschrift, waarop de bestreden beslissing een antwoord meent te geven, duidelijke bezorgdheden naar voren worden gebracht inzake de milieugevolgen en de lawaaihinder alsook de gevolgen voor de gezondheid; dat zij in een eerste onderdeel uiteenzet dat in een schrijven van 18 maart 2005 van de cel MER is voorgesteld om in plaats van de term "afvalverwijderingsinstallaties" de woorden "opslag van specie in afwachting van verwijdering" te gebruiken om op die wijze geen MER-verplichting te hebben, dat er daarentegen wel degelijk een MER-plicht is omdat niet-recycleerbare restanten naar een nabijgelegen stort worden gevoerd, dat de tussenkomende partij in de milieuvergunningsaanvraag voorstelt om jaarlijks het grondwater preventief te analyseren om eventuele verontreinigingen snel te detecteren, doch dat er niet is gespecifieerd op welke wijze dit zal gebeuren en binnen welke termijn, dat zulks "bovendien versterkt wordt" door het feit dat de exploitant een afwijking verkreeg inzake artikel 5.2.1.2, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) betreffende het gebruik van een geijkte weegbrug, zodat de weegbrug niet noodzakelijk is voor de afvoer van de resterende baggerspecie waarvan het gewicht bijgevolg onbepaald kan oplopen, dat die "onbepaalde" hoeveelheden vervoerd zullen worden per vrachtwagen doorheen de wijk "Klein Rusland" met geluidshinder en overlast als gevolg, dat het dan ook absoluut noodzakelijk is een MER op te stellen omdat de werkzaamheden niet plaatsvinden in een ver afgelegen industriegebied maar naast een woonkern, dat de MER-plicht niet ontweken kan worden door een eenvoudige wijziging van de terminologie, dat, tweede onderdeel, een geluidsstudie ontbreekt, dat de milieuraad in zijn advies van 11 augustus 2005 gewaagt van onvoldoende garanties tegen geluidshinder, dat de intergemeentelijke milieudienst de bosbuffer als onvoldoende heeft beschouwd voor de geluidsoverlast en dat het college van burgemeester en schepenen als voorwaarde heeft gesteld dat er een aarden wal van vijf meter zou worden aangelegd tussen de bosbuffer en de laguneringsvelden, dat dit laatste betekent dat men erkent dat er geluidshinder zal zijn, dat ten slotte, derde onderdeel, de bestreden beslissing niet preciseert waar de exploitatie wordt uitgeoefend zodat het "ongeoorloofde ruimte" laat om de te gebruiken exploitatieruimte zelf vrij in te vullen; VII-36.334-8/30 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, samengevat, dat de verzoekschriften in het administratief beroep geen opmerkingen bevatten over de afwezigheid van een MER en dat de bestreden beslissing geen antwoord moet bevatten over "een niet-geformuleerd argument of middel tot hoger beroep", dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat er effectief een MER-plicht zou zijn, dat met de bezwaren geformuleerd in de administratieve beroepschriften met betrekking tot de geluidshinder in de bestreden beslissing rekening is gehouden, dat ten slotte de kadastrale referenties van de exploitatie duidelijk in de vergunningsaanvraag en in de bestreden beslissing zijn vermeld zodat de exploitatie ruimtelijk kan worden gesitueerd; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord in essentie nog stelt dat in een van de beroepschriften ten aanzien van de verwerende partij duidelijke bekommernissen worden geuit met betrekking tot de mogelijke gevolgen voor het milieu en de omgeving, dat de bekommernissen eigen aan een MER wel degelijk worden geuit, dat de verwerende partij diende na te gaan of de activiteiten MER-plichtig zijn, dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom dit niet hoeft, dat het "een vreemd gegeven" blijft waarom er door een verandering van terminologie plots geen MER-plicht meer zou zijn; dat wat de geluidshinder betreft, verzoekster zich afvraagt of het realiseerbaar is om reeds volgroeide bomen aan te planten als bosbuffer, en stelt zij dat het niet duidelijk is om welke hoeveelheden restfractie, die ten dele over de weg zouden worden vervoerd, het gaat, dat de rechtstreekse toegang van het terrein over een drukke spoorweg loopt waar men slechts over geraakt via een brug of een overweg, wat voor geluidshinder zorgt, dat in het ontwerp van strategisch plan wordt uitgegaan van een standstillprincipe, dat de verwerende partij uitgaat van de "goodwill" van de tussenkomende partij en van "complexiteiten", dat dit echter vooral een reden is om vanuit het voor-zorgsprincipe te handelen; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst met betrekking tot het eerste onderdeel in essentie aanvoert dat het niet de bedoeling is om bij de bewerking van de baggerspecie te streven naar een definitieve verwijdering van de afvalstoffen maar wel integendeel naar het verder ontwateren van de specie en het maximaal recupereren van de zandige materialen in de reeds geborgen baggerspecie, dat het verwerkingsproces gericht is op het hergebruiken van de aanwezige zandfractie, dat het duidelijk een inrichting voor nuttige toepassing betreft, waarbij er slechts uitzonderlijk een restfractie zal ontstaan, maar geen afvalverwijderingsinstallatie, dat in een schrijven van 1 februari VII-36.334-9/30 2005 van de cel MER werd gesteld dat de inrichting niet MER-plichtig was, dat in de bezwaarschriften die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend, nergens de MER-plicht ter sprake werd gebracht, dat ook in de administratieve beroepschrif- ten de MER-problematiek niet werd aangehaald, dat gelet op al deze omstandighe- den niet valt in te zien op welke wijze verzoekster een schending van de formele motiveringsplicht op het vlak van het MER meent te kunnen weerhouden; dat de tussenkomende partij uiteenzet dat haar werkzaamheden niet vallen onder de verplichting tot het opstellen van een MER, dat volgens de MER-wetgeving, haar werkzaamheden niet onder de MER-plichtige werkzaamheden vallen, dat verzoekster niet aanduidt onder welke rubriek van de MER-plichtige werkzaamhe- den de inrichting van de tussenkomende partij zou vallen, dat uit de rubrieken in de milieuvergunning geenszins blijkt dat het om een inrichting voor definitieve afvalverwijdering zou gaan, dat het niet de bedoeling is te streven naar een definitieve verwijdering van de afvalstoffen, dat het proces gericht is op recyclage en hergebruik, dat de behandelde niet-recycleerbare specie zal worden afgevoerd naar een vergund verwerkingscentrum of naar een vergunde stortplaats, dat er dus geen specie op het vergund terrein zelf wordt gestort, dat rubriek 2.3.9 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) niet van toepassing is aangezien het niet gaat om afvalverwijderingshandelingen en dus ook niet om rubriek 14 van bijlage I van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna : MER-besluit) dat bestemd is voor afvalverwijdering, dat verzoekster geen precisering geeft, maar dat uit de grieven die zij aanvoert lijkt te mogen worden afgeleid dat het zou gaan om activiteiten die zijn opgenomen in bijlage II, rubriek 11, b), van het MER-besluit, dat het recyclagecen- trum echter helemaal niet onder die rubriek valt, dat er geen verwerking van niet-gevaarlijke afvalstoffen in een verbrandingsinstallatie gebeurt en er ook geen storting van niet-gevaarlijke afvalstoffen gebeurt, dat het ook niet om gevaarlijke afvalstoffen gaat, dat verzoeksters argumentatie in verband met de afwijking die werd toegestaan van het voorschrift van Vlarem II inzake het gebruik van de geijkte weegbrug geen hout snijdt, dat er een aanvoer is over het water, waardoor het gebruik van de weegbrug niet nodig is, dat voor de (geringe) afvoer over de weg gebruik zal worden gemaakt van een externe weegbrug, dat artikel 5.2.1.2, §2, van Vlarem II overigens geen uitstaans heeft met de MER-plichtigheid van de voorgenomen projecten, dat het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie niet onder het toepassingsgebied van MER-plichtige categorieën valt; VII-36.334-10/30 Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot het tweede onderdeel in essentie betoogt dat in de bestreden beslissing de nodige aandacht wordt besteed aan de aspecten geluids- en verkeershinder, dat de belangrijkste potentiële geluidsbronnen de breker, de werfvoertuigen en de installaties voor de mechanische ontwatering en zandafscheiding zijn, dat deze installaties en de breker zich op meer dan 300 meter van de dichtste vreemde woning bevinden, dat voor alle activiteiten beperkingen gelden op het vlak van de exploitatie-uren, dat hiervoor kan worden verwezen naar artikel 3, § 3, 23) en 26), van het besluit van 29 september 2005 dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen in eerste aanleg heeft genomen, dat in de bestreden beslissing er wordt op gewezen dat het opspuiten van de specie volledig aan de andere kant van het terrein plaatsvindt, gezien vanaf het woongebied, dat de breekactiviteiten zullen gebeuren op meer dan 300 meter van de wijk "Klein Rusland", zodat ook hiervan geen hinder te verwachten is, dat de woonwijk wordt afgeschermd met de in het GRUP verplichte aanleg van een boszone van 100 meter breed en 330 meter lang, dat de aanleg van het bos dient te gebeuren voorafgaand aan de ingebruikname van het onmiddellijk aangrenzende gedeelte van het zeehaventerrein, dat er wordt gewerkt met hoogstammige bomen en de activiteiten pas worden aangevat als de buffer is voorzien, dat voor de aanleg van het bos een bouwvergunning moet worden verkregen, dat door dit alles de geluidsemissie van de werfvoertuigen zal worden beperkt, dat blijkens artikel 3, § 3, 29), van de opgelegde milieuvoorwaarden tussen de boszone en de laguneringsvelden bovendien nog een geluidsdijk moet worden aangelegd van minstens vijf meter hoog, dat het gebruik van de weegbrug niet nodig is gelet op de aanvoer over het water, en de zeer beperkte restfractie die over het land moet worden vervoerd, dat daarvoor echter metingen zullen gebeuren door het gebruik van een externe weegbrug, dat in de onmiddellijke omgeving het achtergrondgeluid reeds vrij hoog is, dat de milieuver- gunning ook naar de algemene geluidsvoorwaarden van Vlarem II refereert, dat er geen noodzaak was tot het opleggen van een bijkomende geluidsstudie; dat wat de verkeershinder betreft, de tussenkomende partij opwerpt dat er geen aanvoer van specie langs de openbare weg is voorzien, dat voor de afvoer van het gerecycleerde materiaal in eerste instantie wordt gezocht naar de bestemmingen in de buurt van het recyclagecentrum, dat de restfractie wordt afgevoerd naar een daartoe erkend verwerkingscentrum of een vergunde deponie, dat er maximaal gebruik wordt gemaakt van transport over het water, dat dit ook in de milieuvoorwaarden wordt opgelegd, dat voor de restfractie maximaal gebruik wordt gemaakt van de nieuwe ontsluitingsmogelijkheden rond het Kluizendok, wat ook wordt vermeld in de milieuvergunning die door de bestendige deputatie werd verleend, dat noch de VII-36.334-11/30 afvoer naar de gipsberg, noch de afdekking en de sanering deel uitmaken van de milieuvergunning, dat alle afvoer moet geschieden langs de waterweg, behalve voor wat betreft een beperkte restfractie over de weg via de nieuwe verbindingsweg naar het Kluizendok en dus buiten de bewonerswijk, dat deze verplichting ook werd opgenomen in de voorafgaande adviezen, dat de aan- en afvoer zal geschieden via het kanaal Gent-Terneuzen door gebruik te maken van de bestaande kade van RHODIA CHEMIE, dat de beperkte afvoer langs een nieuwe weg geschiedt buiten de woonwijk, dat in het dossier voldoende elementen aanwezig zijn om te besluiten dat een voorafgaandelijke geluidsstudie overbodig was, dat dit werd besloten mits een gedegen voorbereiding en de nodige garanties, dat de bestreden beslissing terzake voldoende is gemotiveerd; dat wat de geluidshinder betreft, zij ook verwijst naar de adviezen die werden uitgebracht, zowel in eerste aanleg als in beroep, door de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg, de afdeling Milieuvergunning- en en de milieuvergunningscommissies; dat zij stelt dat ook wat de verkeershinder betreft, kan worden verwezen naar die adviezen; dat, derde onderdeel, wat het ontbreken van het huisnummer betreft, de tussenkomende partij stelt dat de exploitatieruimte op zeer precieze wijze kadastraal werd afgebakend; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie toevoegt dat verzoekster ook in de memorie van wederantwoord niet aannemelijk of geloofwaardig maakt dat er een MER-plicht zou zijn, dat verzoekster er niet mee kan volstaan argumenten te putten uit de doelstellingen van de MER-plicht als zij niet aangeeft welke activiteiten MER-plichtig zouden zijn; 3.1.5.1. Overwegende dat op 11 mei 2005 de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag heeft ingediend voor een recyclagecentrum voor bagger- en ruimingsspecie; dat de Vlarem-rubrieken waaronder deze inrichting valt, zijn opgesomd onder punt 1.1 van het feitenrelaas; dat het MER-besluit in bijlage I de projecten opsomt die aan een project-MER zijn onderworpen, en in bijlage II de projecten die in beginsel aan een project-MER zijn onderworpen maar waarvoor de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen; dat verzoekster niet aangeeft onder welke rubriek van deze bijlage I of bijlage II van het MER- besluit het recyclagecentrum voor bagger- en ruimingsspecie valt; dat er daarenbo- ven geen vergunning is verleend die betrekking heeft op een rubriek die onder de bijlage I of bijlage II van het MER-besluit zou vallen, zodat niet valt in te zien waarom een MER vereist zou zijn; dat als de tussenkomende partij activiteiten uitoefent die toch tot de MER-plichtige activiteiten kunnen worden gerekend, zij buiten het voorwerp van de verleende vergunning treedt; dat zulks evenwel niets te VII-36.334-12/30 maken heeft met de wettigheid van de thans verleende vergunning, maar veeleer met het uitoefenen van niet-vergunde activiteiten, dat wordt gesanctioneerd door gepaste handhavingsmaatregelen; dat in het dossier geen overtuigende elementen aanwezig zijn die er op wijzen dat het om een MER-plichtig project zou gaan; dat het procédé van de tussenkomende partij duidelijk gericht is op hergebruik en recyclage, en niet op de verwijdering van afvalstoffen; dat als er toch een relatief kleine restfractie ontstaat die moet worden verwijderd, het niet de bedoeling is dat de tussenkomende partij tot de verwijdering overgaat, maar dat de restfractie wordt afgevoerd naar een erkend verwijderaar; dat het aldus niet duidelijk is hoe een afwijking op het Vlarem II-voorschrift inzake het gebruik van de geijkte weegschaal tot het MER-plichtig zijn van de inrichting zou kunnen doen besluiten; dat in elk geval die afwijking te dezen niet onwettig of onredelijk is, aangezien het de bedoeling is de baggerspecie per schip aan te voeren, waarvoor een andere methode geldt voor het meten van volumes en tonnages; dat in een brief van 1 februari 2005 van de cel MER wordt gesteld dat de inrichting niet MER-plichtig is; dat evenwel niet blijkt dat de cel MER een suggestie heeft gedaan om door middel van een aanpassing van de terminologie van de aanvraag aan de MER-plicht te ontsnappen; dat het er veeleer op lijkt dat de terminologie wordt aangepast aan de werkelijke activiteiten, die niet gericht zijn op de verwijdering van de afvalstoffen; dat verzoekster zich beklaagt over een gebrekkige motivering van de bestreden beslissing voor wat de MER-plicht betreft; dat evenwel wordt vastgesteld dat in de bezwaarschriften die werden ingediend in het kader van het openbaar onderzoek, niet wordt opgeworpen dat er een MER-plicht zou zijn, en dit evenmin ter sprake wordt gebracht in de ingediende administratieve beroepen; dat in die beroepschriften nergens melding wordt gemaakt van een MER-plicht; dat als de MER-plicht niet in de bezwaarschriften noch in de beroepschriften ter sprake wordt gebracht, en de aanvraag bovendien geen betrekking heeft op rubrieken die onder de MER-plicht vallen, men van de verwerende partij niet kan verlangen dat zij een omstandige motivering geeft over het al dan niet MER-plichtig zijn van de inrichting; dat in die omstandigheden een dergelijke motivering niet relevant is; 3.1.5.2. Overwegende dat verzoekster in het tweede onderdeel van het middel opwerpt dat de adviezen en de bestreden beslissing onvoldoende zijn gemotiveerd inzake de geluidshinder, dat volgens haar inzonderheid onvoldoende werd gemotiveerd waarom er geen geluidsstudie nodig werd geacht; dat in een beroepschrift wordt gesteld dat de garanties die in de milieuvergunning worden gegeven tegen geluidsoverlast en transport via de wijk onvoldoende zijn; dat in een ander beroepschrift, namens de VZW GENEESKUNDE VOOR HET VOLK, VII-36.334-13/30 eveneens wordt stilgestaan bij de te verwachten geluidsoverlast, maar dat ook hier niet expliciet wordt gevraagd dat een geluidsstudie zou worden gemaakt; dat in die omstandigheden men niet kan verwachten dat in de bestreden beslissing en in de tijdens de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen uitvoerig en formeel wordt stilgestaan bij de vraag of een geluidsstudie moet worden gemaakt; dat men daarentegen wel kan verwachten dat voldoende aandacht wordt besteed aan de geluidsproblematiek; dat dit ook is gebeurd, aangezien wordt overwogen dat er tussen het woongebied en de activiteiten, een boszone van 100 meter breed zal zijn, waarbij het zal gaan om een volwaardig bos vóór de aanvang van de activiteiten, dat de activiteit die mogelijk voor geluidshinder kan zorgen, het opspuiten van de specie is, doch dat dit zich volledig aan de andere kant van het terrein situeert, gezien vanaf het woongebied, zodat kan worden aangenomen dat dit geen problemen oplevert voor de omwonenden, dat het transport zal gebeuren langs het kanaal en er niet door de woonwijk moet worden gegaan, wat ook niet logisch zou zijn, gezien het feit dat aan de kant van de woonwijk de bosbuffer zal komen van 100 meter breed, dat in de beroepen beslissing werd opgelegd om zoveel mogelijk gebruik te maken van de waterwegen, wat ook de intentie is van de exploitant, dat de breekinstallatie ongeveer een maand per jaar zal worden gebruikt, en deze zich op een afstand van minstens 300 meter van de woningen bevindt; dat het bestreden besluit de beroepen beslissing van 29 september 2005 bevestigt, wat dus een bevestiging inhoudt van de voorwaarden die werden opgelegd; dat daar, naast de algemene milieuvoorwaarden die onder meer betrekking hebben op de geluidshinder en de sectorale voorwaarden, een aantal bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd; dat onder punt 23 beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de exploitatie-uren; dat men onder punt 29 leest dat tussen de boszone en de geplande laguneringsvelden een geluidsdijk wordt aangelegd met een hoogte van minstens vijf meter boven het huidige maaiveld, vooraleer er met de laguneringswerken mag worden gestart; dat onder punt 30 wordt bepaald dat er maximaal gebruik moet worden gemaakt van transport over het water voor de afvoer van de restfractie die niet in aanmerking komt voor hergebruik en dat slechts een heel beperkte fractie die niet via het water kan worden getransporteerd, via de weg zal worden vervoerd; dat artikel 3bis van de beroepen beslissing onder meer bepaalt dat voor de afvoer van de restfractie die niet in aanmerking komt voor hergebruik maximaal gebruik zal worden gemaakt van de nieuwe ontsluitingsmogelijkheden rond het Kluizendok teneinde de dorpskernen van Zelzate en Rieme niet te belasten; dat uit de motivering en de opgelegde voorwaarden duidelijk wordt afgeleid waarom het opmaken van een geluidsstudie overbodig wordt geacht; dat ter voorkoming van de geluidshinder van de activiteiten zelf, er voorwaarden worden opgelegd inzake de exploitatie-uren, en dat de aanleg VII-36.334-14/30 van een bos wordt vereist; dat er tussen het bos van 100 meter breed en de exploitatie een aarden wal van vijf meter hoog wordt opgelegd, hetgeen verzoeksters kritiek omtrent de onvolwaardigheid van het bos ten zeerste relativeert; dat daarenboven de geluidsbronnen op een zeer aanzienlijke afstand liggen, en dat de breker slechts een maand per jaar werkt; dat ook blijkt dat er diverse voorwaarden zijn opgelegd om vrijwel alle verkeer langs het water te laten verlopen; dat verzoekster niet aantoont dat de overwegingen in het bestreden besluit onjuist zijn, dat de opgelegde maatregelen niet realiseerbaar zijn of dat de beoordeling op het vlak van de geluidshinder kennelijk onredelijk is; 3.1.5.3. Overwegende dat in een derde onderdeel verzoekster zich beklaagt over het ontbreken van het huisnummer van de exploitatie; dat zij er evenwel aan voorbijgaat dat de bestreden beslissing de kadastrale percelen opsomt waarop de exploitatie mag plaatsvinden, zodat deze exploitatie zeer precies kan worden gelokaliseerd; dat het eerste middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van de "Openbaarheid Bestuur", van het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-beginsel en het vertrouwensbeginsel; dat zij uiteenzet dat het project gesitueerd is in een gebied dat aan de noordwestelijke kant begrensd wordt door het woon- gebied "Klein Rusland", aan de westkant door de spoorweg en door een gipsstort, aan de zuidkant door een industriecomplex en aan de oostkant door het kanaal Gent-Terneuzen, dat het jaarverslag van de Gentse Kanaalzone tot in 2004 heeft vermeld dat het gebied dat grenst aan het woongebied "Klein Rusland" een park zou zijn, dat echter op eenvoudig verzoek van de tussenkomende partij de plannen voor de ontwikkeling van een meer leefbare wijk "Klein Rusland" "van tafel (zijn) geveegd", dat die sociale woonwijk daardoor volledig wordt ingesloten door een spoorweg, het kanaal Gent-Terneuzen, het gipsstort, de gewestweg R4 en het bedrijf van de tussenkomende partij en dat dergelijke insluiting van de woonwijk de leefbaarheid ervan volledig teniet doet, dat de bestemmingswijziging pas op 12 augustus 2005 is bekendgemaakt en de bewoners van de wijk "Klein Rusland" aldus gedurende jaren een "rad voor ogen (werd) gehouden" nu zij steeds in de veronderstelling waren "dat zij eindelijk een groene long zouden krijgen in hun woonwijk", dat de bewoners van de planwijziging niet op de hoogte konden zijn ten tijde van het openbaar onderzoek tussen 17 juni 2005 en 23 juli 2005, dat de overheid "steeds heeft achtergehouden dat het park er niet zou komen terwijl zij reeds op de hoogte was én zelf aan het onderhandelen met de NV DEC over een wijziging van het ruimtelijk uitvoeringsplan", dat dit niet in overeenstemming is met VII-36.334-15/30 het beginsel van fair-play, dat het gebrek aan informatie naar de burgers en zeker naar de bewoners van de wijk "Klein Rusland" een schending is van het beginsel van de openbaarheid van bestuur, dat het feit dat "de belofte van een park voor de bewoners van de wijk Klein-Rusland verbroken werd" ook een schending uitmaakt van het vertrouwensbeginsel; dat de bestreden beslissing, steeds volgens verzoek- ster, ook geen rekening houdt met de vele voorwaarden die in de verscheidene adviezen worden gesuggereerd en dat dit een schending betekent van het zorgvuldig- heidsbeginsel, dat ten slotte "het feit dat de Vlaamse Regering, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, bewust getalmd heeft met het bekendmaken van het definitief GRUP in Het Belgisch Staatsblad" eveneens het zorgvuldigheids- beginsel schendt; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing vaststelt dat het GRUP definitief is goedgekeurd door de Vlaamse regering op 15 juli 2005 en dat de bestreden beslissing is genomen op 12 april 2006 en het op dat ogenblik toe te passen GRUP respecteert, dat de opmerkingen van verzoekster over het openbaar onderzoek dat werd uitgevoerd na de neerlegging van de milieuvergunningsaanvraag niet pertinent zijn, dat de bestreden beslissing de in dit middel opgesomde beginselen niet heeft geschonden omdat de kritiek niet tegen de bestreden beslissing gericht is maar wel tegen het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005; 3.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord stelt dat haar kritiek betrekking heeft op de totstandkoming van de bestreden beslissing; 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opmerkt dat het middel betrekking heeft op de bestemmingswijzi- ging die werd doorgevoerd door het GRUP, en niet op de bestreden milieuvergun- ning, dat op het ogenblik van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag het ontwerp-GRUP voor het betrokken gebied in de bestemming parkgebied voorzag, dat in het definitieve GRUP het recyclagecentrum zal liggen in een zone voor bos, een zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven en een reservatiezone voor waterwegeninfrastructuur, dat de wijziging van het ontwerp-GRUP moet worden gezien in het kader van een project met een breed maatschappelijk belang, dat door de uiteindelijk gegeven bestemming de kans groter wordt dat verontreinigde gronden zullen worden gesaneerd, dat door de bufferstrook van 100 meter er een kwalitatieve en substantiële buffer blijft behouden, dat de bezwaren van verzoekster in verband VII-36.334-16/30 met het achterhouden van informatie over de voorgenomen bestemmingswijziging kaderen in de procedure met betrekking tot het opstellen van een GRUP, die niet het voorwerp is van voorliggende procedure, dat in het kader van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de nodige garanties voor omwonenden werden ingelast teneinde bezwaren in te dienen bij het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP), dat verzoekster over de mogelijkheid beschikte om het GRUP aan te vechten bij de Raad van State, wat zij blijkbaar niet heeft gedaan, dat in het kader van de verleende milieuvergunning niet langer een bestemmingswijziging kan worden aangevochten om de vergunning alsnog te bestrijden, dat de milieuvergunning pas werd verleend na de bestemmings- wijziging, dat de geplande inrichting volledig in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften, dat de tussenkomende partij op een constructieve manier een wijziging van het ontwerp-GRUP heeft gevraagd en verkregen, waarbij zij de garantie stelde een buffer aan te leggen, dat bij haar aanvraag de tussenkomende partij zich echter baseerde op het ontwerp-GRUP, dat er op dat ogenblik geen sprake was van enige ongeoorloofde voorkennis in haren hoofde, dat de bewonersgroep van "Klein Rusland" wel degelijk op de hoogte was van de door de tussenkomende partij gevraagde wijzigingen aan het ontwerp-GRUP, dat de bewoners steeds alle nodige informatie kregen, dat ook in het definitieve GRUP een garantie voor een groene long werd ingebouwd, dat ook in het kader van de milieuvergunning er garanties werden ingebouwd voor wat betreft het aanleggen van een groene long, dat de tussenkomende partij zal zorgen voor het aanleggen van een bosbuffer; dat ter adstructie van haar zienswijze de tussenkomende partij naar diverse uitgebrachte adviezen verwijst; 3.2.5. Overwegende dat verzoeksters argumentatie er voornamelijk op neerkomt dat het parkgebied, dat in het ontwerp-GRUP was voorzien, is omgezet in industriegebied; dat zij daarmee kritiek uit op het GRUP en dat dit niet de inzet van het voorliggende annulatieberoep vormt; dat het GRUP met verscheidene annulatieberoepen is bestreden; dat het toegelaten is om de ontwerpbestemming van een GRUP te wijzigen in een andere bestemming, op het ogenblik dat een milieuvergunningsprocedure lopende is; dat uit geen enkele rechtsregel blijkt dat de vergunningverlenende overheid de potentiële bezwaarindieners moet inlichten over voorgenomen wijzigingen van een GRUP; dat evenmin blijkt dat de bekendmakings- regels in verband met het GRUP werden overtreden; dat de vergunningverlenende overheid de vergunningsaanvraag ter inzage moet leggen; dat verzoekster ook niet betwist dat de verwerende partij zulks deed; dat verzoekster vooral klaagt dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen te kort is geschoten VII-36.334-17/30 in haar informatieplichten; dat zij daarmee evenwel haar pijlen op de overheid richt die in eerste aanleg de beslissing heeft genomen; dat het voorwerp van voorliggend verzoekschrift evenwel de in beroep genomen beslissing is; dat met betrekking tot de voorwaarden die werden gesuggereerd in de adviezen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zelzate en van OVAM, moet worden opgemerkt dat de geluidsproblematiek voldoende werd onderzocht en uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt waarom geen geluidsstudie nodig werd geacht, dat onder artikel 3, § 3, 24), van de beroepen beslissing van 29 september 2005 een voorwaarde werd opgelegd in verband met de brandveiligheid en deze in beroep werd bevestigd, dat er een bosstrook van 100 meter breed en een geluids- werende berm is voorzien, dat bijna alle transport geschiedt over het water, dat onder artikel 3bis van de beroepen beslissing van 29 september 2005 wordt gewezen op een aandachtspunt in verband met puingranulaten afkomstig van de behandeling van verontreinigde onderwaterbodems en dat dit aandachtspunt in beroep werd bevestigd, dat onder artikel 3bis van de beroepen beslissing tevens wordt gewezen op een aandachtspunt in verband met puin dat niet voldoet aan artikel 4.2.2.1 van Vlarea en dit aandachtspunt in beroep werd bevestigd; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de planologi- sche onverenigbaarheid van de inrichting aanvoert; dat zij uiteenzet dat AROHM een ongunstig advies heeft uitgebracht omdat de voorgenomen exploitatie gelegen is binnen het koppelingsgebied en strijdig is met de voorschriften van deze bestemming, dat de overheid gehouden is de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen en bijgevolg de vergunning moest weigeren indien de inrichting niet past in de bindende voorzieningen van het plan, dat weliswaar het definitieve GRUP van 15 juli 2005 in een bestemmingswijziging voorziet, waarop AROHM zijn advies wijzigde in een gunstig advies, doch dat de bestemmingswijzi- ging naar het definitieve GRUP een schending betekent van de in het tweede middel vermelde beginselen, dat de inrichting bijgevolg niet past in de bindende voorzie- ning van het plan, dat, voorts, voor het opheffen van de reservatiestrook langs het kanaal een beslissing van de Vlaamse regering ontbreekt en dat voor de aanleg van de bosstrook een stedenbouwkundige vergunning is vereist die tot op heden niet is verleend, zodat de milieuvergunning voorbarig is verleend zonder dat er garantie wordt gegeven dat de noodzakelijke bosbuffer zal worden aangelegd, dat , ten slotte, de omstandigheid dat voor het vervoer "zoveel als mogelijk dient gebruik te worden gemaakt van de waterwegen" een intentieverklaring is die geen afdoende garanties biedt dat de woonwijk "Klein Rusland" zal worden ontlast van vrachtverkeer; VII-36.334-18/30 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het middel feitelijke en juridische grondslag mist; dat zij argumenteert dat de site van de exploitatie binnen de perimeter van het GRUP ligt en dat verzoekster het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005 niet heeft aangevochten, dat het niet volstaat om te beweren dat dit besluit een schending zou inhouden van een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur om te besluiten tot de onwettigheid van het besluit, dat uit het dossier blijkt dat de bestreden beslissing de bestemmingen van het GRUP respecteert en dat er niet kan worden betwist dat de exploitatie kan plaatsvinden in de zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, dat de zone voor bos volgens het GRUP 100 meter breed moet zijn en dat zulks reeds vastgesteld werd in het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 september 2005 zodat er geen planologische onverenigbaar- heid is, dat verzoekster niet bewijst dat de reservatiezone zoals vastgelegd in het GRUP niet is gerespecteerd, dat het verbod om de reservatiezone in gebruik te nemen geen zaak is van planologische onverenigbaarheid doch "hooguit een probleem van handhaving", dat de bestreden beslissing de zogenaamde koppelings- regeling van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ning respecteert, dat de bestreden beslissing zelf vermeldt dat zij geschorst is in de mate de inrichting overeenkomstig het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een vergunning nodig zou hebben, dat verzoekster ten slotte niet aannemelijk maakt dat een beperkt vrachtverkeer de ruimtelijke draagkracht in de wijk "Klein Rusland" overstijgt; 3.3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord benadrukt dat er geen schriftelijke beslissing is van de Vlaamse regering die bepaalt dat de aanleg van een nieuwe waterwegeninfrastructuur niet wordt gerealiseerd, dat het niet opgaat een constructie op te zetten waarbij een milieuver- gunning wordt verleend voor een perceel dat voor een deel in een andere "verboden" zone ligt; 3.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in essentie betoogt dat verzoeksters bezwaar betrekking heeft op de bestemmingswijziging in het gebied door het GRUP, en niet op de verleende milieuvergunning, dat verzoekster haar bezwaren tegen het GRUP kon laten gelden, en zij zich ook naar de Raad van State kon wenden, dat door AROHM op 27 juli 2005 aanvankelijk een ongunstig advies werd verleend, omdat de voorziene bedrijvigheid onverenigbaar was met het bestemmingsvoorschrift "koppelingsgebied" van het gewestplan, dat tijdens de behandeling van de milieuvergunningsaanvraag bij de Provinciale Milieuvergun- VII-36.334-19/30 ningscommissie op 6 september 2005 AROHM meldt dat zij gunstig advies kan verlenen aangezien intussen het GRUP is goedgekeurd, dat in de beroepen beslissing als bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde is opgenomen dat de reservatiezone voor waterwegeninfrastructuur pas in gebruik mag worden genomen indien bij besluit van de Vlaamse regering wordt bevestigd dat de aanleg van nieuwe waterwegeninfrastructuur niet wordt gerealiseerd zoals bepaald in artikel 11 van de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP, dat de woonwijk "Klein Rusland" wordt afgeschermd door de verplichte aanleg van een boszone van 100 meter breed, dat de milieuvergunning is geschorst zolang er geen stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de bosstrook werd afgeleverd; dat wat de vrachtwagentranspor- ten door de woonwijk "Klein Rusland" betreft, de tussenkomende partij naar het tweede onderdeel van het eerste middel verwijst; dat zij er verder nog op wijst dat geen aanvoer langs de openbare weg is voorzien, dat ook voor de afvoer maximaal gebruik zal worden gemaakt van transport over het water en slechts een klein gedeelte gebeurt door transport over het land, dat verzoekster er verkeerdelijk van uitgaat dat in afwachting van de aanleg van het Kluizendok er geen vervoer langs het water mogelijk zou zijn; 3.3.5. Overwegende dat AROHM op 27 juli 2005 een ongunstig advies over de vergunningsaanvraag heeft gegeven, aangezien de exploitatie volgens het gewestplan gedeeltelijk was gelegen in een koppelingsgebied, een bestemmings- voorschrift waarmee zij onverenigbaar werd geacht; dat die vaststelling evenwel niet relevant is, aangezien AROHM de aanvraag toen aan het gewestplan heeft getoetst, en dat nadien, op 15 juli 2005, het GRUP "afbakening zeehavengebied Gent - inrichting R4-oost en R4-west" werd goedgekeurd; dat het aan dit GRUP is dat de aanvraag moet worden getoetst, en dat de aanvraag met dat GRUP wel verenigbaar wordt geacht; dat AROHM zowel tijdens de zitting van de Provinciale Milieuver- gunningscommissie als tijdens de beroepsprocedure een gunstig advies heeft uitgebracht, zij het weliswaar onder bepaalde voorwaarden; dat verzoekster stelt dat de bestemmingswijziging die werd doorgevoerd bij het vaststellen van het definitieve GRUP, een schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het fair play-beginsel en het beginsel van de openbaarheid van bestuur, en daaruit concludeert dat de inrichting niet past in de bindende voorziening van het plan; dat zij evenwel twee dingen door elkaar haalt, met name vooreerst de wettigheid van het GRUP en daarnaast de vraag of de aanvraag strookt met de bestemmingsvoorschriften van het GRUP; dat het niet is omdat een GRUP onwettig zou zijn dat meteen vaststaat dat een aanvraag onverenigbaar is met de bestem- mingsvoorschriften van het GRUP; dat zij op dat punt niet duidelijk is; dat het VII-36.334-20/30 GRUP niet het voorwerp van het annulatieberoep vormt; dat zij ook niet vraagt dat het GRUP op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing wordt gelaten; dat de kritiek die verzoekster op het GRUP uit, zo algemeen en weinig onderbouwd is dat daaruit bezwaarlijk kan worden afgeleid dat het GRUP onwettig zou zijn; dat in zoverre verzoekster verwijst naar haar kritiek op het GRUP die zij ter sprake heeft gebracht bij de eerste twee middelen, die kritiek niet kan worden bijgetreden, aangezien de eerste twee middelen ongegrond zijn; dat de vraag rest of de aanvraag verenigbaar is met het GRUP; dat zij in dat verband stelt dat de reservatiezone voor waterwegeninfrastructuur gereserveerd voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van waterwegeninfrastructuur niet voor andere activiteiten kan worden bebouwd, dat enkel indien de Vlaamse regering beslist om de aanleg van nieuwe waterwegeninfrastructuur niet te realiseren, de gebieden kunnen worden ontwikkeld conform de onderliggende bestemmingen, doch dat een dergelijke beslissing uitbleef; dat dit argument van verzoekster niet overtuigt; dat artikel 3, § 3, punt 28 van de beroepen beslissing van 29 september 2005 - in beroep bevestigd door het bestreden besluit - als bijzondere exploitatievoorwaarde immers bepaalt wat volgt : "De reservatiezone voor waterwegeninfrastructuur zoals vastgelegd in het bij B. Vl. R. goedgekeurd GRUP 'Afbakening zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' mag pas in gebruik genomen worden indien bij besluit van de Vlaamse Regering wordt bevestigd dat de aanleg van nieuwe waterweginfra- structuur niet gerealiseerd wordt zoals bepaald in artikel 11 van de stedenbouw- kundige voorschriften van het vermelde GRUP"; dat het aldus aan de tussenkomende partij niet toegelaten is haar activiteiten te ontplooien in de reservatiezone zolang het bewuste besluit van de Vlaamse regering niet voorligt; dat daarmee meteen het stedenbouwkundige probleem is opgelost, aangezien de voorwaarde tot gevolg heeft dat er in de reservatiezone op geen enkel ogenblik activiteiten kunnen plaatsvinden in strijd met het bestemmingsvoorschrift reservatiezone; dat de argumentatie van verzoekster inzake het verval van de milieuvergunning als de stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de bosstrook niet wordt verleend, niet te begrijpen valt; dat men weliswaar die vaststelling kan bijtreden, maar dat het niet duidelijk is hoe zulks tot de onwettigheid van de bestreden milieuvergunning moet doen besluiten; dat in afwachting van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning de milieuvergunning is geschorst; dat als de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, de milieuver- gunning vervalt; dat dit niet tot de conclusie kan leiden dat de milieuvergunning onwettig is omdat de stedenbouwkundige vergunning nog niet is verleend; dat de overheid immers een milieuvergunning mag afleveren, ook al is er nog geen VII-36.334-21/30 stedenbouwkundige vergunning afgeleverd; dat wat het vrachtwagentransport door de woonwijk betreft, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat overigens niet valt in te zien hoe het eventueel gebruik van een bepaalde toegangs- route tot de strijdigheid van de inrichting met de bestemmingsvoorschriften van het GRUP kan doen besluiten; dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat verzoekster in het vierde middel machtsafwen- ding aanvoert; dat zij uiteenzet dat de tussenkomende partij in een schrijven van 21 februari 2005 aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen druk heeft uitgeoefend "op de provincie om het R.U.P. te wijzigen volgens de 'bestelling'"; dat het volgens verzoekster ook een raadsel is "hoe de minister zijn principiële bereidheid reeds kon toezeggen terwijl jaren aan een stuk op die plaats een park van 16 hectare werd beloofd om de leefbaarheid van het gebied te behouden en vergroten"; dat zij zich ook de vraag stelt hoe de tussen- komende partij reeds op 9 juni 2005 wist dat het RUP definitief naar haar wensen was gewijzigd terwijl de beslissing van de Vlaamse regering dienaangaande dateert van 15 juli 2005 en op 10 augustus 2005 in het Belgisch Staatsblad werd gepubli- ceerd; dat volgens verzoekster dan ook de vraag rijst "in hoeverre de beslissing toen in alle objectiviteit en in het algemeen belang is genomen en in hoeverre het beroep nu bij de Bestendige Deputatie in alle objectiviteit is behandeld en niet geleverd is volgens de wensen van één bepaalde belanghebbende en onder zijn druk"; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daarop het volgende stelt : "(...) De machtsafwending is de onwettigheid waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel (...). Het komt aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu de bestreden beslissing heeft genomen met een ander doel dan het dienen van het (of een ) algemeen belang. Het middel van de machtsafwending heeft duidelijk betrekking op het B. Vl. reg. van 15 juli 2005 tot vaststelling van het GRUP afbakening zeehavengebied, en niet op de bestreden beslissing. In zoverre de bestreden beslissing toch door machtsafwending zou zijn aangetast, komt het aan de verzoekende partij toe om daarvan het bewijs te leveren. Dit gebeurde in geen geval. Het middel is, indien ontvankelijk, niet gegrond"; 3.4.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord nog verwijst naar de tegenstelling tussen de bestreden beslissing en het stand- VII-36.334-22/30 stillprincipe, dat naar voren komt in het ontwerp-strategisch plan, alsook het principe van "zuinig ruimtegebruik"; dat zij stelt dat het ontwerp-strategisch plan voor de Gentse kanaalzone uitgaat van een "zuinig ruimtegebruik"; 3.4.4. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat verzoeksters argumentatie reeds uitgebreid werd ontmoet in het tweede middel, dat het middel slaat op de bestemmingswijziging die werd doorgevoerd door het GRUP, dat dit GRUP correct tot stand kwam; dat de tussenkomende partij uiteenzet waarom de keuzes die met het GRUP werden gemaakt, het algemeen belang dienen, en waarom er goede redenen waren om het parkgebied, zoals voorzien op het ontwerp-GRUP, een andere bestemming te geven, dat er voldoende waarborgen werden ingebouwd om een recreatieve groene long te ontwikkelen voor de woonwijk "Klein Rusland", dat de omstandigheid dat zij reeds op 9 juni 2005 op de hoogte was van het definitief gewijzigde GRUP geenszins een raadsel is aangezien deze informatie kenbaar werd gemaakt in een persmededeling van de Vlaamse regering van 9 juni 2005, dat ook de bewonersgroep "Klein Rusland" op de hoogte was van de gevraagde wijzigingen aan het ontwerp-GRUP; 3.4.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie nog toevoegt dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord een volledig verkeerde voorstelling van de werkelijke beweegredenen geeft die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing, dat de aflevering van de milieuvergun- ning werd gekoppeld aan de sanering van de verontreinigde gronden, dat het gehele project aanleiding geeft tot een win-win situatie, niet alleen voor de direct betrokken partijen maar tevens en vooral voor de inwoners van de wijk "Klein Rusland", dat de betrokken administraties op zeer zorgvuldige wijze te werk gingen bij hun adviesverlening, dat de bestreden beslissing geenszins een inbreuk vormt op het geciteerde fragment uit het ontwerp-strategisch plan en het daarin geformuleerde "zuinig ruimtegebruik", dat verzoekster uit het oog verliest dat het betrokken gebied niet zomaar voor recreatieve doeleinden kan worden bestemd, aangezien het een brownfield betreft die noodzakelijk moet worden gesaneerd; 3.4.6. Overwegende dat het middel duidelijk tegen het GRUP is gericht, en niet tegen de bestreden beslissing, en dat verzoekster er niet in slaagt machtsaf- wending aan te tonen; dat zij met name niet hardmaakt dat de overheid die de milieuvergunning verleende daarbij een ander doel beoogde dan het algemeen belang; dat het vierde middel niet gegrond is; VII-36.334-23/30 3.5.1. Overwegende dat verzoekster in het vijfde middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting, van "het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing", van "feitelijke en juridische foutieve motivering", van artikel 3 van de motiverings- wet en van artikel 149 van de Grondwet; dat zij daarnaast nog opwerpt dat de bestreden beslissing geen afdoende motivering inhoudt; dat zij uiteenzet dat de bestreden beslissing nalaat de bufferende werking van de bosbuffer uit te leggen, dat immers het volgroeien van de bosbuffer enige jaren in beslag zal nemen en bijgevolg in die periode geen bufferende functie zal hebben, dat de bestreden beslissing ook niet uitlegt op welke wijze zij voldoende waarborgen biedt om de leefbaarheid van de woonwijk "Klein Rusland" in stand te houden en te bevorderen, dat in de bestreden beslissing evenmin wordt uiteengezet waarom op het voorstel tot controle door de plaatselijke overheid met betrokkenheid van de bewonersgroep van de wijk om toe te zien op de naleving van de milieuaspecten, niet is ingegaan, dat de bestreden beslissing ook niet preciseert of de plaats waar de bosbuffer moet komen, moet worden gesaneerd en dat indien de plaats moet worden gesaneerd, zij niet in aanmerking komt voor de aanleg van een bos, dat de bestreden beslissing ten slotte ook niet ingegaan is op de vraag inzake toegankelijkheid van de bosbuffer; 3.5.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de bestreden beslissing niet letterlijk moet antwoorden op alle argumenten en vragen van een beroepschrift, dat de bestreden beslissing voorts uitdrukkelijk vermeldt dat de boszone wordt aangeplant vóór de aanvang van de exploitatie en dat de activiteiten pas zullen worden opgestart als de buffer er effectief is, dat verzoekster zelf de bufferende werking, zelfs in de volgroeide fase, betwist, dat de vraag over de oprichting van een begeleidingscommissie geen raakpunt heeft met de bestreden beslissing, dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing geen bijkomende argumentatie aanbrengt om te verduidelijken dat de milieuvergunning voldoende waarborgen biedt voor de leefbaarheid van de wijk "Klein Rusland", op zich geen schending is van de motiveringsverplichting, dat voorts de bestreden beslissing op afdoende wijze de middelen van het beroepschrift beantwoordt, dat de wet niet voorziet in de oprichting van een begeleidingscommissie voor de controle van de naleving van de milieuvoorwaarden, dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het bodemsaneringsproject dat voor de site bestaat, dat ten slotte een beslissing over een milieuvergunning zich niet heeft in te laten met het recreatief aspect van een bosbuffer; VII-36.334-24/30 3.5.3. Overwegende dat verzoekster zich in haar memorie van wederantwoord met betrekking tot de bosbuffer nog afvraagt hoe het in de praktijk realiseerbaar is dat met hoogstammige bomen zal worden gewerkt, temeer daar de grond zwaar vervuild is en de vraag zich stelt hoe het te rijmen valt dat een park niet mogelijk is, maar hoogstammige bomen wel; dat zij stelt dat de vraag naar een begeleidingscommissie omtrent het Kluizendok wel degelijk pertinent is, nu de tussenkomende partij zich heeft voorgenomen zoveel mogelijk verkeer over het water te laten gaan; 3.5.4. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat de bezwaren zoals geformuleerd in twee beroepschriften van 17 november 2005 wel degelijk werden behandeld door de verwerende partij binnen het kader van de beroepsproce- dure en daarenboven op omstandige wijze werden gemotiveerd nopens hun gegrondheid en dit in weerwil tot hetgeen verzoekster hieromtrent ook moge beweren, dat de bufferende werking van de bosbuffer wel degelijk is behandeld geweest tijdens de beroepsprocedure, dat de bosbuffer op een degelijke wijze zal worden aangelegd en er zal worden gewerkt met hoogstammige bomen, dat tijdens de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de exploitant de bufferende werking van de bosbuffer heeft toegelicht, dat er wel degelijk gevolg werd gegeven aan de geuite bezwaren, dat ook bij het verlenen van de stedenbouw- kundige vergunning voorwaarden kunnen worden opgelegd met betrekking tot de bosbuffer, dat het organiseren van een controle inzake de opvolging van de gevolgen voor het wegverkeer naar het Kluizendok wel degelijk is behandeld binnen de beroepsprocedure, dat de tussenkomende partij te kennen gaf dat zij bereid is tot overleg en een informatievergadering, en er ook een informatievergadering werd georganiseerd, dat de tussenkomende partij zich bereid verklaarde om ook in de toekomst informatievergaderingen te organiseren, dat in de milieuvergunning wordt gesteld dat er zich geen problemen stellen om contacten en toelichting te geven aan de omwonenden; dat met betrekking tot de leefbaarheid van de woonwijk "Klein Rusland", de tussenkomende partij betoogt dat de afgeleverde milieuvergunning wel degelijk voldoende garanties biedt om de leefbaarheid van de woonwijk in stand te houden; dat zij verwijst naar wat zij uitvoerig uiteenzette onder het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel, alsook met betrekking tot het derde middel; dat zij stelt dat de leefbaarheid van de woonwijk het voorwerp uitmaakte van een onderzoek binnen het kader van de beroepsprocedure, wat blijkt uit de overwegingen van de bestreden beslissing, dat er in dit verband ook nog kan worden verwezen naar de uitgebrachte gunstige adviezen; dat met betrekking tot de controle door de plaatselijke overheid met betrokkenheid van de bewonersgroep van de wijk VII-36.334-25/30 teneinde toe te zien op de naleving van de milieuaspecten, de tussenkomende partij verwijst naar wat zij hoger reeds uiteenzette en stelt dat het organiseren van deze controle wel degelijk werd behandeld tijdens de beroepsprocedure; dat met betrekking tot de vraag inzake sanering en toegankelijkheid van de bosbuffer voor de buurtbewoners, de tussenkomende partij erop wijst dat ook dit aspect werd behandeld tijdens de beroepsprocedure en stelt dat uit de milieuvergunning blijkt dat wel degelijk gevolg werd gegeven aan de geopperde bezwaren, dat de sanering wel degelijk zal doorgaan en tegelijk met de activiteit zal worden opgestart en dat de toegankelijkheid van het bos zal worden aangegeven in de stedenbouwkundige vergunning, dat uit de resultaten van bodemonderzoeken blijkt dat de gronden waarop de bosbuffer is gepland niet onderworpen moeten worden aan bodemsane- ring zodat de onmiddel-lijke aanleg ervan kan worden gegarandeerd; 3.5.5. Overwegende dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat op elk van de in beroep aangevoerde argumenten expliciet en in detail wordt ingegaan; dat het volstaat dat een beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen; dat te dezen de bestreden beslissing een uitgebreide motivering bevat waaruit verzoekster kan afleiden op grond van welke redenen zij werd genomen; dat wat specifiek de bufferende werking van de bosbuffer betreft, het bestreden besluit expliciet ingaat op de in beroep aangevoerde argumentatie; dat wordt gesteld dat er een boszone van 100 meter breed zal zijn, en dat het om een "volwaardig" bos gaat dat zal worden aangelegd voor de aanvang van de activiteiten; dat wat specifiek de gebrekkige bescherming tegen geluidsoverlast betreft doordat de bosbuffer een onvoldoende bufferende werking zou uitoefenen, de bestreden beslissing nog verduidelijkt waarom de geluidshinder binnen de perken zal blijven, en dat er als milieuvoorwaarde de aanleg van een geluidswerende dijk van vijf meter hoog wordt opgelegd; dat over de aangevraagde begeleidingscommis- sie, een beroepschrift op een algemene wijze stelt dat, indien het bedrijf er komt, de bewoners willen dat er regelmatig controle kan zijn door de plaatselijke overheid met betrokkenheid van, bijvoorbeeld, de bewonersgroep van de wijk om mee toe te zien op de milieuaspecten; dat in een ander beroepschrift wordt verwezen naar een begeleidingscommissie die in 1997 werd opgericht om de milieuaspecten van een ander bedrijf te bewaken; dat in geen van de beroepschriften een expliciete en ondubbelzinnige vraag wordt gesteld om een begeleidingscommissie op te richten inzake het opvolgen van de gevolgen voor het wegverkeer door een ontsluitingsweg naar het Kluizendok; dat de verwerende partij bijgevolg niet verplicht is een expliciet en omstandig antwoord te geven op onduidelijke opmerkingen, temeer daar VII-36.334-26/30 een dergelijke begeleidingscommissie niet moet worden opgericht; dat wat de leefbaarheid voor de wijk "Klein Rusland" betreft, de bestreden beslissing omstandig stilstaat bij deze problematiek; dat uit de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing de geluidsproblematiek en de verkeersproblematiek onderkent, en dat een reeks milieuvoorwaarden worden opgelegd; dat tijdens de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommis- sie de exploitant heeft verklaard dat het geen probleem is om contacten en toelichting te geven aan de bewoners; dat de bestreden beslissing niet expliciet en als zodanig ingaat op het aspect betrokkenheid van de bewonersgroep, doch dat die verplichting niet bestaat; dat wat ten slotte de sanering en de toegankelijkheid van de bosbuffer betreft, de exploitant tijdens het horen door de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie stelt dat de sanering wel degelijk zal doorgaan en dat gelijktijdig met de activiteit de sanering zal worden opgestart; dat in artikel 3bis van de beroepen beslissing, dewelke is bevestigd door de bestreden beslissing, als aandachtspunt erop wordt gewezen dat, aangezien het bedrijfsterrein voorkomt op de lijst van te saneren terreinen, er een bodemsaneringsdossier moet worden ingediend bij OVAM; dat het aspect bodemsanering bovendien losstaat van het aspect milieuvergunning; dat de motiveringsplicht niet vereist dat in het kader van de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag stil wordt gestaan bij het aspect bodemsanering; dat de milieuvergunning een bosbuffer oplegt en aldus een antwoord geeft op de bezwaren van de beroepindieners; dat indien de exploitant zich niet aan die voorwaarde kan houden, dit een zaak is van niet-uitvoeren van de milieuvergunning, en niet van de wettigheid van de milieuvergunning; dat bij het beoordelen van de milieuvergunningsaanvraag, het aspect toegankelijkheid van de bosbuffer niet moet worden beoordeeld; dat dit probleem overigens op een uiterst summiere wijze werd aangebracht in een beroepschrift; dat het vijfde middel niet gegrond is; 3.6.1. Overwegende dat verzoekster in het zesde middel aanvoert dat er in de onmiddellijke omgeving reeds een slibstort is, met name de site "Callemans- putte", dat er geen enkel redelijk argument te vinden is waarom er op zo'n korte afstand twee slibstorten zouden moeten zijn, die daarenboven hetzelfde soort slib en afval verwerken, dat een dergelijke houding en beslissing kennelijk onredelijk zijn; 3.6.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het redelijkheidsbeginsel slechts geschonden is wanneer de beslissingnemende overheid op evidente wijze een onjuist gebruik van zijn beleidsvrijheid heeft gemaakt, dat de Raad van State slechts over een marginaal VII-36.334-27/30 toetsingsrecht beschikt, en zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats kan stellen van de bevoegde administratieve overheid, dat de Raad van State alleen kan nagaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen, dat verzoekster geen argumenten aanbrengt die kunnen doen aanvaarden dat de beslissing over de milieuvergunning op zich kennelijk onredelijk is, dat er evenmin argumenten zijn om te besluiten dat de nabijheid van een ander slibstort de beslissing wel kennelijk onredelijk maakt, dat het argument van de nabijheid, dat op zichzelf staat en exclusief moet worden getoetst aan het redelijkheidsbeginsel, in het bijzonder economische aspecten van de exploitatie schijnt te raken, dat het voor de Raad van State onmogelijk is om de opportuniteit van de bestreden beslissing in functie van de nabijheid van een ander slibstort te beoordelen, dat er geen feitelijke grondslag is voor het middel; 3.6.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord nog stelt dat zelfs binnen de plannen van de Gentse Kanaalzone erin wordt voorzien dat binnen tien jaar het gebied Rieme-Noord zou kunnen worden onteigend indien er een gebrek zou zijn aan bergingsplaats; dat zij niet begrijpt waarom dit niet voldoende is, minstens rekening houdend met het principe "zuinig ruimtegebruik" zoals voorgesteld in het ontwerp-strategisch plan van de Gentse Kanaalzone; 3.6.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst argumenteert dat de zone voor slibverwerking ter hoogte van Rieme-Noord geheel losstaat van de door verzoekster bestreden milieuvergunning van 12 april 2006, dat er geen twee gelijksoortige slibstorten op korte afstand van elkaar worden vergund, dat de "Callemansputte" een baggerstort betreft, terwijl het voorliggende dossier betrekking heeft op een nieuw recyclagecentrum voor de verwerking van bagger- en ruimingsspecie waar niet wordt gestort maar enkel verwerkt, dat de baggerspecie niet op de site blijft, dat het geen inrichting voor definitieve afvalverwijdering betreft; 3.6.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie nog toevoegt dat het project tegemoetkomt aan de verschillende opties van het ontwerp-uitvoeringsplan voor bagger- en ruimingsspecie waarbij de schaarse beschikbare ruimtes die gereserveerd zijn voor de berging van bagger- en ruimingsspecie maximaal worden benut, dat het project voorts mogelijkheden opent tot het afdekken van het gipsstort en dat door de uitvoering van het project ook een zogenaamd brownfield zal kunnen worden gesaneerd; VII-36.334-28/30 3.6.6. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij aannemelijk maken dat het baggerstort "Callemansputte", dat gericht is op het storten en bijgevolg het definitief verwijderen van afvalstoffen, niet te vergelijken is met de inrichting die het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing, met name een recyclagecentrum voor de verwerking van bagger- en ruimingsspecie; dat een dergelijk recyclagecentrum geen stortplaats is en niet is gericht op de definitieve verwijdering van de afvalstoffen, behoudens een kleine restfractie; dat waar verzoekster stelt dat twee gelijkaardige inrichtingen op korte afstand van elkaar worden ingeplant, het middel feitelijke grondslag mist; dat bovendien, zelfs indien het stort aan de "Callemansputte" min of meer hetzelfde zou zijn als het recyclage- centrum, de Raad van State de redelijkheid van de beslissing slechts marginaal kan toetsen; dat het trouwens niet noodzakelijk kennelijk onredelijk is om een vergunning te verlenen voor twee vergelijkbare inrichtingen die relatief dicht bij elkaar liggen omdat de plaatselijke omstandigheden zich daar goed toe kunnen lenen; dat niet blijkt dat de overheid bij het afleveren van de thans in het geding zijnde milieuvergunning kennelijk onredelijk heeft geoordeeld; dat het zesde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-36.334-29/30 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.334-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.642 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div