← België

Arrest 194644 - Milieuvergunningen - 25/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.644 Rolnummer: A. 192011/VII-37337 Zaak: Arrest 194644 - Milieuvergunningen - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.644 van 25 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.644 van 25 juni 2009 in de zaak A. 192.011/VII-37.337. In zake : 1. Willem VAN GILS, 2. Josephina VAN GESTEL, die woonplaats kiezen bij advocaten P. FLAMEY en G. VERHELST, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, Archimedesstraat 7. tussenkomende partij : de BVBA GROETELAERS PLUIMVEE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willem VAN GILS en Josephina VAN GESTEL op 30 maart 2009 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 28 januari 2009 waarbij aan de BVBA GROETELAERS PLUIMVEE de milieuvergunning wordt verleend om haar pluimveebedrijf, gelegen aan de Heesdijk 28 te Ravels, verder in bedrijf te houden en te veranderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-37.337-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 20 april 2009 vraagt de BVBA GROETELAERS PLUIMVEE, begunstigde van de bestreden vergunning, om in de debatten tussen te komen. Dit verzoek kan worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. De tussenkomende partij baat te Ravels (Poppel) aan de Heesdijk 28 een pluimveebedrijf uit. De verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke nabijheid van het pluimveebedrijf. Uit een door hen bijgebracht plan blijkt dat hun woning ligt op 23 à 24 meter van de dichtstbijzijnde stal, en dat hun perceelsgrens ligt op zo'n 3 à 4 meter van de dichtstbijzijnde stal. De woning van de verzoekende partijen en het achtergelegen bedrijf van de tussenkomende partij liggen in agrarisch gebied. De milieuvergunningstoestand van het bedrijf is bepaald door een aantal vergunningen en aktenames die alle vervielen op 4 april 2008. Het bedrijf was vergund voor 25.000 legkippen. VII-37.337-2/9 2.2. Op 2 april 2008 dient de tussenkomende partij een aanvraag in strekkende tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor het verder in bedrijf houden en veranderen (uitbreiden) van haar inrichting. De aanvraag strekt er in wezen toe dat het aantal stallen wordt verhoogd van twee naar drie, en dat het aantal dieren wordt opgedreven tot 34.900 slachtkippen. 2.3. Voor het bouwen van een derde, bijkomende stal is ook een stedenbouwkundige vergunning nodig. Deze bouwvergunning is verleend op 24 februari 2009. Zij is door de verzoekende partijen bij de Raad van State bestreden met een annulatieberoep en een vordering tot schorsing (zaak A. 192.248/X-14.145). 2.4. Op 24 juli 2008 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen de gevraagde vergunning. 2.5. Onder meer de verzoekende partijen stellen een administratief beroep in tegen de verleende vergunning. Zij beklagen zich erover dat de deputatie van de provincie Antwerpen niet deugdelijk geantwoord heeft op hun grieven met betrekking tot de overmatige hinder (vliegenoverlast, geluidshinder) die zij moeten ondergaan en met betrekking tot de onvoldoende buffering tussen de inrichting en de aanpalende woningen. Volgens hen heeft de deputatie van de provincie Antwerpen de milieuhygiënische aspecten van de vergunningsaanvraag zelf niet onderzocht. Voorts gaat, volgens hen, de aanvraag niet om de hernieuwing van een bestaande inrichting maar om een regularisatie met uitbreiding van legkippen naar slachtdieren, terwijl die omschakeling en uitbreiding niet beoordeeld werden op hun verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. 2.6. In het raam van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)de afdeling Milieuvergunningen adviseert de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorgesteld wordt om de vergunning te verlenen mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden; (
  2. b)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid verleent een gunstig advies waarin de volgende argumentatie opgenomen is : "Omwoners komen in beroep tegen de uitbreidende milieuvergunning zoals gegeven door de deputatie aan een bestaand pluimveebedrijf. Dit laatste is gevestigd in twee (hoofdzakelijk) vergunde stallen, de gevraagde uitbreiding noopt tot een bijkomende stal. Deze zal uiteraard ook stedenbouwkundig moeten vergund worden. VII-37.337-3/9 De plaats situeert zich in een actief uitgebaat agrarisch gebiedsdeel van het gewestplan Turnhout, waar evenwel ook residentiële bebouwing in de naaste omgeving voorkomt. Er geldt geen nadere stedenbouwkundige ordening. Daar de bedrijvigheid in oorsprong sinds 1967 op de plaats is vergund en in overeenstemming is met de ter plaatse geldende planologische voorschriften kan principieel een gunstig standpunt ingenomen worden. Naast specifieke milieuhinder stellen de beroepers evenwel ook dat de exploitant (reeds jaren) niet voldoet aan bijvoorbeeld in de eerdere bouwver- gunning d.d. 2/4/2004 gestelde eisen tot groenomkadering. Deze blijkbaar zwaar wegende miskenning van opgelegde wettelijke inrichtingswerken kan niet blijvend gedoogd worden of steeds voorwaardelijk in de opeenvolgende beslissingen over de verdere uitbouw van het bedrijf meegenomen. Daarom maakt onze afdeling haar huidig advies over aan de stedenbouwkundig inspecteur voor de provincie Antwerpen in functie van de verdere opvolging van de zaak"; (
  3. c)de dienst Grondwaterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij verleent een gunstig advies; (
  4. d)het agentschap voor Natuur en Bos deelt mee dat het dossier geen specifieke elementen bevat die in het bijzonder betrekking hebben op het beleidsveld van het agentschap; (
  5. e)de dienst Waterbeleid van het departement Leefmilieu van de provincie Antwerpen adviseert gunstig mits rekening wordt gehouden met een aantal voorwaarden en maatregelen; (
  6. f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert de beroepen gedeelte- lijk gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden. 2.7. Op 28 januari 2009 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Daarbij wordt de vergunning verleend mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden. 3. De voorwaarden voor de schorsing Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.1. Wat de tweede voorwaarde betreft, wijzen de verzoekende partijen op het feit dat hun woning onmiddellijk paalt aan de vergunde inrichting, dat deze VII-37.337-4/9 in een ongunstige windrichting ligt en dat de exploitant nooit het groenscherm, opgelegd door de bouwvergunningen voor de bestaande stallen, aangelegd heeft. Zij maken gewag van geurhinder, vliegenplagen, verkeershinder, geluidsoverlast en visuele hinder, waardoor hun rustig woongenot aangetast wordt en zij een onherstelbaar nadeel ondergaan, en daarbij mag dan ook niet uit het oog verloren worden dat hun woning ter plaatse vergund werd vooraleer het gewestplan werd vastgesteld en dat zij in 2002 nog een vergunning verkregen voor de uitbreiding van hun woning zodat zij er mochten op rekenen dat er geen vergunning meer zou worden verleend die "hun woongenot volkomen zou uithollen". Zij expliciteren de verschillende vormen van hinder als volgt : - geurhinder: pluimveehouderijen zijn bedrijven die uit hun aard geurhinder veroorzaken. Hier gaat het om drie stallen met ongeveer 35.000 moederdieren voor slachtkuikens die een aanzienlijke hoeveelheid mest produceren en ammoniak verspreiden. Volgens het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) mag een pluimveehouderij niet ingeplant worden op minder dan 300 meter van een woongebied, en daarmee geeft de regelgever aan dat dergelijk bedrijf op een geringere afstand ontoelaatbare hinder veroorzaakt. Hun woning ligt op twintig meter van de stallen in een nadelige windrichting en zij zullen derhalve flink te lijden hebben van de voorgenomen uitbreiding van 25.000 naar 35.000 dieren; - vliegenplagen : tijdens het openbaar onderzoek hebben zij verwezen naar de gebeurtenissen in 2004 en in 2007. Vooral in warmere maanden hebben zij last van ontzettend veel ongedierte, inzonderheid nu de exploitant dikwijls de mest op het erf loost; - verkeershinder en geluidsoverlast: de verluchtingsventilatoren op het bedrijf draaien dag en nacht en zorgen voor lawaai. De toegang tot het bedrijf gebeurt door een smalle toegangsweg tussen de huizen. Er wordt een noodstroomgenerator gebruikt die wekelijks proefdraait en tot 's avonds laat rijden er tractoren en vrachtwagens af en aan en worden kippen en voer geladen en gelost; - visuele hinder: ondanks de opgelegde verplichting, is het groenscherm na zeven jaar nog niet aangeplant en bestaat er geen afscherming tussen de percelen. 3.2. Het bestreden besluit heeft betrekking op het voortzetten van de bestaande kippenkwekerij, op de omschakeling van leghennen naar slachtkippen en op de uitbreiding van het aantal dieren van 25.000 tot 34.900, waarvan 7.300 dieren in een nieuw te bouwen stal. VII-37.337-5/9 De verzoekende partijen, wiens woning vlak naast de inrichting gelegen is en die benadeeld zijn door de overheersende windrichting, ondergaan nu reeds hinder van de bestaande inrichting. In het kader van de hier besproken vraag naar het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de vernieuwing van de vergunning en de uitbreiding ervan, zal dan ook nagegaan moeten worden of de bestaande hinder toeneemt en of dit gebeurt in die mate dat het gerechtvaar- digd is de verzoekende partijen niet langer dan strikt nodig te laten wachten op een uitspraak ten gronde. 3.3. Ter terechtzitting wijzen de verzoekende partijen erop dat de vergunning waarover de tussenkomende partij beschikte sinds 4 april 2008 vervallen is, dat zij sindsdien geen vergunning meer heeft en dat het nadeel dat verbonden is met de tenuitvoerlegging van de nieuwe vergunning bijgevolg afgewogen moet worden aan de situatie waarin naast hun woning geen hinderlijke inrichting wordt uitgebaat. Die stelling kan niet gevolgd worden. Immers, de verzoekende partijen tonen niet aan dat de tussenkomende partij geen vernieuwing van haar vergunning kan verkrijgen en dat zij de bestaande toestand niet kan bestendigen. De juridische consequenties die verbonden zijn aan het aflopen van de vergunning in geval van een laattijdig ingediende vernieuwingsaanvraag, beletten niet dat de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet gebeuren in functie van de feitelijke situatie ter plaatse en die is, in dit geval, dat de tussenkomende partij vlakbij het perceel van de verzoekende partijen op grond van een niet-betwiste vergunning een kippenbedrijf met 25.000 dieren uitgebouwd heeft waarvan de vergunning verlengd kan worden, zodat de verzoekende partijen alvast die hinder moeten blijven dulden. 3.4. Het bedrijf van de tussenkomende partij en de woning van de verzoekende partijen liggen in agrarisch gebied. Dit betekent dat van de verzoeken- de partijen aldus een grotere tolerantie verwacht mag worden ten aanzien van de hinder veroorzaakt door de vestiging van een pluimveebedrijf dat, in beginsel althans, in dergelijk agrarisch gebied thuishoort. Dat de verzoekende partijen niet lang geleden nog een vergunning verkregen hebben voor verbouwingen op hun perceel kan geen beoordelingselement zijn om te besluiten dat de hinder van het naastgelegen bedrijf van de tussenkomende partij ernstiger is dan voorheen of dat zij minder hinder moeten dulden. VII-37.337-6/9 3.5. De verzoekende partijen stellen dat de omschakeling van leghennen naar slachtkippen de hinder zal vergroten omdat slachtkippen meer mest produceren dan leghennen. Die stellingname wordt niet aangetoond, zij is ook niet evident en bovendien betekent het verhogen van de kwantiteit mest niet dat de hinder evenredig verhoogt tot een niveau dat de verzoekende partijen niet langer moeten dulden, terwijl toch ook niet verondersteld mag worden dat de uitbater de opgelegde vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de verwijdering van de mest niet zal naleven. 3.6. Ook de omstandigheid dat nu meer dieren gehouden zullen worden en dat er daarvoor een nieuwe stal wordt bijgebouwd leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de hinder, en meer bepaald de geurhinder en de hinder van insecten, vergroot, inzonderheid omdat de nieuwe stal gebouwd wordt op het stuk grond naast de bestaande stallen en verder weg van de woning van de verzoekende partijen. 3.7. Er mag aangenomen worden dat het stijgen van het aantal dieren gevolgen zal hebben op de transporten naar en van de inrichting. De verzoekende partijen tonen evenwel niet aan dat precies die vermeerdering hen een onherstelbaar nadeel berokkent. Hetzelfde geldt voor de aangevoerde lawaaihinder. 3.8. Uit de overgelegde plannen blijkt dat de nieuwe stal opgetrokken zal worden achter de loods waarop de verzoekende partijen nu reeds vanuit hun woning aankijken. Van een grotere visuele hinder is derhalve, in de mate aangeno- men moet worden dat de verwerende partij de verplichting had om bij het onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag ook eigenmachtig de stedenbouwkundige aspecten van de aanvraag te onderzoeken, geen sprake. 3.9. De verzoekende partijen verwijzen naar de grote hinder die zij ondergaan omdat de tussenkomende partij de voorwaarden van de bestaande vergunningen niet naleeft, zoals de opslag van mest op het terrein en het nalaten om de groene gordel rond het bedrijf uit te voeren. Het nadeel dat daarmee verbonden is volgt evenwel niet uit de tenuitvoerlegging van het thans bestreden besluit, maar is een probleem van naleving van de bestaande vergunningen. VII-37.337-7/9 3.10. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen kan niet opgemaakt worden dat de nieuwe vergunning voor hen een nadeel teweegbrengt dat, in het licht van de hinder die zij van de bestaande situatie ondergaan, hun situatie dermate wijzigt dat zij nu kunnen gewagen van een nadeel dat ernstig en moeilijk te herstellen is. Er is te dezen niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor de schorsing van het bestreden besluit, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. het verzoek tot tussenkomst van de BVBA GROETELAERS PLUIMVEE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-37.337-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni tweeduizend en negen, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-37.337-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.644 Gerelateerde publicatie(
  7. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.