id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:A
§ 1
NGW), wordt afgesloten door de gemeenteraad en aan de rekenplichtige kwijting wordt verleend, wat van rechtswege de teruggave van de zekerheid met zich meebrengt (art.
§ 4
NGW.); dat deze eindrekening de verantwoording vormt van de gewezen ontvanger, enerzijds tegenover zijn opvolger wat betreft het beheer van de overgedragen kasvoorraad en anderzijds, tegenover de gemeente wat betreft het resultaat van zijn kasbeheer gedurende zijn ganse loopbaan als gemeentelijke rekenplichtige; Overwegende dat er, gelet op wat voorafgaat, aan een ontvanger enkel op expliciete wijze ontlasting kan worden verleend via de eindrekening en nooit impliciet, op welke wijze ook; Overwegende dat verzoeker zijn mandaat als gemeenteontvanger ononderbroken heeft uitgeoefend vanaf 1 april 1990 tot en met 31 maart 2000, of het nu als gewoon gemeenteontvanger was dan wel als ontvanger ad interim; dat hij geen eindrekening heeft opgemaakt per 1 oktober 1999, datum van zijn aanstelling als ontvanger ad interim en hem aldus voor de periode van 1 april 1990 tot 1 oktober 1999 nog geen ontlasting kon worden verleend; dat hij derhalve per 31 maart 2000, datum van de ambtsophouding, een eindrekening dient op te maken om ontlasting te kunnen bekomen van zijn kasbeheer voor de volledige periode van zijn ambtsuitoefening als rekenplichtige; Overwegende dat het onderzoek heeft uitgewezen dat n.a.v. het opstellen van de beginbalans per 1 januari 1995 in het kader van de nieuwe gemeente- boekhouding (KB van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de gemeentelijke comptabiliteit) een kastekort werd vastgesteld van 2.384.281,- BEF tussen enerzijds de beschikbare gelden in de kas van de ontvanger en de saldi op de financiële rekeningen en anderzijds het te verantwoorden vermogen zoals dit bleek uit de rekening 1994 (cfr. opgevraagde stukken :
- beginbalans en
- kastoestand van de ontvanger per 31.12.1994); Dat dit kastekort in de beginbalans werd geboekt op de algemene rekening 55700 - ‘Kasverschillen’. dat hierbij dient onderstreept te worden dat de beginbalans is tot stand gekomen mede onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteontvanger; dat voormeld kasverschil werd vastgesteld aan de hand van financiële gegevens waarover de ontvanger beschikt en waarover hij het beheer heeft; dat de ontvanger niet heeft geprotesteerd tegen de inschrijving van dit kasverschil in de beginbalans; dat de gemeenteraad deze beginbalans heeft goedgekeurd op 30 mei 1996; dat, gelet op wat voorafgaat, moet worden aangenomen dat de ontvanger niet onwetend was over het bestaan van een kasverschil, vermits het werd vastgesteld op basis van door hem aangereikte gegevens; dat het tot zijn persoonlijke verantwoordelijkheid behoort de oorzaak van dit kasverschil op te zoeken; dat het gemeentebestuur de ontvanger daartoe middelen en mogelijkheden heeft gegeven; dat het gemeentebestuur o.a. beroep heeft gedaan op de Fiduciaire Deloitte & Touch om bijstand te verlenen aan verzoeker (cf. stuk 15 van bundel verweerster); Overwegende dat de rekening “Kasverschillen” in de boekhouding, bij gebrek aan volledige verantwoording vanwege de ontvanger, niet kon worden aangehouden en er toepassing diende te worden gemaakt van art. 82 van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit dat bepaalt : XII-3228-6/30 “Teneinde de juistheid van de rekeningen te behouden in geval van tekort ... zal een vordering ten beloop van hetzelfde bedrag worden geboekt in de Algemene Boekhouding”; Overwegende dat in de rekening 1996, overeenkomstig het art. 82 voornoemd, een vordering werd ingeschreven met individuele rekening op naam van de gemeenteontvanger, voor een bedrag van 2.141.614,- BEF, blijkens kasnazicht per 31.12.1996; dat dit bedrag in de latere kasverslagen telkens wordt bevestigd; dat dit bedrag niet werd betwist; Dat deze vordering op de ontvanger werd goedgekeurd door de toeziende overheid bij de definitieve vaststelling van de rekening 1996; dat de ontvanger noch tegen de inschrijving van de individuele rekening op zijn naam noch tegen de goedkeuring ervan door de toeziende overheid voorbehoud heeft gemaakt en evenmin beroep heeft ingediend; dat hieruit kan worden afgeleid dat verzoeker stilzwijgend akkoord was met de op zijn naam ingeschreven vordering; Overwegende dat de latere kasverslagen die vanaf eind 1998 (16 december 1998) werden opgesteld, en waarin telkenmale het kastekort wordt vermeld, zonder enig voorbehoud door verzoeker werden ondertekend; dat verzoeker het kastekort op zich zowel als het bedrag van het kastekort nooit heeft betwist, maar integendeel uitstel heeft gevraagd om hierover verantwoording te geven (o.a. brief dd. 18 januari 1999 - stuk 11 van bundel verweerster), wat hem werd toegestaan; Overwegende dat het in casu vastgestelde kastekort volledig is toe te schrijven aan zijn ambtsperiode, vermits er voor 1 april 1990 (begindatum van zijn ambtsperiode) slechts een debet was van 1.823,- BEF ten laste van de toenmalig uittredende gemeenteontvanger, zoals blijkt uit de eindrekening van 1 april 1990, opgemaakt door de voorganger van verzoeker (stuk 31 van bundel verweerster); dat het debet van 1.823,BEF werd gestort in de gemeentekas; dat het bedrag van 25.890,- fr. waarover verzoeker spreekt, niets te maken heeft met een kastekort van de vorige ontvanger maar met nog openstaande vorderingen op het ogenblik van de ambtsbeëindiging van de voorganger; Overwegende dat, niettegenstaande verscheidene aanmaningen (o.a. overtuigingsstukken : 1 bijlage - 3 - 5 van bundel verweerster) van verweerster, dhr. Vanryckeghem nooit een verantwoording heeft gegeven van het kastekort; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het college, door het niet systematisch verrichten van kasnazichten zijn wettelijke taak niet is nagekomen en geen passende maatregelen heeft genomen; Overwegende dat het nauwgezet uitoefenen van kasnazichten van groot belang is omdat de ontvanger tijdens zijn loopbaan geen verantwoording over een kasrekening aflegt; Overwegende dat verweerster hiertegenover stelt dat de controle voor haar onmogelijk werd gemaakt, minstens ten zeerste bemoeilijkt door de permanente achterstand die verzoeker opbouwde : de boekhouding werd niet bijgehouden van “dag tot dag” en bijgevolg waren niet alle schrifturen bijgewerkt om het kasbezit te verantwoorden; Dat het aantreden van de ontvanger samenviel met het automatiseren van de financiële diensten en zijn werkwijze erin bestond de verrichtingen voorlopig manueel bij te houden om ze pas daarna, geleidelijk aan, in te boeken in de geautomatiseerde bestanden; dat het juist deze werkwijze was die oorzaak was van de achterstand; Overwegende dat, zelfs al zou het college in gebreke gebleven zijn aangaande het kasnazicht dan nog kan het ontbreken van kasverslagen op geen enkele wijze afbreuk doen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van de ontvanger; dat er op elk ogenblik overeenstemming dient te zijn tussen wat er werkelijk in kas is en wat er in de journaals is ingeschreven; dat de ontvanger de kasverificaties niet hoeft af te wachten om de gezegde overeenstemming te XII-3228-7/30 controleren; dat van een rekenplichtige ambtenaar, mede gelet op zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, kan worden verwacht dat hij regelmatig aan zelfcontrole doet; dat deze controle trouwens reglementair wordt opgelegd zoals blijkt uit het artikel 39 § 7 van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit, dat de ontvanger verplicht om bij de maandelijkse afsluiting van de boeken een staat op te maken waaruit de overeenstemming blijkt van de boekingen met de kasmiddelen; Overwegende dat de betwiste vordering van verweerster voldoende blijkt uit het PV van Kasnazicht van 31.12.1999, dat in dit PV een vergelijking wordt gemaakt tussen het verantwoord vermogen, zoals dit blijkt uit de rekening- uittreksels van financiële instellingen en de kas van de ontvanger, en het te verantwoorden vermogen, zoals dit blijkt uit de boekhouding; dat er uit deze vergelijking een verschil tot uiting komt als volgt : 2.141.614,- BEF, (zie PV, van Kasnazicht dd. 16 december 1998) 102.622,- BEF (boete en verwijlintresten op laattijdig betaalde bedrijfsvoorheffing) 101.575,- BEF (tekort in kas ontvanger) wat meteen een overzicht inhoudt; dat de cijfers, opgenomen in voornoemd PV, zijn terug te vinden als volgt : 2.244.236,- BEF op de individuele rekening van de ontvanger en 101.575,- BEF als onverantwoord tekort op de kas van de ontvanger; dat dit PV de officiële neerslag is van vaststellingen die bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel (cf, opgevraagd stuk nr. 3 en stuk nr. 7 van bundel verweerster); Overwegende dat uit het dossier is gebleken dat de ontvanger op geen enkel ogenblik het bewijs levert van het tegendeel; dat hij evenmin valabele argumenten aanbrengt ter eventuele ontlasting van zijn aansprakelijkheid in deze; Overwegende dat de aantijging van verzoeker over het financieel wanbeleid van de gemeente, waarvan hij meent het slachtoffer te zijn, niet kan tegengesteld worden aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van de ontvanger voor zijn kasbeheer; Overwegende dat de beoordeling van het financieel beleid van de gemeente Deerlijk niet aan de orde is in deze procedure; Overwegende dat verzoeker voorhoudt dat de definitieve vaststelling van de jaarrekening de validatie inhoudt van de door de gemeenteontvanger voor het betreffende dienstjaar bijgehouden boekhouding, waardoor hij meent niet meer verantwoordelijk te zijn voor het vastgestelde kastekort; Overwegende dat in de jaarrekeningen een “ invorderingsrecht op de ontvanger” geboekt staat voor de vastgestelde tekorten, waartegen de ontvanger geen protest heeft aangetekend; dat de validatie, waarvan hierboven sprake, niet gelijk staat aan de ontlasting voor het kasbeheer die aan de ontvanger eenmalig wordt verleend ter gelegenheid van het voorleggen van de eindrekening; dat er op grond van de definitief vastgestelde rekeningen immers geen jaarlijkse kwijting wordt verleend aan de ontvanger voor zijn kasbeheer; dat deze kwijting pas wordt verleend op het ogenblik van zijn ambtsophouding en dit op basis van de afgesloten eindrekening (zie art.
§ 2
van de nieuwe gemeentewet); Overwegende dat de eventuele burgerlijke aansprakelijkheid van één of meerdere leden van het college voor mogelijke oninbare tekorten ten laste van de ontvanger - wat in casu alsnog niet het geval is - tot de bevoegdheid behoort van de burgerlijke rechtbank en niet van de administratieve rechter; dat deze laatste enkel bevoegd is om uitspraak te doen over de aansprakelijkheid van de ontvanger en het bedrag van het tekort lastens hem te bepalen; Overwegende dat uit de debet- en credit bewegingen op de rekening 55700 - Kas van de ontvanger - per 31 december 1999 een creditsaldo blijkt van 121.110,- BEF; dat uit de kastelling is gebleken dat zich slechts 19.535,- BEF XII-3228-8/30 in kas bevond, hetzij m.a.w. een tekort van 101.575,- BEF. (zie opgevraagde stukken onder nr. 4); Overwegende dat het ten laste leggen van de ontvanger van boeten en nalatigheidsintresten op laattijdig betaalde bedrijfsvoorheffing een beslissing veronderstelt van de gemeenteraad; dat de gemeenteraad op het tijdstip van de kasverificatie daarover nog geen beslissing had genomen; dat dit bedrag derhalve voorbarig ten laste werd gelegd van de rekenplichtige; dat deze aangelegenheid bijgevolg dient geregeld bij de afsluiting van de eindrekening van de ontvanger; Overwegende dat uit niets in de stukken van het dossier blijkt dat de kastekorten zijn te wijten aan diefstal of verlies van gelden; dat in die gevallen het aan de gemeenteraad toekomt te beslissen in hoeverre de ontvanger voor de diefstal of het verlies aansprakelijk is en het bedrag van het tekort te bepalen (artikel 131 § 2 en 3 van de nieuwe gemeentewet); dat het evenmin gaat om tekorten als gevolg van het afwijzen van uitgaven op definitief vastgestelde rekeningen; dat dan ook niet anders kan worden besloten dan dat het hier gaat om niet verantwoorde kastekorten, waarvoor de ontvanger persoonlijk aansprakelijk is; Overwegende dat aangaande het door verzoeker geformuleerde voorbehoud om één of meerdere leden van het college van burgemeester en schepenen ter verantwoording te roepen, het artikel 131, § 4 van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat dit enkel van toepassing kan zijn wanneer het tekort is toe te schrijven aan het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven; dat uit het onderzoek is gebleken dat het tekort niet toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van uitgaven die op onregelmatige wijze zouden zijn gedaan of bevolen door de leden van het college; dat het door verzoeker gemaakte voorbehoud dan ook moet worden afgewezen; Overwegende dat het beroep dd, 22 mei 2000 bij de Bestendige Deputatie tegen het verzoek van het college van burgemeester en schepenen van 23 maart 2000, waarbij verzoeker gesommeerd wordt een bedrag gelijkwaardig aan het kastekort in de gemeentekas te storten, weliswaar de tenuitvoerlegging schorst, doch niet belet dat het gemeentebestuur de gewezen gemeenteontvanger kan aanmanen om zijn eindrekening op te maken, en bij gebreke van de ontvanger om daaraan gevolg te geven, de nodige stappen kan ondernemen om zelf de eindrekening op te stellen (cfr. art. 86 van het Algemeen Reglement op de gemeentelijke comptabiliteit); dat anderzijds het gemeentebestuur niet hoeft te wachten op de eindrekening van de ontvanger om de aanzuivering van kastekorten op te eisen maar integendeel dat het tot de bevoegdheid en verplichting behoort van het college van burgemeester en schepenen om de ontvanger te verzoeken niet verantwoorde kastekorten in de gemeentekas te storten; Overwegende dat er enige verwarring is ontstaan bij verzoeker over de “bevoegde provinciale diensten” die door hem worden gelijkgesteld met de Bestendige Deputatie; dat met de “bevoegde provinciale diensten” wordt bedoeld de in de provincie gevestigde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, waarvoor de gouverneur optreedt in de hoedanigheid van toeziende overheid; dat bijgevolg de Bestendige Deputatie in casu rechter is maar geen partij; Gelet op de behandeling van deze zaak op de openbare terechtzitting van 19 april 2001; Gelet op de mondelinge opmerkingen van verzoeker geformuleerd op deze zitting; Overwegende dat het onderzoek van de jaarrekeningen 1990 t.e.m. 1999 geen nieuwe elementen heeft aangebracht; dat deze jaarrekeningen trouwens werden opgemaakt onder verantwoordelijkheid van de ontvanger en hem dus genoeg- zaam bekend zijn, dat, zoals reeds hoger gezegd, de validering van de XII-3228-9/30 jaarrekeningen geen decharge inhoudt van de verantwoordelijkheid van de ontvanger voor zijn kasbeheer; Overwegende dat het onderzoek van de door partijen voorgelegde stukken, in hun geheel genomen, volstaan om zich uit te spreken over het niet verantwoorde kastekort; dat er bijgevolg geen aanleiding is om een aanvullend getuigenverhoor te bevelen; Overwegende dat verzoeker poneert dat de eindrekening dd. 1 april 1990 van de gewezen gemeenteontvanger Th. [L.] vals is; Gelet op de brief dd. 10 mei 2001 van verweerster waarin zij, in antwoord op de vraag daartoe van de Bestendige Deputatie, in toepassing van art. 12 van het KB van 17 september 1987, volhardt in haar voornemen om van deze eindrekening gebruik te maken in het geding; Overwegende dat verzoeker op geen enkele wijze het bewijs van valsheid levert; dat bij gebreke aan een afdoend bewijs van valsheid wordt geoordeeld dat stuk 31 van het bundel van verweerster aan alle criteria van juistheid, oprechtheid en authenticiteit voldoet, en als bewijskrachtig stuk wordt aanvaard voor, wat de verantwoording betreft over het kasbeheer van de vorige ontvanger”. 1.
- Met een aangetekende brief van 30 juni 2000 wordt verzoeker meegedeeld dat het college van burgemeester en schepenen hem in zijn zitting van 26 juni 2000 een eenmalige termijnverlenging tot 24 juli 2000 toestaat om zijn eindrekening op te maken en te overhandigen. Een gerechtsdeurwaarder maant verzoeker op 7 augustus 2000 aan “om op uiterlijk woensdag 30 augustus aanstaande om 11 u. 30 de eindrekening waarvan sprake in artikel 138bis § 1 van de Nieuwe Gemeentewet [...] af te leveren op het gemeentebestuur en te richten aan het College van Burgemeester en schepenen”. Aangezien verzoeker ook hierop niet reageert, geeft het gemeentebestuur op 13 september 2000 opdracht aan de Fiduciaire Deloitte & Touche om de eindrekening op te maken. Met een brief van 19 juli 2001 wordt verzoeker een exemplaar van de eindrekening bezorgd met verzoek deze te ondertekenen of zijn opmerkingen binnen de dertig dagen te bezorgen. Met een aangetekende brief van 16 augustus 2001 geeft verzoeker zijn opmerkingen aan het gemeentebestuur. 1.
- In zijn zitting van 27 september 2001 besluit de gemeenteraad van Deerlijk om de eindrekening van verzoeker voorlopig af te sluiten. XII-3228-10/30 Op 3 juli 2002 keurt de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen deze eindrekening goed. Met een beroepschrift van 5 augustus 2002 tekent verzoeker tegen deze goedkeuringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vlaamse regering. 1.
- Op 1 oktober 2002, neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de in het tweede beroep - zaak A.130.047 - bestreden beslissing waarbij de eindrekening per 31 maart 2000 van verzoeker vastgesteld wordt met een tekort van in totaal 2.465.234 frank. De aanhef van het betreffend besluit bevat onder meer volgende considerans : “Overwegende dat de heer Leopold Vanryckeghem in zijn beroepschrift van 5 augustus 2002 twee beroepsgrieven formuleert: enerzijds betwist hij zijn aansprakelijkheid met betrekking tot de kastekorten ingeschreven op zijn naam; anderzijds verklaart bij zich niet akkoord met de aanmanings- en expertisekosten betreffende de opmaak van de eindrekening; Overwegende dat de heer Leopold Vanryckeghem inzake de betwisting van de kastekorten verwijst naar zijn verzoekschrift van 24 juli 2001 tot nietigverklaring bij de Raad van State van de bovenvermelde beslissing van 17 mei 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen; Overwegende dat de Vlaamse regering niet bevoegd is zich uit te spreken over de eventuele aansprakelijkheid van de gemeenteontvanger voor de door het college en de gemeenteraad vastgestelde kastekorten; dat het, overeenkomstig artikel 131, § 4, van de Nieuwe Gemeentewet aan de bestendige deputatie toekomt om, als administratief rechtscollege, uitspraak te doen over de aansprakelijkheid van de ontvanger en het tekort te bepalen dat ten laste van de ontvanger wordt gelegd; dat tegen die beslissing van de bestendige deputatie enkel beroep mogelijk is bij de Raad van State; Overwegende dat, tot zolang de Raad van State de voormelde beslissing van de bestendige deputatie niet heeft vernietigd, die beslissing van kracht blijft; Overwegende dat de Vlaamse regering, overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, in het geval van beroep door de gemeenteontvanger of door de gemeenteraad tegen het besluit van de provinciegouverneur betreffende de eindrekening, bevoegd is om de eindrekening vast te stellen; Overwegende dat bij toepassing van artikel 138bis, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet, de gemeenteraad van Deerlijk de eindrekening per 31 maart 2000 van de heer Leopold Vanryckeghem voorlopig heeft afgesloten en ten laste van de betrokkene een tekort heeft vastgesteld van 2.465.234 BEF, samengesteld als volgt : 2.141.614,- BEF (kasverschil opgenomen op individuele rekening ontvanger; het oorspronkelijk kasverschil in de boekhouding opgenomen als vordering op de ontvanger bedraagt 2.244.236,- BEF, waarvan 102.622,- BEF als ontlast werd vastgesteld bij de bovenvermelde raadsbeslissing); XII-3228-11/30 101.575,- BEF (in de boekhouding opgenomen als onverantwoord tekort op kas ontvanger); 2.040,- BEF (verwijlintresten wegens laattijdige betaling van de bedrijfsvoorheffing; collegebesluit van 7 februari 2001); 2.734,- BEF (aanmaningskosten gerechtsdeurwaarder); 151.401,- BEF (opmaak eindrekening Deloitte & Touche, factuur 31.01.2001); 65.870,- BEF (opmaak eindrekening Deloitte & Touche, factuur 19.06.2001). Overwegende dat de heer Leopold Vanryckeghem zich in zijn beroepschrift ook niet akkoord verklaart met het hem ten laste leggen van de aanmanings- en expertisekosten betreffende de opmaak van de eindrekening; dat hij daarvoor als reden aanhaalt dat het precies omwille van de betwisting van de kastekorten is dat hij niet kon overgaan tot de opmaak van de eindrekening; dat het college van burgemeester en schepenen van Deerlijk aan de Fiduciaire Deloitte & Touche de opdracht tot opmaak van de eindrekening heeft gegeven in het kader van zijn eigen verdediging voor de bestendige deputatie en dat het dan ook onaanvaardbaar is dat die kosten op de gewezen gemeenteontvanger worden verhaald; dat, indien de Raad van State zou oordelen dat de beslissing van 17 mei 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen moet vernietigd worden, de verzoeker zelf op vrij korte termijn de eindrekening had kunnen opmaken; Overwegende dat de opmaak van de eindrekening bij de ambtsbeëindiging van de ontvanger expliciet voorzien is in het artikel 138bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en de artikelen 85 en 86 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit; dat een betwisting over kastekorten bij de bestendige deputatie - ook al schorst deze procedure de invordering van de kastekorten - niet belet dat bij ambtsbeëindiging van de ontvanger een eindrekening moet worden opgemaakt om zijn financieel beheer en zijn kastoestand op de datum van de ambtsbeëindiging te kunnen vaststellen en afsluiten tegenover zijn opvolger; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, bij aangetekende brief van 23 maart 2000, in toepassing van artikel 138bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 86, § 1, van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, de ontvanger verzocht heeft zijn eindrekening voor te leggen aan het college op uiterlijk 1 juni 2000; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, bij aangetekende brief van 30 juni 2000 de ontvanger aan de opmaak van de eindrekening heeft herinnerd en hem een termijnverlenging tot 24 juli 2000 heeft toegestaan, bij gebreke waarvan hij zou worden aangemaand bij deurwaardersexploot, overeenkomstig artikel 86, § 2, van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit; Overwegende dat op 26 juli 2000 het college besliste de uiterste datum van indiening van de eindrekening vast te stellen op 30 augustus 2000, om 11.30 uur, en dat wanneer de bij gerechtelijk deurwaardersexploot betekende aanmaning bij termijnverstrijking zonder gevolg zou blijven, aan de Fiduciaire Deloitte en Touche opdracht zou worden gegeven om de eindrekening op te maken; Overwegende dat in voornoemd geval de aanmanings- en expertisekosten voor de opmaak van de eindrekening, overeenkomstig artikel 96, § 2, van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, in de eindrekening ten laste van de uittredende ontvanger worden aangerekend; Overwegende dat bij deurwaardersexploot van 7 augustus 2000 van gerechts-deurwaarders Dockers & Hessels, de heer Leopold Vanryckeghem werd aangemaand zijn eindrekening in te dienen overeenkomstig de XII-3228-12/30 voornoemde collegebeslissing van 26 juli 2000; dat de ontvanger echter aan die aanmaning geen gevolg heeft gegeven, waarna het college de eindrekening heeft opgemaakt op basis van de gegevens in zijn bezit, overeenkomstig artikel 86, § 2, van het algemeen reglement op de gemeentecomptabiliteit; Overwegende dat het college, bij het opmaken van de eindrekening, gehandeld heeft binnen het daartoe voorziene wettelijke en reglementaire kader en dat de gemeenteraad, bij het afsluiten van de eindrekening en het vaststellen van het tekort lastens de heer Vanryckeghem, eveneens de wettelijke en reglementaire bepalingen heeft nageleefd; Overwegende dat de Vlaamse regering de eindrekening waarvoor de gemeenteontvanger beroep heeft ingesteld tegen de goedkeuring ervan door de provinciegouverneur, binnen een termijn van vijftig dagen na het inkomen van het beroep definitief moet vaststellen; dat het beroep van de gemeenteontvanger bij de Vlaamse regering is ingekomen op 13 augustus 2002; dat dus voor de Vlaamse regering de termijn voor de vaststelling van de eindrekening verstrijkt op 2 oktober 2002”. De procedure 2.
- In het belang van een goede rechtsbedeling is het aangewezen beide beroepen samen te behandelen en in één arrest af te doen. 2.
- Overeenkomstig artikel 131, § 4, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet doet de deputatie als administratief rechtscollege uitspraak over de aansprakelijkheid van de gemeenteontvanger. Een administratief rechtscollege waarvan de beslissing wordt bestreden kan voor de Raad van State niet bij de zaak worden betrokken. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen werd in de eerste zaak aanvankelijk ten onrechte als tegenpartij aangeschreven. Tegenpartij in het eerste beroep is de gemeente Deerlijk. Aangezien deze gemeente als partij in het geding betrokken is, is haar verzoek om in deze zaak tussen te komen niet ontvankelijk en dient haar verzoekschrift tot tussenkomst als een memorie van antwoord te worden beschouwd. Het zegelrecht dat zij ten onrechte als tussenkomende partij heeft gekweten, moet haar worden terugbetaald. De gegrondheid van het administratief cassatieberoep in de zaak A.107.899
- Verzoeker voert tegen de in de eerste zaak bestreden beslissing zes middelen aan. XII-3228-13/30 Uiteenzetting van het eerste middel
- In het eerste middel laat verzoeker gelden dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie in de gevallen waarin deze een rechtsprekende taak vervult is geschonden, doordat tussen de ontvangst van zijn verzoekschrift - 23 mei 2000- en de uitspraak -17 mei 2001- een termijn van bijna één jaar ligt, terwijl de deputatie uitspraak moet doen binnen een termijn van negentig dagen vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift. In de laatste memorie betoogt verzoeker nog dat het voorschrift mede het belang dient van de rechtsonderhorige, om binnen de voorgeschreven termijn van negentig dagen te weten wat zijn rechtstoestand is. Ook is er volgens hem ipso facto een “schending van de wet”, wat hij leest in artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ongeacht of de bedoelde termijn een termijn van orde is.
- De in artikel 6 van het koninklijk besluit van 17 september 1987 gestelde termijn is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, maar is een termijn van orde. Een -zelfs niet verantwoorde- vertraging kan een rechtscollege op straffe van rechtsweigering ook niet ontheffen van de hem door de wet opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakte beroep. Aan het overschrijden van die termijn kan verzoeker dan ook geen cassatiemiddel ontlenen “wegens overtreding van de wet”, noch “wegens schending van op straffe van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”. Verzoeker vergist zich overigens omtrent zijn belang bij het middel. Mocht hij immers wél met succes de deputatie het recht kunnen ontzeggen om nog uitspraak te doen over zijn beroep na het verstrijken van de termijn van negentig dagen, dan zou dit enkel tot gevolg hebben dat de beslissing tot vaststelling van het (nog hóger) kastekort, waartegen hij bij de deputatie precies beroep heeft in- gesteld, in het rechtsverkeer overeind is gebleven. Het eerste middel is niet gegrond. XII-3228-14/30 Uiteenzetting van het tweede middel
- In het tweede middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing genomen is met schending van het recht van verdediging doordat zijn raadsman geen kans gekregen heeft zijn bevindingen in verband met de jaarrekeningen vanaf 1990, hem toegestuurd bij brief van 3 mei 2001, en in verband met de valsheid van de eindrekening van 1 april 1990 van toenmalig gemeente- ontvanger L. over te maken aan de voorzitter van de deputatie. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt hij nog dat door de weigering om hem op de zitting van 17 mei 2001 nog te horen, hem de mogelijkheid is ontnomen om deze nieuwe elementen toe te lichten en dat het niet is omdat de eindrekening van ontvanger L. reeds eerder werd neergelegd, dat er niet meer getwijfeld kan worden aan de echtheid ervan. Beoordeling
- De eindrekening van 1 april 1990 van toenmalig gemeente- ontvanger L. was als overtuigingsstuk 31 gevoegd bij de tweede memorie van 10 oktober 2000 van de gemeente Deerlijk. Verzoeker heeft dus ruimschoots kans gehad om op de zitting van 19 april 2001 al de nodig geachte opmerkingen betreffende dit stuk, en inzonderheid omtrent de beweerde valsheid ervan, uiteen te zetten.
- In tegenstelling tot wat verzoeker repliceert, werden de jaarrekeningen 1990-1999 door verwerende partij aan de deputatie niet toegezonden omdat dit naar haar oordeel nieuwe elementen geweest zouden zijn, doch enkel en alleen omdat verzoeker op de zitting op de voorlegging ervan had aangedrongen. Op de zitting van 19 april 2001 liet verzoeker alzo acteren “dat de gemeente Deerlijk de jaarrekeningen vanaf 1990 dient te bezorgen”. Tengevolge hiervan liet verwerende partij op 3 mei 2001 deze jaarrekeningen zowel aan de deputatie als aan verzoekers raadsman geworden. XII-3228-15/30 Verzoeker voert ten onrechte aan dat de deputatie slechts over zijn beroep uitspraak had mogen doen na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om alsnog omtrent de op 3 mei 2001 toegezonden stukken de nodig geachte uitleg te verstrekken. Vooreerst stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing immers geenszins gesteund is op de nog in extremis door de gemeente Deerlijk voorgelegde stukken. De deputatie overweegt, zonder door verzoeker nog te worden tegengesproken in de huidige procedure, dat het onderzoek van de jaarrekeningen 1990 tot 1999 “geen nieuwe elementen heeft aangebracht”, hetgeen impliceert dat deze documenten niets aan de zaak hebben toegevoegd en de deputatie ook zonder voorlegging ervan tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen. Voorts merkt de Raad op dat verzoeker op de zitting van 19 april 2001 weliswaar heeft opgemerkt dat “de gemeente Deerlijk de jaarrekening vanaf 1990 dient te bezorgen”, maar dat hij op geen enkel ogenblik van de rechtspleging voor de deputatie ook maar beweerd heeft dat de voorlegging van deze jaarrekeningen -welke hem genoegzaam bekend waren aangezien ze destijds onder zijn verantwoordelijkheid waren opgemaakt- nodig was om zich naar behoren te kunnen verdedigen, laat staan dat hij zou hebben toegelicht waarom zulks nodig was voor zijn verdediging. Indien hij meende dat die jaarrekeningen van aard waren om wél “nieuwe elementen” aan te brengen waarmee de deputatie rekening moest houden, dan heeft verzoeker daarover noch in zijn verweer ten overstaan van de deputatie, noch in zijn verzoekschrift in de huidige procedure voor de Raad van State, enige aanzet gegeven. Tot in de laatste memorie houdt verzoeker het er immers bij dat zijn grief enkel de vaststelling betreft door de deputatie dat het onderzoek naar de desbetreffende jaarrekeningen geen nieuwe elementen heeft aangebracht en dat zulks vanzelfsprekend is omdat er geen tegensprekelijk debat over is geweest. Wat dan die nieuwe elementen geweest konden zijn die de deputatie in deze stukken had moeten vinden, laat verzoeker veelbetekenend in het midden. In die omstandigheden -de beslissing steunt niet op nieuwe elementen die uit de jaarrekeningen zouden blijken én verzoeker maakt niet minimaal aannemelijk dat die jaarrekeningen wél nuttige informatie konden bevatten- kan men de deputatie bezwaarlijk verwijten na ontvangst van de jaarrekeningen 1990 tot 1999 de debatten niet te hebben heropend. XII-3228-16/30 Van een schending van het recht van verdediging is geen sprake.
- Het tweede middel, zoals het is aangevoerd in het inleidend verzoekschrift, is in geen van beide onderdelen gegrond.
- In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat ook de vraag om twee getuigen op te roepen van de hand werd gewezen zonder dat hij hieromtrent ook maar het minste verweer heeft kunnen voeren en in zijn laatste memorie betoogt verzoeker daarenboven -uitvoeriger- dat ook het weigeren van het gevraagde getuigenverhoor zijn rechten van verdediging geschonden heeft. Dit is een niet ontvankelijke, want laattijdige nieuwe invulling van het oorspronkelijk aangevoerde cassatiemiddel. Daarin heeft verzoeker de schending van de rechten van verdediging enkel afgeleid uit de twee hiervoor besproken feiten. Uiteenzetting van het derde middel
- In het derde middel, afgeleid uit de schending van “het principe van de scheiding der machten” en van artikel 22 van “het K.B. van 17 september 1987” (bedoeld is het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie in de gevallen waarin deze een rechtsprekende taak vervult), laat verzoeker gelden dat een eerlijk proces niet mogelijk was aangezien de provinciegouverneur als voorzitter voor de deputatie tegelijkertijd rechter en partij was, dat hij enerzijds had meegewerkt aan het opzetten van een twijfelachtige juridische constructie in verband met zijn vervanging ad interim vermits de gebruikte werkwijze werd goedgekeurd door de bevoegde provinciale diensten, met andere woorden de in de provincie gevestigde diensten van de Vlaamse Gemeenschap waarvoor de gouverneur optreedt in de hoedanigheid van toeziende overheid, dat de gouverneur anderzijds jarenlang de besluiten van de gemeenteraad betreffende de rekeningen had goedgekeurd, dat de voorzitter van de deputatie dan ook overeenkomstig artikel 22, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 september 1987 aangifte had moeten doen van het feit dat hem een grond van wraking trof. In de laatste memorie preciseert verzoeker dat hij betoogt te verwijzen naar het beginsel Nemo iudex in causa sua, dat hij hiermee niet de subjectieve partijdigheid van de gouverneur in vraag stelt maar wel de schijn van partijdigheid bedoelt. Door medewerking verleend te hebben aan een “twijfelachtige XII-3228-17/30 juridische constructie”, kan van de gouverneur niet meer worden verwacht dat hij een beslissing die hij als toeziende overheid had goedgekeurd nu plots zou afwijzen als onwettig. Anderzijds had de gouverneur jarenlang de besluiten van de gemeenteraad betreffende de rekeningen goedgekeurd; indien hij nu de vordering van de gemeente had verworpen, had hij zijn eigen aansprakelijkheid in vraag gesteld. Beoordeling
- Verzoeker maakt gewag van een schending van het principe van de scheiding der machten, maar licht in het geheel niet toe in welk opzicht de bestreden beslissing een inbreuk op de bevoegdheid van één der staatsmachten zou inhouden.
- Luidens artikel 22, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie in de gevallen waarin deze een rechtsprekende taak vervult “moet ieder lid van de bestendige deputatie dat weet dat hem een grond van wraking treft, daarvan aangifte doen; de bestendige deputatie beslist of hij zich al dan niet moet onthouden”. De betreffende wrakingsgronden zijn opgesomd in het eerste lid van deze bepaling : het gaat om “het geval bedoeld in artikel 98 van de provinciewet en om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven”. Eén van de wrakingsgronden waaraan artikel 22 van het koninklijk besluit van 17 september 1987 alzo onrechtstreeks refereert, is de “wettige verdenking” die ook het geval omvat van de “likelihood of bias” of de vereiste van objectieve partijdigheid
- De Raad van State ziet niet hoe de provinciegouverneur op grond van één dezer bepalingen, en inzonderheid van “wettige verdenking”, kon worden gewraakt. Vooreerst was de provinciegouverneur als toezichthoudende overheid niet betrokken bij de aanstelling ad interim van verzoeker -dat die aanstelling een “twijfelachtige” constructie was kan de Raad laten voor rekening van verzoeker- en mist het argument in die mate feitelijke grondslag. Dat de gouverneur in het kader van het algemeen toezicht niet actief is opgetreden volstaat XII-3228-18/30 overigens niet om de objectieve onpartijdigheid van de gouverneur in het gedrang te brengen, nu die onthouding als een “juridisch non-event” te beschouwen is, zoals reeds eerder is geoordeeld in de arresten Stad Mechelen, nr. 146.116 en Stad Aalst, nr. 146.118, van 16 juni 2005 en NV Elia Asset, nrs. 192.141-192.145, van 2 april
- Ook het gegeven dat de provinciegouverneur ter uitvoering van zijn wettelijke opdracht in de hoedanigheid van toeziende overheid de besluiten van de gemeenteraad betreffende de rekeningen heeft goedgekeurd, is niet van aard dat daardoor te zijnen opzichte één van de in artikel 22, eerste lid, van het koninklijk besluit van 17 september 1987 bedoelde wrakingsgronden gold. Als immers uit dat gegeven zou moeten worden afgeleid dat de gouverneur niet geneigd zal zijn die goedgekeurde rekeningen nadien af te vallen om zijn aansprakelijkheid niet in het gedrang te brengen, dan zou eruit juist tot een vooroordeel ten gúnste van verzoeker besloten moeten worden. Waar het vooroordeel in voorkomend geval niet tégen verzoeker zou spelen, heeft hij er geen belang bij dit aspect van het middel te doen gelden. De gouverneur was dan ook niet verplicht aangifte van een grond van wraking te doen. Het derde cassatiemiddel moet worden verworpen. Uiteenzetting van het vierde middel
- In het vierde cassatiemiddel, geput uit de “miskenning van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en schending van de zorgvuldigheids- plicht”, laat verzoeker gelden dat zijn raadsman tijdens de openbare terechtzitting van 19 april 2001 vroeg om twee getuigen op te roepen, namelijk Robert B. en Jean-Pierre De D., twee personeelsleden van de rekendienst, dat de deputatie evenwel van oordeel was dat de door partijen voorgelegde stukken volstonden om zich te kunnen uitspreken over het kastekort en dat er bijgevolg geen aanleiding bestond om een aanvullend getuigenverhoor te bevelen, dat uit het feitenrelaas nochtans blijkt dat dit aanvullend getuigenverhoor een ander licht had kunnen laten schijnen op de zaak en de deputatie dan ook Robert B. en Jean-Pierre De D. had moeten horen, minstens moeten vragen hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten, “teneinde het beginsel van behoorlijk bestuur niet te schenden”. XII-3228-19/30 Beoordeling
- In het auditoraatsverslag is het middel, met grote welwillendheid, onderzocht vanuit de invalshoek van artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 september 1987 dat het horen regelt van partijen en andere personen, en wordt voorgesteld het middel te verwerpen omdat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt de beoordeling van de feitenrechter aangaande het nut van een getuigenverhoor over te doen. In de laatste memorie noemt verzoeker het verslag van de auditeur “irrelevant, omdat het de schending van de zorgvuldigheidsplicht niet onderzocht heeft, ook al is dit de rechtsgrond van dit vierde middel”. Verzoeker verliest uit het oog dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de zorgvuldigheidsplicht, zoals de termen zelf aan- geven, zich richten tot het actief bestuur. De te dezen bestreden beslissing is genomen door de deputatie als administratief rechtscollege. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op haar bij het nemen van een dergelijke beslissing, zodat de beweerde schending ervan geen ontvankelijk cassatiemiddel kan onderbouwen. Nu verzoeker formeel bevestigt in de laatste memorie dat dit de grondslag van zijn vierde middel uitmaakt, moet het als zijnde onontvankelijk worden verworpen. Uiteenzetting van het vijfde middel
- In het vijfde middel, afgeleid uit de schending van artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet, laat verzoeker gelden dat tussen zijn indiensttreding op 1 april 1990 en 16 december 1998 geen enkele kasverificatie werd gedaan terwijl het college van burgemeester en schepenen ten minste éénmaal in de loop van het kwartaal de kas van de plaatselijke ontvanger moet verifiëren, dat het college pas na een ingebrekestelling op 19 juni 1998 van de gouverneur in actie kwam, dat indien de gemeente sneller het kwartaalnazicht had uitgevoerd, zij veel vlugger de kastekorten en hun oorsprong had kunnen opsporen en maatregelen had kunnen nemen om dergelijke tekorten in de toekomst te vermijden, dat hij dan ook van oordeel is dat er door het gemeentebestuur gedurende jaren een gedoogbeleid werd gevoerd waarbij artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet jarenlang werd geschonden. XII-3228-20/30 Beoordeling
- Verzoeker verwijt in dit middel het college van burgemeester en schepenen jarenlang met schending van artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet een gedoogbeleid te hebben gevoerd. Dit middel kan niet in aanmerking worden genomen, want het is niet gericht tegen de beslissing van de deputatie, doch tegen het stilzitten van het gemeentebestuur. Het vijfde middel is geen ontvankelijk cassatiemiddel. In de laatste memorie herhaalt verzoeker het middel, betoogt hij dat hij deze grief heeft opgeworpen voor de deputatie, zet hij uiteen waarom volgens hem op zijn grief tegenstrijdig en gebrekkig is geantwoord door de deputatie en leidt hij daaruit een schending van de motiveringsplicht af. Alzo geeft hij een nieuwe, en dus onontvankelijke invulling aan het middel. Uiteenzetting van het zesde middel
- In het zesde middel, afgeleid uit de schending van artikel 53, § 4, van de nieuwe gemeentewet, laat verzoeker gelden dat hij op eigen verzoek per 1 oktober 1999 officieel op pensioen werd gesteld, dat met een gemeenteraads- beslissing van 30 september 1999 echter werd bepaald dat hij vanaf 1 oktober 1999 zou beginnen werken als plaatsvervanger en dit tot indiensttreding van een nieuwe gemeenteontvanger, dat er uitdrukkelijk werd gesteld dat hij dit zou doen in cumul met zijn pensioen, dat gelet op de rechtsgevolgen van de aanstelling van een waarnemend ontvanger en de formaliteiten waaraan zij onderworpen is, moet worden aangenomen dat door zijn aanstelling als interim, de gemeenteraad definitief een einde heeft gemaakt aan zijn vorig mandaat als titularis, dat hieruit volgt dat hem enkel verantwoording kon worden gevraagd voor de periode 1 oktober 1999 tot 31 maart 2000, dat hem immers op 30 september 1999 de facto décharge werd verleend voor zijn mandaat tot op dat ogenblik. Beoordeling
- Artikel 53, § 4, van de nieuwe gemeentewet bepaalt in welke gevallen een waarnemende plaatselijke ontvanger kan of moet worden aangesteld, regelt aan welke voorwaarden, onder meer wat de te stellen zekerheid betreft, deze XII-3228-21/30 moet voldoen en bepaalt tenslotte dat “bij zijn ambtsaanvaarding en zijn ambtsneerlegging een eindrekening wordt opgemaakt en de kas en de boeken worden overgedragen”. In tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, volgt uit deze bepaling geenszins dat door de aanstelling van een waarnemende gemeenteontvanger décharge of kwijting aan zijn voorganger wordt verleend. De deputatie heeft het verweer van verzoeker, ontleend aan de impliciete décharge die hem per 1 oktober 1999 zou zijn verleend door zijn aanstelling tot waarnemend gemeenteontvanger, terecht verworpen op grond van de overweging “dat de verantwoordelijkheid van de ontvanger een zeer specifieke, bij de wet geregelde persoonlijke verantwoordelijkheid is (art. 136 NGW.) waarvoor pas ontlasting kan verleend worden voor zijn kasbeheer op het ogenblik dat de eindrekening, op te maken door de ontvanger die zijn ambt neerlegt (art.
§ 1
NGW.), wordt afgesloten door de gemeenteraad en aan de rekenplichtige kwijting wordt verleend, wat van rechtswege de teruggave van de zekerheid met zich meebrengt (art.
§ 4
NGW.); dat deze eindrekening de verantwoording vormt van de gewezen ontvanger, enerzijds tegenover zijn opvolger wat betreft het beheer van de overgedragen kasvoorraad en anderzijds, tegenover de gemeente wat betreft het resultaat van zijn kasbeheer gedurende zijn ganse loopbaan als gemeentelijke rekenplichtige; Overwegende dat er, gelet op wat voorafgaat, aan een ontvanger enkel op expliciete wijze ontlasting kan worden verleend via de eindrekening en nooit impliciet, op welke wijze ook”. Het zesde middel is niet gegrond. De gegrondheid van het beroep in de zaak A.130.047
- Tegen de vaststelling van de eindrekening voert verzoeker vijf vernietigingsgronden aan in het inleidend verzoekschrift. Uiteenzetting van het eerste middel
- In het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 86, § 2, van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, van artikel 138bis, § 3, van de nieuwe gemeentewet en van de artikelen 18 en 19 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, laat verzoeker gelden dat zolang de procedure inzake zijn XII-3228-22/30 aansprakelijkheid voor de Raad van State loopt, het onmogelijk is om correcte en volledige informatie te kunnen verschaffen en een eindrekening vast te stellen, dat de gemeente zich niet kon baseren op definitieve gegevens en dan ook voortvarend is geweest bij het opstellen van de eindrekening en dat de Vlaamse regering haar bevoegdheid heeft overschreden daar onmogelijk op basis van niet definitieve gegevens een definitieve eindrekening kon vastgesteld worden. Beoordeling
- De beslissing van 17 mei 2001 van de deputatie waarbij verzoeker aansprakelijk wordt gesteld voor een kastekort van 2.243.189 frank is een jurisdictionele uitspraak, die met het gezag van gewijsde is bekleed. Zolang deze uitspraak niet door de Raad van State is vernietigd -wat blijkens het onderzoek van de eerste zaak ook niet zal gebeuren- moest ze geacht worden overeen te stemmen met de wet en moest de erin vastgelegde aansprakelijkheid van betrokkene als vaststaand worden beschouwd. Geen enkele van de in het middel als geschonden opgegeven bepalingen schrijft voor of houdt in dat een cassatieberoep tegen de beslissing van de deputatie tot vaststelling van een kastekort het opmaken van de eindrekening opschort. Het indienen door verzoeker van een administratief cassatieberoep tegen het te zijnen opzichte vastgesteld kastekort, vormde dan ook geen beletsel om de eindrekening op te stellen, noch om het bestreden besluit te nemen. Opnieuw noemt verzoeker in zijn laatste memorie de stelling van het auditoraatsverslag -die de Raad zich met de voorgaande overwegingen heeft eigen gemaakt- “irrelevant” omdat zelfs als geen enkel van de door hem aangevoerde bepalingen geschonden zijn, dan nog de vereiste van procedurele zorgvuldigheid in hoofde van alle betrokken besturen onverminderd geldt. Vastgesteld moet echter worden, dat de Raad van State maar “relevant” uitspraak kan en mag doen over de middelen indien en zoals zij op ontvankelijke wijze, in het inleidend verzoekschrift, zijn aangevoerd. In zoverre de “procedurele zorgvuldigheidsplicht” als grief niet samenvalt met wat reeds in het inleidend verzoekschrift was aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. Overigens ziet de XII-3228-23/30 Raad niet waarom een bestuur dat rekening houdt met het gezag van gewijsde van de beslissing van de deputatie en dat uitvoering geeft aan de wettelijk voorgeschreven verplichting om de eindrekening te doen vaststellen onzorgvuldig handelen verweten kan worden. De verwerping van het cassatieberoep spreekt daarenboven tegen dat de beslissing niet zou steunen op correcte feitenvinding. Het eerste middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
- In het tweede middel herhaalt verzoeker het vijfde tegen de beslissing van 17 mei 2001 van de deputatie aangevoerd middel en voegt er nog aan toe dat de kastekorten een gevolg zijn van het gedoogbeleid van het gemeentebestuur. In de memorie van wederantwoordt voegt hij er nog aan toe dat de schending van artikel 131, § 1 van de nieuwe gemeentewet eveneens een schending van het vertrouwensbeginsel inhoudt en dat het college van burgemeester en schepenen zijn vertrouwen heeft beschaamd door gedurende jaren geen kasnazichten uit te voeren en alzo de verwachting te wekken dat er geen problemen waren of toch minstens dat de problemen werden toegedekt. Beoordeling
- Verzoeker betwist in dit middel niet de vaststelling van de eindrekening zelf, met inbegrip van het kastekort, maar wel zijn aansprakelijkheid voor dat in de eindrekening opgenomen kastekort van in totaal 2.243.189 frank. Over deze aangelegenheid heeft de deputatie evenwel op 17 mei 2001 in laatste aanleg uitspraak gedaan en bepaald dat betrokkene aansprakelijk wordt gesteld voor een niet verantwoord kastekort, vastgesteld op 2.243.189 frank. Door de hierna uit te spreken verwerping van het beroep van verzoeker tegen deze beslissing wordt deze beslissing definitief en kan verzoeker niet langer het te zijnen laste gelegd kastekort betwisten. Het tweede middel moet worden verworpen. XII-3228-24/30 Uiteenzetting van het derde middel
- In het derde middel, afgeleid uit de schending van artikel 86, § 2, vierde lid, van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, voert verzoeker aan dat de aanmanings- en expertisekosten ten onrechte te zijnen laste worden gelegd, dat de opdracht die het college van burgemeester en schepenen gaf aan de fiduciaire Deloitte & Touche kaderde in zijn eigen verdediging bij de aansprakelijkheidsprocedure voor de deputatie, dat de onmiddellijke aanstelling van Deloitte & Touche bovendien niet nodig was gezien de betwistingen omtrent de kastekorten, dat de gemeente bij de opmaak van de eindrekening veel te voortvarend was en zich niet op definitieve gegevens baseerde, dat de aanstelling van een derde voor de opmaak van de eindrekening niet te rechtvaardigen valt en de opmaakkosten dan ook enkel ten laste van de gemeente zelf kunnen komen. Beoordeling
- Artikel 86, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit bepaalt : “De aanmanings- en expertisekosten zijn in de eindrekening ten laste van de uittredende ontvanger aangerekend”. Dat de aangerekende expertisekosten verband houden met de verdediging van het gemeentebestuur voor de deputatie is een loutere bewering, welke niet wordt gestaafd en bovendien wordt tegengesproken door de dossierstukken. De fiduciaire Deloitte & Touche schreef immers respectievelijk op 31 januari 2001 en 19 juni 2001 facturen uit voor “opmaak eindrekening ontvanger” en voor “werkzaamheden eindafrekening” (stukken 15 en 16 van het dossier van tussenkomende partij). De kosten die betaald werden aan Deloitte & Touche voor de vaststelling van het kastekort en die dus gemaakt werden met het oog op de procedure voor de deputatie, vallen niet onder die facturatie en werden van verzoeker dan ook niet teruggevorderd. In zoverre wordt aangevoerd dat het gemeentebestuur bij de opmaak van de eindrekening veel te voortvarend is geweest en de in dit verband gemaakte kosten derhalve niet te verantwoorden zijn, valt het middel samen met het vijfde middel, dat hierna worden verworpen. XII-3228-25/30 Het derde middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het vierde middel
- In het vierde middel, afgeleid uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het hoorrecht, voert verzoeker aan dat hij door de verschillende betrokken overheden niet werd gehoord niettegenstaande hij als enige persoon over correcte en afdoende informatie kon beschikken, dat hij van de gemeente enkel brieven mocht ontvangen waarin vermeld wordt dat hij dringend aan zijn plicht diende te voldoen om een eindrekening op te maken, dat in geen enkele brief vermeld stond dat een bijeenkomst zou worden voorzien om te pogen de standpunten van de partijen te verzoenen of om tot een gemeenschappelijk vergelijk te komen, dat hem op geen enkel moment door de gouverneur de mogelijkheid werd gegeven om zijn standpunten omtrent de eindrekening uiteen te zetten of om gehoord te worden over bepaalde onzekere posten van de eindrekening en dat ook de minister in gebreke is gebleven om zijn hoorrecht te respecteren en op eenzijdige wijze een beslissing heeft genomen betreffende de vaststelling van de eindrekening. In de laatste memorie koppelt verzoeker zijn grief ook aan het recht van verdediging, dat volgens hem de openbare orde raakt en dus nog ontvankelijk mag worden aangevoerd in deze procedurefase. Voorts, kenmerkend voor verzoeker, voert hij in die laatste memorie voor het eerst ook aan dat het gemis aan eerlijke behandeling van zijn zaak, waardoor hij onmogelijk met de gemeente het debat met gelijke wapens kon aangaan, strijdig is met artikel 6.
- EVRM. Beoordeling
- De toeziende overheid oordeelt in beginsel op stukken. Behoudens uitdrukkelijk voorschrift, dat ter zake niet bestaat, is het recht van verdediging alleen van toepassing in tuchtzaken en was deze overheid niet verplicht betrokkene te horen. In principe mag het bestuur evenwel tegen niemand een belastende maatregel zoals de voorliggende treffen, zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. De vraag of de betrokken rechtsonderhorige nuttig voor zijn belangen is kunnen opkomen, moet in concreto worden beoordeeld. XII-3228-26/30 Welnu, verzoeker heeft tot tweemaal toe de mogelijkheid gehad alle nodig geachte opmerkingen bij de door het gemeentebestuur opgestelde eindrekening te maken. Een eerste maal nadat het gemeentebestuur hem met een brief van 19 juli 2000 een afschrift van de eindrekening bezorgde met het verzoek dit stuk te ondertekenen of zijn opmerkingen erover te formuleren, een tweede maal toen tegen de goedkeuring door de gouverneur van de eindrekening beroep kon worden ingesteld bij de Vlaamse regering. Ter gelegenheid van dat beroep kon verzoeker zijn middelen van verdediging ter kennis brengen van de overheid die de eindbeslissing neemt. Van de mogelijkheid om zijn bezwaren tegen de door het gemeentebestuur opgestelde eindrekening uiteen te zetten heeft verzoeker trouwens gebruik gemaakt, met name in zijn brief van 17 augustus 2001 aan het gemeente- bestuur en in zijn verzoekschrift tot hoger beroep van 5 augustus 2003 aan de Vlaamse regering. Betrokkene heeft vooraleer de bestreden beslissing werd genomen, zijn bezwaren tegen de eindrekening kunnen meedelen. Hij is aldus nuttig voor zijn belangen kunnen opkomen. Zonder dat moet worden onderzocht of verzoeker zich nog op ontvankelijke wijze voor het eerst op een schending van artikel 6 EVRM mag beroepen in de laatste memorie, volstaat het vast te stellen dat de waarborgen die het bedoelde artikel 6.
- biedt voor een eerlijk proces van toepassing zijn op gerechtelijke beslissingen, en niet betrokken kunnen worden, zoals te dezen, op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. Het is voldoende, uit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn bij artikel 6 EVRM, dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 EVRM gestelde vereisten voldoet; niet blijkt dat daar door de Raad van State te dezen niet aan voldaan zou zijn. Het vierde middel is niet gegrond. XII-3228-27/30 Uiteenzetting van het vijfde middel
- In een vijfde middel, afgeleid uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de fair-playnorm, laat verzoeker gelden dat men bij de definitieve vaststelling van de eindrekening overhaast te werk is gegaan, dat de eindrekening definitief werd vastgesteld terwijl bepaalde elementen nog ter discussie stonden en zonder de definitieve beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid en de kastekorten af te wachten. In de laatste memorie heet het dan weer verrassend niet meer dat het bestuur overhaast heeft gewerkt, maar wel dat het een vertragingstactiek heeft toegepast en bewust beslissingen heeft uitgesteld. Beoordeling
- Luidens artikel 138bis, § 1 van de nieuwe gemeentewet wordt er een eindrekening gemaakt wanneer de ontvanger zijn ambt neerlegt. Het koninklijk besluit van 9 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit bepaalt : “Art.
- §
- De ontslagnemende gemeenteontvanger blijft zijn dienst waarnemen tot aan de ambtsaanvaarding van zijn opvolger. Op dat ogenblik maakt hij, in drievoud, een inventaris op van de registers, de documenten, de boeken, het meubilair, het materieel en andere voorwerpen die ter beschikking van de gemeenteontvanger zijn gesteld. Het derde exemplaar berust in het archief van de gemeente of in dat van het provinciaal gouvernement wanneer het een gewestelijk ontvanger betreft. [...] Art.
- §
- Na de inventaris wordt de eindrekening opgemaakt, ondertekend en gewaarmerkt door de uittredende gemeenteontvanger, en onder voorbehoud aanvaard door de nieuwe gemeenteontvanger. §
- Wanneer de uittredende plaatselijke ontvanger de einderekening te laat afgeeft of weigert af te geven aan de opvolger, maant het college van burgemeester en schepenen hem aan zijn verplichtingen na te komen. De aanmaning geschiedt bij gerechtsdeurwaardersexploot dat de uitvoeringstermijn vaststelt. Is de aanmaning bij het verstrijken van die termijn zonder gevolg gebleven, dan maakt het college van burgemeester en schepenen de eindrekening op volgens de gegevens die in zijn bezit zijn [...]”. XII-3228-28/30 De eindrekening vormt de verantwoording van een gewezen ontvanger eensdeels tegenover zijn opvolger wat het beheer van de overgedragen kasvoorraad betreft en anderdeels tegenover de gemeente wat het resultaat voor zijn kasbeheer gedurende zijn ganse loopbaan als gemeentelijke rekenplichtige betreft. Zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel uiteengezet, schorste verzoekers beroep bij de Raad van State tegen de uitspraak van de deputatie het opmaken van de eindrekening niet op en moest hangende dit beroep het te zijnen laste gelegd kastekort als vaststaand worden beschouwd. Geconfronteerd met de weigering van verzoeker om een eindrekening op te stellen, is het college van burgemeester en schepenen geenszins voortvarend geweest toen het niettegenstaande de betwisting door betrokkene van het kastekort te zijnen laste, zelf dadelijk de eindrekening heeft laten opmaken volgens de gegevens die in zijn bezit waren. Het college van burgemeester en schepenen heeft aldus slechts gedaan wat het krachtens de wettelijke en reglementaire bepalingen, inzonderheid artikel 86, § 2, van voormeld koninklijk besluit van 9 augustus 1990, verplicht was te doen. Zonder te moeten ingaan op de tegenspraak tussen het oorspron- kelijk aangevoerde en wat in de laatste memorie wordt beweerd, volstaat het vast te stellen dat wat verzoeker op vlak van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tegen de bestreden beslissing meende te moeten aanvoeren, in het inleidend verzoekschrift aangevoerd kon en moest zijn, zodat het nieuwe betoog van verzoeker in de laatste memorie laattijdig en dus onontvankelijk is. Het vijfde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 107.899/XII-3228 en A. 130.047/XII-3819 worden gevoegd. XII-3228-29/30 Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 130.047, bepaald op 125 euro, komen ten laste van tussenkomende partij. Het door de gemeente Deerlijk in de zaak A. 107.899 ten onrechte gekweten zegelrecht van 125 euro, dient haar te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3228-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div