← België

Arrest 194651 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.651 Rolnummer: A. 170359/XII-4724 Zaak: Arrest 194651 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.651 van 25 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 194.651 van 25 juni 2009 in de zaak A. 170.359/XII-

  1. In zake : Jan VANDENHEEDE, die woonplaats kiest bij advocaat G. Vergauwe, kantoor houdende te Evergem, Belzeelsestraat 40 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te 1000 Brussel, A. Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Vandenheede op 20 februari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 december 2005 van de Vlaamse minister van Cultuur houdende de weigering tot subsidiëring van de aanvraag voor een ontwikkelingsgerichte beurs in het kader van het kunstendecreet; Gelet op het arrest nr. 163.116 van 3 oktober 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 8 november 2006 ingediend door verzoeker; Gelet op de beschikking van 7 december 2006 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft het beroep tot nietigverklaring; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-4724-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. Weymeersch; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 23 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Vergauwe, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Ghyselinck, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur W. Weymeersch; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker dient op 13 augustus 2005 een aanvraag in voor “een ontwikkelingsgerichte beurs in verband met hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel”, in het kader van het kunstendecreet van 2 april
  4. 1.
  5. De beoordelingscommissie Muziek verstrekt op 17 november 2005 het volgende advies : “Jan Vandenheede Ontwikkelingsgerichte beurs in verband met hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel (duurtijd: 6 maanden tijdens 2006). D. : 10.500,- euro (uitgaven en kosten niet opgegeven) Advies XII-4724-2/9 Via deze aanvraag vraagt de heer Jan Vandenheede overheidssteun aan voor het project ‘hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel’ dat ongeveer 6 maanden tijdens het jaar 2006 in beslag zal nemen. De omschrijving van het project is zeer technisch. Volgens het dossier is het de bedoeling een nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden te ontwikkelen, waarbij het gaat om het uitdiepen van de aanpak (en dus niet van de harmonieën zelf). De beoogde ontwikkeling is dus niet artistiek, maar wel muziektheoretisch van aard. Om deze reden is de Commissie van oordeel dat Jan Vandenheede deze aanvraag beter zou indienen als onderzoeksproject bij een universiteit of hogeschool, of bij aanverwante organisaties. De Commissie adviseert derhalve om de gevraagde ontwikkelingsgerichte beurs niet toe te kennen”. 1.
  6. Op 22 december 2005 deelt de Vlaamse minister van cultuur aan verzoeker de negatieve en thans bestreden beslissing mee, die luidt: “Hierbij dien ik u mee te delen dat Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux beslist heeft uw aanvraag voor een ontwikkelingsgerichte beurs in het kader van het Kunstendecreet niet te subsidiëren, na kennisname van het advies van de beoordelingscommissie muziek. Ter info vindt u hierbij het advies van de beoordelingscommissie muziek m.b.t. uw subsidieaanvraag: Via deze aanvraag vraagt de heer Jan Vandenheede overheidssteun aan voor het project ‘Hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel’ dat ongeveer 6 maanden tijdens het jaar 2006 in beslag zal nemen. De omschrijving van het project is zeer technisch. Volgens het dossier is het de bedoeling een nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden te ontwikkelen, waarbij het gaat om het uitdiepen van de aanpak (en dus niet van de harmonieën zelf). De beoogde ontwikkeling is dus niet artistiek, maar wel muziektheoretisch van aard. Om deze reden is de Commissie van oordeel dat Jan Vandenheede deze aanvraag beter zou indienen als onderzoeksproject bij een universiteit of hogeschool, of bij verwante organisaties. De Commissie adviseert derhalve om de gevraagde ontwikkelingsgerichte beurs niet toe te kennen”. Ten gronde Standpunt van de partijen
  7. Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden weigering van de betreffende beurs uitgaat van het advies van de beoordelingscommissie Muziek, terwijl dit advies duidelijk berust op “verregaande verdraaiingen van de inhoud van de betreffende aanvraag”. XII-4724-3/9 Vooreerst wijst verzoeker op een “ernstige verdraaiing” in de eerste zin van het advies van de beoordelingscommissie. De aanvraag van verzoeker betreft immers niet een project “Hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel”, maar wel een aanvraag voor een ontwikkelingsgerichte beurs “in verband met hedendaagse harmonie met de computer als hulpmiddel”. Het weglaten van de woorden “in verband met” wekt een foute, veel te ruime, indruk van het project, alsof het op de ontwikkeling van een nieuwe harmonieleer zou zijn gericht en niet op een individueel artistiek project. Verzoeker betoogt dat de aanvraag daarentegen duidelijk maakt dat hij met dit project zijn eigen harmonische taal verder wil ontwikkelen, dat het project als startpunt eigen materiaal heeft en als uiteindelijke bedoeling het maken van een reeks nieuwe persoonlijke werken die veel verder gevorderd zijn op harmonisch vlak dan zijn vroeger werk, dat het in essentie een individueel artistiek project is dat op ontwikkeling is gericht en dat het niet zijn bedoeling is een algemeen geldende hedendaagse harmonische theorie te ontwikkelen. Verzoeker besluit, wat de “eerste verdraaiing” betreft, dat de aanvraag voor de beurs niet is gericht op de ontwikkeling van een nieuwe harmonieleer, maar wel van een voor verzoeker persoonlijke database die een massa persoonlijke akkoordopeenvolgingen bevat die door hem goed zijn bevonden voor zijn eigen verdere muzikale composities en een verzameling schetsen die heel wat van de goed bevonden, persoonlijke akkoordopeenvolgingen aanwenden. Een tweede verdraaiing van de inhoud van de aanvraag blijkt volgens verzoeker uit de tweede paragraaf van het advies, waar twee zinnen uit het begin van de tekst van zijn aanvraag volledig verkeerd worden geparafraseerd, doordat de woorden “mijn nieuwe harmonische aanpak” vervangen zijn door de woorden “een nieuwe harmonische aanpak” en doordat belangrijke zinsneden van de tweede zin van de aanvraag zijn weggelaten. Hierdoor stelt het advies het project opnieuw onpersoonlijk voor, ontneemt het zijn artistieke hoofddoel en maakt het bijna tot iets technisch. De weggelaten zinsneden verduidelijken daarentegen juist het artistieke startpunt en het uiteindelijke artistieke doel van dit project. Verzoeker betwist dat de omschrijving van het project zeer technisch is, zoals door het advies wordt vermeld. De aanvraag beperkte zich, afgezien van enkel muzikale basistermen, tot algemene bewoordingen en ook XII-4724-4/9 technische details omtrent programmeren en computergebruik worden zorgvuldig vermeden.
  8. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat uit de eerste zes lijnen van het advies, die de samenvatting geven van de zeven pagina’s tellende aanvraag van verzoeker, wel duidelijk blijkt dat de commissie de aanvraag goed heeft begrepen. Immers wordt gesteld dat inderdaad de aanpak van verzoeker zal worden uitgediept, in plaats van de harmonieën zelf. Ook meent de verwerende partij dat de conclusie van de commissie - dat de ontwikkeling niet artistiek is, maar eerder muziektheoretisch - correct is, nu het rechtstreekse voorwerp van de aanvraag niet het componeren van muziek of de ontwikkeling van zijn oeuvre is, maar wel de ontwikkeling van een eigen nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden, dus muziektheoretisch van aard.
  9. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker ten stelligste dat de eerste zes lijnen van het advies of de eerste twee paragrafen kunnen fungeren als een samenvatting van zijn aanvraag. Ze bevatten immers onaanvaardbare verdraaiingen van een deel van de eerste paragraaf van de aanvraag en negeren de inhoud van de tekst van de aanvraag die daarop volgt. Bovendien stelt verzoeker vast dat verwerende partij verzwijgt dat belangrijke zinssneden van de tweede zin van het werkplan zijn weggelaten. Deze weggelaten passages zijn juist zeer belangrijk voor de inhoud van de aanvraag, en worden door de verwerende partij totaal genegeerd. Verzoeker benadrukt nogmaals dat “het uitbouwen van [zijn] nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden”, wel artistiek is. In de eerste plaats wil hij er de nadruk op leggen dat het creëren van ook maar één goede, originele opeenvolging van akkoorden van een zekere lengte op zich reeds een compositorische daad is, en vaak de eerste fase van een nieuw compositieproject en gewoon essentieel voor de uiteindelijke compositie die eruit voortvloeit. Dat verzoeker hierbij een computer als hulpmiddel gebruikt doet niets af aan het artistieke van de daad. Dat verzoeker geen ganse reeks afgewerkte composities belooft, is volkomen normaal gezien de duur van het project (zes maanden) en het ontwikkelingsgerichte aspect ervan. XII-4724-5/9 Beoordeling
  10. Verzoeker voert in wezen aan dat het advies waarop de bestreden beslissing steunt, “verregaande verdraaiingen van de inhoud van de betreffende aanvraag” bevat. In het bijzonder zou het advies, eensdeels, een verkeerde, want veel te ruime omschrijving geven van de aanvraag en, anderdeels, de aanvraag onvolledig of verkeerd overnemen, waardoor twee zinnen een totaal andere betekenis krijgen dan ze oorspronkelijk hadden en een foute indruk wordt gewekt van het project, namelijk dat het zou gaan om een project van onpersoonlijke, technische, niet-artistieke doch wel muziektheoretische aard. Op grond hiervan komt het advies volgens verzoeker tot het verkeerde besluit dat het project niet artistiek is maar muziektheoretisch van aard.
  11. De bestreden beslissing wijst een aanvraag af om ten laste van de Vlaamse Gemeenschap subsidies te verkrijgen onder de vorm van een ontwikkelings- gerichte beurs die, blijkens de aan de Raad van State voorgelegde stukken, de uitvoering moet faciliteren van een werkplan van verzoeker dat ongeveer zes maanden in beslag zou nemen. De beoordelingscommissie Muziek adviseert om de gevraagde ontwikkelingsgerichte beurs niet toe te kennen om reden dat “de beoogde ontwikkeling [...] niet artistiek [is], maar wel muziektheoretisch van aard”. Deze reden lijkt wezenlijk te zijn ingegeven door de daaraan voorafgaande overweging dat het dossier de bedoeling heeft om “een nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden te ontwikkelen, waarbij het gaat om het uitdiepen van de aanpak (en dus niet van de harmonieën zelf)”. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister de motivering van het voormelde advies geheel tot de zijne heeft gemaakt en op grond hiervan heeft geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker niet in aanmerking kwam voor een ontwikkelingsgerichte beurs.
  12. In de eerste twee zinnen van de aanvraag is te lezen dat verzoeker de ontwikkelingsgerichte beurs zou willen aanwenden voor “het uitbouwen van mijn nieuwe harmonische aanpak voor compositorische doeleinden” en dat een “voorbeeld wellicht veel [kan] verduidelijken: het gaat om het uitdiepen van de harmonische aanpak (niet de harmonieën zelf, maar de aanpak) die aan de basis ligt XII-4724-6/9 van 2 van mijn 4 Bagatellen [...] voor komende composities die veel uitgebreider zijn dan deze bagatellen”. Met verzoeker dient te worden aangenomen dat het advies, waarin een samenvatting van het dossier wordt gegeven, enkel is gesteund op de voormelde eerste twee zinnen van het werkplan van de aanvraag, en deze bovendien onvolledig overnemen met weglating van bepaalde zinsneden en wijziging van bepaalde woorden.
  13. Het komt de Raad van State niet toe om in de plaats van de beoordelingscommissie de beoordeling van verzoekers aanvraag aan de hand van het voorgelegde dossier over te doen. De beoordelingscommissie beschikt bij de beoordeling van aanvragen voor een ontwikkelingsgerichte beurs over een ruime discretionaire bevoegdheid. Dergelijke beoordeling mag door de Raad van State enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de ervoor ingeroepen motieven. De op grond van het aangevoerde middel te onderzoeken vraag is dan ook of te dezen de beoordelings- commissie Muziek op voldoende zorgvuldige wijze heeft onderzocht en vervolgens onderbouwd waarom de aanvraag van verzoeker niet in aanmerking kwam voor een ontwikkelingsgerichte beurs in het kader van het kunstendecreet. Er moet dan ook worden nagegaan of de door verzoeker aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat ze doen twijfelen of de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke feiten berustende motieven, die door het discretionair oordelend bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld.
  14. De Raad stelt te dezen vast dat de conclusie dat het project niet artistiek is, enkel wordt gesteund op een “samenvatting” van het dossier, die evenwel overduidelijk slechts een aantal zinsneden van de eerste twee zinnen van het dossier overneemt waardoor deze een andere betekenis krijgen dan die welke blijkt wanneer die twee zinnen in hun volledige context worden gelezen. Door zich enkel te verlaten op uit hun context gerukte zinsneden uit het begin van de aanvraag, die in totaal niet minder dan zeven pagina’s telt, dient dan ook met verzoeker te worden aangenomen dat de beoordelingscommissie en met haar de minister het weigeringsmotief dat het ingediende project niet artistiek is, op een onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld. XII-4724-7/9 Tegenover de summiere motivering staat het uitgebreide verweer van verzoeker over de foutieve weergave van zijn dossier in het advies. De verwerende partij beperkt zich in de memorie van antwoord tot het herhalen van de conclusie van het advies. Zo herhaalt zij enkel dat in de aanvraag van verzoeker “immers wordt gesteld dat de aanpak zal worden uitgediept maar niet de harmonieën zelf” en dat het “rechtstreekse voorwerp” van de aanvraag “niet het componeren van muziek of de ontwikkeling van zijn oeuvre” betreft. Zij brengt echter geen enkel gegeven uit het dossier aan, dat de conclusie dat het geen artistiek project betreft, kan onderbouwen en dat de in het verzoekschrift aangevoerde kritiek op de conclusie van het advies dat de beoogde ontwikkeling niet artistiek is, kan weerleggen. Zij geeft evenmin aan waarom naar haar oordeel de kritiek van verzoeker over onder meer de weggelaten zinsneden, geen afbreuk doet aan haar vaststelling dat het project niet de ontwikkeling van het eigen artistiek oeuvre van verzoeker beoogt. Het volstaat niet te stellen dat “op basis van het door verzoeker ingediende dossier deze conclusie [...] inderdaad correct [lijkt]”, zonder enig concreet gegeven uit dit dossier naar voren te brengen waaruit dit ook daadwerkelijk blijkt en op grond waarvan de Raad kan controleren of het bestuur op zorgvuldige wijze tot zijn oordeel is kunnen komen. De vaststelling dat de aanvraag van verzoeker complex of technisch zou zijn, stelt de beoordelingscommissie er niet van vrij om voorbij de eerste paragraaf ook de overige zes pagina’s van de projectvoorstelling in haar beoordeling te betrekken. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat er ernstige reden is om te twijfelen of het advies wel een correcte samenvatting geeft van de aanvraag en om bijgevolg de ernst te betwijfelen van de beoordeling in het voormelde advies dat het project niet artistiek is, maar wel muziektheoretisch van aard. De eerste twee zinnen van het werkplan van de aanvraag laten alleszins, in hun volledigheid gelezen, niet onmiddellijk toe dergelijke conclusie te trekken en verwerende partij is er niet in geslaagd in de huidige procedure die twijfels weg te nemen. Het middel is in de besproken mate gegrond. XII-4724-8/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Vernietigd wordt de beslissing van 15 december 2005 van de Vlaamse minister van Cultuur houdende weigering tot subsidiëring van de aanvraag van Jan Vandenheede voor een ontwikkelingsgerichte beurs in het kader van het kunstendecreet. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4724-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.651 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.