id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.652 Rolnummer: A. 150577/XII-4125 Zaak: Arrest 194652 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.652 van 25 juni 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.652 van 25 juni 2009 in de zaak A. 150.577/XII-
- In zake : Maryse MAHIEU, die woonplaats kiest bij advocaten D. Wagner en L. Rase, kantoor houdende te Luik, Quai de Rome 2 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1
- de GEMEENTE DROGENBOS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maryse Mahieu op 9 april 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden “houdende vernietiging van het besluit van de gemeenteraad van Drogenbos van 28 augustus 2003 houdende benoeming in vast verband van mevrouw Maryse Mahieu tot bijzonder leermeesteres lichamelijke opvoeding voor 12/24 lestijden aan de Franstalige gemeentelijke basisschool vanaf 1 september 2003”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2009; XII-4125-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Lateur, die loco advocaten D. Wagner en L. Rase verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. Callens, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster is sinds 1978 tijdelijk aangesteld als bijzonder leermeesteres lichamelijke opvoeding in de Franstalige gemeentelijke lagere school van Drogenbos. Bij arrest Mahieu, nr. 120.294, van 10 juni 2003 vernietigt de Raad van State de weigering van de gemeenteraad van de gemeente Drogenbos om verzoekster vast te benoemen als bijzonder leermeesteres lichamelijke opvoeding in het gemeentelijk lager onderwijs van de gemeente Drogenbos. De gemeente benoemt verzoekster vervolgens bij raadsbesluit van 28 augustus 2003 in vast verband tot bijzonder leermeesteres lichamelijke opvoeding voor 12/24 aan de Franstalige gemeentelijke basisschool, vanaf 1 september
- 1.
- Met het thans bestreden ministerieel besluit wordt het raadsbesluit van 28 augustus 2003 vernietigd omdat het “strijdig is met de terzake geldende taalwetten”. De ontvankelijkheid van het beroep XII-4125-2/11
- De Raad neemt er akte van dat de eerste verwerende partij in haar laatste memorie afstand doet van de door haar eerder opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid, zodat die exceptie geen antwoord meer behoeft. De gegrondheid van het beroep
- In het inleidend verzoekschrift worden drie middelen aangevoerd. Uiteenzetting van het eerste middel
- Volgens het eerste middel schendt het bestreden besluit het gezag van gewijsde van ’s Raads arrest nr. 120.294 van 10 juni
- Verzoekster wijst er op dat de Raad van State in dat arrest “duidelijk en onherroepelijk” heeft erkend dat zij vast benoemd moest worden, blijkens de overweging “dat te dezen door de verwerende partij niet wordt tegengesproken dat verzoekster haar aanspraken op vaste benoeming door het vervullen van de proeftijd vóór 1 september 1990 verworven had”. De vernietiging van haar benoeming schendt het gezag van gewijsde erga omnes van het vernietigingsarrest. In de memorie van wederantwoordt preciseert verzoekster, dat niet meer betwist kan worden dat zij op grond van artikel 30, § 1, van de op 20 augustus 1957 gecoördineerde wetten op het lager onderwijs het recht verworven had vast te worden benoemd. In haar laatste memorie voegt zij daar aan toe dat de minister de benoemingsakte niet kon vernietigen op gronden die met de taalwetgeving verband houden, aangezien het arrest nr. 65/2006 van het Grondwettelijk Hof van 3 mei 2006 het artikel 53 van die taalwetten “als niet conform aan de grondwet [heeft] veroordeeld”. Beoordeling
- Verzoekster vergist zich over de draagwijdte van het arrest nr. 120.294 van 10 juni
- In de zaak die aanleiding gaf tot bedoeld arrest, werd als middel de schending aangevoerd van artikel 30, § 1, van de op 20 augustus 1957 gecoördineerde wetten op het lager onderwijs. De Raad van State oordeelde “dat er geen redenen voorhanden blijken te zijn die een weigering van vaste benoeming XII-4125-3/11 kunnen wettigen”. Die overweging hangt echter samen met het aangevoerde en gegrond bevonden middel, namelijk dat de gemeente Drogenbos tegenover de aanspraken op vaste benoeming die verzoekster kon ontlenen aan bedoeld artikel 30 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs in die wetten geen motief kon vinden dat de weigering om verzoekster een vaste benoeming te geven mocht steunen. Het arrest doet enkel uitspraak daarover. De vraag of verzoekster voldeed aan ándere benoemingsvereisten, zoals vereisten die gesteld worden door de taalwetgeving, was niet binnen de grenzen van de toenmalige rechtsstrijd gebracht die werd gevoerd tegen de weigering te benoemen medio
- Door thans de benoeming van 28 augustus 2003 te toetsen aan de taalwetgeving, schendt verwerende partij dan ook niet het gezag van gewijsde van voornoemd arrest. De Raad van State merkt ten overvloede op dat in de zaak die geleid heeft tot het arrest nr. 120.294, zoals meermaals blijkt uit dat arrest, door de gemeente Drogenbos toentertijd géén administratief dossier was neergelegd en amper verweer werd gevoerd. Van de Raad van State kon bijgevolg al helemaal niet worden verwacht, gesteld dat hij dit binnen de contouren van het daar aangevoerde middel vermocht, ambtshalve op te werpen dat verzoekster niet aan de taalwetgeving voldeed om vast benoemd te kunnen worden. Wat verzoekster ten slotte in de laatste memorie uiteenzet, sluit aan bij het derde middel en krijgt daar een antwoord. Het middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
- Verzoekster put een tweede middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, de ontstentenis van of vergissing in de redengeving en machts- overschrijding. Zij herhaalt dat zij ter uitvoering van het arrest nr. 120.294 een definitieve benoeming moest krijgen met uitwerking vanaf 1 september
- Het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeels- leden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding (rechtspositiedecreet) bestond nog niet op 1 september 1990 XII-4125-4/11 en kan dus niet toegepast worden op haar benoeming. De aangevochten beslissing steunt dus bij vergissing op dat decreet en moest dus worden vernietigd. XII-4125-5/11 Beoordeling
- Het door verzoekster bestreden besluit telt niet minder dan zeventien overwegingen die voorafgaan aan de overweging dat haar benoeming strijdig is met de “terzake geldende taalwetten”. Die overwegingen vermelden de wetgeving die volgens de minister op de zaak van toepassing is en de redenen waarom die wetgeving in zijn ogen is geschonden. Het besluit voldoet dan ook ruimschoots aan de vereisten die door de formele-motiveringsplicht zijn gesteld, welke verzoekster in staat moet stellen de motieven van de overheid te kennen en te oordelen of het zinvol is zich er in rechte tegen te verzetten. In de door verzoekster gegeven toelichting bij het middel heeft zij overigens niet nader uiteengezet hoe die formele motiveringsplicht dan wel geschonden zou zijn geweest. De verdere uitwerking van het middel heeft dan ook geen uitstaans met de formele-motiveringsplicht. Daar lijkt zij in verband met de ook in het middel aangevoerde “vergissing in de regelgeving” als grief aan te voeren dat het vernietigingsbesluit niet wettig steunt op het rechtspositiedecreet van 27 maart
- Bij de bespreking van het derde middel hierna, zal evenwel blijken dat de toezichthoudende overheid een correcte toepassing gemaakt heeft van de taalwetgeving. Die taalwetgeving raakt daarenboven de openbare orde. Zelfs in de veronderstelling dat in de motivering van het vernietigingsbesluit ook andere wetgeving is vermeld die op de rechtstoestand van verzoekster niet toepasselijk was, dan kan dit niet tot nietigverklaring leiden omdat het in voorkomend geval om een overtollig motief zou gaan. Het middel, geput uit de schending van de formele-motiverings- wet, is ongegrond. Zoals het daarenboven met betrekking tot de “vergissing in de redengeving” is toegelicht, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Ten slotte verduidelijkt verzoekster niet wat zij in het middel verstaat onder de ingeroepen “machtsoverschrijding” als vernietigingsgrond naast de hiervoor besproken rechtsregels en -beginselen zodat het middel ook in dat aspect als rechtsmiddel niet ontvankelijk is. XII-4125-6/11 Uiteenzetting van het derde middel
- Het derde middel is geput uit de schending van artikel 13 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (de onderwijstaalwet) en artikel 1 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (de bestuurstaalwet). Volgens verzoekster vormt in onder- wijsaangelegenheden artikel 13 van de onderwijstaalwet een wettelijke specifieke afwijking op de bestuurstaalwet, als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurs- taalwet. Dienvolgens voldoet zij, die een grondige kennis heeft van de onderwijstaal, in dit geval het Frans, aan de taalkundige vereisten. In de memorie van wederantwoord voegt zij daar aan toe dat zij geen enkele handeling verricht van administratieve aard, dat zij geen schooloverheid is als bedoeld in artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet, dat zij moet lesgeven in het Frans, dat zij deel uitmaakt van een onderwijsdienst en niet van een administratieve dienst. In de laatste memorie herhaalt zij dat het Grondwettelijk Hof heeft gewezen dat artikel 53 van de bestuurstaalwet niet toepasselijk is vermits ongrondwettig in geval van benoeming van een personeelslid van een fundamenteel Franstalige school van een randgemeente. Beoordeling
- Het betoog van verzoekster gaat uit van een reeds eerder door de Raad van State verkeerd bevonden premisse, dat zij als onderwijzend personeel in een Franstalige school van een zogenaamde randgemeente enkel onderworpen is aan de onderwijs(taal)wetgeving en niet aan de bestuurstaalwet, om daaruit het besluit te trekken dat op haar geen regel van toepassing is die haar oplegt de kennis van het Nederlands aan te tonen. Zoals de Raad van State immers heeft uiteengezet, onder meer in zijn arrest nr. 140.803, gemeente Wezembeek-Oppem, van 17 februari 2005 waarvan hij de overwegingen hier als herhaald beschouwt : - regelt de onderwijstaalwet het gebruik van de talen uitsluitend in verband met het verstrekken van onderricht; XII-4125-7/11 - sluit de toepassing van de onderwijstaalwet niet de gelijklopende toepassing van andere taalregelingen uit; - is een gemeentelijke basisschool een openbare dienst van de gemeente als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet en zijn de onderwijzende personeelsleden van die school onmiskenbaar een gemeenteambtenaar, waarop luidens artikel 143, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet de bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot het personeel behoudens uitdrukkelijke afwijking toepasselijk zijn; - kan het stilzwijgen van de onderwijstaalwet niet in die zin worden geïnterpreteerd dat daardoor in het Nederlandse taalgebied -een eentalig gebied- een regime wordt ingesteld waardoor de taal van dat gebied in een plaatselijke dienst niet langer de status van officiële taal zou hebben; integendeel moeten de zogenaamde “faciliteiten” die de taalwetgevingen invoeren, en die zich voordoen als uitzonderingen op de algemene regel dat het Nederlands de officiële taal is en bijgevolg onderwijstaal en bestuurstaal, strikt worden geïnterpreteerd. Ten overvloede kan hierbij worden aangestipt dat het Grondwettelijk Hof bij het door verzoekster vermeld arrest nr. 65/2006 eveneens heeft overwogen dat de toekenning van die faciliteiten in de randgemeenten “niet ertoe [kan] leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten betreffende het gebruik van de taal van het taalgebied en aan de vereiste taalkennis binnen de diensten van die gemeenten in het algemeen, en ten aanzien van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen op hun grondgebied in het bijzonder” en dat “[v]an de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in gemeenten die in het Nederlandse taalgebied zijn gelegen, zoals de randgemeenten, mag worden aangenomen dat zij het Nederlands gebruiken ‘in [hun] betrekkingen met de diensten waaronder [zij] ressorteren en [hun] betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad’. Het is evenmin onevenredig hun een taalkennis op te leggen die hen in staat moet stellen aan hun verplichtingen inzake het taalgebruik te voldoen”. Kortom, opdat geen afbreuk zou worden gedaan aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied en aan de grondwettelijke voorrang die het Nederlands blijkens artikel 4 van de Grondwet in dat taalgebied geniet, moet artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet in die zin worden uitgelegd dat : XII-4125-8/11 - de gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente inzake het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs onderworpen zijn aan de onderwijstaalwet, hetgeen impliceert dat het personeel van een dergelijke onderwijsinrichting waarvan de onderwijstaal het Frans is, slechts kan worden aangeworven indien het het bewijs heeft geleverd van een grondige of, voor leraars in andere levende talen, voldoende kennis van die onderwijstaal (artikel 13 van de onderwijstaalwet); - diezelfde gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente, voor zover ze inzake het gebruik van de talen niet beheerst worden door de onderwijstaalwet, zoals voor de te gebruiken taal in de binnendiensten, in de betrekkingen met de diensten waaronder zij ressorteren en in de betrekkingen met andere diensten of met particulieren in het algemeen, beheerst worden door de bestuurstaalwet, hetgeen impliceert dat een gemeentelijke schoolinrichting van een randgemeente, ook al verstrekt ze onderwijs in het Frans, voor de binnendienst uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt (artikel 23 van de bestuurstaalwet) en, a fortiori, dat in een dergelijke onderwijsinrichting niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent (artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet). Eenmaal vastgesteld dat onderwijzers in het gemeentelijk basisonderwijs van een randgemeente, als gemeenteambtenaren, hoe dan ook moeten voldoen aan artikel 27 van de bestuurstaalwet, is de vraag of die gemeenteambtenaren tevens als schooloverheden in de zin van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet te beschouwen zijn irrelevant.
- Wat het verweer in laatste memorie betreft, merkt de Raad van State op dat het Grondwettelijk Hof inderdaad geoordeeld heeft dat artikel 53 van de bestuurstaalwet -dat de bewijsvoering van de taalkennis regelt- niet in overeenstemming is met de Grondwet. Het Hof heeft evenwel evenzeer voor recht gezegd dat artikel 27 van de bestuurstaalwet -dat de taalkennis zelf regelt- noch artikel 24, noch artikel 30 van de Grondwet schendt, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen. Mét het Grondwettelijk Hof, overweging B.10, stelt de Raad vast : “Als basisbeginsel geldt hoe dan ook dat elke kandidaat voor een dergelijk ambt of betrekking dient aan te tonen, op basis van de vereiste diploma's of XII-4125-9/11 studiegetuigschriften, dat hij zijn onderwijs in het Nederlands heeft genoten of, bij ontstentenis ervan, dat zijn taalkennis reeds door een examen is bewezen”. Verzoekster beweert niet haar onderwijs in het Nederlands te hebben genoten en bewijst geenszins dat op het ogenblik van haar benoeming, op welke wijze ook de kennis van de Nederlandse taal “reeds door een examen is bewezen”. Nu zij op het ogenblik van haar benoeming hoe dan ook niet voldeed aan artikel 27 van de bestuurstaalwet, kan verzoekster er geen baat bij hebben een lacune in de wetgeving aan te klagen voor hen die wél aan de taalkennisvereiste voldoen, maar die niet toegelaten worden om zulks ter dege te bewijzen door een examen dat niet door Selor is afgenomen.
- Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat de minister terecht onder verwijzing naar artikel 27 van de bestuurstaalwet mocht vaststellen dat de benoeming van verzoekster in strijd was met de ter zake geldende taalwetten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-4125-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4125-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.652 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.