id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.654 Rolnummer: A. 159562/XII-4369 Zaak: Arrest 194654 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.654 van 25 juni 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.654 van 25 juni 2009 in de zaak 159.562/XII-
- In zake : Elena TSIPORKOVA, wonende te Merelbeke, Wilgenstraat 21 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
- tussenkomende partij: Guy DE TRE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Vanlee, kantoor houdende te Gent, Cyriel Buyssestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Elena Tsiporkova op 27 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 september 2004 van de raad van bestuur van de Universiteit Gent, waarbij Guy De Tré wordt benoemd tot voltijds docent in de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Universiteit Gent; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 22 maart 2005; Gelet op de beschikking van 25 maart 2005 die de tussenkomst van G. De Tré toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; XII-4369-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van Broeck, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor verwerende partij, en van advocaat B. Vanlee, die verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 22 december 2002 verschijnt de vacature voor een voltijds ambt van docent of hoofddocent in de vakgroep Telecommunicatie en informatieverwerking (faculteit Toegepaste Wetenschappen), vakgebied “vage informatieverwerking”, aan de Universiteit Gent. Het bericht schetst het volgende profiel van het ambt : “Op het ogenblik van de kandidatuurstelling houder zijn van een doctoraat op proefschrift (of gelijkwaardig erkend diploma); hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht in het vakgebied, gestaafd door publicaties in nationale en internationale tijdschriften die een ruime verspreiding kennen en die een beroep doen op deskundigen voor de beoordeling van de manuscripten; over de nodige didactische vaardigheden beschikken om academisch onderwijs te verstrekken; goede vertrouwdheid met databanken strekt tot aanbeveling”. XII-4369-2/15 Er dienen zich vijf kandidaten aan, waaronder G. De Tré, die in 2000 promoveerde aan de Universiteit Gent tot doctor in de Toegepaste wetenschappen en verzoekster, die in 1995 aan de Universiteit Gent promoveerde tot doctor in de wetenschappen (wiskunde). 1.
- De beoordelingscommissie die door de faculteit Toegepaste Wetenschappen is belast met het beoordelen van de kandidaturen, komt een eerste keer samen op 26 februari
- De commissie vat alsdan de dossiers van de kandidaten samen en maakt een eerste selectie, waardoor twee (andere) kandidaturen niet langer in aanmerking worden genomen. De overblijvende kandidaten - waaronder dus verzoekster en G. De Tré - zullen worden uitgenodigd om de commissie een korte uiteenzetting te geven over hun visie op onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening in het betrokken vakgebied, alsook op hun functioneren binnen de betrokken vakgroep. Bovendien zal worden gevraagd een korte proefles te geven over een onderwerp naar keuze in het betrokken vakgebied. Tijdens de tweede bijeenkomst, op 25 maart 2004, hoort de beoordelingscommissie de drie overgebleven kandidaten omtrent de opgegeven thema’s en de proefles. Ook de finale beoordeling neemt dan een aanvang. In haar vergadering van 26 april 2004 beëindigt de commissie de finale beoordeling van de kandidaten en formuleert zij haar advies aan de faculteitsraad. G. De Tré wordt als eerste gerangschikt en verzoekster als derde, en dus laatste. 1.
- De bevorderingscommissie van het zelfstandig academisch personeel sluit zich aan bij het advies van de beoordelingscommissie. 1.
- De faculteitsraad Toegepaste Wetenschappen adviseert in zijn zitting van 19 mei 2004, om G. De Tré als eerste kandidaat en M.D.C. als tweede kandidaat voor te dragen en om geen derde kandidaat - verzoekster dus - voor te dragen. In zijn vergadering van 23 juni 2004 motiveert de faculteitsraad, op aandringen van het rectoraat van de Universiteit Gent, waarom verzoekster niet wordt gerangschikt. Die motivering luidt : XII-4369-3/15 “Volgens de Faculteitsraad vormen de volgende argumenten een voldoende motivering voor het niet rangschikken van kandidate Elena Tsiporkova : - het profiel van deze kandidate sluit minder goed aan bij het vakgebied van de vacature; - haar didactische vaardigheden komen als minder goed over; - de kandidate is minder bereid het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten en haar visie op het begeleiden van doctoraten is eerder vaag. De Raad gaat unaniem akkoord met deze motivering”. 1.
- De raad van bestuur van de Universiteit Gent beslist op 17 september 2004 om zich aan te sluiten bij de adviezen van de beoordelings- commissie en de faculteitsraad en dus om G. De Tré te benoemen tot voltijds docent in de faculteit Toegepaste Wetenschappen. Verzoekster wordt niet gerangschikt. Dit is de bestreden beslissing; ze wordt aan verzoekster betekend op 11 oktober
- Verzoekster tekent voor ontvangst ervan op 30 november
- De grond van de zaak
- Verzoekster voert in het inleidend verzoekschrift drie middelen aan. Standpunt van de partijen
- Een tweede middel is geput uit de schending van het gelijkheids- beginsel en meer in het bijzonder de gelijke toegang tot het openbaar ambt zoals gewaarborgd bij artikel 10 van de Grondwet. Verzoekster verwijt de beoordelingscommissie een gebrek aan diepgang bij het onderzoek van de kandidaturen, wat geleid heeft tot een onevenwichtige vergelijking van de titels en verdiensten. Zij betoogt onder meer dat de drie aangevoerde argumenten om haar niet te rangschikken, ongegrond zijn. Wat het eerste argument betreft dat haar profiel minder goed aansluit bij het vakgebied van de vacature, werpt zij tegen dat, gelet op de beoordeling van de beoordelings- commissie dat kandidate M.D.C. nauwelijks vertrouwd is met het vakgebied van de vacature, het onlogisch is om de kandidatuur van M.D.C. in de rangschikking te behouden, terwijl de hare wordt weerhouden. Zij verwijst hierbij naar de volgende passus uit het verslag waar meer specifiek te lezen valt dat “van de overblijvende XII-4369-4/15 kandidaten [M.D.C.] echter het minst [is] vertrouwd met databanken. Verschillende commissieleden vrezen dat dit negatieve gevolgen kan hebben zowel voor de beoogde onderwijsverstrekking als voor de verdere uitbouw van het onderzoek van de vakgroep in het vakgebied”. Tevens betoogt zij dat, alle informatie in acht nemend, het moeilijk te verklaren is hoe de jury tot het besluit is kunnen komen dat verzoekster een beperkte ervaring heeft in het domein van de vacature. Het is correct dat vage databanken niet haar primaire onderzoeksactiviteit zijn geweest, maar volgens haar is “vage informatieverwerking” veel meer dan alleen vage databanken. Zij heeft aan verschillende aspecten van vage informatieverwerking gewerkt en verschillende van deze onderwerpen overlappen met de problemen die in de publicaties van G. De Tré worden behandeld. Omtrent het tweede argument dat haar didactische vaardigheden als minder goed overkomen, stelt verzoekster dat dit een erg subjectieve en eenvoudige manier is om haar kandidatuur minder waard te maken. Aangaande ten slotte het derde argument dat zij minder bereid is het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten en haar visie op het begeleiden van doctoraten eerder vaag is, is verzoekster van mening dat de feiten dit tegenspreken. Uit de schriftelijke samenvatting van de opvattingen in verband met onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening die verzoekster heeft gestuurd naar de leden van de beoordelingscommissie blijkt duidelijk dat haar onderzoeksambities dicht aansluiten bij het vakgebied van de vacature. De onderwerpen die ze heeft gesuggereerd zijn gelijkaardig aan de huidige onderwerpen van de interne kandidaat G. De Tré. Bovendien kan een goed inzicht in het wetenschappelijk onderzoekspotentieel van verzoekster en haar bekwaamheid voor wetenschappelijke samenwerking worden verkregen door het feit dat ze in haar onderzoekscarrière in verschillende omgevingen aan diverse onderwerpen heeft gewerkt, varierend van puur theoretisch tot zeer toegepast. Ten slotte betoogt zij dat haar onderzoeksdomeinen in essentie worden bepaald door de werkgever van het betreffende moment.
- Verwerende partij stelt vooreerst dat de ontwikkeling van het middel irrelevant is voor zover het betrekking heeft op de wel door de faculteit voorgedragen, maar niet benoemde kandidaat M.D.C. Op de door verzoekster XII-4369-5/15 aangevoerde kritiek op de motieven voor haar niet-rangschikking, antwoordt verwerende partij dat verzoekster door haar argumentatie zelf bevestigt dat haar profiel minder goed aansluit bij het vakgebied van de vacature. Voor de beoordeling van kandidaatsstellingen is voorts het door de overheid vastgestelde profiel van tel, niet de opinies daarover van de ene of andere kandidaat. Bij dit alles sluit volgens verwerende partij wel degelijk aan wat over verzoekster wordt gezegd aangaande haar visie omtrent het wetenschappelijk onderzoek, te weten dat haar eigen onderzoeksdomeinen worden benadrukt, “eerder dan verder te bouwen op het reeds bestaande onderzoek binnen de vakgroep” en wat de beoordelingscommissie zegt met betrekking tot het aspect “databanken” dat zij “hier slechts beperkt mee [is] vertrouwd”. Verwerende partij betoogt tevens dat het motief dat “haar didactische vaardigheden [...] als minder goed over [komen]”, wellicht al te voorzichtig geformuleerd, zonder meer correct is en feilloos aansluit bij de gegevens van het administratief dossier. Tenslotte meent verwerende partij dat het motief dat verzoekster minder bereid is het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten en haar visie op het begeleiden van doctoraten eerder vaag is, voor de huidige bespreking vooral in zijn tweede deel van belang is en overigens door verzoekster niet wordt tegengesproken. Verzoekster heeft over haar volledige wetenschappelijke carrière welgeteld twee scripties en twee doctoraten begeleid.
- De tussenkomende partij merkt vooreerst op dat de beoordelings- criteria vooraf publiek werden gemaakt via de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en via het document “Inpassing van de vacature in het vakgebied ‘vage informatieverwerking’ in de strategische krachtlijnen van vakgroep TW07”, goedgekeurd door de Faculteitsraad van 10 september 2003, waarmee de commissie ad hoc die de kandidaturen behandelt bij hun beoordeling rekening dient te houden. Op de kritiekpunten inzake de niet-rangschikking van verzoekster, antwoordt de tussenkomende partij dat verzoekster geen belang heeft bij het argument dat kandidate M.D.C. nauwelijks vertrouwd zou zijn met het vakgebied, aangezien deze niet werd benoemd. Bovendien houdt de persoonlijke beoordeling van kandidaat D.C. al zeker geen argument in om te stellen dat de motivering in verband met de niet rangschikking van verzoekster onjuist zou zijn. Aangaande het XII-4369-6/15 motief over de “minder goed over komende” didactische vaardigheden van verzoekster, stelt de tussenkomende partij dat het verslag van de beoordelingscommissie een duidelijk overzicht bevat waarin de proeflessen van de drie kandidaten volgens dezelfde criteria en op een objectieve, vergelijkbare manier zijn besproken. Verzoekster slaagt er niet in concreet aan te tonen dat de aangebrachte motieven inzake haar niet-rangschikking foutief, onjuist, niet draagkrachtig of kennelijk onredelijk zouden zijn.
- In de memorie van wederantwoord gaat verzoekster niet ermee akkoord dat de middelen die betrekking hebben op kandidate M.D.C. irrelevant zijn. De uiteindelijke rangschikking is gebaseerd op een vergelijking van de kandidaten met elkaar, zodat de feiten over M.D.C. essentieel zijn om te bewijzen dat haar kandidatuur op een discriminerende wijze is behandeld in vergelijking met de twee andere kandidaten. Het advies van de beoordelingscommissie expliceert niet voldoende waarom aan de kandidatuur van M.D.C. de voorkeur wordt gegeven boven die van haar. Met betrekking tot de eis in de vacature van “goede vertrouwdheid met databanken strekt tot aanbeveling”, stelt zij dat de beoordelingscommissie met twee maten en gewichten meet, gezien alleen kandidate M.D.C. in de rangschikking is behouden terwijl er bijna geen verschil is in de argumentatie van de beoordelingscommissie over beide kandidaten (verzoekster en M.D.C.) en van kandidate M.D.C. wordt gezegd dat zij van de overblijvende kandidaten het minst vertrouwd is met databanken. “Vage informatieverwerking” is bovendien niet alleen volgens haar maar ook volgens de tussenkomende partij iets meer dan databanken. De beoordeling “dat haar visie op het begeleiden van doctoraten [...] eerder vaag [is]”, noemt verzoekster op zichzelf een vaag geformuleerd oordeel dat niet is gesteund op kwalitatieve argumenten. Volgens haar moet die zogenoemde “vage visie” worden vergeleken met die van de andere kandidaten, die zelfs ontbreken in het verslag van de beoordelingscommissie, is het vreemd om van iemand die acht jaar in de industrie heeft gewerkt te verwachten dat deze dezelfde aantallen scripties of promoties heeft medebegeleid als iemand die zijn hele carriëre aan de universiteit van Gent heeft doorgebracht, en is zij na minder dan twee jaar ervaring aan deze universiteit, “twee keer promotor van scripties, 1 keer begeleider van een doctorant en 1 keer promotor van een doctorant met zelf verworven krediet voor 4 jaar”. XII-4369-7/15 XII-4369-8/15 Tot slot betoogt zij dat verwerende partij geen bewijzen heeft gegeven dat een kwalitatieve evaluatie van de publicaties van de kandidaten heeft plaatsgevonden en dat deze haar eigen dossier niet goed lijkt te kennen. De beoordelingscommissie schrijft over verzoekster met betrekking tot onderwijs dat “kandidaat Elena Tsiporkova [...] over de nodige communicatieve en didactische vaardigheden [beschikt] om academisch onderwijs te kunnen verstrekken in het vakgebied van de vacature”, waaruit blijkt dat zij voldoet aan de onderwijsstandaard.
- In hun laatste memorie betogen verwerende en tussenkomende partij dat het motiefonderdeel van de bestreden beslissing dat “haar visie op het begeleiden van doctoraten [...] eerder vaag [is]” als draagkrachtig motief te beschouwen is ten aanzien van de beslissing dat verzoekster niet wordt gerangschikt, hetgeen door verzoekster niet op ontvankelijke wijze wordt betwist. Beoordeling
- Met de bestreden beslissing sluit de raad van bestuur van de Universiteit Gent zich voor de niet-rangschikking van verzoekster aan bij de motivering van de faculteitsraad en maakt hij die tot de zijne: “- het profiel van deze kandidate sluit minder goed aan bij het vakgebied van de vacature; - haar didactische vaardigheden komen als minder goed over; - de kandidate is minder bereid het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten en haar visie op het begeleiding van doctoraten is eerder vaag”.
- Verwerende partij stelt terecht vast dat verzoeksters niet- rangschikking tot gevolg heeft dat zij, op grond van artikel 8 van het reglement van 12 september 2003 van de raad van bestuur van de Universiteit Gent betreffende de benoeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de leden van het zelfstandig academisch personeel (hierna : het reglement), naar het oordeel van de beslissende overheid, hoe dan ook niet in aanmerking komt voor benoeming of aanstelling in de vacante betrekking. Verwerende en tussenkomende partij kunnen evenwel niet worden bijgevallen waar zij opwerpen dat de ontwikkeling van het middel “irrelevant” is voor zover het betrekking heeft op de wel door de faculteit voorgedragen, maar niet XII-4369-9/15 benoemde kandidate M.D.C. De niet-rangschikking van verzoekster schept immers een bijzondere situatie, in die zin dat, indien verzoekster wél gunstig gerangschikt zou zijn geweest, doch niet benoemd of aangesteld, zij slechts kritiek kon leveren op de beoordeling van haar titels en verdiensten in vergelijking met de wel benoemde of aangestelde kandidaat, terwijl zij thans kritiek vermag te leveren op de beoordeling van haar titels en verdiensten in vergelijking met alle wél gunstig gerangschikte - maar mogelijk ook niet benoemde of niet aangestelde - kandidaten. Indien verzoekster immers kan aantonen dat verwerende partij met de bestreden beslissing zonder een deugdelijke reden te doen gelden aan de enen - kandidaten G. De Tré en M.D.C.- geeft wat zij anderen -verzoekster- niet geeft, betekent dit dat verzoekster ten onrechte van de rangschikking werd uitgesloten. Een vernietiging van de bestreden beslissing zou haar dan het voordeel opleveren dat zij opnieuw in concurrentie treedt met de andere gerangschikte kandidaten - concurrentiestrijd die haar thans door de bestreden beslissing wordt ontzegd -, dat haar kandidatuur zal worden afgewogen, zowel negatief als positief, tegenover de andere kandidaturen en dat zij alleszins nog een kans maakt om te worden benoemd of aangesteld - kans die haar thans door de bestreden beslissing wordt ontzegd. De beoordeling van de door verzoekster ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel, vereist om die reden een onderzoek van de motieven die worden ingeroepen om verzoekster van de rangschikking uit te sluiten.
- Het eerste door de faculteitsraad weergegeven en hiervoor aangehaalde motief voor de niet-rangschikking van verzoekster verwijst naar haar profiel, dat “minder goed” zou aansluiten bij het vakgebied van de vacature. Wat het beoogde profiel van de kandidaten aangaat, vermeldt het vacaturebericht volgende elementen: - op het ogenblik van de kandidatuurstelling houder zijn van een doctoraat op proefschrift (of gelijkwaardig erkend diploma); - hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht in het vakgebied, gestaafd door publicaties in nationale en internationale tijdschriften die een ruime verspreiding kennen en die beroep doen op deskundigen voor de beoordeling van de manuscripten; - over de nodige didactische vaardigheden beschikken om academisch onderwijs te verstrekken; - goede vertrouwdheid met databanken strekt tot aanbeveling. XII-4369-10/15 Wat het eerste element van het profiel betreft - het diplomavereiste - heeft de beoordelingscommissie, zonder verdere opmerkingen, vastgesteld dat “[d]e overgebleven kandidaten allen (voldoen) aan de diplomavereisten van het vacaturebericht”. Dit element is dus niet van aard om te besluiten dat verzoekster “minder goed” zou aansluiten bij het vakgebied van de vacature. Het tweede element van het profiel heeft de beoordelings- commissie uitgesplitst: enerzijds wordt nagegaan of de kandidaten hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht, en anderzijds of zij onderzoeks- ervaring hebben in het vakgebied van de vacature. Wat het eerste onderdeel betreft - hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht - heeft de beoordelings- commissie, opnieuw zonder verdere opmerkingen, vastgesteld dat “(d)e overgebleven kandidaten allen hoogstaand onderzoek (hebben) verricht”. Dit element is dus evenmin van aard om te besluiten dat verzoekster “minder goed” zou aansluiten bij het vakgebied van de vacature. Wat het tweede onderdeel betreft, oordeelt de beoordelingscommissie dat “[d]e overgebleven kandidaten allen onderzoekservaring [hebben] in het vakgebied van de vacature”, maar dat “[d]e onderzoekservaring van kandidaat De Tré inhoudelijk het dichtst [aansluit] bij het vakgebied van de vacature; de onderzoekservaring van de kandidaten [M.D.C.] en Tsiporkova beperkt zich eerder tot de wiskundige aspecten van het vakgebied”. Op dat vlak worden de kandidaten M.D.C. en verzoekster dus gelijkgesteld. Dit element is dus niet van aard om te besluiten dat verzoeksters profiel “minder goed” aansluit bij het vakgebied, nu in het andere geval ook M.D.C. had moeten worden uitgesloten van de rangschikking. Het derde element - de didactische vaardigheden - wordt expliciet vermeld als tweede motief voor de niet-rangschikking van verzoekster. Dit aspect wordt dan ook hierna, bij de bespreking van het tweede motief, behandeld. Het vierde element - de goede vertrouwdheid met databanken - betreft luidens het vacaturebericht slechts een punt dat tot aanbeveling strekt. Daarbij merkt de beoordelingscommissie op dat “[k]andidaat De Tré [...] het meest vertrouwd [is] met databanken. Kandidaat Tsiporkova is hier slechts beperkt mee vertrouwd, kandidaat [M.D.C.] nauwelijks. Kandidaat [M.D.C.] geeft wel aan dat ze dit beseft en geeft haar bereidheid aan om zich hierin bij te werken”. Ook op dit vlak is er minstens sprake van een gelijkstelling tussen kandidaat M.D.C. en XII-4369-11/15 verzoekster, en geeft de beoordelingscommissie zelfs aan dat verzoekster (“slechts beperkt”) méér vertrouwd is met databanken dan kandidaat M.D.C. (“nauwelijks”). Ook dit element is dus niet van aard om te besluiten dat verzoeksters profiel “minder goed” aansluit bij het vakgebied, nu in het andere geval ook M.D.C. had moeten worden uitgesloten van de rangschikking. Het gegeven dat kandidaat M.D.C. bereid is te werken aan haar gebrek aan vertrouwdheid op dat gebied, verandert niets aan die vaststelling. Er valt immers niet in te zien hoe nog te verwerven kennis kan worden betrokken in een onderzoek naar de titels en verdiensten van een kandidaat. Conclusie is dat het eerste motief niet deugdelijk is.
- Het tweede motief - waarbij rechtstreeks wordt verwezen naar het derde element van het profiel in het vacaturebericht - handelt over de didactische vaardigheden van verzoekster. Daarover heeft de beoordelingscommissie het volgende gezegd : “De overgebleven kandidaten beschikken allen over de didactische vaardigheden zoals vereist in het vacaturebericht. Zich baserende op de proefles beschikt kandidaat [M.D.C.] volgens de commissieleden over de beste didactische vaardigheden. Kandidaat De Tré beschikt over de grootste onderwijservaring. De proefles van kandidaat Tsiporkova kwam eerder over als een congresmededeling dan een les, en de relatie tussen de geprojecteerde beelden en de mondelinge uitleg was niet altijd even duidelijk”. Ondubbelzinnig wordt gesteld dat verzoekster, net als de andere kandidaten, over de in het vacaturebericht vereiste didactische vaardigheden beschikt. Het is zeer wel mogelijk dat er een onderscheid, een gradatieverschil zelfs, bestaat in de didactische vaardigheden van de drie kandidaten. Dat verschil in kwaliteit van didactische vaardigheden kan dan een invloed hebben op de globale beoordeling van de kandidaat, en dus ook op de door die kandidaat in te nemen plaats in de rangschikking. Alleen valt niet te begrijpen waarom aan een kandidaat waarvan dan toch uitdrukkelijk is vastgesteld dat zij over de in het vacaturebericht vereiste didactische vaardigheden beschikt, iedere kans op benoeming of aanstelling moet worden ontnomen, om de enkele reden dat haar didactische vaardigheden “als minder goed overkomen” in vergelijking met de andere kandidaten. Dit motief kan de getroffen beslissing niet dragen.
- Het element van de didactische vaardigheden kan dus evenmin een rol spelen in het eerder algemeen geformuleerde eerste motief. Dat leidt ertoe XII-4369-12/15 dat evenmin één van de hiervoor opgesomde elementen inzake het “minder goed aansluiten” van het profiel van verzoekster van aard is om de beslissing te dragen.
- Blijft nog het derde motief dat “de kandidate [...] minder bereid [is] het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten en haar visie op het begeleiden van doctoraten [...] eerder vaag [is]”. Dat verzoekster minder bereid zou zijn het bestaande onderzoek in de vakgroep verder te zetten, leidt de beoordelingscommissie af uit de visie van verzoekster op het onderzoek; zij zou daarbij vooral haar eigen onderzoeksdomeinen beklemtoond hebben, eerder dan voort te bouwen op het reeds bestaande onderzoek in de vakgroep. Omtrent kandidaat M.D.C. doet de beoordeling nochtans ook optekenen: “Van de overblijvende kandidaten is zij echter het minst vertrouwd met databanken. Verschillende commissieleden vrezen dat dit negatieve gevolgen kan hebben zowel voor de beoogde onderwijsverstrekking als voor de verdere uitbouw van het onderzoek van de vakgroep in het vakgebied, en dat de kandidaat eerder haar eigen onderzoek zal verder zetten”. De vrees die op het vlak van onderzoek ten aanzien van verzoekster wordt geuit, bestaat dus ook ten aanzien van kandidaat M.D.C.. In dat opzicht moet worden besloten dat dit motief - althans dit onderdeel - niet van aard is om verzoekster uit de rangschikking uit te sluiten, nu in het andere geval ook M.D.C. had moeten worden uitgesloten van de rangschikking. Het tweede onderdeel - de visie op het begeleiden van doctoraten is eerder vaag - bekritiseert verzoekster zelf niet in haar inleidend verzoekschrift. Het komt dan niet de Raad van State toe om ambtshalve - en dus in de plaats van verzoekster - de deugdelijkheid van dat motief te onderzoeken. De kritiek die zij naderhand uit in haar memorie van antwoord, is laattijdig en ermee rekening houden zou de rechten van verdediging van de andere partijen in het geding, ernstig in het gedrang brengen. Anderzijds komt het ook niet toe aan de Raad van State om in de plaats van het bestuur te treden en te oordelen of dat ene niet-bekritiseerde motief volstaat om verzoekster uit te sluiten van de rangschikking. Volgens verwerende partij en ook de tussenkomende partij is echter vooral het tweede onderdeel - de visie op het begeleiden van doctoraten is eerder vaag - wél van belang en volstond dit ene, door verzoekster niet-bekritiseerde motiefonderdeel reeds om verzoekster toentertijd uit te sluiten van de rangschikking. XII-4369-13/15 Als echter volgens de Faculteitsraad “de volgende argumenten een voldoende motivering voor het niet rangschikken” vormen, dan kan dit in laatste memorie gevoerde verweer de Raad van State er niet van overtuigen dat één van die argumenten of motieven, des te minder een motiefonderdeel, geacht moet worden toentertijd voor het bestuur “een voldoende motivering” op te leveren voor de niet- rangschikking. Meer nog, er dient te worden vastgesteld dat het bedoelde motief niet rechtstreeks verwijst naar elementen die zijn opgenomen in het profiel van het vacaturebericht. Uit het administratief dossier blijkt dat in het voorstel van vacaturebericht melding werd gemaakt, onder het opschrift “de volgende punten strekken tot aanbeveling”, van de volgende punten: “de nodige vaardigheden hebben om doctoraal onderzoek te begeleiden”, “ervaring hebben in het verstrekken van academisch onderwijs en het begeleiden van afstudeerwerken” en “goede vertrouwdheid met databanken”. In het uiteindelijk gepubliceerd vacaturebericht wordt echter enkel het punt inzake de goede vertrouwdheid met databanken opgenomen. Hieruit kan minstens worden afgeleid dat de overige punten als minder van belang dienen te worden beschouwd, zodat thans niet kan worden aangenomen dat ze een determinerend motief zouden kúnnen vormen om verzoekster niet te rangschikken. Derhalve kan niet worden aangenomen dat dit motiefonderdeel alleen al de bestreden niet-rangschikking zou kunnen verantwoorden.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 17 september 2004 van de raad van bestuur van de Universiteit Gent, waarbij Guy De Tré wordt benoemd tot voltijds docent in de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Universiteit Gent. Artikel
- XII-4369-14/15 De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4369-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.