← België

Arrest 194658 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.658 Rolnummer: A. 132538/XII-5183 Zaak: Arrest 194658 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.658 van 25 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.658 van 25 juni 2009 in de zaak A. 132.538/XII-5183. In zake : de STAD AALST, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Aalst op 31 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, aan verzoekster ter kennis gebracht per gewone brief van 29 november 2002”, waarbij haar aanvraag tot toekenning van een variabele subsidie wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 124.671 van 27 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van verzoekster tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-5183-1\22 Gelet op de beschikking van 30 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid -dat in de plaats is gekomen van een decreet van 24 juli 1991- heeft tot doel gemeenten te stimuleren om te komen tot een kwalitatief en integraal cultuurbeleid. Het bepaalt ondersteuning aan gemeenten voor de opmaak en de uitvoering van een gemeentelijk cultuurbeleidsplan, de uitbouw van de werking van een cultuurcentrum en de uitbouw van de werking van de openbare bibliotheek. Tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt vermeld, wordt naar het decreet van 13 juli 2001 verwezen in de versie zoals die gold bij het nemen van het thans bestreden besluit van 29 november 2002. Relevant in casu is de subsidiëring van de cultuurcentra, in artikel 2, 4/, van het decreet van 13 juli 2001 gedefinieerd als een gemeenschaps- centrum met daarnaast een breed en eigen cultuurspreidingsaanbod, gericht op de bevolking van een streekgericht werkingsgebied; een gemeenschapscentrum wordt in artikel 2, 3/, gedefinieerd als culturele infrastructuur door de gemeente beheerd met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten XII-5183-2\22 behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit. Enkel de gemeenten bedoeld in artikel 7 van het decreet kunnen een subsidieaanvraag indienen voor een cultuurcentrum. Dit zijn de gemeenten opgesomd in een bijlage bij het decreet waaronder blijkens de memorie van toelichting de 57 centrumgemeenten, volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen opgedeeld in vier categorieën : de grootstedelijke gebieden, de regionaalstedelijke gebieden, de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau, alsook aanvullend negen gemeenten grenzend aan Brussel, en daarnaast gemeenten niet opgesomd in die lijst maar die beschikken over een cultuurcentrum erkend in de plus-categorie I of II op basis van het decreet van 24 juli 1991 en ten slotte gemeenten niet opgesomd in de voornoemde lijst met meer dan 30.000 inwoners. Blijkens artikel 28, § 1, 4/, moeten deze laatste twee groepen gemeenten dan wel de centrumfunctie van het cultuur- centrum aantonen. Met uitzondering van de centrumgemeenten in de grootstedelijke gebieden worden deze gemeenten overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 13 juli 2001 gerangschikt in categorieën A, B of C. Voor de subsidiëring wordt een onderscheid gemaakt tussen de basissubsidie en de variabele subsidie. De forfaitaire basissubsidie wordt bepaald door de categorie waartoe de gemeente behoort en wordt vastgesteld op grond van een aantal objectieve criteria. Ze kan worden aangevuld met een variabele werkingssubsidie, die berekend wordt op basis van “het geheel van de volgende negen parameters”, bepaald in artikel 33, § 2, “die op een evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van een cultuurcentrum” : “1/ het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 2/ de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; 3/ de aard van de werking: originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; 4/ het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 5/ de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; XII-5183-3\22 6/ de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 7/ de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbudget; 8/ de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 9/ de personeelsformatie en de invulling ervan”. De beoordeling van de dossiers zal gebeuren door een door de Vlaamse regering op te richten commissie. De variabele subsidie wordt blijkens artikel 33, § 1, van het decreet vastgesteld op “ten minste 3.517.000 euro” per jaar. Artikel 73 van het decreet van 20 december 2002, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002, verving dat bedrag door het bedrag van “ten minste 3.467.000 euro”. De variabele subsidie voor de categorie A, B en C bedraagt krachtens artikel 33, § 3, van het decreet van 13 juli 2001 voor elke categorie ten minste 25 % van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie, na voorafname zoals bepaald in artikel 68. Artikel 68, een overgangsbepaling, bepaalt dat gemeenten met een cultuurcentrum erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet van 13 juli 2001 worden ingeschaald in categorie B of C, tot 31 december 2006 het recht behouden op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd als deze subsidie hoger is dan de subsidie berekend op basis van het decreet van 13 juli 2001. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt dan, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat voor de aanvullende variabele subsidie is bepaald in artikel 33, § 1. 1.2. Het decreet van 13 juli 2001 werd uitgevoerd door het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002 ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2002. Daarenboven verstrekt de minister van Cultuur op 24 december 2001 een administratieve toelichting aan de colleges van burgemeester en schepenen bij het nieuwe decreet. Op 20 juni 2002 deelt de administratie aan de colleges van XII-5183-4\22 burgemeester en schepenen de richtlijnen mee in verband met de aanvraag van de variabele subsidie. 1.3. De stad Aalst, die beschikt over een erkend cultureel centrum ingedeeld in de categorie plus-II van het decreet van 24 juli 1991, dient, ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 en het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002, voor haar cultureel centrum een aanvraag in voor de toekenning van een basissubsidie in categorie A, waartoe het behoort krachtens artikel 8, § 1, van het decreet van 13 juli 2001. Die subsidie wordt toegekend. Daarnaast dient verzoekster ook een aanvraag in voor de toekenning van een variabele subsidie. In totaal werden aldus 49 dossiers ingediend. 1.4. De door de Vlaamse regering opgerichte beoordelingscommissie keurt op 14 november 2002 haar eindadvies goed. Het cultuurcentrum van de stad Aalst krijgt blijkens dit advies een quotering van 16,48 hetzij 2,98 onder het gemiddelde van 19,46 in categorie A. Dit leidt niet tot een variabele subsidie. De tekst van het advies van de beoordelingscommissie luidt : “Alle dossiers werden beoordeeld Alle dossiers werden beoordeeld op basis van volgende parameters zoals die gestipuleerd worden in art. 33 §2 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. 1. het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 1.a. Het totaal aantal deelnemers aan de eigen activiteiten werd bekeken in verhouding tot het gemiddelde aantal deelnemers bij de cultuurcentra van dezelfde categorie 1.b. In dit onderdeel werd op basis van de opgegeven herkomstcijfers door de commissieleden de uitstraling naar de regio van een cultuurcentrum beoordeeld. Per cultuurcentrum werd een waardering gegeven (zwak, neutraal of sterk) rekening houdend met de specifieke situatie van een cultuurcentrum in zijn regionale context. 2. de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; Deze parameter werd beoordeeld aan de hand van 4 onderdelen waarbij de twee kwantitatieve onderdelen (a en

  1. c)rekenkundig bekeken werden en twee eerder subjectieve onderdelen (b en
  2. d)toelieten om creativiteit te valoriseren. 2.a. Het totaal aantal toeleidings- en educatieve activiteiten werd afgewogen tegenover het gemiddelde binnen de categorie 2.b. De kwaliteit van de toeleiding en de educatieve omkadering ? XII-5183-5\22 2.c. Het budget voor promotie (d.w.z. de financiële middelen die rechtstreeks aan promotie worden besteed) werd afgewogen tegenover het gemiddelde in de categorie 2.d. Hoe werd promotie gevoerd? Hoe creatief werd met dat budget of andere promotiemogelijkheden omgesprongen? 3. de aard van de werking: originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving en motivatie. 4. het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 4.a. Het aantal eigen en receptieve voorstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.b. Het aantal eigen en receptieve tentoonstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.c. Het aantal eigen en receptieve vormingsactiviteiten samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 5. de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving. 6. de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 6.a. De ondersteuning van het gemeenschapsleven kreeg een beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de omschreven initiatieven 6.b. Het geheel aan initiatieven voor de doelgroepen kreeg een globale beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de opgegeven omschrijving. 7. de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbu[d]get Afhankelijk van het statuut werden verschillende methoden gebruikt. Het resultaat werd bekeken in verhouding tot de totale uitgaven van de cultuurcentra van die categorie. 8. de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 8.a. De vierkante meters van alle door het cultuurcentrum beheerde infrastructuur werden samengeteld en afgewogen tegen het gemiddelde van de categorie. 8.b. In dit onderdeel werden de mogelijkheden van de beschikbare infrastructuur gewaardeerd (mogelijkheden tot tentoonstellen, vergaderen enz.) 9. de personeelsformatie en de invulling ervan. De gerealiseerde formatie agogisch personeel werd afgewogen tegenover het gemiddelde en tegenover het gesubsidieerd personeelskader. Verdeling van de bedragen 1. Volgens art. 33 §1 van het decreet wordt voor de variabele subsidie een totaalbedrag vastgesteld van 3.467.000 euro. 2. Volgens art. 33 §3 bedraagt de variabele subsidie voor de categorie A, B en C voor elke categorie ten minste 25% van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie na voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet XII-5183-6\22 3. Artikel 68 van het decreet stelt dat ‘gemeenten met een cultuurcentrum, erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of de plus-11 categorie, die op basis van dit decreet worden ingeschaald in respectievelijk de categorie B of C behouden tot 31 december 2006 het recht op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd, als deze subsidie hoger is dan de subsidie, berekend op basis van de bepalingen van dit decreet. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat in artikel 33 §1, van dit decreet is bepaald voor de variabele subsidie.’ Toekenning van een weging en berekening van de score Binnen elke categorie worden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters krijgt in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel heeft in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters worden gemeten dan wordt de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Vertrekkende van deze afspraak ziet de score per (deel)parameter er als volgt uit: parameter la = 0.50 lb = 0.50 parameter 2a = 0.25 2b = 0.25 2c = 0.25 2d = 0.25 parameter 3 = 1 parameter 4a = 0.33 4b = 0.33 4c = 0.33 parameter 5 =1 parameter 6a = 0.50 6b = 0.50 parameter 7 =1 parameter 8a = 0.50 8b = 0.50 parameter 9 = 1 Elke score wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er wordt een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1 neutraal = wegingscoëfficiënt 2 sterk = wegingscoëfficiënt 3 Voor elk dossier worden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie wordt van deze eindproducten het gemiddelde berekend. De commissie heeft voor alle centra voor criteria en deelcriteria een uitspraak in consensus gedaan. De resultaten van deze beoordeling vindt u per categorie in bijlagen 1, 2 en 3.. Berekening van het bedrag van de variabele subsidie De begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap voorziet voor de uitkering van een variabele subsidie aan cultuurcentra 3.467.000 euro. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie XII-5183-7\22 voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie ( A, B en C ) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Eindresultaat beoordeling van de commissie variabele subsidie 2002 Van de 49 ingediende dossiers werden 48 dossiers meegenomen in de beoordeling. (cf. noot 1 op pag. 1). Van de 48 beoordeelde dossiers werden er 26 in aanmerking genomen voor een variabele subsidie. Rekening houdend met het bedrag van de voorafname, was per categorie een subsidiebedrag van 850.000 euro beschikbaar. Enkel de cultuurcentra die in de beoordeling boven het gemiddelde scoorden werden weerhouden voor een subsidie. Het bedrag van de subsidie werd berekend naar het aantal punten dat het centrum boven het gemiddelde scoorde. Het globale bedrag van 3.467.000 euro werd als volgt verdeeld:
  3. a)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een [een] variabele subsidie, inclusief een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Bornem : 87.477,06 i Knokke-Heist : 270.448,87 i Menen : 247.050,94 i Heist op-den-Berg : 80.730,54 i Bierbeek : 67.857,00 i Ternat : 128.659,17 i Heusden-Zolder : 100.926,88 i Houthalen-Helchteren : 226.325,04 i Leopoldsburg : 108.764,27 i Lommel : 67.857,00 i Maaseik : 69.255,00 i Maasmechelen : 98.515,38 i Torhout : 29.898,00 i
  4. b)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een variabele subsidie zonder een voorafname Turnhout : 421.532,03 i Dilbeek : 47.482,81i XII-5183-8\22 Hasselt : 211.744,56 i Brugge : 308.948,13 i Kortrijk : 67.784,82 i Geel : 74.692,33 i Genk : 50.826,44 i Tongeren : 82.647,63 i Dendermonde : 86.391,30 i Ieper : 82.179,67 i Waregem : 117.276,57 i Beveren : 51.993,99 i Evergem : 49.582,49 i
  5. c)bedrag voor die cultuurcentra die niet in aanmerking komen voor een variabele subsidie maar enkel recht hebben op een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Sint-Truiden : 55.388,00 i Beringen : 29.898,00 i Bilzen : 67.857,00 i Tessenderlo : 50.275,00 i Diksmuide : 26.734,00 i Over deze verdeling bestaat een volledige consensus in de commissie. De overzichtstabellen per categorie met berekening van de respectievelijke bedragen van de variabele subsidie vindt u in bijlage 4”. De quotering 16,48 wordt bereikt als volgt : “ parameters zwak neutraal sterk la 0,5 lb 0,5 2a 0,25 2b 0,25 2c 0,25 2d 0,25 3 1 4a 0,33 4b 0,33 4c 0,33 5 1 6a 0,5 6b 0,5 7 1 8a 0,5 XII-5183-9\22 8b 0,5 9 1 subtotaal 3,08 4,33 1,58 weging 1 2 3 subtotaal x weging 3,08 8,66 4,74 totaal Aalst 16,48 ”. 1.5. Bij besluit van 29 november 2002 kent de bevoegde Vlaamse minister de subsidies toe aan de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschaps- commissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra, begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dat besluit herneemt de volledige lijst rechthebbenden. 1.6. Met een brief gedateerd 29 november 2002 deelt de bevoegde minister aan het college van burgemeester en schepenen van verzoekster mee dat hij het advies van de beoordelingscommissie over de ingediende aanvraag tot toe- kenning van een variabele subsidie en de verdeling van het budget ter zake heeft gevolgd, zodat aan verzoekster geen variabele subsidie kan worden toegekend : “Naar aanleiding van het door u ingediende aanvraagdossier voor variabele subsidie kunnen wij u het volgende meedelen. Zoals bepaald in artikel 37 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid heeft de Vlaamse regering een adviescommissie aangesteld om de ingediende dossiers te beoordelen op basis van de parameters zoals die werden bepaald in artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. Deze beoordelingscommissie had als finaliteit de formulering aan de minister van een gemotiveerd voorstel van verdeling van het beschikbare budget voor variabele subsidie. Hiertoe heeft de beoordelingscommissie volgende methode gebruikt. Per dossier werd door de beoordelingscommissie in consensus een waardeoordeel gegeven per parameter. Op basis van deze waarden werd per categorie een gemiddelde berekend. Dit gemiddelde vormt de referentiewaarde voor de eventuele toekenning van een variabele subsidie. De beoordelingscommissie adviseert aan de minister enkel die cultuurcentra die boven deze gemiddelde waarde per categorie scoren voor de toekenning van een variabele subsidie in aanmerking te nemen. XII-5183-10\22 Het gemiddelde voor de categorie A ligt op 19,46; voor de categorie B op 19,19 en voor de categorie C op 18,46. Het spijt ons dan ook u te moeten meedelen dat de beoordelingscommissie aan de minister geadviseerd heeft het cultuurcentrum in uw gemeente niet in aanmerking te nemen voor variabele subsidie. Dit advies werd door de minister gevolgd, zodat er geen variabele subsidie kan worden toegekend. Gelieve als bijlage een overzicht te vinden van de beoordeling per deelparameter zoals die door de adviescommissie in consensus werd gegeven”. Bij de brief gaan volgens verzoekster twee bijlagen : de eerste is een “toelichting variabele subsidie” die een woordelijke weergave blijkt te zijn van een gedeelte van het hiervoor geciteerde advies van de beoordelingscommissie, met name de passages waarin zij de parameters vermeldt en waarin zij de “toekenning van een weging en berekening van de score” toelicht, en de tweede is de hiervoor ook opgenomen tabel met de per parameter behaalde score “zwak”, “neutraal” of “sterk” voor het gewogen totaal van 16,48. De Raad van State stelt wel vast dat verzoekster een afschrift van de bestreden brief voegt als stuk nr. 1 van haar overtuigingsstukken bij het inleidend verzoekschrift. Aan die brief zijn drie bijlagen gehecht. De derde bijlage blijkt de volledige tekst te zijn van het advies van de beoordelingscommissie. Alleszins had verzoekster bijgevolg kennis van dit advies op het ogenblik van het indienen van voorliggend beroep. Met een brief van 17 december 2002 verstrekt de Vlaamse minister aan de colleges van burgemeester en schepenen nog een aantal verduidelijkingen : “In aansluiting op mijn schrijven dd. 26 november 2002 betreffende de variabele subsidie aan een cultuurcentrum wens ik nog het een en ander te verduidelijken. Ik hoop hiermee alleszins een antwoord te kunnen geven op een aantal vragen die cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Bovendien hoop ik hiermee wat ruis uit de communicatie te halen. Ik merk immers nog te dikwijls dat hier vooral in termen van winnaars en verliezers en van ‘straffen en belonen’ wordt gesproken. Deze brief wil ook aangeven dat de reële situatie alleszins genuanceerder is. Het decreet lokaal cultuurbeleid bepaalt dat de basissubsidie voor een cultuurcentrum kan worden aangevuld met een variabele subsidie. Dit betekent dus dat niet elk cultuurcentrum met een basissubsidie ook een variabele subsidie moet krijgen. Deze toepassing sluit bovendien aan bij de vraag van de sector, in het kader van de opmaak van het decreet, om de variabele subsidie ten volle te laten spelen en dus te voorzien voor ‘een beperkt aantal centra’. De minister beslist hierover, op basis van een door de gemeente ingediend dossier. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens ligt dus uiteraard bij de aanvrager. De administratie vergeleek deze met de gegevens uit de jaarverslagen van de betreffende periode. Voor zijn beslissing liet de minister zich adviseren door een beoordelingscommissie, die bestond uit experten en voorgezeten werd door professor De Brabander. Zij stonden elke garant voor XII-5183-11\22 een onafhankelijke benadering en -elk vanuit de eigen invalshoek- voor kennis over de realiteiten in het werkveld. Uit het slotdocument van de commissie blijkt bovendien dat de adviezen in consensus werden genomen. Ik heb dan ook over de hele lijn het advies gevolgd. De toekenning van de variabele subsidie is gebaseerd op de inspanningen die een gemeente en het cultuurcentrum hebben gedaan in het recente verleden, zijnde de twee laatste jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. Binnen elke categorie waarin een cultuurcentrum is ingeschaald worden die inspanningen met elkaar vergeleken op basis van parameters die in het decreet zijn bepaald. Gemeenten en cultuurcentra die binnen hun categorie voor het geheel beter scoren dan het gemiddelde komen in aanmerking voor een variabele subsidie. Deze manier van beoordelen is er gekomen op vraag van de sector, die op basis van gedane inspanningen een diversifiëring wou in de subsidiëring. De huidige werking van het cultuurcentrum of de plannen die men heeft voor de nabije toekomst worden niet geëvalueerd en gehonoreerd met de variabele subsidie. Dit aspect zal terug te vinden zijn in het beleidsplan van een cultuurcentrum. Dit betekent dus -en dat wil ik extra benadrukken- dat ik met de beslissingen over de variabele subsidies, noch expliciet, noch impliciet, een waardering uitspreek over de situatie vandaag en de beleidslijnen voor morgen. Het toekennen van een variabele subsidie hoeft bovendien niet noodzakelijk te betekenen dat het cultuurcentrum voor alle parameters zeer goed scoort, net zoals het -omgekeerd- ook zo is dat het niet toekennen van een variabele subsidie niet noodzakelijk betekent dat een cultuurcentrum er niet uitspringt op één of meer parameters. Indien al de behoefte zou bestaan om de resultaten van deze beoordeling met andere centra en gemeenten te vergelijken op basis van de eigen perceptie over die andere centra, dan kan ik er alleen maar voor pleiten om dit consequent met het genomen uitgangspunt van beoordeling te doen: een evenwichtige praktijk met betrekking tot de drie functies van een cultuurcentrum: participatie, spreiding en gemeenschapsvorming. De negen parameters worden als een geheel beschouwd en hebben betrekking op die drie functies van een cultuurcentrum. De beoordeling van elke parameter gebeurde zoveel als mogelijk op basis van kwantitatieve gegevens, die door de gemeente zelf werden aangebracht in het aanvraagdossier. Deze negen parameters worden expliciet in het decreet omschreven en in de artikelsgewijze commentaar geduid. Op basis hiervan werd de vragenlijst aan de cultuurcentra en het beoordelingssysteem dan ook opgemaakt. De commissie werkte -samen met de administratie en in aansluiting bij bezorgdheden die vanuit de sector waren geformuleerd- een werkwijze uit die een objectieve en objectiveerbare beoordeling mogelijk maakte. De weerslag hiervan werd u al bij mijn schrijven van 26 november in bijlage overgemaakt. Binnen elke categorie werden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters kreeg in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel had in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters werden gemeten dan werd de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Elke score werd vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er werd een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1, neutraal = wegingscoëfficiënt 2, sterk = wegingscoëfficiënt 3. Voor elk dossier werden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie werd hiervan het gemiddelde berekend. Deze werkwijze lijkt veel ‘wiskundiger’ dan hij is. Het bleek een goede manier te zijn om een gelijke behandeling van de dossiers en een gelijkwaardige inbreng van de commissieleden toe te laten. Voor de berekening van het bedrag van de variabele subsidie is uitgegaan van de begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap, die hiervoor 3.467.000 euro XII-5183-12\22 voorziet. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Deze laatste subsidie omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Voor de concrete toepassing van deze bepaling werd terug[g]egrepen naar de artikelsgewijze memorie, die stelt: ‘De subsidie op basis van het nieuwe decreet omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Dit betekent dat indien een bedoeld centrum na beoordeling een variabele subsidie krijgt, het verschil tussen de huidige subsidie (basis 2001) en de totale nieuwe subsidie (vast + variabel) wordt bekeken. Is de nieuwe (totale) subsidie hoger dan de hu[i]dige, dan is er uiteraard geen probleem. Blijkt de nieuwe subsidie lager te zijn, dan geldt de overgangsfase’. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie (A, B en C) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Deze afzonderlijke benadering -per categorie- is mede ingegeven door de sector. Het heeft dus geen zin om, bijvoorbeeld, een resultaat voor een centrum in de C-categorie te vergelijken met een centrum in de A-categorie. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Ik hoop met dit schrijven een antwoord te geven op de vragen die heel wat cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Als u toch nog bijkomende informatie wenst, zowel over het algemeen kader als de toepassing ervan voor uw eigen dossier, kan u altijd contact opnemen met mijn administratie. Ik heb met deze brief ook willen aangeven dat ik alle mogelijke transparantie wil verschaffen over de genomen beslissingen die in lijn liggen met letter en geest van het decreet én in alle openheid, samen met de betrokkenen, wil praten over de wijze waarop dit in het kader van een volgende beoordelingsronde hoeft te worden aangepakt”. XII-5183-13\22 1.7. Bij decreet van 13 juli 2007 wordt artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 opgeheven, met ingang van 1 januari 2008. De overgangsregeling van artikel 68 wordt uitgebreid tot 31 december 2007. Het voorwerp van het beroep 2. Verzoekster vordert luidens het inleidend verzoekschrift de nietig- verklaring van “een besluit” waarbij haar aanvraag tot toekenning van een variabele subsidie wordt verworpen; dat besluit werd, zo schrijft zij in het inleidend verzoekschrift, haar ter kennis gebracht op 29 november 2002. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verwerende partij op 29 november 2002 over alle aanvragen tot toekenning van een variabele subsidie heeft beslist, wat heeft geleid tot het collectief ministerieel besluit houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dit ministerieel besluit somt de begunstigde lokale besturen op. Verzoekster komt niet voor op deze lijst, aangezien zij geen variabele subsidie krijgt, noch op een bijkomende subsidie bij overgangsmaatregel aanspraak kan maken. De weigering om aan verzoekster de variabele subsidie toe te kennen blijkt bijgevolg uit haar niet-vermelding in het ministerieel besluit van 29 november 2002. Vervolgens heeft verwerende partij die weigering meegedeeld aan verzoekster met de brief van, eveneens, 29 november 2002. Verwerende partij verwijt aan verzoekster in de memorie van antwoord, dat zij dit ministerieel besluit niet in zijn geheel heeft aangevochten, hoewel zij van het bestaan ervan op de hoogte was. Voor zover verwerende partij aan die vaststelling een middel van onontvankelijkheid knoopt, zal daar hierna op worden ingegaan. Thans volstaat het om vast te stellen dat verzoekster het uitgangs- punt van verwerende partij over wat het voorwerp van het beroep is, niet tegenspreekt. In de memorie van wederantwoord betwist zij wel, dat zij bij het instellen van het beroep reeds kennis had van het geformaliseerde ministerieel besluit. Eerder dan evenwel het voorwerp nader te definiëren of een uitbreiding van het voorwerp te vorderen, merkt zij op dat een gehele nietigverklaring van het ministerieel besluit niet vereist is, en laat zij het aan het inzicht van de Raad van XII-5183-14\22 State over om desgevallend het ministerieel besluit volledig mee in de gevorderde nietigverklaring te betrekken. De houding van verzoekster in de memorie van wederantwoord bevestigt derhalve dat enkel de weigeringsbeslissing die haar betreft geacht moet worden het voorwerp te zijn van het voorliggende beroep. Overigens valt het aan verzoekster toe om duidelijk de grenzen van de rechtstrijd te trekken. Nu zij dit niet uitdrukkelijk blijkt te vragen, vermag de Raad van State niet het voorwerp van het beroep te beschouwen als, laat staan uit te breiden tot het gehele ministerieel besluit. Anderzijds blijkt uit wat voorafgaat dat de weigering om de gevraagde variabele subsidie toe te kennen niet is geformaliseerd in een afzonderlijk besluit. Wat verzoekster bijgevolg vordert, is de nietigverklaring van de impliciete weigering om aan haar een variabele subsidie toe te kennen, die blijkt uit het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04, gelezen in samenhang met het sub 1.6. aangehaald ministerieel schrijven aan verzoekster van 29 november 2002. De ontvankelijkheid van het beroep 3. Dat verzoekster enkel de weigeringsbeslissing aanvecht en -bewust, volgens verwerende partij- nalaat om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 29 november 2002 in zijn geheel, heeft volgens verwerende partij een weerslag op het belang van verzoekster. Het ministerieel besluit is immers definitief geworden, zodat de variabele subsidies die aan 26 andere culturele centra werden toegekend, evenals de evaluatie en het advies van de selectiecommissie én de verdeelsleutel tussen de centra, definitief geworden zijn. De begroting 2002 verdeelt de subsidies volledig en elke wijziging in de verdeling van de beschikbare kredieten doet afbreuk aan het definitief verworven aandeel van de begunstigde cultuurcentra. Een verhoging van het krediet heeft geen nuttig effect aangezien de verdeelsleutel definitief is. Verzoekster kan geen voordeel meer verkrijgen uit een gebeurlijke nietigverklaring. 4. Indien de weigeringsbeslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt ingevolge een vernietiging door de Raad van State, verplicht zulks verwerende partij XII-5183-15\22 om zich opnieuw uit te spreken, rekening houdend met de vernietigingsgrond, over de aanvraag van verzoekster voor de toekenning van een variabele subsidie. Volgens verwerende partij kan verzoekster daar evenwel geen voordeel meer uit halen, omdat die nieuwe uitspraak noodzakelijk afwijzend moet zijn, nu de subsidies die zijn verleend niet werden aangevochten en dus definitief zijn geworden. Het stond verzoekster vrij om het subsidiebesluit in zijn geheel aan te vechten, ten einde haar kansen op rechtsherstel maximaal te houden. Om redenen die de hare zijn, heeft zij gemeend dit niet te moeten doen. Door de subsidies waarmee de andere cultuurcentra werden begunstigd niet mee tot voorwerp van haar beroep te maken, zijn deze ten opzichte van verzoekster inderdaad onaantastbaar geworden. Indien de met het dictum van een eventuele nietigverklaring verbonden overwegingen uitwijzen dat de verdeelsleutel niet behoorlijk is vastgesteld of gehanteerd, kan een eventuele aanpassing van die verdeelsleutel finaal niet meer tot gevolg hebben dat aan de reeds toegekende subsidies nog iets wordt veranderd: het aandeel van de begunstigde cultuurcentra is, met de woorden van verwerende partij, “definitief verworven”. De Raad van State valt evenwel verwerende partij niet bij dat verzoekster hierdoor volledig zonder belang is. Het volstaat vast te stellen dat de variabele subsidie door de decreetgever wordt vastgesteld op “ten minste” het in artikel 33 van het decreet aangegeven bedrag per jaar. Reeds het decreet zelf sluit bijgevolg niet uit dat bijkomende middelen toegekend kunnen worden. Door ver- werende partij wordt niet aangetoond dat rechtsherstel niet kan worden verwezenlijkt, zo dit nodig blijkt, door middel van een nieuwe begrotingsbeslissing. In de laatste memorie erkent verwerende partij integendeel de mogelijkheid om “extra begrotingskredieten vrij te maken”, weze het dat zij dit “principieel” onaanvaardbaar vindt. Weliswaar heeft de regelgeving met betrekking tot de wijze van subsidiëring vanaf 1 januari 2008 een belangrijke wijziging ondergaan. In de laatste memorie werpt verwerende partij desbetreffend nog op dat ondertussen bij decreet van 13 juli 2007 de regelgeving is gewijzigd en dat vanaf 1 januari 2008 geen aanvullende variabele subsidies meer bestaan. Dit is niet van aard om anders over het belang van verzoekster te oordelen, aangezien deze wijziging enkel voor de XII-5183-16\22 toekomst geldt en de decreetgever niet met terugwerkende kracht de oude subsidie- regeling die in variabele subsidies voorziet heeft opgeheven. Het decreet van 13 juli 2007 laat bijgevolg haar kansen op subsidiëring voor de periode 2002-2007 onverlet. 5. De exceptie wordt niet aangenomen. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 6. In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De aangevochten beslissing bevat geen motieven, zo stelt zij, daar ze er toe beperkt is te verwijzen naar het advies van de beoordelingscommissie, met mededeling als bijlage van een puntentabel en een formulier “toelichting variabele subsidie 2002”. Het is volgens verzoekster “zeer de vraag” of de tabel en het formulier kunnen doorgaan als het advies van de beoordelingscommissie. De tabel is niets meer dan een lijst met scores; hoe tot die scores werd gekomen en waarom ze werden toegekend wordt nergens uiteengezet. Het formulier is niets meer dan een korte toelichting bij de parameters alsook een verklaring over de toekenning van een weging en over de berekening van de scores; een concrete uitleg bij het waarom van de afgeleverde scores gerelateerd aan het concrete aanvraagdossier ontbreekt volledig. Nergens leest men in deze beide documenten een mening, een raadgeving of een concreet oordeel. Uit de meegestuurde bijlagen kan zij onmogelijk opmaken hoe de beoordeling van het door haar ingediende dossier heeft geleid tot de toekenning van de in de tabel opgenomen scores. De achteraf per brief van 17 december 2002 gegeven uitleg is a posteriori en kan alleen reeds daarom niet dienen. Haar dossier bevatte zeer concrete en specifieke elementen; nergens kan worden achterhaald of en hoe er rekening is mee gehouden, op welke wijze aan de parameters een waardering werd gegeven laat staan volgens welke methodiek de parameters nogmaals uitgesplitst zijn in subparameters. XII-5183-17\22 Over de brief van 17 december 2002 zet verzoekster nog uiteen dat de beweringen alsof een en ander op vraag van “de sector” is gebeurd nergens op steunen, dat de opsplitsing van de parameters een niet vooraf aangekondigde fragmentering van deelaspecten mogelijk maakt waardoor een ander scorebeeld kan ontstaan en dat de uitleg die wordt gegeven bij de toegepaste correctiemethode helemaal niet voldoet. 7. Volgens verwerende partij stelt verzoekster ten onrechte dat er geen eigen beoordeling door de minister is gebeurd, terwijl deze in de kennisgeving van 29 november 2002 de toepasselijke wettelijke bepalingen opsomt, de door de beoordelingscommissie gebruikte methode weergeeft en de gehanteerde gemiddelden, hij zich aansluit bij het advies en een overzicht van de beoordeling van het dossier per deelparameter bijvoegt zoals gegeven door de commissie in consensus. Deze motivering door verwijzing volstaat volgens verwerende partij, aangezien dit advies wordt bijgevallen, er geen tegenstrijdige adviezen zijn, het advies van de beoordelingscommissie betreffende de beoordeling van verzoekster in het licht van de negen parameters en de wijze van beoordeling werd bijgevoegd en die bijlagen een afdoende motivering zijn aangezien daaruit de toepasselijke wettelijke bepalingen blijken, de feitelijke gegevens, de wijze waarop de beoordeling van de parameters gebeurde, de toekenning van een weging en de berekening van een score, te meer daar reeds in een brief van 20 juni 2002 werd medegedeeld hoe de beoordeling zou gebeuren. De tabel met de scores “sterk”, “zwak” of “neutraal” bij elke parameter en deelparameter zou volgens verwerende partij de concrete toepassing van de parameters op het dossier zijn zodat verzoekster perfect weet op welke parameters zij sterk, zwak of neutraal scoort en waar deze parameters voor staan. Voorts antwoordt verwerende partij dat de brief van 17 december 2002 geen bijkomende motivering is, aangezien alle elementen daarin reeds eerder waren medegedeeld hetzij bij brief van 20 juni 2002 hetzij bij brief van 29 november 2002. Concreet antwoordt zij dat er, in tegenstelling tot wat verzoekster meent, geen intern categoriaal competitief telsysteem werd uitgewerkt met creatie van een gemiddelde , aangezien de dossiers per dossier in het licht van de parameters werden beoordeeld waarbij de rangschikking vanuit die beoordeling vertrekt; de opsplitsing van de parameters zou reeds uit artikel 33, § 2 van het decreet volgen. Uit de nota van de belangenorganisatie van de cultuurcentra (Fevecc) van 6 februari 2001 zou blijken dat deze wel opteerde voor een toekenning XII-5183-18\22 van een variabele subsidie voor een beperkt aantal centra. De berekeningsmethode zou wel uitgaan van gelijke waardering van elke parameter aangezien elk parameter de score 1 krijgt, score die bij opsplitsing in deelparameters gelijk wordt verdeeld over die deelparameters zodat elke (deel)parameter een gelijk deel in resultaat heeft. De weging achteraf zou volgens verwerende partij niets veranderen aan de gelijke waardering maar een rangschikking mogelijk maken. In haar laatste memorie verwijst verwerende partij met betrekking tot dit middel enkel “naar hetgeen is geschreven in de memorie van antwoord”, hetgeen zij stelt te handhaven. Beoordeling 8. De motivering die de wet van 29 juli 1991 oplegt, moet in de akte van de bestuurshandelingen waarop de wet van toepassing is de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn ten einde een belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Verzoekster gaat er dan ook terecht van uit dat de overheid die een voor haar ongunstige beslissing neemt, haar aan de hand van de formele motieven ervan in de mogelijkheid moet stellen te vernemen op grond van welke precieze gegevens tot het nemen van de bestreden beslissing werd gekomen -in casu, op grond waarvan verzoeksters aanvraag tot het toekennen van een variabele subsidie binnen het raam van het decreet van 13 juli 2001 werd geweigerd- dermate dat zij in voorkomend geval de onwettigheid of de onjuistheid hiervan kan aantonen in het kader van een vordering bij de gewone of de administratieve rechter. 9. Aan de verplichting tot formele motivering kan ook voldaan worden door te verwijzen naar andere documenten die aan betrokkene medegedeeld zijn. Volgens verwerende partij is dit te dezen het geval, nu de minister het advies van de beoordelingscommissie dat hij heeft gevolgd, ook aan verzoekster heeft meegedeeld en nu reeds eerder, op 20 juni 2002, uitvoerige toelichting is verstrekt over de te volgen werkwijze door deze beoordelingscommissie. XII-5183-19\22 Minstens is dan wel vereist dat die andere documenten op hun beurt afdoende gemotiveerd zijn, zodat moet worden nagegaan of de bedoelde stukken zelf voldoen aan de vereisten van de formele-motiveringsplicht. 10. Blijkens de artikelen 32 en 33, § 2, van het decreet van 13 juli 2001 kan de variabele subsidie, naast de basissubsidie, worden toegekend op basis van het geheel van de aldaar bepaalde parameters die volgens dit artikel 33, § 2, op evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van de culturele centra. Met de richtlijnen die op 20 juni 2002 werden verstrekt aan de gemeenten over de te volgen procedure geeft de administratie van verwerende partij toelichting bij de gehanteerde parameters en de voorgenomen weging om de gemeenten te helpen een beknopt maar relevant dossier in te dienen. Er is reeds in te lezen dat de beoordelingscommissie zal werken met quoteringen “zwak”, “neutraal” en “sterk” en hoe die quoteringen met een wegingsfactor omgezet zullen worden in een cijfer, dat het cijfer de plaats in een rangschikking bepaalt en dat wie in deze rangschikking “flink boven het gemiddelde scoort” meer zal ontvangen dan “wie iets beter dan het gemiddelde scoort”. Vervolgens geschiedde de beoordeling -samengevat- door aan elk van de parameters een zelfde waarde “1” te geven, waarbij bepaalde parameters werden opgesplitst in subparameters, die elk een zelfde waarde kregen binnen die score 1 (2 x 0,5; 3 x 0,33 of 4 x 0,25), waarna elke subparameter per dossier beoordeeld werd als “zwak”, “neutraal” of “sterk”, waarna de corresponderende vaste score onder de toegekende waardering werd ingevuld, de scores per waarderingscategorie (“zwak”, “neutraal” of “sterk”) werden opgeteld en vermenigvuldigd met 1 (scores “zwak”), 2 (scores “neutraal”) of 3 (scores “sterk”) en waarbij de optelling van deze scores vermenigvuldigd met de wegingsfactor de eindscore vormt. Hiervan werd dan per categorie een gemiddelde bepaald waarbij enkel de aanvragers die scoren boven het gemiddelde een subsidie ontvangen. De hiervoor weergegeven tabel met de scores van verzoekster kan als illustratie dienen voor de hier beschreven werkwijze. Deze wijze van beoordeling is niet uitdrukkelijk in het decreet van 13 juli 2001 of het uitvoeringsbesluit van 11 januari 2002 bepaald, maar vloeit enkel voort uit de brief van 20 juni 2002 van de administratie die werd hernomen in het advies van de beoordelingscommissie. Dit betekent echter niet dat de gevolgde XII-5183-20\22 werkwijze daarom alleen strijdig zou zijn met de hier aan de orde zijnde wet van 29 juli 1991. Verzoekster was er voldoende correct over geïnformeerd. Het doel van de formele-motiveringsplicht is in dat opzicht bereikt. 11. Mét verzoekster dient echter wel te worden vastgesteld dat de formele motivering van de bestreden beslissing wat betreft haar concrete aanvraag, beperkt is tot een waardering “zwak”, “neutraal” of “sterk” van de verschillende parameters en subparameters, zonder dat in de medegedeelde tabel of brief van de minister enige verdere toelichting wordt gegeven hoe en waarom voor elke parameter tot die waardering werd gekomen, tenzij dat dit in consensus geschiedde. Vanzelfsprekend kan die toelichting niet nader worden gevonden in de richtlijnen van 20 juni 2002, die immers aan het indienen van het dossier en de beoordeling ervan door de commissie voorafgaan. De brief van 17 december 2002, die volgens verwerende partij zelf geen bijkomende motivering is, bevat hoe dan ook enkel algemene beschouwingen ten behoeve van alle gemeentelijke overheden over de gevolgde werkwijze en brengt geen nieuwe gegevens aan het licht over het specifieke dossier van verzoekster. De loutere kwalificaties “zwak”, “neutraal” en “sterk” leren verzoekster in de omstandigheden van deze zaak echter niets over het waarom van die keuze. Die scores leiden uiteindelijk voor elk aanvraagdossier tot een cijfermatige waardering, op grond waarvan een gemiddelde wordt vastgesteld dat bepalend is voor de al dan niet subsidiëring van de aanvrager -wie onder het gemiddelde scoort krijgt niets- en de hoogte van de subsidies -wie “flink boven het gemiddelde” scoort ontvangt het meest. De toegekende scores zijn een verhulde loutere puntentoekenning zonder enige daarop te betrekken beschrijvende waardering die inzicht kan verschaffen over de wettigheid van het motief dat tot die score heeft geleid. Verzoekster voert terecht aan dat zij in het duister tast over de beweegredenen van de verwerende partij, wanneer het er op aan komt de abstracte parameters te relateren aan de feitelijke gegevens van haar concrete aanvraagdossier. Overigens is verwerende partij er zelfs in de loop van de procedure voor de Raad van State niet in geslaagd enig stuk over te leggen, uitgaande van en toe te schrijven aan de beoordelingscommissie, waarin enige in woorden uitgedrukte beoordeling terug te vinden is. XII-5183-21\22 Het middel is in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de uit het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04 blijkende weigering om aan de stad Aalst een variabele subsidie toe te kennen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5183-22\22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.658 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.