← België

Arrest 194662 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.662 Rolnummer: A. 132543/XII-5295 Zaak: Arrest 194662 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.662 van 25 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.662 van 25 juni 2009 in de zaak A. 132.543/XII-5295. In zake : de GEMEENTE BORNEM, die woonplaats kiest bij advocaat J. Ghysels, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Bornem op 31 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1. Het besluit van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van d.d. 29 november 2002 over de aanvraag van verzoekende partij tot het verkrijgen van variabele subsidies. 2. De beslissing van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken d.d. 17 december 2002, waarbij beslist wordt het cultuurcentrum van verzoekende partij uit te sluiten van de verdeling van het restbedrag aan variabele subsidies”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2008; XII-5295-1\32 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van de directeur van het cultureel centrum van Bornem E. Van Lent, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid -dat in de plaats is gekomen van een decreet van 24 juli 1991- heeft tot doel gemeenten te stimuleren om te komen tot een kwalitatief en integraal cultuurbeleid. Het bepaalt ondersteuning aan gemeenten voor de opmaak en de uitvoering van een gemeentelijk cultuurbeleidsplan, de uitbouw van de werking van een cultuurcentrum en de uitbouw van de werking van de openbare bibliotheek. Tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt vermeld, wordt naar het decreet van 13 juli 2001 verwezen in de versie zoals die gold bij het nemen van het thans bestreden besluit van 29 november 2002. Relevant in casu is de subsidiëring van de cultuurcentra, in artikel 2, 4/, van het decreet van 13 juli 2001 gedefinieerd als een gemeenschaps- centrum met daarnaast een breed en eigen cultuurspreidingsaanbod, gericht op de bevolking van een streekgericht werkingsgebied; een gemeenschapscentrum wordt in artikel 2, 3/, gedefinieerd als culturele infrastructuur door de gemeente beheerd met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit. XII-5295-2\32 Enkel de gemeenten bedoeld in artikel 7 van het decreet kunnen een subsidieaanvraag indienen voor een cultuurcentrum. Dit zijn de gemeenten opgesomd in een bijlage bij het decreet waaronder blijkens de memorie van toelichting de 57 centrumgemeenten, volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen opgedeeld in vier categorieën : de grootstedelijke gebieden, de regionaalstedelijke gebieden, de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau, alsook aanvullend negen gemeenten grenzend aan Brussel, en daarnaast gemeenten niet opgesomd in die lijst maar die beschikken over een cultuurcentrum erkend in de plus-categorie I of II op basis van het decreet van 24 juli 1991 en ten slotte gemeenten niet opgesomd in de voornoemde lijst met meer dan 30.000 inwoners. Blijkens artikel 28, § 1, 4/, moeten deze laatste twee groepen gemeenten dan wel de centrumfunctie van het cultuur- centrum aantonen. Met uitzondering van de centrumgemeenten in de grootstedelijke gebieden worden deze gemeenten overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 13 juli 2001 gerangschikt in categorieën A, B of C. Voor de subsidiëring wordt een onderscheid gemaakt tussen de basissubsidie en de variabele subsidie. De forfaitaire basissubsidie wordt bepaald door de categorie waartoe de gemeente behoort en wordt vastgesteld op grond van een aantal objectieve criteria. Ze kan worden aangevuld met een variabele werkings- subsidie, die berekend wordt op basis van “het geheel van de volgende negen parameters”, bepaald in artikel 33, § 2, “die op een evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van een cultuurcentrum” : “1/ het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 2/ de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; 3/ de aard van de werking: originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; 4/ het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 5/ de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; 6/ de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 7/ de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbudget; XII-5295-3\32 8/ de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 9/ de personeelsformatie en de invulling ervan”. De beoordeling van de dossiers zal gebeuren door een door de Vlaamse regering op te richten commissie. De variabele subsidie wordt blijkens artikel 33, § 1, van het decreet vastgesteld op “ten minste 3.517.000 euro” per jaar. Artikel 73 van het decreet van 20 december 2002, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002, verving dat bedrag door het bedrag van “ten minste 3.467.000 euro”. De variabele subsidie voor de categorie A, B en C bedraagt krachtens artikel 33, § 3, van het decreet van 13 juli 2001 voor elke categorie ten minste 25 % van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie, na voorafname zoals bepaald in artikel 68. Artikel 68, een overgangsbepaling, bepaalt dat gemeenten met een cultuurcentrum erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet van 13 juli 2001 worden ingeschaald in categorie B of C, tot 31 december 2006 het recht behouden op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd als deze subsidie hoger is dan de subsidie berekend op basis van het decreet van 13 juli 2001. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt dan, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat voor de aanvullende variabele subsidie is bepaald in artikel 33, § 1. 1.2. Het decreet van 13 juli 2001 werd uitgevoerd door het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002 ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2002. Daarenboven verstrekt de minister van Cultuur op 24 december 2001 een administratieve toelichting aan de colleges van burgemeester en schepenen bij het nieuwe decreet. Op 20 juni 2002 deelt de administratie aan de colleges van burgemeester en schepenen de richtlijnen mee in verband met de aanvraag van de variabele subsidie. XII-5295-4\32 1.3. De gemeente Bornem, die beschikt over een erkend cultureel centrum ingedeeld in de categorie plus-II van het decreet van 24 juli 1991, dient, ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 en het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002, voor haar cultureel centrum een aanvraag in voor de toekenning van een basissubsidie in categorie B, waartoe het behoort krachtens artikel 8, § 1, van het decreet van 13 juli 2001. Die subsidie wordt toegekend. Daarnaast wordt ook een aanvraag ingediend voor de toekenning van een variabele subsidie. In totaal werden aldus 49 dossiers ingediend. 1.4. De door de Vlaamse regering opgerichte beoordelingscommissie keurt op 14 november 2002 haar eindadvies goed. Het cultuurcentrum van de gemeente Bornem krijgt blijkens dit advies een quotering van 21,06 hetzij 1,87 boven het gemiddelde van 19,19 in categorie B. Dit is de derde hoogste score en leidt tot een voorstel tot toekenning van een variabele subsidie van 87.477,06 euro. De tekst van het advies van de beoordelingscommissie luidt : “Alle dossiers werden beoordeeld op basis van volgende parameters zoals die gestipuleerd worden in art. 33 §2 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. 1. het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 1.a. Het totaal aantal deelnemers aan de eigen activiteiten werd bekeken in verhouding tot het gemiddelde aantal deelnemers bij de cultuurcentra van dezelfde categorie. 1.b. In dit onderdeel werd op basis van de opgegeven herkomstcijfers door de commissieleden de uitstraling naar de regio van een cultuurcentrum beoordeeld. Per cultuurcentrum werd een waardering gegeven (zwak, neutraal of sterk) rekening houdend met de specifieke situatie van een cultuurcentrum in zijn regionale context. 2. de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; Deze parameter werd beoordeeld aan de hand van 4 onderdelen waarbij de twee kwantitatieve onderdelen (a en

  1. c)rekenkundig bekeken werden en twee eerder subjectieve onderdelen (b en
  2. d)toelieten om creativiteit te valoriseren. 2.a. Het totaal aantal toeleidings- en educatieve activiteiten werd afgewogen tegenover het gemiddelde binnen de categorie 2.b. De kwaliteit van de toeleiding en de educatieve omkadering ? 2.c. Het budget voor promotie (d.w.z. de financiële middelen die rechtstreeks aan promotie worden besteed) werd afgewogen tegenover het gemiddelde in de categorie 2.d. Hoe werd promotie gevoerd? Hoe creatief werd met dat budget of andere promotiemogelijkheden omgesprongen? 3. de aard van de werking: XII-5295-5\32 originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving en motivatie. 4. het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 4.a. Het aantal eigen en receptieve voorstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.b. Het aantal eigen en receptieve tentoonstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.c. Het aantal eigen en receptieve vormingsactiviteiten samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 5. de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving. 6. de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 6.a. De ondersteuning van het gemeenschapsleven kreeg een beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de omschreven initiatieven 6.b. Het geheel aan initiatieven voor de doelgroepen kreeg een globale beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de opgegeven omschrijving. 7. de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbu[d]get Afhankelijk van het statuut werden verschillende methoden gebruikt. Het resultaat werd bekeken in verhouding tot de totale uitgaven van de cultuurcentra van die categorie. 8. de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 8.a. De vierkante meters van alle door het cultuurcentrum beheerde infrastructuur werden samengeteld en afgewogen tegen het gemiddelde van de categorie. 8.b. In dit onderdeel werden de mogelijkheden van de beschikbare infrastructuur gewaardeerd (mogelijkheden tot tentoonstellen, vergaderen enz.) 9. de personeelsformatie en de invulling ervan. De gerealiseerde formatie agogisch personeel werd afgewogen tegenover het gemiddelde en tegenover het gesubsidieerd personeelskader. Verdeling van de bedragen 1. Volgens art. 33 §1 van het decreet wordt voor de variabele subsidie een totaalbedrag vastgesteld van 3.467.000 euro. 2. Volgens art. 33 §3 bedraagt de variabele subsidie voor de categorie A, B en C voor elke categorie ten minste 25% van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie na voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet 3. Artikel 68 van het decreet stelt dat ‘gemeenten met een cultuurcentrum, erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of de plus-11 categorie, die op basis van dit decreet worden ingeschaald in respectievelijk de categorie B of C behouden tot 31 december 2006 het recht op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd, als deze subsidie hoger is dan de subsidie, berekend op basis van de bepalingen van dit decreet. Het verschil tussen beide XII-5295-6\32 subsidiebedragen wordt, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat in artikel 33 §1, van dit decreet is bepaald voor de variabele subsidie.’ Toekenning van een weging en berekening van de score Binnen elke categorie worden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters krijgt in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel heeft in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters worden gemeten dan wordt de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Vertrekkende van deze afspraak ziet de score per (deel)parameter er als volgt uit: parameter la = 0.50 lb = 0.50 parameter 2a = 0.25 2b = 0.25 2c = 0.25 2d = 0.25 parameter 3 = 1 parameter 4a = 0.33 4b = 0.33 4c = 0.33 parameter 5 =1 parameter 6a = 0.50 6b = 0.50 parameter 7 =1 parameter 8a = 0.50 8b = 0.50 parameter 9 = 1 Elke score wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er wordt een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1 neutraal = wegingscoëfficiënt 2 sterk = wegingscoëfficiënt 3 Voor elk dossier worden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie wordt van deze eindproducten het gemiddelde berekend. De commissie heeft voor alle centra voor criteria en deelcriteria een uitspraak in consensus gedaan. De resultaten van deze beoordeling vindt u per categorie in bijlagen 1, 2 en 3.. Berekening van het bedrag van de variabele subsidie De begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap voorziet voor de uitkering van een variabele subsidie aan cultuurcentra 3.467.000 euro. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals XII-5295-7\32 bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie ( A, B en C ) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Eindresultaat beoordeling van de commissie variabele subsidie 2002 Van de 49 ingediende dossiers werden 48 dossiers meegenomen in de beoordeling. (cf. noot 1 op pag. 1). Van de 48 beoordeelde dossiers werden er 26 in aanmerking genomen voor een variabele subsidie. Rekening houdend met het bedrag van de voorafname, was per categorie een subsidiebedrag van 850.000 euro beschikbaar. Enkel de cultuurcentra die in de beoordeling boven het gemiddelde scoorden werden weerhouden voor een subsidie. Het bedrag van de subsidie werd berekend naar het aantal punten dat het centrum boven het gemiddelde scoorde. Het globale bedrag van 3.467.000 euro werd als volgt verdeeld:
  3. a)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een [een] variabele subsidie, inclusief een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Bornem : 87.477,06 i Knokke-Heist : 270.448,87 i Menen : 247.050,94 i Heist op-den-Berg : 80.730,54 i Bierbeek : 67.857,00 i Ternat : 128.659,17 i Heusden-Zolder : 100.926,88 i Houthalen-Helchteren : 226.325,04 i Leopoldsburg : 108.764,27 i Lommel : 67.857,00 i Maaseik : 69.255,00 i Maasmechelen : 98.515,38 i Torhout : 29.898,00 i
  4. b)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een variabele subsidie zonder een voorafname Turnhout : 421.532,03 i Dilbeek : 47.482,81i Hasselt : 211.744,56 i Brugge : 308.948,13 i Kortrijk : 67.784,82 i Geel : 74.692,33 i Genk : 50.826,44 i Tongeren : 82.647,63 i XII-5295-8\32 Dendermonde : 86.391,30 i Ieper : 82.179,67 i Waregem : 117.276,57 i Beveren : 51.993,99 i Evergem : 49.582,49 i
  5. c)bedrag voor die cultuurcentra die niet in aanmerking komen voor een variabele subsidie maar enkel recht hebben op een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Sint-Truiden : 55.388,00 i Beringen : 29.898,00 i Bilzen : 67.857,00 i Tessenderlo : 50.275,00 i Diksmuide : 26.734,00 i Over deze verdeling bestaat een volledige consensus in de commissie. De overzichtstabellen per categorie met berekening van de respectievelijke bedragen van de variabele subsidie vindt u in bijlage 4”. De quotering 21,06 wordt bereikt als volgt : “ parameters zwak neutraal sterk la 0,5 lb 0,5 2a 0,25 2b 0,25 2c 0,25 2d 0,25 3 1 4a 0,33 4b 0,33 4c 0,33 5 1 6a 0,5 6b 0,5 7 1 8a 0,5 8b 0,5 9 1 subtotaal 0,83 4,25 3,91 XII-5295-9\32 weging 1 2 3 subtotaal x weging 0,83 8,5 11,73 totaal Bornem 21,06 ” De bedoelde overzichtstabel in bijlage 4 geeft voor de categorie B het volgende beeld : “ meerkost reële totale initiële variabele boven onder tov meerkost rangschikking variabele 41498,47 subsidie afgerond gemiddelde gemiddelde subsidie voorafnam subsidie incl. 2001 e voorafname Bornem 21,06 1,87 87.477,06 74.368,00 87.477,06 87.477,06 plus Geel 19,90 0,71 33.193,86 restbedrag 74.692,33 74.692,33 Lier 15,57 -3,62 0,00 0,00 Mol 17,98 -1,21 0,00 0,00 Halle 12,49 -6,70 0,00 0,00 Overijse 17,48 -1,71 0,00 0,00 plus Genk 19,39 0,20 9.327,97 restbedrag 50.826,44 50.826,44 St Truiden 15,65 -3,54 0,00 55.388,00 55.388,00 55.388,00 55.388,00 Tongeren 20,07 0,88 41.149,16 plus 82.647,63 restbedrag 82.647,63 plus Dendermonde 20,15 0,96 44.892,83 86.391,30 86.391,30 restbedrag Lokeren 17,81 -1,38 0,00 0,00 plus Ieper 20,06 0,87 40.681,20 restbedrag 82.179,67 82.179,67 Knokke-Heist 24,97 5,78 270.448,87 36.408,00 270.448,87 270.448,87 Menen 24,47 5,28 247.050,94 55.388,00 247.050,94 247.050,94 plus Waregem 20,81 1,62 75.778,10 117.276,57 117.276,57 restbedrag 0,00 totaal 287,86 18,16 850.000,00 221.552,00 55.388,00 1.154.378,82 1.154.378,82 gemiddelde 19,19 ”. XII-5295-10\32 1.5. Bij besluit van 29 november 2002 kent de bevoegde Vlaamse minister de variabele subsidies toe aan de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra, begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dat besluit herneemt de volledige lijst rechthebbenden, waaronder verzoekster. 1.6. Met een brief gedateerd 29 november 2002 deelt de bevoegde minister aan het college van burgemeester en schepenen van verzoekster mee dat hij het advies van de beoordelingscommissie over de ingediende aanvraag tot toekenning van een variabele subsidie en de verdeling van het budget ter zake heeft gevolgd, zodat aan verzoekster een variabele subsidie van 87.477,06 euro wordt toegekend : “Naar aanleiding van het door u ingediende aanvraagdossier voor variabele subsidie kan ik u het volgende meedelen. Zoals bepaald in artikel 37 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid heeft de Vlaamse regering een adviescommissie aangesteld om de ingediende dossiers te beoordelen op basis van de parameters zoals die werden bepaald in artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. Deze beoordelingscommissie had als finaliteit de formulering van een gemotiveerd voorstel van verdeling van het beschikbare budget voor variabele subsidie. Hiertoe heeft de beoordelingscommissie volgende methode gebruikt. Per dossier werd door de beoordelingscommissie in consensus een waardeoordeel gegeven per parameter. Op basis van deze waarden werd per categorie een gemiddelde berekend. Dit gemiddelde vormt de referentiewaarde voor de eventuele toekenning van een variabele subsidie. De beoordelingscommissie adviseerde mij enkel die cultuurcentra die boven deze gemiddelde waarde per categorie scoren voor de toekenning van een variabele subsidie in aanmerking te nemen. Het gemiddelde voor de categorie A ligt op 19,46; voor de categorie B op 19,19 en voor de categorie C op 18,46. Het verheugt mij dan ook u te kunnen meedelen dat de beoordelingscommissie aan de minister geadviseerd heeft het cultuurcentrum in uw gemeente in aanmerking te nemen voor variabele subsidie. Ik heb dit advies gevolgd, zodat er een variabele subsidie kan worden toegekend. De totale variabele subsidie (inclusief de voorafname omwille van de overgangsbepaling uit het decreet) bedraagt 87.477,06 euro Gelieve als bijlage een overzicht te vinden van de beoordeling van uw dossier per deelparameter zoals die door de adviescommissie in consensus werd gegeven. Ik wil u er ook op wijzen dat bij de beoordeling van het beleidsplan van het cultuurcentrum opnieuw rekening zal worden gehouden met de negen parameters, op basis waarvan zal worden nagegaan of het cultuurcentrum werkt aan de realisering van de drie decretaal bepaalde doelstellingen van een cultuurcentrum. XII-5295-11\32 Tot slot wil ik verduidelijken dat, in tegenstelling tot wat u mogelijk via de pers vernomen heeft, het beschikbare budget voor de variabele subsidie in geen geval gewijzigd is. De 26 centra die in aanmerking komen voor variabele subsidie zijn centra die boven het gemiddelde van hun categorie scoren. Enkel die score en niet de budgettaire beperkingen hebben het aantal centra dat variabele subsidie krijgt, bepaald”. Bij de brief gaan volgens verzoekster twee bijlagen : de eerste is een “toelichting variabele subsidie” die een woordelijke weergave blijkt te zijn van een gedeelte van het hiervoor geciteerde advies van de beoordelingscommissie, met name de passages waarin zij de parameters vermeldt en waarin zij de “toekenning van een weging en berekening van de score” toelicht, en de tweede is de hiervoor ook opgenomen tabel met de per parameter behaalde score “zwak”, “neutraal” of “sterk” voor het gewogen totaal van 21,06. Als stuk 3 van het bij haar beroep gevoegde stukkenbundel legt verzoekster evenwel ook een afschrift voor van het volledige advies van de beoordelingscommissie. Met een brief van 17 december 2002 verstrekt de Vlaamse minister aan de colleges van burgemeester en schepenen nog een aantal verduidelijkingen : “In aansluiting op mijn schrijven dd. 26 november 2002 betreffende de variabele subsidie aan een cultuurcentrum wens ik nog het een en ander te verduidelijken. Ik hoop hiermee alleszins een antwoord te kunnen geven op een aantal vragen die cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Bovendien hoop ik hiermee wat ruis uit de communicatie te halen. Ik merk immers nog te dikwijls dat hier vooral in termen van winnaars en verliezers en van ‘straffen en belonen’ wordt gesproken. Deze brief wil ook aangeven dat de reële situatie alleszins genuanceerder is. Het decreet lokaal cultuurbeleid bepaalt dat de basissubsidie voor een cultuurcentrum kan worden aangevuld met een variabele subsidie. Dit betekent dus dat niet elk cultuurcentrum met een basissubsidie ook een variabele subsidie moet krijgen. Deze toepassing sluit bovendien aan bij de vraag van de sector, in het kader van de opmaak van het decreet, om de variabele subsidie ten volle te laten spelen en dus te voorzien voor ‘een beperkt aantal centra’. De minister beslist hierover, op basis van een door de gemeente ingediend dossier. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens ligt dus uiteraard bij de aanvrager. De administratie vergeleek deze met de gegevens uit de jaarverslagen van de betreffende periode. Voor zijn beslissing liet de minister zich adviseren door een beoordelingscommissie, die bestond uit experten en voorgezeten werd door professor De Brabander. Zij stonden elke garant voor een onafhankelijke benadering en -elk vanuit de eigen invalshoek- voor kennis over de realiteiten in het werkveld. Uit het slotdocument van de commissie blijkt bovendien dat de adviezen in consensus werden genomen. Ik heb dan ook over de hele lijn het advies gevolgd. De toekenning van de variabele subsidie is gebaseerd op de inspanningen die een gemeente en het cultuurcentrum hebben gedaan in het recente verleden, zijnde de twee laatste jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. XII-5295-12\32 Binnen elke categorie waarin een cultuurcentrum is ingeschaald worden die inspanningen met elkaar vergeleken op basis van parameters die in het decreet zijn bepaald. Gemeenten en cultuurcentra die binnen hun categorie voor het geheel beter scoren dan het gemiddelde komen in aanmerking voor een variabele subsidie. Deze manier van beoordelen is er gekomen op vraag van de sector, die op basis van gedane inspanningen een diversifiëring wou in de subsidiëring. De huidige werking van het cultuurcentrum of de plannen die men heeft voor de nabije toekomst worden niet geëvalueerd en gehonoreerd met de variabele subsidie. Dit aspect zal terug te vinden zijn in het beleidsplan van een cultuurcentrum. Dit betekent dus -en dat wil ik extra benadrukken- dat ik met de beslissingen over de variabele subsidies, noch expliciet, noch impliciet, een waardering uitspreek over de situatie vandaag en de beleidslijnen voor morgen. Het toekennen van een variabele subsidie hoeft bovendien niet noodzakelijk te betekenen dat het cultuurcentrum voor alle parameters zeer goed scoort, net zoals het -omgekeerd- ook zo is dat het niet toekennen van een variabele subsidie niet noodzakelijk betekent dat een cultuurcentrum er niet uitspringt op één of meer parameters. Indien al de behoefte zou bestaan om de resultaten van deze beoordeling met andere centra en gemeenten te vergelijken op basis van de eigen perceptie over die andere centra, dan kan ik er alleen maar voor pleiten om dit consequent met het genomen uitgangspunt van beoordeling te doen: een evenwichtige praktijk met betrekking tot de drie functies van een cultuurcentrum: participatie, spreiding en gemeenschapsvorming. De negen parameters worden als een geheel beschouwd en hebben betrekking op die drie functies van een cultuurcentrum. De beoordeling van elke parameter gebeurde zoveel als mogelijk op basis van kwantitatieve gegevens, die door de gemeente zelf werden aangebracht in het aanvraagdossier. Deze negen parameters worden expliciet in het decreet omschreven en in de artikelsgewijze commentaar geduid. Op basis hiervan werd de vragenlijst aan de cultuurcentra en het beoordelingssysteem dan ook opgemaakt. De commissie werkte -samen met de administratie en in aansluiting bij bezorgdheden die vanuit de sector waren geformuleerd- een werkwijze uit die een objectieve en objectiveerbare beoordeling mogelijk maakte. De weerslag hiervan werd u al bij mijn schrijven van 26 november in bijlage overgemaakt. Binnen elke categorie werden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters kreeg in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel had in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters werden gemeten dan werd de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Elke score werd vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er werd een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1, neutraal = wegingscoëfficiënt 2, sterk = wegingscoëfficiënt 3. Voor elk dossier werden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie werd hiervan het gemiddelde berekend. Deze werkwijze lijkt veel ‘wiskundiger’ dan hij is. Het bleek een goede manier te zijn om een gelijke behandeling van de dossiers en een gelijkwaardige inbreng van de commissieleden toe te laten. Voor de berekening van het bedrag van de variabele subsidie is uitgegaan van de begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap, die hiervoor 3.467.000 euro voorziet. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. XII-5295-13\32 Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Deze laatste subsidie omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Voor de concrete toepassing van deze bepaling werd terug[g]egrepen naar de artikelsgewijze memorie, die stelt: ‘De subsidie op basis van het nieuwe decreet omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Dit betekent dat indien een bedoeld centrum na beoordeling een variabele subsidie krijgt, het verschil tussen de huidige subsidie (basis 2001) en de totale nieuwe subsidie (vast + variabel) wordt bekeken. Is de nieuwe (totale) subsidie hoger dan de hu[i]dige, dan is er uiteraard geen probleem. Blijkt de nieuwe subsidie lager te zijn, dan geldt de overgangsfase’. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie (A, B en C) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Deze afzonderlijke benadering -per categorie- is mede ingegeven door de sector. Het heeft dus geen zin om, bijvoorbeeld, een resultaat voor een centrum in de C-categorie te vergelijken met een centrum in de A-categorie. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Ik hoop met dit schrijven een antwoord te geven op de vragen die heel wat cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Als u toch nog bijkomende informatie wenst, zowel over het algemeen kader als de toepassing ervan voor uw eigen dossier, kan u altijd contact opnemen met mijn administratie. Ik heb met deze brief ook willen aangeven dat ik alle mogelijke transparantie wil verschaffen over de genomen beslissingen die in lijn liggen met letter en geest van het decreet én in alle openheid, samen met de betrokkenen, wil praten over de wijze waarop dit in het kader van een volgende beoordelingsronde hoeft te worden aangepakt”. 1.7. In een brief van 18 december 2002 aan de bevoegde Vlaamse minister stelt de gemeente Bornem vast de derde hoogste score in categorie B te hebben behaald en in aanmerking te komen voor een variabele subsidie van 87.477 XII-5295-14\32 euro. Tevens stelt zij echter dat zij als cultuurcentrum uit de vroegere plus-II categorie recht had op een voorafname van 74.368 euro tot 2006, reden waarom het subsidiebedrag variabele subsidies werd opgetrokken van 2.700.000 euro tot 3.517.000 euro, terwijl zij deze voorafname, door de wegens de goede werking toegekende variabele subsidie, “gewoon kwijtspelen”, “waardoor andere centra binnen de categorie B zelfs hoger of quasi even hoog scoren - ondanks dat ze volgens de commissie minder goed ‘presteerden’. Begrijpe wie dit begrijpe kan!” en, “alsof dit nog niet genoeg was”, dat zij bovendien nog eens 41.498 euro verliest doordat het restbedrag wordt verdeeld onder de dertien centra “die niet in aanmerking kwamen voor de zgn. voorafnames voor historiciteit. Een voorafname waarvan wij niets hebben gekregen”. Zij stelt dat het “weerom” gaat om een interpretatie die niet terug te vinden is in het decreet van 13 juli 2001 en vraagt om deze waarschijnlijk niet bedoelde onrechtvaardigheid recht te zetten. Zij vraagt om inzage van haar dossier. Uit het dossier blijkt niet of hier op werd geantwoord. 1.8. Bij decreet van 13 juli 2007 wordt artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 opgeheven, met ingang van 1 januari 2008. De overgangsregeling van artikel 68 wordt uitgebreid tot 31 december 2007. Het voorwerp van het beroep 2.1. Verzoekster vordert luidens het inleidend verzoekschrift de nietigverklaring van twee afzonderlijke beslissingen, daterend van 29 november 2002 en van 17 december 2002. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verwerende partij op 29 november 2002 over alle aanvragen tot toekenning van een variabele subsidie heeft beslist, wat heeft geleid tot het collectief ministerieel besluit houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dit ministerieel besluit somt de begunstigde lokale besturen op. Ook verzoekster komt voor op deze lijst, aangezien zij een variabele subsidie krijgt. Verzoekster vecht deze beslissing aan, omdat zij meent op een hoger bedrag XII-5295-15\32 aanspraak te kunnen maken, onder meer omdat zij meent onterecht te zijn uitgesloten van de verdeling van het zogenaamde restbedrag. Uit de vermelding in het ministerieel besluit van 29 november 2002 om aan verzoekster een specifiek en welbepaald bedrag toe te kennen als variabele subsidie, blijkt die weigering om haar een hoger bedrag toe te kennen. Die beslissing is aan verzoekster meegedeeld met de brief van 29 november 2002 en, wat de verrekening van het restbedrag betreft, nader verhelderd met de brief van 17 december 2002. 2.2. Verwerende partij verwijt aan verzoekster in de memorie van antwoord, dat zij dit ministerieel besluit van 29 november 2002 niet in zijn geheel heeft aangevochten en dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring nochtans blijkt dat zij kennis had van de verdeling van de variabele subsidies voorzien in het begrotingsartikel voor het lokaal cultuurbeleid. Voor zover verwerende partij aan die vaststelling een middel van onontvankelijkheid knoopt, zal daar hierna op worden ingegaan. Verwerende partij werpt ook op dat het tweede bestreden voorwerp geen beslissing inhoudt en niet aanvechtbaar is. 2.3. Wat het voorwerp van het beroep betreft evenwel, repliceert verzoekster in de memorie van wederantwoord dat het ministerieel besluit dat verwerende partij als stuk nummer 6 in het administratief dossier overlegt, nooit aan haar is meegedeeld of betekend, dat het enige wat zij kent de beslissing is van de minister zoals verwoord in zijn brief van 29 november 2002, dat in die brief niet wordt verwezen naar een ministerieel besluit van diezelfde datum, dat bijgevolg de indruk wordt gewekt door verwerende partij dat haar de aanvechtbare beslissing is overgemaakt en dat zij thans door kennisneming van het ministerieel besluit nog een bijkomend middel er tegen wenst op te werpen. Zij besluit de memorie van wederantwoord met het verzoek “beide bestreden beslissingen te vernietigen”. 2.4. Op basis van de gegevens van het dossier, inzonderheid de bewoordingen van het verzoekschrift en de repliek in de memorie van wederantwoord, wordt in het auditoraatsverslag volgende analyse gemaakt van het voorwerp van huidig beroep : “1/ In de mate in de memorie van wederantwoord de nietigverklaring van het geformaliseerd ministerieel besluit van 29 november 2002 wordt gevraagd in XII-5295-16\32 de mate dit over de aanvraag van de verzoekende partij beslist, kan de Raad mijns inziens hiermee rekening houden. Het gaat dan immers slechts om de ‘uitbreiding’ van de vordering tot een niet eerder meegedeelde formalisering van de beslissing zoals opgenomen in de brief van 29 november 2002, de eerste in het verzoekschrift bestreden beslissing, zodat het in feite gaat om dezelfde rechtshandeling en het voorwerp aldus in feite slechts formeel heromschreven wordt. Dit brengt dan ook de rechten van verdediging niet in het gedrang te meer nu het ter zake in de memorie van wederantwoord opgeworpen nieuw middel, de schending van de motiveringsplicht, overlapt met het vierde middel en de andere in het verzoekschrift tegen de eerste bestreden beslissing ( het eerste tot en met het vierde middel) inhoudelijk niet aangepast werden (of dienden te worden) ten aanzien van dat geformaliseerd ministerieel besluit. 2/ In de mate dat in de memorie van wederantwoord dit volledige besluit wordt aangevochten en dus ook de beslissing over de aanvragen van derden kan hiermee mijns inziens geen rekening worden gehouden. Uit de stukken bij het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij dan al kennis had van de subsidies toegekend aan andere gemeenten en deze dan ook desgewenst kon aanvechten. Uit het dispositief van het verzoekschrift en de formulering van de beslissing tot in rechte treden, die beperkt is tot de beslissing over de eigen aanvraag, blijkt dat zij dit uitdrukkelijk niet deed. [Deze] uitbreiding [is] in ieder geval laattijdig aangezien ook niet blijkt dat deze beslissing, in de mate het subsidies aan derden toekent, aan verzoekende partij betekend moest worden. Indien elke beslissing [ter] zake was opgenomen in een afzonderlijk besluit zouden deze beslissingen, in de mate zij aanvragen van derden betreffen, niet aan verzoekende partij betekend moeten worden. Het feit dat de toekenning van subsidies voor elke aanvrager werd opgenomen in een collectief besluit houdt bezwaarlijk in dat wat anders niet aan verzoeker had moeten worden betekend om de beroepstermijn te doen ingaan om die reden alleen thans toch betekend moest worden [...] Nergens blijkt uit het dossier dat [de] brief [van 17 december 2002] meer is dan een antwoord op een aantal vragen en een nieuwe beslissing bevat over de toekenning van de variabele subsidie of over de verdeling van het restbedrag, beslissing die blijken het dossier reeds vervat is in de beslissing van 29 november 2002 die het voorstel ter zake zoals opgenomen in het advies van de beoordelingscommissie (en overgenomen in het voorstel van de administratie) overneemt. Er blijkt ook niet dat voorafgaand aan de brief van 17 december 2002, deze beslissingen heroverwogen werden, onderworpen werden aan een nieuw onderzoek of gesteund werden op nieuwe motieven. Hoogstens worden de reeds bestaande motieven in deze brief tegenover de geadresseerden toegelicht. Nu ter zake bijgevolg op 17 december 2002 dan geen (nieuwe) beslissing werd genomen en de beslissing tot verdeling van het restbedrag en om verzoekende partij daarvan uit te sluiten en de motivering daarvan in feite vervat ligt in de eerste bestreden beslissing, is de vordering tot nietigverklaring van ‘de beslissing’ van 17 december 2002 om verzoekende partij uit te sluiten van de verdeling van het restbedrag in beginsel dan ook onontvankelijk ratione materiae en zelfs zonder voorwerp nu er in feite geen sprake is van een beslissing. (
  6. d)Nochtans kan mijns inziens in casu rekening worden gehouden met de vordering in de mate deze gericht is tegen de uitsluiting van verzoekende partij uit de verdeling van het restbedrag. [...] Aangezien in casu uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat verzoekende partij met de vordering en het vijfde middel gericht tegen die tweede bestreden ‘beslissing’ van 17 december 2002 in feite de beslissing aanvecht haar uit te XII-5295-17\32 sluiten van de verdeling van het restbedrag, beslissing waaromtrent verwerende partij ook inhoudelijk verweer voert, kan de vordering gericht tegen die ‘beslissing’ van 17 december 2002, en het vijfde middel mijns inziens dan ook geacht worden in feite te zijn gericht tegen de uitsluiting van verzoekende partij uit de verdeling van het restbedrag zoals vervat in de eerste bestreden beslissing van 29 november 2002”. 2.5. Noch verzoekster, noch verwerende partij spreken de geciteerde analyse tegen in de laatste memories. Ook voor de Raad van State is er geen reden om het anders te zien; de aangehaalde zienswijze van het auditoraat wordt volkomen bijgevallen. Bijgevolg wordt als voorwerp van het beroep begrepen, het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlands- talige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04, voor zover het beslist over de aanvraag van verzoekster tot toekenning van een variabele subsidie, haar (slechts) een bedrag van 87.477,06 euro toekent en verzoekster uitsluit van de verdeling van het restbedrag. De ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Dat verzoekster enkel de weigeringsbeslissing aanvecht en nalaat om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 29 november 2002 in zijn geheel, heeft volgens verwerende partij een weerslag op het belang van verzoekster. Het ministerieel besluit is immers definitief geworden, zodat de variabele subsidies die aan de (andere) culturele centra werden toegekend definitief geworden zijn. Elke wijziging in de verdeling van het beschikbare krediet doet afbreuk aan het definitief verworven aandeel van de begunstigde cultuurcentra. Een gebeurlijke verhoging van het krediet kan evenmin een nuttig effect hebben aangezien de verdeelsleutel ook definitief is geworden. Een nieuwe individuele beslissing ten aanzien van verzoekster alleen, is volgens verwerende partij niet mogelijk en gaat in tegen “de toepasselijke wettelijke bepalingen”. 3.2. Indien de weigeringsbeslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt ingevolge een vernietiging door de Raad van State, verplicht zulks verwerende partij om zich opnieuw uit te spreken, rekening houdend met de vernietigingsgrond, over de aanvraag van verzoekster voor de toekenning van een variabele subsidie. XII-5295-18\32 XII-5295-19\32 Volgens verwerende partij kan verzoekster daar evenwel geen voordeel meer uit halen, omdat die nieuwe uitspraak noodzakelijk afwijzend moet zijn, nu de subsidies die zijn verleend niet werden aangevochten en dus definitief zijn geworden. Het stond verzoekster vrij om het subsidiebesluit in zijn geheel aan te vechten, ten einde haar kansen op rechtsherstel maximaal te houden. Om redenen die de hare zijn, heeft zij gemeend dit niet te moeten doen. Door de subsidies waarmee de andere cultuurcentra werden begunstigd niet mee tot voorwerp van haar beroep te maken, zijn deze ten opzichte van verzoekster inderdaad onaantastbaar geworden. Indien de met het dictum van een eventuele nietigverklaring verbonden overwegingen uitwijzen dat de verdeelsleutel niet behoorlijk is vastgesteld of gehanteerd, kan een eventuele aanpassing van die verdeelsleutel finaal niet meer tot gevolg hebben dat aan de reeds toegekende subsidies nog iets wordt veranderd: het aandeel van de begunstigde cultuurcentra is, met de woorden van verwerende partij, “definitief verworven”. De Raad van State valt evenwel verwerende partij niet bij dat verzoekster hierdoor volledig zonder belang is. Het volstaat vast te stellen dat de variabele subsidie door de decreetgever wordt vastgesteld op “ten minste” het in artikel 33 van het decreet aangegeven bedrag per jaar. Reeds het decreet zelf sluit bijgevolg niet uit dat bijkomende middelen toegekend kunnen worden. Door verwerende partij wordt niet aangetoond dat rechtsherstel niet kan worden verwezenlijkt, zo dit nodig blijkt, door middel van een nieuwe begrotingsbeslissing. In de laatste memorie erkent verwerende partij integendeel de mogelijkheid om “extra begrotingskredieten vrij te maken”, weze het dat zij dit “principieel” onaanvaardbaar vindt. 3.3. Weliswaar heeft de regelgeving met betrekking tot de wijze van subsidiëring vanaf 1 januari 2008 een belangrijke wijziging ondergaan. In haar laatste memorie werpt verwerende partij desbetreffend nog op dat ondertussen bij decreet van 13 juli 2007 de regelgeving is gewijzigd en dat vanaf 1 januari 2008 geen aanvullende variabele subsidies meer bestaan. Dit is niet van aard om anders over het belang van verzoekster te oordelen, aangezien deze wijziging enkel voor de toekomst geldt en de decreetgever niet met terugwerkende kracht de oude subsidieregeling die in variabele subsidies voorziet heeft opgeheven. Het decreet XII-5295-20\32 van 13 juli 2007 laat bijgevolg haar kansen op subsidiëring voor de periode 2002- 2007 onverlet. 3.4. De exceptie wordt niet aangenomen. De gegrondheid van het beroep 4. Uit het feitenrelaas is gebleken dat verwerende partij voor de beoordeling van de aanvragen voor de variabele subsidie stapsgewijs is te werk gegaan, door het in de begroting ingeschreven bedrag eerst te verminderen met het bedrag dat zij meende voor de voorafname bedoeld in artikel 68 van het decreet nodig te hebben, door vervolgens 2.550.000 euro van het totale bedrag in gelijke delen per categorie (A, B en C) van 850.000 euro te verdelen en door tenslotte het zogenaamde “restbedrag” te verdelen tussen de dertien cultuurcentra die in aan- merking komen voor een variabele subsidie maar niet voor de toepassing van de overgangsmaatregel. Verzoekster heeft in het verzoekschrift kritiek op elk van die onderdelen van het besluitvormingsproces dat tot de uiteindelijke verdeling van de variabele subsidies heeft geleid. Vaststelling en verdeling van de voorafname bedoeld in artikel 68 van het decreet 5. De toepassing van de overgangsmaatregel in artikel 68 van het decreet brengt verzoekster vooral ter sprake in het derde middel, en ook zijdelings in andere middelen van het verzoekschrift. Zij betwist de interpretatie van verwerende partij over de wijze waarop het bedrag bedoeld in deze bepaling moet worden vastgesteld, waarmee het moet worden vergeleken - met de totale som van de subsidies of enkel met de forfaitaire basissubsidie - en hoe de voorafname dan moet gebeuren. 6.1. Artikel 68 van het decreet luidt : “Gemeenten met een cultuurcentrum, erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van dit decreet worden ingeschaald in respectievelijk de categorie B of C, behouden tot 31 december 2006 het recht op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd, als deze subsidie hoger XII-5295-21\32 is dan de subsidie berekend op basis van dit decreet. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat in artikel 33, § 1, van dit decreet is bepaald voor de variabele subsidie”. 6.2. Vastgesteld moet worden dat de decreetgever aan de in artikel 68 bedoelde cultuurcentra blijkens de tekst zelf een “recht” toekent op het behoud tot 31 december 2006 -sinds het decreet van 13 juli 2007 tot 31 juli 2007- van de subsidie die voor het werkjaar 2001 werd uitgekeerd in het kader het decreet van 24 juli 1991, wanneer die subsidie hoger is dan de subsidie berekend op basis van de bepalingen van het decreet van 13 juli 2001. In de mate waarin het beroep de toekenning van dat recht als werkelijk en rechtstreeks voorwerp heeft, is de Raad van State onbevoegd om van die vordering kennis te nemen. Over de toepassing van artikel 68 van het decreet beschikt het bestuur immers niet over enige beoordelingsvrijheid. De Raad vermag geen uitspraak te doen hoe dit artikel 68 geïnterpreteerd moet worden, aangezien aldus uitspraak wordt gedaan over het al dan niet bestaan van een subjectief recht. Indien verzoekster de interpretatie betwist die de minister heeft gegeven aan bedoeld artikel -en slechts één interpretatie kan de juiste zijn- dan hoort het niet tot de rechtsmacht van de Raad van State, maar wel tot die van de gewone rechter, om daarover uitsluitsel te geven. Dit belet niet dat de Raad van State kennis neemt van de rest van de vordering, nu de verdere verdeling van de variabele subsidie en de uitsluiting van verzoekster van de verdeling van het restbedrag een beoordelingsbevoegdheid inhoudt. Verdeling van 2.550.000 euro variabele subsidie Standpunt van de partijen 7. In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Na kennis te hebben genomen van het ministerieel besluit van 29 november 2002 voert zij ditzelfde middel ook aan tegen dit besluit. XII-5295-22\32 In het inleidend verzoekschrift betoogt verzoekster dat de minister in zijn brief van 29 november 2002 motieven opgeeft voor zijn beslissing om haar een variabele subsidie toe te kennen van 87.477,06 euro, maar dat de motieven niet uitleggen op welke wijze hij tot die beslissing is gekomen, dat de minister nieuwe en meer substantiële motieven aanbrengt in zijn brief van 17 december 2002 maar dat wars van deze nieuwe motieven de beslissing van 29 november 2002 kennelijk niet gemotiveerd is zoals vereist door de wet. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster daar als “nieuw middel” aan toe dat het ministerieel besluit van 29 november 2002 geen motivering bevat, noch in rechte, noch in feite. Zij betoogt dat zij recht heeft te weten waarom zij slechts een som van 87.477,06 euro heeft gekregen en dat de motieven voor die beslissing niet vermeld staan in de brief van 29 november 2002 noch in het later meegedeeld ministerieel besluit. Zij meent dat de brief van 17 november 2002 een nieuwe beslissing inhoudt omdat daarin voor het eerst de procedure vastgesteld wordt volgens welk de verdeling van het restbedrag van de variabele subsidies diende te gebeuren. 8. Verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat verzoekster geen belang heeft om de bestreden beslissing te laten vernietigen op grond van een schending van de formele motivering nu haar daarin “een niet onaardige subsidie” wordt verleend. Verder zou verzoekster er blijk van geven kennis te hebben van de motieven om aan haar een variabele subsidie toe te kennen inclusief voorafname. De brief van 17 december 2002 geeft volgens verwerende partij enkel een verduidelijking, terwijl de motivering van de berekening van de subsidies volgt uit een loutere toepassing van de geldende bepalingen, waarbij verzoekster in het deel ontvankelijkheid van het verzoekschrift erkent dat deze interpretatie, lees toepassing van de geldende bepalingen mogelijk is en deze dus impliciet redelijk acht hetgeen ipso facto betekent dat zij de motieven kent, ze mogelijk en redelijk acht maar enkel niet wenselijk. XII-5295-23\32 Beoordeling 9. Hiervoor is reeds vastgesteld dat het materieel voorwerp van het beroep, de weigering om aan verzoekster een hogere variabele subsidie te verlenen, vanuit formeel oogpunt vervat is in, minstens blijkt uit het ministerieel besluit van 29 november 2002. De brieven van 29 november 2002 en van 17 december 2002 bevatten met betrekking tot die weigering kennisgevingen en toelichtingen. 10. Verzoekster heeft een misschien zelfs niet onaardig bedrag aan variabele subsidie gekregen. Zij heeft er echter belang bij om zo veel mogelijk subsidie te ontvangen en om vastgesteld te zien dat verwerende partij een verkeerd gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsvrijheid bij het verdelen van de subsidie. Verzoekster heeft bijgevolg belang bij het middel. De exceptie wordt niet aangenomen. 11. De motivering die de wet van 29 juli 1991 oplegt, moet in de akte van de bestuurshandelingen waarop de wet van toepassing is de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn ten einde een belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. De overheid die in een subsidie-aanvraag als de voorliggende een beslissing neemt, moet de aanvrager aan de hand van de formele motieven ervan in de mogelijkheid stellen te vernemen op grond van welke precieze gegevens tot het nemen van de bestreden beslissing werd gekomen -in casu, op grond waarvan de aanvraag tot het toekennen van een variabele subsidie binnen het raam van het decreet van 13 juli 2001 tot een bepaald bedrag en geen hoger bedrag werd gehonoreerd- dermate dat zij in voorkomend geval de onwettigheid of de onjuistheid hiervan kan aantonen in het kader van een vordering bij de gewone of de administratieve rechter. 12. Aan de verplichting tot formele motivering kan ook voldaan worden door te verwijzen naar andere documenten die aan betrokkene medegedeeld zijn. Volgens verwerende partij is dit te dezen het geval. XII-5295-24\32 De Raad van State stelt vast dat de minister het advies van de beoordelingscommissie dat hij heeft gevolgd, ook aan verzoekster moet hebben meegedeeld aangezien zij het bij haar verzoekschrift voegt en dat reeds eerder, op 20 juni 2002, uitvoerige toelichting is verstrekt over de te volgen werkwijze door deze beoordelingscommissie. Minstens is dan wel vereist dat die andere documenten op hun beurt afdoende gemotiveerd zijn, zodat moet worden nagegaan of de bedoelde stukken zelf voldoen aan de vereisten van de formele-motiveringsplicht. 13. Blijkens de artikelen 32 en 33, § 2, van het decreet van 13 juli 2001 kan de variabele subsidie, naast de basissubsidie, worden toegekend op basis van het geheel van de aldaar bepaalde parameters die volgens dit artikel 33, § 2, op evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van de culturele centra. Met de richtlijnen die op 20 juni 2002 werden verstrekt aan de gemeenten over de te volgen procedure geeft de administratie van verwerende partij toelichting bij de gehanteerde parameters en de voorgenomen weging om de gemeenten te helpen een beknopt maar relevant dossier in te dienen. Er is reeds in te lezen dat de beoordelingscommissie zal werken met quoteringen “zwak”, “neutraal” en “sterk” en hoe die quoteringen met een wegingsfactor omgezet zullen worden in een cijfer, dat het cijfer de plaats in een rangschikking bepaalt en dat wie in deze rangschikking “flink boven het gemiddelde scoort” meer zal ontvangen dan “wie iets beter dan het gemiddelde scoort”. Vervolgens geschiedde de beoordeling -samengevat- door aan elk van de parameters een zelfde waarde “1” te geven, waarbij bepaalde parameters werden opgesplitst in subparameters, die elk een zelfde waarde kregen binnen die score 1 (2 x 0,5; 3 x 0,33 of 4 x 0,25), waarna elke subparameter per dossier beoordeeld werd als “zwak”, “neutraal” of “sterk”, waarna de corresponderende vaste score onder de toegekende waardering werd ingevuld, de scores per waarderingscategorie (“zwak”, “neutraal” of “sterk”) werden opgeteld en vermenig- vuldigd met 1 (scores “zwak”), 2 (scores “neutraal”) of 3 (scores “sterk”) en waarbij de optelling van deze scores vermenigvuldigd met de wegingsfactor de eindscore vormt. Hiervan werd dan per categorie een gemiddelde bepaald waarbij enkel de aanvragers die scoren boven het gemiddelde een subsidie ontvangen. De hiervoor XII-5295-25\32 weergegeven tabel met de scores van verzoekster kan als illustratie dienen voor de hier beschreven werkwijze. Deze wijze van beoordeling is niet uitdrukkelijk in het decreet van 13 juli 2001 of het uitvoeringsbesluit van 11 januari 2002 bepaald, maar vloeit enkel voort uit de brief van 20 juni 2002 van de administratie die werd hernomen in het advies van de beoordelingscommissie. Dit betekent echter niet dat de gevolgde werkwijze daarom alleen strijdig zou zijn met de hier aan de orde zijnde wet van 29 juli 1991. Verzoekster was er voldoende correct over geïnformeerd. Het doel van de formele-motiveringsplicht is in dat opzicht bereikt. 14. Wel dient echter te worden vastgesteld dat de formele motivering van de bestreden beslissing wat betreft de concrete aanvraag in deze zaak, beperkt is tot een waardering “zwak”, “neutraal” of “sterk” van de verschillende parameters en subparameters, zonder dat in de medegedeelde tabel of brief van de minister enige verdere toelichting wordt gegeven hoe en waarom voor elke parameter tot die waardering werd gekomen, tenzij dat dit in consensus geschiedde. Verzoekster betoogt in zoverre terecht dat het voor haar niet duidelijk is waarom de minister in haar dossier tot zijn concrete beslissing is gekomen. Ook het naderhand overgelegde dossier bevat overigens niet de minste aanduiding over hoe en waarom de beoordelingscommissie en haar leden tot de toekenning van de scores per parameter kwamen. Vanzelfsprekend kan die toelichting niet nader worden gevonden in de richtlijnen van 20 juni 2002, die immers aan het indienen van het dossier en de beoordeling ervan door de commissie voorafgaan. Aangenomen dat ook met de brief van 17 december 2002 rekening moet worden gehouden, dan nog bevat deze enkel algemene beschouwingen ten behoeve van alle gemeentelijke overheden over de gevolgde werkwijze en brengt ze geen nieuwe gegevens aan het licht over het specifieke dossier van verzoekster. De loutere kwalificaties “zwak”, “neutraal” en “sterk” leren verzoekster in de omstandigheden van deze zaak echter niets over het waarom van die keuze. Die scores leiden uiteindelijk voor elk aanvraagdossier tot een cijfermatige waardering, op grond waarvan een gemiddelde wordt vastgesteld dat bepalend is voor de al dan niet subsidiëring van de aanvrager -wie onder het gemiddelde scoort krijgt niets- en de hoogte van de subsidies -wie “flink boven het XII-5295-26\32 gemiddelde” scoort ontvangt het meest. De toegekende scores zijn een verhulde loutere puntentoekenning zonder enige daarop te betrekken beschrijvende waardering die inzicht kan verschaffen over de wettigheid van het motief dat tot die score heeft geleid. Verzoekster tast in het duister over de beweegredenen van de verwerende partij, wanneer het er op aan komt de abstracte -en eerder subjectieve- parameters te relateren aan de feitelijke gegevens van het concrete aanvraagdossier. Overigens is verwerende partij er zelfs in de loop van de procedure voor de Raad van State niet in geslaagd enig stuk over te leggen, uitgaande van en toe te schrijven aan de beoordelingscommissie, waarin enige in woorden uitgedrukte beoordeling terug te vinden is. Het middel is in de besproken mate gegrond. De verdeling van het restbedrag Standpunt van de partijen 15. Tegen de wijze van verdeling van het restbedrag voert verzoekster in een vijfde middel, tweede middelonderdeel, aan dat zij ten onrechte is uitgesloten van de verdeling van dit bedrag. Zij betwist dat er 25 % van het totale bedrag voor de variabele subsidie als een afzonderlijke categorie moet worden beschouwd en verdeeld over de drie categorieën. Daarbij wordt aangevoerd dat de uitsluiting van het cultuurcentrum op grond van het criterium dat het genoten zou hebben van de overgangsmaatregel “evenmin” nuttig is want ingaat tegen de logica dat het systeem van de variabele subsidies, zoals blijkt uit de memorie van toelichting, ontworpen is om mogelijk te maken bepaalde cultuurcentra binnen éénzelfde categorie meer subsidie toe te kennen en waarbij de variabele subsidies, waarvan het restbedrag deel uitmaakt, toegekend worden op basis van inhoudelijke kenmerken gebaseerd op negen parameters als bedoeld in artikel 33, § 2, van het decreet van 13 juli 2001 en waarbij het mogelijk is dat een gemeente die niet scoort op deze parameters geen variabele subsidie krijgt terwijl gemeenten die hoog scoren de meeste subsidies krijgen zoals ook wordt erkend in de brief van 17 december 2002. De hier uitgewerkte procedure sluit dertien gemeenten uit van het restbedrag van de variabele subsidies, hetgeen een schending is volgens verzoekster van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel alsook van de artikelen 32 en 33 van het decreet van 13 juli 2001 en van de artikelen 32 tot 38 van het XII-5295-27\32 uitvoeringsbesluit van 11 januari 2002. Ook het redelijkheidsbeginsel is geschonden, aldus verzoekster, omdat de uitsluiting van de verdeling van het restbedrag tot het pervers effect leidt dat gemeenten die slechter scoorden op de parameters dan Bornem bijna evenveel variabele subsidies krijgen als Bornem en in het geval van Waregem zelfs zowat 20.000 euro méér. Terwijl men met de variabele subsidie een goed werkend cultuurcentrum wil belonen en de variabele subsidie dient om de innoverende culturele werking van het centrum verder uit te bouwen, zou Bornem uitgesloten worden van het restbedrag dat 539.480,19 euro bedraagt of een kwart van het totale bedrag aan variabele subsidie. Verzoekster herinnert in dit verband nog aan het doel van het decreet van 13 juli 2001 zoals geformuleerd in artikel 3, 2/. 16. Verwerende partij antwoordt op dit middelonderdeel dat het in artikel 33, § 3, van het decreet van 13 juli 2001 voor elke categorie A, B en C gewaarborgd minimum van 25 % van het totaal bedrag dat voor de variabele subsidies ter beschikking is gesteld, kan inhouden dat in alle categorieën het bedrag hoger ligt dan het gegarandeerd minimum maar niet inhoudt, zoals verzoekster ten onrechte betoogt, dat het minimumpercentage moet worden overschreden. Verwerende partij betoogt vervolgens dat de geldende bepalingen correct zijn toegepast en dat de minister geenszins zijn bevoegdheid heeft overschreden, dat verzoekster beloond is voor het door haar ontwikkeld lokaal cultuurbeleid door de toekenning van een variabele subsidie terwijl niet ingezien kan worden waarom zij gestraft zou zijn terwijl zij 16.134,38 euro méér subsidies krijgt in 2002 dan in 2001 of waarom zij haar cultuuraanbod zal moeten inbinden nu zij erkent meer (variabele) subsidies te krijgen dan andere cultuurcentra, terwijl centra die onder de gemiddelde waarde scoren geen variabele subsidie krijgen. Verzoekster is volgens verwerende partij weinig redelijk om zich dan nog te kort gedaan te voelen en zij kan niet ernstig menen dat de bestreden beslissing onevenredig is in functie van het doel van het decreet van 13 juli 2001 zoals vooropgesteld in artikel 3, 2/. Verwerende partij concludeert dat verzoekster aldus de onredelijkheid van de tweede bestreden beslissing niet aantoont. XII-5295-28\32 Beoordeling 17. De decreetgever heeft aan een aantal cultuurcentra een in het verleden verworven subsidieniveau gedurende een overgangsperiode willen waarborgen middels het hen door artikel 68 van het decreet van 13 juli 2001 toegekende recht op subsidies. Daarenboven heeft de decreetgever in artikel 32 van het decreet bepaald dat de basissubsidie “kan” worden aangevuld met een variabele subsidie, waarvan hij het minimaal beschikbare bedrag heeft vastgesteld in artikel 33, § 1, van het decreet. Dit bedrag is evenwel niet volledig beschikbaar. De verwerende partij heeft van het beschikbare bedrag, bepaald voor de variabele subsidie, een bedrag in mindering gebracht op een wijze waarvan de wettigheid voor de Raad van State niet in vraag kan worden gesteld omdat ze slaat op de toepassing van artikel 68 in fine van het decreet. Luidens artikel 33, § 3, van het decreet bedraagt de variabele subsidie voor elke categorie “ten minste 25 % van het bedrag dat de Vlaamse Regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie, na voorafname zoals bepaald in artikel 68 van dit decreet”. De decreetgever heeft het aan de uitvoerende macht overgelaten om de verdere procedure te bepalen. De decreetgever verleent aldus een beoordelingsmarge aan de uitvoerende macht bij de verdeling van de subsidies tussen de culturele centra, voor zover het eindresultaat geen afbreuk doet aan de decretale eis dat de cultuurcentra die samen tot categorie A, B, resp. C behoren ook in totaal ten minste drie kwart van de beschikbare variabele subsidies na voorafname verkrijgen. De door de beoordelingscommissie gevolgde procedure, zoals hiervoor beschreven in het feitenrelaas, respecteert voorts ook de intentie van de decreetgever, zoals uitgeschreven in de parlementaire voorbereiding -in het bijzonder de memorie van toelichting- en niet betwist tussen partijen, om tot een diversifiëring te komen in de subsidiëring en een beloning van de beter presterende culturele centra binnen elke categorie. In de memorie van toelichting is te lezen dat deze variabele subsidie het mogelijk maakt aan bepaalde cultuurcentra binnen eenzelfde categorie meer subsidie toe te kennen; in de artikelsgewijze toelichting wordt herhaald dat het dank zij de variabele subsidie mogelijk wordt om “binnen XII-5295-29\32 elke categorie” verschillen te maken in subsidiëring van cultuurcentra, en dit op basis van kwantitatieve en kwalitatieve normen (Parl. St. Vl. Parl. 2000-2001, nr. 735/1, blz. 13 en 24-26). 18. Zoals verzoekster opmerkt is een vrij aanzienlijk bedrag -19% of bijna één vijfde van het beschikbare bedrag- vóór elke verdere verdeling van de subsidie opzij gehouden als “restbedrag”, en dus “onttrokken” aan de normale verdelingswijze volgens de uitgewerkte procedure. Het toewijzen van (slechts) 850.000 euro per categorie is immers een discretionaire beslissing geweest van de beoordelingscommissie. Het “restbedrag” is derhalve niet een onvermijdelijk en mogelijk verwaarloosbaar mathematisch gevolg van de toepassing van artikel 68 en de daarin beschreven voorafnameregeling, maar een bewuste keuze om een substantieel bedrag van de variabele subsidie aan een aparte behandeling te onderwerpen. Eerder dan een “restbedrag”, vormt het dan ook als het ware een tweede “voorafname” naast die welke bestemd is voor de toepassing van de overgangsmaatregel. Noch het advies van de beoordelingscommissie noch enig ander stuk van het administratief dossier verschaft enig inzicht in de reden hiervoor. De decreetgever heeft als subsidiëring een basissubsidie en een aanvullende variabele subsidie onderscheiden. De basissubsidie is een forfaitair bedrag. De aanvullende subsidie, variabel als ze is, moet krachtens artikel 33, § 2, van het decreet worden toegekend op basis van negen parameters. Het zogenaamde “restbedrag” is evenwel geen derde -en dan hoe dan ook niet door het decreet gekende- subsidievorm maar blijft hoe dan ook een bedrag dat ook ex artikel 33, § 1, voortvloeit en, dus, een bedrag “voor de variabele subsidie”. Verzoekster stelt terecht dat het restbedrag deel uitmaakt van de variabele subsidie. Door dit bedrag evenwel forfaitair te verdelen, wars van de decretaal opgelegde parameters behalve voor zover enkel de gemeenten in aanmerking komen die ook voor die parameters bovengemiddeld scoorden, miskent de verwerende partij artikel 33, § 2, van het decreet. Het leidt voorts inderdaad tot het “pervers” effect dat cultuurcentra die relatief minder presteren bij een beoordeling van deze door de decreetgever vastgelegde parameters, relatief beter tot -in het geval van de gemeente Waregem- absoluut beter gesubsidieerd worden dan de meer kwaliteitsvolle cultuurcentra die de variabele subsidie verkregen. XII-5295-30\32 Artikel 33, § 1, van het decreet is door het bestuur in het licht van de parlementaire bespreking ervan voorts zo begrepen dat de vergelijking van de prestaties van de cultuurcentra binnen elke categorie en niet over alle categorieën samen moest gebeuren. Verwerende partij komt met zichzelf in tegenspraak, door dan het “restbedrag” in gelijke mate te verdelen tussen de gemeenten die bovengemiddeld presteren zonder nog een voorafgaande verdeling tussen de drie categorieën door te voeren. Voor de zo beschreven werkwijze is in het gehele dossier slechts één motief tot uitdrukking gebracht, namelijk dat deze dertien cultuurcentra “al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorieverlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001”. Zoals het bestuur blijkens de “overzichtstabellen berekening variabele subsidie per categorie”, gevoegd als bijlage 4 bij het advies van de beoordelings- commissie (stuk nr. 3 van het administratief dossier), het artikel 68 heeft toegepast en zonder uitspraak te doen over de wettigheid hiervan, stelt de Raad van State in de feiten vast dat dit motief ten minste voor verzoekster niet opgaat. Omdat verzoekster op grond van de haar door de commissie toegekende bovengemiddelde score in categorie B al ruim meer “initiële variabele subsidie” kreeg dan het bedrag dat zij kreeg in 2001, vermeldt de tabel géén bedrag bij de kolom “reële meerkost voorafname”, is er dienvolgens voor haar geen voorafname gebeurd, is het bedrag van de “totale variabele subsidie incl. voorafname” identiek aan het bedrag van de initiële variabele subsidie en heeft zij géén “bijkomende subsidie” gekregen. Verzoekster kon misschien in theorie de toepassing verkrijgen van de overgangsmaatregel, maar zij heeft ze in de praktijk niet genoten. Bovendien ziet de Raad van State in de tekst van het decreet geen aanknopingspunt dat steun kan bieden aan dit motief, en dus aan het werken met een “voorafgenomen restbedrag” ter compensatie en bijgevolg neutralisering van het effect van artikel 68 van het decreet. Wat voorafgaat leidt de Raad tot het besluit dat niet is aangetoond welk deugdelijk motief voor de gevolgde werkwijze bestaat, zodat het bestuur niet binnen zijn beoordelingsvrijheid, dus niet naar recht waarin begrepen de redelijkheid, kon beslissen over het restbedrag zoals zij te dezen deed zonder afbreuk te doen aan de gelijke behandeling en toepassing van artikel 33 van het decreet, waarop de aanvragende gemeenten aanspraak mogen maken. Het middel is in de besproken mate gegrond. XII-5295-31\32 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeen- schapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04 voor zover het beslist over de aanvraag van de gemeente Bornem tot toekenning van een variabele subsidie, haar (slechts) een bedrag van 87.477,06 euro toekent en haar uitsluit van de verdeling van het restbedrag. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5295-32\32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.