id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.664 Rolnummer: A. 132545/XII-5292 Zaak: Arrest 194664 - Cultuur en schone kunsten - 25/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:20 Fiche Arrest nr 194.664 van 25 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.664 van 25 juni 2009 in de zaak A. 132.545/XII-5292. In zake : 1. de VZW DE SPIL, 2. de STAD ROESELARE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. Coppens, kantoor houdende te Roeselare, Westlaan 358 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw De Spil en de stad Roeselare op 31 januari 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken [...] meegedeeld aan tweede verzoekende partij met brief dd. 29 november 2002, waarbij aan het cultuurcentrum van eerste verzoekende partij geen variabele subsidie wordt toegekend”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5292-1\24 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Coppens, die verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid -dat in de plaats is gekomen van een decreet van 24 juli 1991- heeft tot doel gemeenten te stimuleren om te komen tot een kwalitatief en integraal cultuurbeleid. Het bepaalt ondersteuning aan gemeenten voor de opmaak en de uitvoering van een gemeentelijk cultuurbeleidsplan, de uitbouw van de werking van een cultuurcentrum en de uitbouw van de werking van de openbare bibliotheek. Tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt vermeld, wordt naar het decreet van 13 juli 2001 verwezen in de versie zoals die gold bij het nemen van het thans bestreden besluit van 29 november 2002. Relevant in casu is de subsidiëring van de cultuurcentra, in artikel 2, 4/, van het decreet van 13 juli 2001 gedefinieerd als een gemeenschaps- centrum met daarnaast een breed en eigen cultuurspreidingsaanbod, gericht op de bevolking van een streekgericht werkingsgebied; een gemeenschapscentrum wordt in artikel 2, 3/, gedefinieerd als culturele infrastructuur door de gemeente beheerd met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit. Enkel de gemeenten bedoeld in artikel 7 van het decreet kunnen een subsidieaanvraag indienen voor een cultuurcentrum. Dit zijn de gemeenten opgesomd in een bijlage bij het decreet waaronder blijkens de memorie van XII-5292-2\24 toelichting de 57 centrumgemeenten, volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen opgedeeld in vier categorieën : de grootstedelijke gebieden, de regionaalstedelijke gebieden, de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau, alsook aanvullend negen gemeenten grenzend aan Brussel, en daarnaast gemeenten niet opgesomd in die lijst maar die beschikken over een cultuurcentrum erkend in de plus-categorie I of II op basis van het decreet van 24 juli 1991 en ten slotte gemeenten niet opgesomd in de voornoemde lijst met meer dan 30.000 inwoners. Blijkens artikel 28, § 1, 4/, moeten deze laatste twee groepen gemeenten dan wel de centrumfunctie van het cultuur- centrum aantonen. Met uitzondering van de centrumgemeenten in de grootstedelijke gebieden worden deze gemeenten overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 13 juli 2001 gerangschikt in categorieën A, B of C. Voor de subsidiëring wordt een onderscheid gemaakt tussen de basissubsidie en de variabele subsidie. De forfaitaire basissubsidie wordt bepaald door de categorie waartoe de gemeente behoort en wordt vastgesteld op grond van een aantal objectieve criteria. Ze kan worden aangevuld met een variabele werkingssubsidie, die berekend wordt op basis van “het geheel van de volgende negen parameters”, bepaald in artikel 33, § 2, “die op een evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van een cultuurcentrum” : “1/ het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 2/ de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; 3/ de aard van de werking: originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; 4/ het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 5/ de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; 6/ de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 7/ de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbudget; 8/ de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 9/ de personeelsformatie en de invulling ervan”. XII-5292-3\24 De beoordeling van de dossiers zal gebeuren door een door de Vlaamse regering op te richten commissie. De variabele subsidie wordt blijkens artikel 33, § 1, van het decreet vastgesteld op “ten minste 3.517.000 euro” per jaar. Artikel 73 van het decreet van 20 december 2002, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002, verving dat bedrag door het bedrag van “ten minste 3.467.000 euro”. De variabele subsidie voor de categorie A, B en C bedraagt krachtens artikel 33, § 3, van het decreet van 13 juli 2001 voor elke categorie ten minste 25 % van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie, na voorafname zoals bepaald in artikel 68. Artikel 68, een overgangsbepaling, bepaalt dat gemeenten met een cultuurcentrum erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet van 13 juli 2001 worden ingeschaald in categorie B of C, tot 31 december 2006 het recht behouden op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd als deze subsidie hoger is dan de subsidie berekend op basis van het decreet van 13 juli 2001. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt dan, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat voor de aanvullende variabele subsidie is bepaald in artikel 33, § 1. 1.2. Het decreet van 13 juli 2001 werd uitgevoerd door het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002 ter uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2002. Daarenboven verstrekt de minister van Cultuur op 24 december 2001 een administratieve toelichting aan de colleges van burgemeester en schepenen bij het nieuwe decreet. Op 20 juni 2002 deelt de administratie aan de colleges van burgemeester en schepenen de richtlijnen mee in verband met de aanvraag van de variabele subsidie. 1.3. De stad Roeselare (tweede verzoekster), die beschikt over het erkend cultureel centrum De Spil, ingedeeld in de categorie plus-II van het decreet van 24 juli 1991 (eerste verzoekster), dient, ter uitvoering van het decreet van 13 juli XII-5292-4\24 2001 en het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2002, voor haar cultureel centrum een aanvraag in voor de toekenning van een basissubsidie in categorie A, waartoe het behoort krachtens artikel 8, § 1, van het decreet van 13 juli 2001. Die subsidie wordt toegekend. Daarnaast wordt ook een aanvraag ingediend voor de toekenning van een variabele subsidie. In totaal werden aldus 49 dossiers ingediend. 1.4. De door de Vlaamse regering opgerichte beoordelingscommissie keurt op 14 november 2002 haar eindadvies goed. Het cultuurcentrum De Spil van de stad Roeselare krijgt blijkens dit advies een quotering van 16,98 hetzij 2,48 onder het gemiddelde van 19,46 in categorie A. Dit leidt niet tot een variabele subsidie. De tekst van het advies van de beoordelingscommissie luidt : “Alle dossiers werden beoordeeld op basis van volgende parameters zoals die gestipuleerd worden in art. 33 §2 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. 1. het publieksbereik voor eigen activiteiten: het aantal deelnemers en hun herkomst; 1.a. Het totaal aantal deelnemers aan de eigen activiteiten werd bekeken in verhouding tot het gemiddelde aantal deelnemers bij de cultuurcentra van dezelfde categorie 1.b. In dit onderdeel werd op basis van de opgegeven herkomstcijfers door de commissieleden de uitstraling naar de regio van een cultuurcentrum beoordeeld. Per cultuurcentrum werd een waardering gegeven (zwak, neutraal of sterk) rekening houdend met de specifieke situatie van een cultuurcentrum in zijn regionale context. 2. de publiekswerking en de publiekswerving: de educatieve omkadering van het aanbod, de inspanningen inzake toeleiding en de promotie; Deze parameter werd beoordeeld aan de hand van 4 onderdelen waarbij de twee kwantitatieve onderdelen (a en
- c)rekenkundig bekeken werden en twee eerder subjectieve onderdelen (b en
- d)toelieten om creativiteit te valoriseren. 2.a. Het totaal aantal toeleidings- en educatieve activiteiten werd afgewogen tegenover het gemiddelde binnen de categorie 2.b. De kwaliteit van de toeleiding en de educatieve omkadering ? 2.c. Het budget voor promotie (d.w.z. de financiële middelen die rechtstreeks aan promotie worden besteed) werd afgewogen tegenover het gemiddelde in de categorie 2.d. Hoe werd promotie gevoerd? Hoe creatief werd met dat budget of andere promotiemogelijkheden omgesprongen? 3. de aard van de werking: originaliteit en diversiteit van het eigen aanbod, profilering binnen bepaalde disciplines en aandacht voor vernieuwende kunstuitingen en methodieken, de samenwerking met andere culturele organisaties; XII-5292-5\24 De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving en motivatie. 4. het aantal voorstellingen, tentoonstellingen en vormingsactiviteiten, zowel de receptieve activiteiten als de eigen programmering; 4.a. Het aantal eigen en receptieve voorstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.b. Het aantal eigen en receptieve tentoonstellingen samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 4.c. Het aantal eigen en receptieve vormingsactiviteiten samen werd afgewogen tegen het gemiddelde in de categorie. 5. de concretisering van de culturele diversiteit op het vlak van programmering, participatie, personeelsbeleid en bestuur; De beoordelingscommissie gaf één globale quotering zwak, neutraal of sterk voor het geheel van deze parameter op basis van de opgegeven beschrijving. 6. de gemeenschapsvorming: de manier waarop lokale gemeenschappen versterkt worden, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare doelgroepen; 6.a. De ondersteuning van het gemeenschapsleven kreeg een beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de omschreven initiatieven 6.b. Het geheel aan initiatieven voor de doelgroepen kreeg een globale beoordeling zwak, neutraal of sterk op basis van de opgegeven omschrijving. 7. de inbreng van de gemeente in de totale omzet van de werking en het programmeringsbu[d]get Afhankelijk van het statuut werden verschillende methoden gebruikt. Het resultaat werd bekeken in verhouding tot de totale uitgaven van de cultuurcentra van die categorie. 8. de grootte en mogelijkheden van de infrastructuur en de aanwezigheid van wijkcentra; 8.a. De vierkante meters van alle door het cultuurcentrum beheerde infrastructuur werden samengeteld en afgewogen tegen het gemiddelde van de categorie. 8.b. In dit onderdeel werden de mogelijkheden van de beschikbare infrastructuur gewaardeerd (mogelijkheden tot tentoonstellen, vergaderen enz.) 9. de personeelsformatie en de invulling ervan. De gerealiseerde formatie agogisch personeel werd afgewogen tegenover het gemiddelde en tegenover het gesubsidieerd personeelskader. Verdeling van de bedragen 1. Volgens art. 33 §1 van het decreet wordt voor de variabele subsidie een totaalbedrag vastgesteld van 3.467.000 euro. 2. Volgens art. 33 §3 bedraagt de variabele subsidie voor de categorie A, B en C voor elke categorie ten minste 25% van het bedrag dat de Vlaamse regering ter beschikking stelt voor de variabele subsidie na voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet 3. Artikel 68 van het decreet stelt dat ‘gemeenten met een cultuurcentrum, erkend op basis van het decreet van 24 juli 1991 in de plus-I of de plus-11 categorie, die op basis van dit decreet worden ingeschaald in respectievelijk de categorie B of C behouden tot 31 december 2006 het recht op de subsidie die voor het werkjaar 2001 in het kader van het decreet van 24 juli 1991 werd uitgekeerd, als deze subsidie hoger is dan de subsidie, berekend op basis van de bepalingen van dit decreet. Het verschil tussen beide subsidiebedragen wordt, via een voorafname, in mindering gebracht van het bedrag dat in artikel 33 §1, van dit decreet is bepaald voor de variabele subsidie.’ XII-5292-6\24 Toekenning van een weging en berekening van de score Binnen elke categorie worden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters krijgt in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel heeft in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters worden gemeten dan wordt de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Vertrekkende van deze afspraak ziet de score per (deel)parameter er als volgt uit: parameter la = 0.50 lb = 0.50 parameter 2a = 0.25 2b = 0.25 2c = 0.25 2d = 0.25 parameter 3 = 1 parameter 4a = 0.33 4b = 0.33 4c = 0.33 parameter 5 =1 parameter 6a = 0.50 6b = 0.50 parameter 7 =1 parameter 8a = 0.50 8b = 0.50 parameter 9 = 1 Elke score wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er wordt een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1 neutraal = wegingscoëfficiënt 2 sterk = wegingscoëfficiënt 3 Voor elk dossier worden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie wordt van deze eindproducten het gemiddelde berekend. De commissie heeft voor alle centra voor criteria en deelcriteria een uitspraak in consensus gedaan. De resultaten van deze beoordeling vindt u per categorie in bijlagen 1, 2 en 3.. Berekening van het bedrag van de variabele subsidie De begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap voorziet voor de uitkering van een variabele subsidie aan cultuurcentra 3.467.000 euro. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. XII-5292-7\24 Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie ( A, B en C ) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Eindresultaat beoordeling van de commissie variabele subsidie 2002 Van de 49 ingediende dossiers werden 48 dossiers meegenomen in de beoordeling. (cf. noot 1 op pag. 1). Van de 48 beoordeelde dossiers werden er 26 in aanmerking genomen voor een variabele subsidie. Rekening houdend met het bedrag van de voorafname, was per categorie een subsidiebedrag van 850.000 euro beschikbaar. Enkel de cultuurcentra die in de beoordeling boven het gemiddelde scoorden werden weerhouden voor een subsidie. Het bedrag van de subsidie werd berekend naar het aantal punten dat het centrum boven het gemiddelde scoorde. Het globale bedrag van 3.467.000 euro werd als volgt verdeeld:
- a)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een [een] variabele subsidie, inclusief een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Bornem : 87.477,06 i Knokke-Heist : 270.448,87 i Menen : 247.050,94 i Heist op-den-Berg : 80.730,54 i Bierbeek : 67.857,00 i Ternat : 128.659,17 i Heusden-Zolder : 100.926,88 i Houthalen-Helchteren : 226.325,04 i Leopoldsburg : 108.764,27 i Lommel : 67.857,00 i Maaseik : 69.255,00 i Maasmechelen : 98.515,38 i Torhout : 29.898,00 i
- b)bedrag voor die cultuurcentra die recht hebben op een variabele subsidie zonder een voorafname Turnhout : 421.532,03 i Dilbeek : 47.482,81i Hasselt : 211.744,56 i Brugge : 308.948,13 i Kortrijk : 67.784,82 i Geel : 74.692,33 i Genk : 50.826,44 i Tongeren : 82.647,63 i Dendermonde : 86.391,30 i Ieper : 82.179,67 i XII-5292-8\24 Waregem : 117.276,57 i Beveren : 51.993,99 i Evergem : 49.582,49 i
- c)bedrag voor die cultuurcentra die niet in aanmerking komen voor een variabele subsidie maar enkel recht hebben op een voorafname omwille van de overgangsbepaling. Sint-Truiden : 55.388,00 i Beringen : 29.898,00 i Bilzen : 67.857,00 i Tessenderlo : 50.275,00 i Diksmuide : 26.734,00 i Over deze verdeling bestaat een volledige consensus in de commissie. De overzichtstabellen per categorie met berekening van de respectievelijke bedragen van de variabele subsidie vindt u in bijlage 4”. De quotering 16,98 wordt bereikt als volgt : “ parameters zwak neutraal sterk la 0,5 lb 0,5 2a 0,25 2b 0,25 2c 0,25 2d 0,25 3 1 4a 0,33 4b 0,33 4c 0,33 5 1 6a 0,5 6b 0,5 7 1 8a 0,5 8b 0,5 9 1 subtotaal 2 5,99 1 weging 1 2 3 XII-5292-9\24 subtotaal x weging 2 11,98 3 totaal Roeselare 16,98 ”. 1.5. Bij besluit van 29 november 2002 kent de bevoegde Vlaamse minister de variabele subsidies toe aan de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra, begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dat besluit herneemt de volledige lijst rechthebbenden. 1.6. Met een brief gedateerd 29 november 2002 deelt de bevoegde minister aan het college van burgemeester en schepenen van tweede verzoekster mee dat hij het advies van de beoordelingscommissie over de ingediende aanvraag tot toekenning van een variabele subsidie en de verdeling van het budget ter zake heeft gevolgd, zodat aan haar geen variabele subsidie kan worden toegekend : “Naar aanleiding van het door u ingediende aanvraagdossier voor variabele subsidie kunnen wij u het volgende meedelen. Zoals bepaald in artikel 37 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid heeft de Vlaamse regering een adviescommissie aangesteld om de ingediende dossiers te beoordelen op basis van de parameters zoals die werden bepaald in artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid. Deze beoordelingscommissie had als finaliteit de formulering aan de minister van een gemotiveerd voorstel van verdeling van het beschikbare budget voor variabele subsidie. Hiertoe heeft de beoordelingscommissie volgende methode gebruikt. Per dossier werd door de beoordelingscommissie in consensus een waardeoordeel gegeven per parameter. Op basis van deze waarden werd per categorie een gemiddelde berekend. Dit gemiddelde vormt de referentiewaarde voor de eventuele toekenning van een variabele subsidie. De beoordelingscommissie adviseert aan de minister enkel die cultuurcentra die boven deze gemiddelde waarde per categorie scoren voor de toekenning van een variabele subsidie in aanmerking te nemen. Het gemiddelde voor de categorie A ligt op 19,46; voor de categorie B op 19,19 en voor de categorie C op 18,46. Het spijt ons dan ook u te moeten meedelen dat de beoordelingscommissie aan de minister geadviseerd heeft het cultuurcentrum in uw gemeente niet in aanmerking te nemen voor variabele subsidie. Dit advies werd door de minister gevolgd, zodat er geen variabele subsidie kan worden toegekend. Gelieve als bijlage een overzicht te vinden van de beoordeling per deelparameter zoals die door de adviescommissie in consensus werd gegeven”. XII-5292-10\24 Bij de brief gaan volgens verzoeksters twee bijlagen : de eerste is een “toelichting variabele subsidie” die een woordelijke weergave blijkt te zijn van een gedeelte van het hiervoor geciteerde advies van de beoordelingscommissie, met name de passages waarin zij de parameters vermeldt en waarin zij de “toekenning van een weging en berekening van de score” toelicht, en de tweede is de hiervoor ook opgenomen tabel met de per parameter behaalde score “zwak”, “neutraal” of “sterk” voor het gewogen totaal van 16,98. Met een brief van 17 december 2002 verstrekt de Vlaamse minis- ter aan de colleges van burgemeester en schepenen nog een aantal verduidelijkingen : “In aansluiting op mijn schrijven dd. 26 november 2002 betreffende de variabele subsidie aan een cultuurcentrum wens ik nog het een en ander te verduidelijken. Ik hoop hiermee alleszins een antwoord te kunnen geven op een aantal vragen die cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Bovendien hoop ik hiermee wat ruis uit de communicatie te halen. Ik merk immers nog te dikwijls dat hier vooral in termen van winnaars en verliezers en van ‘straffen en belonen’ wordt gesproken. Deze brief wil ook aangeven dat de reële situatie alleszins genuanceerder is. Het decreet lokaal cultuurbeleid bepaalt dat de basissubsidie voor een cultuurcentrum kan worden aangevuld met een variabele subsidie. Dit betekent dus dat niet elk cultuurcentrum met een basissubsidie ook een variabele subsidie moet krijgen. Deze toepassing sluit bovendien aan bij de vraag van de sector, in het kader van de opmaak van het decreet, om de variabele subsidie ten volle te laten spelen en dus te voorzien voor ‘een beperkt aantal centra’. De minister beslist hierover, op basis van een door de gemeente ingediend dossier. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens ligt dus uiteraard bij de aanvrager. De administratie vergeleek deze met de gegevens uit de jaarverslagen van de betreffende periode. Voor zijn beslissing liet de minister zich adviseren door een beoordelingscommissie, die bestond uit experten en voorgezeten werd door professor De Brabander. Zij stonden elke garant voor een onafhankelijke benadering en -elk vanuit de eigen invalshoek- voor kennis over de realiteiten in het werkveld. Uit het slotdocument van de commissie blijkt bovendien dat de adviezen in consensus werden genomen. Ik heb dan ook over de hele lijn het advies gevolgd. De toekenning van de variabele subsidie is gebaseerd op de inspanningen die een gemeente en het cultuurcentrum hebben gedaan in het recente verleden, zijnde de twee laatste jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. Binnen elke categorie waarin een cultuurcentrum is ingeschaald worden die inspanningen met elkaar vergeleken op basis van parameters die in het decreet zijn bepaald. Gemeenten en cultuurcentra die binnen hun categorie voor het geheel beter scoren dan het gemiddelde komen in aanmerking voor een variabele subsidie. Deze manier van beoordelen is er gekomen op vraag van de sector, die op basis van gedane inspanningen een diversifiëring wou in de subsidiëring. De huidige werking van het cultuurcentrum of de plannen die men heeft voor de nabije toekomst worden niet geëvalueerd en gehonoreerd met de variabele subsidie. Dit aspect zal terug te vinden zijn in het beleidsplan van een XII-5292-11\24 cultuurcentrum. Dit betekent dus -en dat wil ik extra benadrukken- dat ik met de beslissingen over de variabele subsidies, noch expliciet, noch impliciet, een waardering uitspreek over de situatie vandaag en de beleidslijnen voor morgen. Het toekennen van een variabele subsidie hoeft bovendien niet noodzakelijk te betekenen dat het cultuurcentrum voor alle parameters zeer goed scoort, net zoals het -omgekeerd- ook zo is dat het niet toekennen van een variabele subsidie niet noodzakelijk betekent dat een cultuurcentrum er niet uitspringt op één of meer parameters. Indien al de behoefte zou bestaan om de resultaten van deze beoordeling met andere centra en gemeenten te vergelijken op basis van de eigen perceptie over die andere centra, dan kan ik er alleen maar voor pleiten om dit consequent met het genomen uitgangspunt van beoordeling te doen: een evenwichtige praktijk met betrekking tot de drie functies van een cultuurcentrum: participatie, spreiding en gemeenschapsvorming. De negen parameters worden als een geheel beschouwd en hebben betrekking op die drie functies van een cultuurcentrum. De beoordeling van elke parameter gebeurde zoveel als mogelijk op basis van kwantitatieve gegevens, die door de gemeente zelf werden aangebracht in het aanvraagdossier. Deze negen parameters worden expliciet in het decreet omschreven en in de artikelsgewijze commentaar geduid. Op basis hiervan werd de vragenlijst aan de cultuurcentra en het beoordelingssysteem dan ook opgemaakt. De commissie werkte -samen met de administratie en in aansluiting bij bezorgdheden die vanuit de sector waren geformuleerd- een werkwijze uit die een objectieve en objectiveerbare beoordeling mogelijk maakte. De weerslag hiervan werd u al bij mijn schrijven van 26 november in bijlage overgemaakt. Binnen elke categorie werden de dossiers parameter per parameter beoordeeld. Elk van de negen parameters kreeg in zijn globaliteit een score 1, zodat elk van de negen parameters een gelijk aandeel had in het eindresultaat. Wanneer binnen een bepaalde parameter een aantal deelparameters werden gemeten dan werd de score 1 gelijkmatig verdeeld over het aantal deelparameters. Elke score werd vermenigvuldigd met een coëfficiënt van weging. Er werd een opdeling voorzien in volgende wegingen: zwak = wegingscoëfficiënt 1, neutraal = wegingscoëfficiënt 2, sterk = wegingscoëfficiënt 3. Voor elk dossier werden per parameter de resultaten (score x weging) opgeteld. Per categorie werd hiervan het gemiddelde berekend. Deze werkwijze lijkt veel ‘wiskundiger’ dan hij is. Het bleek een goede manier te zijn om een gelijke behandeling van de dossiers en een gelijkwaardige inbreng van de commissieleden toe te laten. Voor de berekening van het bedrag van de variabele subsidie is uitgegaan van de begroting 2002 van de Vlaamse Gemeenschap, die hiervoor 3.467.000 euro voorziet. Van dit bedrag moet, volgens artikel 33, §3, van het decreet lokaal cultuurbeleid, ten minste 25% worden uitgekeerd aan de cultuurcentra van zowel categorie A, B als C. Dit bedrag is echter niet volledig beschikbaar voor uitkering als variabele subsidie aan cultuurcentra, omdat het decreet lokaal cultuurbeleid in artikel 68 een overgangsmaatregel voorziet, waarvan de kost ten laste valt van het krediet voor de variabele subsidie, via een voorafname. Deze overgangsmaatregel bepaalt dat voorheen erkende cultuurcentra in de plus-I of plus-II categorie, die op basis van het decreet lokaal cultuurbeleid worden ingeschaald in de categorie B of C, tot 31 december 2006 hun subsidie voor het werkjaar 2001 behouden, als deze subsidie hoger is dan de subsidie die ze volgens de bepalingen van het decreet lokaal cultuurbeleid kunnen krijgen. Deze laatste subsidie omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Voor de concrete toepassing van deze bepaling werd terug[g]egrepen naar de artikelsgewijze memorie, die stelt: ‘De subsidie op basis van het nieuwe decreet omvat zowel de basissubsidie als de variabele subsidie. Dit betekent dat indien een bedoeld centrum na beoordeling een variabele subsidie krijgt, het verschil XII-5292-12\24 tussen de huidige subsidie (basis 2001) en de totale nieuwe subsidie (vast + variabel) wordt bekeken. Is de nieuwe (totale) subsidie hoger dan de hu[i]dige, dan is er uiteraard geen probleem. Blijkt de nieuwe subsidie lager te zijn, dan geldt de overgangsfase’. Bij de behandeling van de dossiers geeft de toepassing van bovenvermelde bepalingen het volgende resultaat: Het in de begroting ingeschreven bedrag van 3.467.000 euro wordt verminderd met 377.519,81 euro, zijnde het bedrag nodig voor de voorafname zoals bepaald in artikel 68 van het decreet. Dit geeft als beschikbaar bedrag voor de variabele subsidie 3.089.480,20 euro. Voor de cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie wordt per categorie (A, B en C) een bedrag voorzien van 850.000 euro, zijnde 27% van het totale beschikbaar bedrag. Deze afzonderlijke benadering -per categorie- is mede ingegeven door de sector. Het heeft dus geen zin om, bijvoorbeeld, een resultaat voor een centrum in de C-categorie te vergelijken met een centrum in de A-categorie. Dit betekent dat er al 2.550.000 euro is toegewezen, nl. 850.000 euro vermenigvuldigd met 3 omdat het over 3 categorieën gaat. Er rest dan nog een te verdelen bedrag van 539.480,19 euro, zijnde het verschil tussen het totaal beschikbaar bedrag, nl. 3.089.480,20 euro verminderd met 2.550.000 euro. Het resterend bedrag van 539.480,19 euro wordt gelijkmatig verdeeld tussen de 13 cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie, maar die niet genieten van de overgangsmaatregel. Dit betekent dat het bedrag van de variabele subsidie voor elk van deze cultuurcentra wordt verhoogd met 41.498,47 euro, zijnde het quotiënt van de deling van 539.480,19 euro door 13. De 13 andere cultuurcentra die in aanmerking komen voor een variabele subsidie en daarenboven kunnen genieten van de overgangsmaatregel komen niet in aanmerking voor het laatste restbedrag, omdat deze cultuurcentra al een bijkomende subsidie krijgen omwille van hun ‘categorie-verlaging’ t.a.v. hun situatie in 2001 Ik hoop met dit schrijven een antwoord te geven op de vragen die heel wat cultuurcentra en gemeenten mij stelden gedurende de voorbije dagen. Als u toch nog bijkomende informatie wenst, zowel over het algemeen kader als de toepassing ervan voor uw eigen dossier, kan u altijd contact opnemen met mijn administratie. Ik heb met deze brief ook willen aangeven dat ik alle mogelijke transparantie wil verschaffen over de genomen beslissingen die in lijn liggen met letter en geest van het decreet én in alle openheid, samen met de betrokkenen, wil praten over de wijze waarop dit in het kader van een volgende beoordelingsronde hoeft te worden aangepakt”. 1.7. Bij decreet van 13 juli 2007 wordt artikel 33 van het decreet van 13 juli 2001 opgeheven, met ingang van 1 januari 2008. De overgangsregeling van artikel 68 wordt uitgebreid tot 31 december 2007. Het voorwerp van het beroep 2. Verzoeksters vorderen luidens het inleidend verzoekschrift de nietigverklaring van “de beslissing”, waarbij geen variabele subsidie werd toegekend. Die beslissing, zo schrijven zij in het inleidend verzoekschrift, werd aan tweede verzoekster ter kennis gebracht op 29 november 2002. Verder in het XII-5292-13\24 verzoekschrift vermelden zij nog dat het hen niet bekend is of verwerende partij haar beslissing in de vormgeving van een besluit heeft opgesteld, “zodat zij ervan uitgaan dat de brief dd. 29 november 2002 het instrumentum van de bestreden rechtshandeling is”. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verwerende partij op 29 november 2002 over alle aanvragen tot toekenning van een variabele subsidie heeft beslist, wat heeft geleid tot het collectief ministerieel besluit houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschaps-commissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04. Dit ministerieel besluit somt de begunstigde lokale besturen op. Tweede verzoekster komt niet voor op deze lijst, aangezien zij geen variabele subsidie krijgt, noch op een bijkomende subsidie bij overgangsmaatregel aanspraak kan maken. De weigering om aan haar de variabele subsidie toe te kennen blijkt bijgevolg uit haar niet-vermelding in het ministerieel besluit van 29 november 2002. Vervolgens heeft verwerende partij die weigering meegedeeld aan tweede verzoekster met de brief van, eveneens, 29 november 2002. Verwerende partij verwijt aan verzoeksters in de memorie van antwoord, dat zij dit ministerieel besluit niet in zijn geheel hebben aangevochten en dat zij nochtans kennis hadden van de verdeling van de variabele subsidies voorzien in het begrotingsartikel voor het lokaal cultuurbeleid. Zij kan de stelling van verzoeksters niet volgen, als zou het hen niet bekend zijn of de beslissing in de vorm van een besluit is opgesteld; bovendien hebben verzoeksters het besluit niet opgevraagd. Voor zover verwerende partij aan die vaststelling een middel van onontvankelijkheid knoopt, zal daar hierna op worden ingegaan. Thans volstaat het om vast te stellen dat verzoeksters het uitgangspunt van verwerende partij over wat het voorwerp van het beroep is, in de memorie van wederantwoord naderhand niet tegenspreken. In de memorie van wederantwoord betwisten zij wel nog steeds, dat zij bij het instellen van het beroep reeds kennis hadden van het geformaliseerde ministerieel besluit. Eerder dan evenwel het voorwerp nader te definiëren of een uitbreiding van het voorwerp te vorderen, merken zij vervolgens enkel op dat zij “enkel gegriefd [zijn] door de bestreden akte” en dat verwerende partij desgevallend XII-5292-14\24 genoodzaakt zal zijn een begrotingswijziging door te voeren. De houding van verzoeksters in de memorie van wederantwoord bevestigt derhalve dat enkel de weigeringsbeslissing die hen betreft geacht moet worden het voorwerp te zijn van het voorliggende beroep. Overigens valt het aan een verzoekster toe om duidelijk de grenzen van de rechtstrijd te trekken. Nu zij dit niet uitdrukkelijk blijken te vragen, vermag de Raad van State niet het voorwerp van het beroep te beschouwen als, laat staan uit te breiden tot het gehele ministerieel besluit. Anderzijds blijkt uit wat voorafgaat dat de weigering om de gevraagde variabele subsidie toe te kennen niet is geformaliseerd in een afzonderlijk besluit. Wat verzoeksters bijgevolg vorderen, is de nietigverklaring van de impliciete weigering om aan tweede verzoekster een variabele subsidie toe te kennen, die blijkt uit het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04, gelezen in samenhang met het sub 1.6. aangehaald ministerieel schrijven aan verzoekster van 29 november 2002. De ontvankelijkheid van het beroep 3. Dat verzoeksters enkel de weigeringsbeslissing aanvechten en - -bewust, volgens verwerende partij- nalaten om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 29 november 2002 in zijn geheel, heeft volgens verwerende partij een weerslag op het belang van verzoeksters. Het ministerieel besluit is immers definitief geworden, zodat de variabele subsidies die aan 26 andere culturele centra werden toegekend, evenals de evaluatie en het advies van de selectiecommissie én de verdeelsleutel tussen de centra, definitief geworden zijn. De begroting 2002 verdeelt de subsidies volledig en elke wijziging in de verdeling van de beschikbare kredieten doet afbreuk aan het definitief verworven aandeel van de begunstigde cultuurcentra. Een verhoging van het krediet heeft geen nuttig effect aangezien de verdeelsleutel definitief is. Verzoeksters kunnen geen voordeel meer verkrijgen uit een gebeurlijke nietigverklaring. 4. Indien de weigeringsbeslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt ingevolge een vernietiging door de Raad van State, verplicht zulks verwerende partij om zich opnieuw uit te spreken, rekening houdend met de vernietigingsgrond, over XII-5292-15\24 de aanvraag van de tweede verzoekster voor de toekenning van een variabele subsidie. Volgens verwerende partij kunnen verzoeksters daar evenwel geen voordeel meer uit halen, omdat die nieuwe uitspraak noodzakelijk afwijzend moet zijn, nu de subsidies die zijn verleend niet werden aangevochten en dus definitief zijn geworden. Het stond verzoeksters vrij om het subsidiebesluit in zijn geheel aan te vechten, ten einde de kansen op rechtsherstel maximaal te houden. Om redenen die de hunne zijn, hebben zij gemeend dit niet te moeten doen. Door de subsidies waarmee de andere cultuurcentra werden begunstigd niet mee tot voorwerp van hun beroep te maken, zijn deze ten opzichte van verzoeksters inderdaad onaantastbaar geworden. Indien de met het dictum van een eventuele nietigverklaring verbonden overwegingen uitwijzen dat de verdeelsleutel niet behoorlijk is vastgesteld of gehanteerd, kan een eventuele aanpassing van die verdeelsleutel finaal niet meer tot gevolg hebben dat aan de reeds toegekende subsidies nog iets wordt veranderd: het aandeel van de begunstigde cultuurcentra is, met de woorden van verwerende partij, “definitief verworven”. De Raad van State valt evenwel verwerende partij niet bij dat verzoeksters hierdoor volledig zonder belang zijn. Het volstaat vast te stellen dat de variabele subsidie door de decreetgever wordt vastgesteld op “ten minste” het in artikel 33 van het decreet aangegeven bedrag per jaar. Reeds het decreet zelf sluit bijgevolg niet uit dat bijkomende middelen toegekend kunnen worden. Door ver- werende partij wordt niet aangetoond dat rechtsherstel niet kan worden verwezenlijkt, zo dit nodig blijkt, door middel van een nieuwe begrotingsbeslissing. In de laatste memorie erkent verwerende partij integendeel de mogelijkheid om “extra begrotingskredieten vrij te maken”, weze het dat zij dit “principieel” onaanvaardbaar vindt. 5. Weliswaar heeft de regelgeving met betrekking tot de wijze van subsidiëring vanaf 1 januari 2008 een belangrijke wijziging ondergaan. In haar laatste memorie werpt verwerende partij desbetreffend nog op dat ondertussen bij decreet van 13 juli 2007 de regelgeving is gewijzigd en dat vanaf 1 januari 2008 geen aanvullende variabele subsidies meer bestaan. Dit is niet van aard om anders over het belang van verzoeksters te oordelen, aangezien deze wijziging enkel voor XII-5292-16\24 de toekomst geldt en de decreetgever niet met terugwerkende kracht de oude subsidieregeling die in variabele subsidies voorziet heeft opgeheven. Het decreet van 13 juli 2007 laat bijgevolg hun kansen op subsidiëring voor de periode 2002- 2007 onverlet. 6. De exceptie wordt niet aangenomen. 7. In de memorie van antwoord betwist verwerende partij het belang van specifiek eerste verzoekster ook omdat het de gemeenten zijn die worden gesubsidieerd en eerste verzoekster niet doet blijken van een voldoende persoonlijk belang. 8. Blijkens de toepasselijke regelgeving worden de subsidies inderdaad toegekend en uitbetaald aan de gemeente en het zijn ook de gemeenten die in categorieën worden ingeschaald. Tegelijk dient vastgesteld dat de aanvraag, die op de eerste pagina verwijst naar het cultuurcentrum De Spil Roeselare en in de identificatie verwijst naar de stad Roeselare en naar het cultuurcentrum De Spil en die blijkbaar behandeld werd als een aanvraag van de stad, naar zeggen van verzoeksters werd ingediend door de verantwoordelijken van eerste verzoekster, die instaat voor de werking van het cultuurcentrum, alsook dat elders in de reglementering het cultuurcentrum zelf centraal staat. Zo verwijst artikel 7 van het decreet van 13 juli 2001 naar de gemeenten die een subsidieaanvraag kunnen indienen “voor een cultuurcentrum”, dient de basissubsidie blijkens artikel 29ter ondersteuning van de werking van het cultuurcentrum en verwijzen de meeste parameters bepaald in artikel 33, § 2, naar het cultuurcentrum terwijl volgens artikel 33, § 4, de Vlaamse regering de procedure bepaalt waaraan “een cultuurcentrum moet voldoen om aanspraak te maken op de in § 1 bedoelde subsidie”. Aldus houdt de bestreden beslissing ook een beoordeling in van het cultuurcentrum zelf en dus van de werking van eerste verzoekster. In die omstandigheden wordt aangenomen dat er een voldoende rechtstreekse band is tussen de bestreden beslissing en eerste verzoekster en dat ook eerste verzoekster doet blijken van een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang. De exceptie wordt verworpen. 9. Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie op inzake de procesbevoegdheid van tweede verzoekster. In de laatste memorie verklaart zij evenwel van die exceptie afstand te doen. XII-5292-17\24 XII-5292-18\24 De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 10. In een tweede middel voeren verzoeksters de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij betogen onder meer dat het vermoedelijk schriftelijk advies van de beoordelingscommissie aan hen niet bekend is, dat in bijlage bij de brief van 29 november 2002 alleen een tabel met deelparameters gevoegd was zonder enige verantwoording en zonder vergelijking met andere cultuurcentra én een “toelichting variabele subsidies 2002” met enkele algemene beschouwingen. Dergelijke motivering is volgens verzoeksters “evident [...] niet afdoende”, niet evenredig aan het belang van de genomen beslissing en niet draagkrachtig. 11. Verwerende partij antwoordt dat het formeel niet ter kennis brengen aan de betrokkene van een formeel motief van een besluit niet noodzakelijk dat besluit vitieert. De minister heeft de beoordeling van de beoordelingscommissie tot de zijne gemaakt, stelt nog verwerende partij, en dat advies was wel degelijk bij de beslissing gevoegd. Deze motivering door verwijzing zou volstaan aangezien dit advies wordt bijgevallen, er geen tegenstrijdige adviezen zijn, het advies van de beoordelingscommissie betreffende de beoordeling van verzoeksters in het licht van de negen parameters en de wijze van beoordeling werd bijgevoegd en die bijlagen een afdoende motivering zijn aangezien daaruit de toepasselijke wettelijke bepalingen blijken, de feitelijke gegevens en hoe de weging en de berekening van de score is gebeurd. De negen parameters zijn reeds gedetailleerd in artikel 33, § 2 van het decreet van 13 juli 2001 bepaald en omschreven. Reeds in een brief van 20 juni 2002 werd medegedeeld hoe de beoordeling zou gebeuren, met een gelijk gewicht voor elke parameter met vervolgens een quotering “sterk”, “zwak” of “neutraal” per parameter waarbij elke score sterk, neutraal of zwak vermenigvuldigd zou worden met resp. 3, 2 of 1 en de som (score x weging) uiteindelijk het globaal cijfer cultuurcentrum oplevert. In de brief van 29 november 2002 is bovendien herhaald dat per dossier een waardeoordeel werd gegeven per parameter en dat op basis van deze waarden per categorie een gemiddelde werd berekend dat vervolgens de XII-5292-19\24 referentiewaarde vormde voor de eventuele toekenning van een variabele subsidie, gemiddelde dat werd meegedeeld terwijl de bijgevoegde tabel met de scores “sterk”, “zwak” of “neutraal” bij elke parameter en deelparameter de concrete toepassing van de parameters op het dossier is, zodat verzoeksters volgens verwerende partij perfect weten op welke parameters sterk, zwak of neutraal wordt gescoord en waar deze parameters voor staan. 12. In de memorie van wederantwoord betwisten verzoeksters met betrekking tot dit middelonderdeel dat aan de voorwaarden voor motivering door verwijzing is voldaan nu de puntentabel en het formulier gevoegd bij de brief van 29 november 2002 niet beschouwd kunnen worden als een “kennisgeving van een stuk waarnaar verwezen wordt”. Er is alleen een niet-gemotiveerde lijst van scores meegedeeld voor de negen bij decreet opgenomen parameters, wat betreft het ingediende aanvraagdossier. Er is dan ook niet voldaan aan de ratio legis van de formele motiveringsplicht, namelijk de betrokkene in kennis stellen van de motieven van de beslissing zodat hij inzicht heeft in de motieven ervan en in staat is te oordelen of het zin heeft zich ertegen te verweren met de middelen die het recht verschaft, nu de bestreden akte niet is gemotiveerd en verzoeksters ook niet uit de bijlagen kunnen opmaken hoe de beoordeling van hun dossier is gebeurd en hoe dit leidde tot de ongunstige beslissing. 13. In haar laatste memorie verwijst verwerende partij met betrekking tot dit middel enkel “naar hetgeen is geschreven in de memorie van antwoord”, hetgeen zij stelt te handhaven. Beoordeling 14. De motivering die de wet van 29 juli 1991 oplegt, moet in de akte van de bestuurshandelingen waarop de wet van toepassing is de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn ten einde een belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Verzoeksters gaan er dan ook terecht van uit dat de overheid die een voor hen ongunstige beslissing neemt, hen aan de hand van de formele motieven ervan in de mogelijkheid moet stellen te vernemen op grond van welke precieze XII-5292-20\24 gegevens tot het nemen van de bestreden beslissing werd gekomen -in casu, op grond waarvan de aanvraag tot het toekennen van een variabele subsidie binnen het raam van het decreet van 13 juli 2001 werd geweigerd- dermate dat zij in voorkomend geval de onwettigheid of de onjuistheid hiervan kunnen aantonen in het kader van een vordering bij de gewone of de administratieve rechter. 15. Aan de verplichting tot formele motivering kan ook voldaan worden door te verwijzen naar andere documenten die aan betrokkene medegedeeld zijn. Volgens verwerende partij is dit te dezen het geval, nu de minister het advies van de beoordelingscommissie dat hij heeft gevolgd, ook aan tweede verzoekster heeft meegedeeld en nu reeds eerder, op 20 juni 2002, uitvoerige toelichting is verstrekt over de te volgen werkwijze door deze beoordelingscommissie. Minstens is dan wel vereist dat die andere documenten op hun beurt afdoende gemotiveerd zijn, zodat moet worden nagegaan of de bedoelde stukken zelf voldoen aan de vereisten van de formele-motiveringsplicht. 16. Blijkens de artikelen 32 en 33, § 2, van het decreet van 13 juli 2001 kan de variabele subsidie, naast de basissubsidie, worden toegekend op basis van het geheel van de aldaar bepaalde parameters die volgens dit artikel 33, § 2, op evenwichtige wijze betrekking hebben op de drie functies van de culturele centra. Met de richtlijnen die op 20 juni 2002 werden verstrekt aan de gemeenten over de te volgen procedure geeft de administratie van verwerende partij toelichting bij de gehanteerde parameters en de voorgenomen weging om de gemeenten te helpen een beknopt maar relevant dossier in te dienen. Er is reeds in te lezen dat de beoordelingscommissie zal werken met quoteringen “zwak”, “neutraal” en “sterk” en hoe die quoteringen met een wegingsfactor omgezet zullen worden in een cijfer, dat het cijfer de plaats in een rangschikking bepaalt en dat wie in deze rangschikking “flink boven het gemiddelde scoort” meer zal ontvangen dan “wie iets beter dan het gemiddelde scoort”. Vervolgens geschiedde de beoordeling -samengevat- door aan elk van de parameters een zelfde waarde “1” te geven, waarbij bepaalde parameters werden opgesplitst in subparameters, die elk een zelfde waarde kregen binnen die score 1 (2 x 0,5; 3 x 0,33 of 4 x 0,25), waarna elke subparameter per dossier beoordeeld werd als “zwak”, “neutraal” of “sterk”, waarna de corresponderende XII-5292-21\24 vaste score onder de toegekende waardering werd ingevuld, de scores per waarderingscategorie (“zwak”, “neutraal” of “sterk”) werden opgeteld en vermenigvuldigd met 1 (scores “zwak”), 2 (scores “neutraal”) of 3 (scores “sterk”) en waarbij de optelling van deze scores vermenigvuldigd met de wegingsfactor de eindscore vormt. Hiervan werd dan per categorie een gemiddelde bepaald waarbij enkel de aanvragers die scoren boven het gemiddelde een subsidie ontvangen. De hiervoor weergegeven tabel met de scores van verzoekster kan als illustratie dienen voor de hier beschreven werkwijze. Deze wijze van beoordeling is niet uitdrukkelijk in het decreet van 13 juli 2001 of het uitvoeringsbesluit van 11 januari 2002 bepaald, maar vloeit enkel voort uit de brief van 20 juni 2002 van de administratie die werd hernomen in het advies van de beoordelingscommissie. Dit betekent echter niet dat de gevolgde werkwijze daarom alleen strijdig zou zijn met de hier aan de orde zijnde wet van 29 juli 1991. Tweede verzoekster was er voldoende correct over geïnformeerd. Het doel van de formele-motiveringsplicht is in dat opzicht bereikt. 17. Mét verzoeksters dient echter wel te worden vastgesteld dat de formele motivering van de bestreden beslissing wat betreft de concrete aanvraag in deze zaak, beperkt is tot een waardering “zwak”, “neutraal” of “sterk” van de verschillende parameters en subparameters, zonder dat in de medegedeelde tabel of brief van de minister enige verdere toelichting wordt gegeven hoe en waarom voor elke parameter tot die waardering werd gekomen, tenzij dat dit in consensus geschiedde. Ook het naderhand overgelegde dossier bevat overigens niet de minste aanduiding over het hoe en waarom de beoordelingscommissie en haar leden tot de toekenning van de scores per parameter kwamen. Vanzelfsprekend kan die toelichting niet nader worden gevonden in de richtlijnen van 20 juni 2002, die immers aan het indienen van het dossier en de beoordeling ervan door de commissie voorafgaan. De brief van 17 december 2002, bevat ook enkel algemene beschouwingen ten behoeve van alle gemeentelijke overheden over de gevolgde werkwijze en brengt geen nieuwe gegevens aan het licht over het specifieke dossier van verzoeksters. De loutere kwalificaties “zwak”, “neutraal” en “sterk” leren verzoeksters in de omstandigheden van deze zaak echter niets over het waarom van die keuze. Die scores leiden uiteindelijk voor elk aanvraagdossier tot een XII-5292-22\24 cijfermatige waardering, op grond waarvan een gemiddelde wordt vastgesteld dat bepalend is voor de al dan niet subsidiëring van de aanvrager -wie onder het gemiddelde scoort krijgt niets- en de hoogte van de subsidies -wie “flink boven het gemiddelde” scoort ontvangt het meest. De toegekende scores zijn een verhulde loutere puntentoekenning zonder enige daarop te betrekken beschrijvende waardering die inzicht kan verschaffen over de wettigheid van het motief dat tot die score heeft geleid. Verzoeksters voeren terecht aan dat zij in het duister tasten over de beweegredenen van de verwerende partij, wanneer het er op aan komt de abstracte -en eerder subjectieve- parameters te relateren aan de feitelijke gegevens van het concrete aanvraagdossier. Overigens is verwerende partij er zelfs in de loop van de procedure voor de Raad van State niet in geslaagd enig stuk over te leggen, uitgaande van en toe te schrijven aan de beoordelingscommissie, waarin enige in woorden uitgedrukte beoordeling terug te vinden is. Het middel is in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de uit het ministerieel besluit van 29 november 2002 houdende toekenning van subsidies aan gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de Nederlandstalige Cultuurcentra begroting 2002, programma 45.2, basisallocatie 43.04 blijkende weigering om aan de stad Roeselare een variabele subsidie toe te kennen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-5292-23\24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5292-24\24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.664 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div