id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.761 Rolnummer: A. 139382/IX-3843 Zaak: Arrest 194761 - Tucht (openbaar ambt) - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.761 van 29 juni 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.761 van 29 juni 2009 in de zaak A. 139.382/IX-3843. In zake : Ivan DELANGHE, die woonplaats kiest bij advocaat W. GELDOF, kantoor houdende te BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 29/8 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE, M. GELDERS en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat 25. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivan DELANGHE op 17 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het Directiecomité van de NMBS van 19 mei 2003 waarbij hij wordt afgezet; Gelet op het arrest nr. 125.829 van 1 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 januari 2004 door de verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-3843-1/11 Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. GHYSELINCK die, loco advocaat W. GELDOF, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat L. SCHELLEKENS die, loco advocaat D. D’HOOGHE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. Ten tijde van de bestreden beslissing werkte de verzoeker als exploitatieklerk bij de verwerende partij en in die hoedanigheid verzekerde hij de dienst aan het loket in het treinstation van Oostende. 2. Op niet nader bepaalde data, in oktober en november 2002, ontvangt de verwerende partij klachten van drie klanten. Eén klant deelt mee dat hij tweemaal één euro te weinig terugkreeg als wisselgeld. De tweede klant deelt mee dat hij met proton één euro teveel betaald heeft. De derde klant deelt mee dat hij een biljet van 2,50 euro kocht, maar dat 25 euro van zijn protonkaart is afgegaan. Het blijkt dat het telkens gaat om aankopen bij de verzoeker. Naar aanleiding van die klachten wordt een intern onderzoek gedaan, waarbij een aantal Bancontactverrichtingen op 2, 3 en 4 oktober 2002 en 1 november 2002 worden vergeleken met de verrichtingen geregistreerd aan de kas van de verzoeker. Dat onderzoek levert de volgende vaststellingen op: IX-3843-2/11 - op 2 oktober 2002 heeft een klant voor twee reistickets met Bancontact een bedrag van 5,20 euro betaald, terwijl een bedrag van 4,20 euro verschuldigd was. De klant betaalde bijgevolg één euro teveel. Het verschil van één euro wordt niet teruggevonden als kasverschil; - op 3 oktober 2002 betaalde een klant voor een reisbiljet met Bancontact een bedrag van 13,20 euro, terwijl een bedrag van 12,20 euro verschuldigd was. Het verschil van één euro wordt niet teruggevonden als kasverschil; - op 4 oktober 2002 heeft een klant voor een verlenging van een abonnement en voor de parkeerkosten van een voertuig met Bancontact een bedrag van 68,80 euro betaald, terwijl een bedrag van 67,80 euro verschuldigd was. Het verschil van één euro wordt niet teruggevonden als kasverschil; - op 1 november 2002 betaalde een klant met Bancontact een bedrag van 7,80 euro, terwijl een bedrag van 6,80 euro verschuldigd was. Het verschil van één euro wordt niet teruggevonden als kasverschil. In het kader van het onderzoek wordt de verzoeker op 14 november 2002 gehoord. Hij verklaart dat hij zich niet ervan bewust is 25 euro in plaats van 2,5 euro ingetikt te hebben. Op het einde van de bewuste werkdag was er geen overschot in zijn kas. In verband met het aanrekenen van één euro teveel wijst hij erop dat hij 600 à 700 tickets per dag verkoopt. Het is mogelijk dat hij zich al eens vergist, maar in elk geval is hij zich van geen kwaad bewust. De verzoeker wijst erop dat hij al 32 jaar met geld van de NMBS werkt. Het intern onderzoek wordt op 26 november 2002 afgesloten met een verslag, dat de volgende conclusie bevat: “Gezien de klachten van de klanten en de verklaringen van de collega’s van mr Delanghe duidelijk gelijklopend zijn en de geschriften ook aantonen dat de bediende - onverklaarbaar - in enkele gevallen te weinig teruggeeft (of te veel aanrekent ?), kan men besluiten dat de klanten gelijk hebben. Een berekening, ook niet bij benadering, van wat de bediende op die manier in zijn voordeel heeft kunnen ontvangen, kan niet worden opgemaakt, daar we niet weten hoelang dergelijke voorvallen al gebeuren noch hoeveel keer per dag die zich herhalen. Het is best mogelijk dat de bediende zich niets herinnert van de klacht V.C. en dat hij inderdaad niet moedwillig te veel heeft aangerekend: zijn kastoestand had in ieder geval een teveel moeten vertonen van ca 22,50 i en zeker geen ‘0’. Aangezien de ‘werkwijze’ van een bediende het imago van het station Oostende en de NMBS enkel kan schaden en om de bediende die, ofwel gelden voor zich houdt, ofwel gezien de vele fouten niet meer in staat is de IX-3843-3/11 maatschappij tegenover de klanten op een integere wijze te vertegenwoordigen, tegen zichzelf te beschermen, werd de bediende in afwachting van een definitieve beslissing in een dienst waar geen geldverrichtingen gebeuren te- werk gesteld.” 3.1. Op 9 december 2002 stelt de branchemanager te Brugge voor om de verzoeker te straffen met de afzetting. Hij verwijst naar paragraaf 78 van het Tuchtreglement, vervat in het Algemeen Reglement van het personeel en de sociale diensten (hierna: ARPS), bundel 550. Die paragraaf bevat een omschrijving van “daden die als onkiese daden beschouwd worden”. In het voorstel wordt met name verwezen naar de onderdelen
- c)en
- i)van paragraaf 78: “- par. c): geknoei in de schrifturen en bedrog inzake inning van taksen en boeten, lees in dit geval: inning van de prijs van vervoerbewijzen; - par. i): diefstal ten nadele van klanten van de maatschappij, gepleegd in de installaties van de maatschappij, lees in dit geval: aan het loket van een verkooppunt.” De motivering van de voorgestelde straf luidt verder als volgt: “- Betrokken verkoper heeft zich, bij herhaling en onder meer op 2/10/02 - 3/10/02 - 4/10/02 en 2/11/02, schuldig gemaakt aan het teveel aanrekenen aan klanten, m.a.w. hij heeft bij de financiële operatie aan het loket -als gevolg van de verkoop van vervoerbewijzen- bij herhaling te weinig wisselgeld teruggegeven aan de klant, zonder dat daaruit een overeenkomstig kasteveel uit zijn schrifturen blijkt, op de voornoemde data; - Betrokkene heeft, ingevolge meerdere dergelijke klachten van klanten, het imago van de maatschappij zeer ernstige schade berokkend. Betrokkene geniet, als gevolg van deze feiten, niet meer het noodzakelijke vertrouwen van zijn collega’s en chefs, en kan derhalve niet meer binnen onze maatschappij functioneren.” In zijn schriftelijke opmerking op het voorstel voert de verzoeker op 10 december 2002 aan dat de strafmaat te zwaar is ten opzichte van de aangehaalde feiten, rekening houdend met zijn staat van dienst (32 jaar zonder één straf). Hij verklaart te willen verschijnen voor de Raad van beroep. Op 18 december 2002 merkt de branchemanager op dat “de rechtvaardiging van de bediende [...] geen nieuwe feiten of elementen aan het licht [brengt]”. Om die reden behoudt hij zijn strafvoorstel. Op 24 december 2002 sluit de hoofdinspecteur-dienstchef zich bij het voorstel aan. IX-3843-4/11 3.2. De eerste inspecteur-afdelingschef van de directie Human Resources maakt op 24 maart 2003 een verslag over aan de Raad van beroep. Daarin geeft hij een overzicht van de feiten, en besluit hij met een advies. In dat advies gaat hij ervan uit dat de verzoeker de hem ten laste gelegde feiten niet weerlegt, hetgeen betekent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onkiese daden als bedoeld in paragraaf 78, c en i, van het Tuchtreglement. Dergelijke daden geven volgens paragraaf 77 aanleiding tot een voorstel tot afzetting. De eerste inspecteur-afdelingschef wijst erop dat het niet om een eenmalig feit gaat. Hij merkt ook op dat de verzoeker op een sluwe manier tewerk ging door zijn slachtoffers te kiezen onder kinderen, oudere mensen of gehaaste reizigers en door veel muntstukken terug te geven, in plaats van bankbiljetten waar dit mogelijk was, allicht hopende dat de klanten zich de moeite niet zouden getroosten om de teruggekregen muntstukken te verifiëren. Hij meent verder dat “de staat van 32 jaar dienst zonder één straf” moet worden gerelativeerd, daar de verzoeker in de loop van zijn loopbaan al tweemaal werd gestraft. Hij is van oordeel dat de verzoeker in zeer erge mate de vertrouwensrelatie werkgever-werknemer en het imago van de NMBS heeft geschaad. Vermits de verzoeker er niet voor terugschrikt leugenachtige verklaringen af te leggen, komt hij bovendien als onbetrouwbaar over. De eerste inspecteur-afdelingschef steunt het voorstel tot afzetting. 3.3. Op 14 mei 2003 wordt de verzoeker gehoord door de Raad van beroep. Dezelfde dag geeft de Raad zijn advies. Eenparig acht hij de ten laste gelegde feiten bewezen. Met zes stemmen tegen vijf is hij voorts van oordeel dat de voorgestelde straf in verhouding staat tot die feiten, aangezien door de gepleegde daden de goede werking binnen de NMBS en de vertrouwensrelatie met de werkgever in ernstige mate zijn geschaad. 3.4. Op 19 mei 2003 stelt de directeur-generaal van de directie Human Resources aan het directiecomité voor om het advies van de Raad van beroep te volgen. Dezelfde dag, op 19 mei 2003, beslist het directiecomité om de verzoeker af te zetten. De motivering, die grotendeels is overgenomen van het advies van de Raad van beroep, luidt als volgt: IX-3843-5/11 “Aangezien de feiten, zoals vermeld [in het strafvoorstel], bewezen zijn; Aangezien de voorgestelde maatregel in verhouding is met de ten laste gelegde feiten; Aangezien door deze daden van de beroeper de goede werking binnen de NMBS en de vertrouwensrelatie met de werkgever in ernstige mate zijn geschaad.” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 20 mei 2003 aan de verzoeker betekend. Ten gronde 4. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker werkt dit middel uit als volgt : “Doordat verweerster een onevenredig zware straf heeft uitgesproken door verzoeker onmiddellijk af te zetten, daar waar nochtans andere maatregelen mogelijk waren geweest voor zover er überhaupt maatregelen dienden getroffen te worden lastens verzoeker; Terwijl het evenredigheidsbeginsel of het redelijkheidsbeginsel immers voor alles voorschrijft dat binnen de discretionaire bevoegdheid waarover de NMBS beschikt de appreciatie van de feiten toch steeds dient getoetst te worden aan de redelijkheid en/of de evenredigheid; Dat zoals uit de weergave van de feitelijkheden blijkt, hic et nunc slechts ‘malversaties’ voor een bedrag van maximaal i 7,00 (zeven feiten van i 1,00) + i 22,50 kunnen weerhouden worden. Bovendien doen deze zich allemaal voor in twee wel afgebakende tijdsperiodes. Deze periodes komen overeen met periodes waarin verzoeker medische problemen kende waarbij hij medicatie diende te nemen. Zoals uit het attest van zijn arts blijkt, kan deze medicatie gevolgen ressorteren in de concentratie. Het is m.a.w. dus zeer goed mogelijk dat betrokkene door zijn medicatie wat problemen kende bij het correct weergeven of juist intikken van de bedragen. Waar verzoeker wees op een duidelijke vergissing bij het intikken van een bedrag van i 25,00 in plaats van i 2,50 is dit toch zeer aannemelijk. Welke loketbediende die met geld dient om te gaan, kan in eer en geweten verklaren dat er zich nooit een kasverschil zou hebben voorgedaan? Eenieder die dergelijke functie ooit heeft bekleed weet dat bij veel verrichtingen er [zich] wel eens kasverschillen voordoen. Verzoeker handelde honderden klanten af per dag, zodat het aannemelijk is dat er zich wel eens een fout voordeed. Verzoeker paste een tekort echter steeds bij en -ja- behield een overschot. Zo hij echter ooit weet [zou] hebben gehad van een klacht of een bemerking en zo hij vervolgens een overschot zou hebben gehad, dan zou hij dat zonder enig probleem hebben meegedeeld. IX-3843-6/11 Aan verzoeker kan worden verweten dat hij in eenzelfde tijdspanne aan een zevental klanten een foutief bedrag aanrekende of te weinig zou hebben teruggegeven. Dit houdt echter nog steeds niet in dat dergelijke fout doelbewust werd gepleegd. De fouten voor een totaal van i 7,00 (zeven euro), hoe onattent ze ook mogen zijn, laten echter geenszins toe naar evenredigheid te beslissen tot de afzetting van een bediende die een -op twee faits-divers (die geenszins verband houden met huidige fouten) na- een onberispelijke staat van dienst heeft van 32 jaren. Meer nog: het is compleet onevenredig om een bediende die ondanks medische moeilijkheden toch komt werken teneinde zijn collega's niet op te zadelen met zijn problemen (wijzigingen in de dienst, verplaatsingen van uren, opzeggen van vakantie, ...) dermate zwaar te bestraffen voor enkele uiterst kleine fouten die meer dan waarschijnlijk het gevolg zijn van zijn medicatie. Art. 1 van Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel van de NMBS voorziet in tien straffen, zijnde: 1/ terechtwijzing; 2/ eenvoudige vermaning; 3/ strenge vermaning; 4/ afhouding van wedde; 5/ verplaatsing; 6/ uitstel in de bevordering; 7/ buitendienststelling; 8/ verlaging in rang, vermindering van wedde, onttrekking van bediening; 9/ schorsing in de bediening; 10/ afzetting; Waar het statuut net voorziet in tien verschillende straffen, heeft dat zijn redenen. Art. 1 stelt ten andere uitdrukkelijk dat ‘al naar de zwaarte van het geval’ de ene dan wel de andere straf kan worden opgelegd. In casu gaat het om slechts enkele misrekeningen of verkeerde teruggaves. Nergens in de motivatie blijkt dat deze feiten zich reeds maanden zouden voordoen, nergens blijkt dat Dhr. Delanghe deze praktijk systematisch toepast. Nergens blijkt dat hij zich doelgericht wenst te verrijken ten koste van het cliënteel of van de NMBS. Meer zelfs: een minutieuze nalezing van alle kasverrichtingen levert slechts enkele kleine misrekeningen op. Dergelijke sanctie van afzetting is dan ook compleet onevenredig te noemen met de misrekeningen voor een bedrag van enkele luttele euros.” 5. De verwerende partij gaat in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie ervan uit dat de verzoeker de feiten die werden vastgesteld, opzettelijk heeft gepleegd. Zij kwalificeert deze feiten als “onkiese daden” in de zin van paragraaf 78 van het Tuchtreglement, met de omstandigheid dat deze “onkiese daden” principieel aanleiding geven tot de tuchtsanctie van afzetting, naar luid van de paragrafen 53 en 77 van het Tuchtreglement. Zij voegt daaraan toe dat het gedrag van de verzoeker de goede werking van de dienst heeft geschaad en de vertrouwensrelatie met de verwerende partij heeft verbroken. 6.1. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid, in die zin dat de Raad van State IX-3843-7/11 enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. 6.2. Uit het voorstel van tuchtstraf van 9 december 2002 blijkt dat aan de verzoeker ten laste gelegd is dat hij zich “bij herhaling”, en onder meer op 2, 3 en 4 oktober 2002 en 2 november 2002, schuldig gemaakt heeft aan het teveel aanrekenen aan klanten, met name dat hij “bij herhaling te weinig wisselgeld (heeft) teruggegeven aan de klant”, “zonder dat daaruit een overeenkomstig kasteveel uit zijn schrifturen blijkt”. Die feiten worden in de bestreden beslissing bewezen verklaard en als “onkiese daden” gekwalificeerd. Het is juist dat uit paragraaf 77 van het Tuchtreglement blijkt dat onkiese daden als zeer ernstige inbreuken beschouwd worden, die in beginsel met de afzetting bestraft worden: “77. Beginsel Elke onkiese daad, elke diefstal, geeft -onverminderd gerechtelijke vervolgingen- aanleiding tot een voorstel tot afzetting van de schuldige bediende en eventueel van zijn medeplichtige of medeplichtigen, zonder dat er rekening gehouden wordt met enige familieaangelegenheden, bewezen diensten, dienstanciënniteit enz.” Ook uit paragraaf 53 blijkt het ernstig karakter van onkiese daden. Het tweede lid van die bepaling luidt immers als volgt: “De aandacht van het personeel wordt heel in het bijzonder gevestigd op de strenge bestraffing [...] van onkiese daden.” Dit neemt echter niet weg dat het, voor de beoordeling van de evenredigheid van de straf, nodig is om de opgelegde straf te toetsen aan de concrete feiten. De enkele omstandigheid dat het Tuchtreglement onkiese daden als ernstige tuchtfeiten beschouwt, betekent immers niet dat elke daad die als onkiese daad gekwalificeerd kan worden zo laakbaar is dat ze noodzakelijk met de afzetting bestraft moet worden. Paragraaf 78 bepaalt trouwens enkel dat een onkiese daad aanleiding geeft tot een voorstel tot afzetting, en laat het voor het overige aan de bevoegde tuchtoverheid over om te oordelen of de afzetting ook effectief moet worden opgelegd. In dit verband moet ook gewezen worden op paragraaf 53, eerste lid, die bepaalt dat de afzetting, “als uiterste maatregel, [wordt] voorgesteld wanneer IX-3843-8/11 de ernst, de herhaling of de aard van de fouten zulks vereist”; a fortiori geldt de aangehaalde voorwaarde voor het effectief opleggen van de afzetting. 6.3. De concrete feiten worden met name vermeld in het verslag van 26 november 2002, opgesteld na afloop van het intern onderzoek. Blijkens dat verslag is vastgesteld dat de verzoeker zeven keer één euro te weinig heeft teruggegeven, dat hij één keer een bedrag van 25,00 euro in plaats van 2,50 euro heeft ingetikt, en dat er in zijn afrekeningen voor de genoemde dagen geen sprake is van enig overschot. Meer feiten zijn er niet vastgesteld. Het verslag merkt in dit verband wel op dat “een berekening, [zelfs] bij benadering, van wat de bediende op die manier in zijn voordeel heeft kunnen ontvangen, [niet kan] worden opgemaakt, daar we niet weten hoelang dergelijke voorvallen al gebeuren, noch hoeveel keer per dag die zich herhalen”. Ervan uitgaande dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn, kan de Raad niet anders dan vaststellen dat de verzoeker bestraft is na afloop van een onderzoek dat slechts aan het licht heeft kunnen brengen dat hij voor 7 euro plus 22,50 euro, samen 29,50 euro, te weinig heeft teruggeven of teveel heeft aangerekend. Dit bedrag is op zich zo gering, dat voor de verantwoording van de afzetting als straf bijkomende, bezwarende elementen aangevoerd moeten kunnen worden. In dit verband verwijst de verwerende partij vooreerst naar paragraaf 77 van het Tuchtreglement, dat bepaalt dat in geval van onkiese daden geen rekening kan worden gehouden met verzachtende omstandigheden. Dit gegeven is echter niet pertinent. Een bepaling van een tuchtreglement kan immers niet beletten dat het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd moet worden. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de omstandigheid dat het gaat om slechts kleine bedragen niet wegneemt dat de verzoeker het vertrouwen van de verwerende partij en van de reizigers heeft geschonden. Het ontvreemden van geld verantwoordt volgens de verwerende partij “enkel reeds vanuit principieel oogpunt” de zware straf van de afzetting. Hiertegenover staat dat de verzoeker in zijn verklaring van 14 november 2002 heeft uitgelegd dat het mogelijk is dat hij zich op een totaal van 600 à 700 transacties per dag een aantal keren vergist, maar dat hij zich daarvan niet bewust is. In het verslag over het intern onderzoek wordt overigens erkend dat “ het [...] best mogelijk [is] dat [de verzoeker] zich niets IX-3843-9/11 herinnert van de klacht van V.C. [in verband met de aanrekening van 25 euro in plaats van 2,5 euro] en dat hij inderdaad niet moedwillig te veel heeft aangerekend”. Op dit gegeven wordt echter niet verder ingegaan, nu de steller van het verslag van oordeel is dat de “kastoestand [van de verzoeker] in ieder geval een teveel [had] moeten vertonen van ca 22,50 i en zeker geen '0'”. Met betrekking tot het ontbreken van enig kasverschil erkent de verzoeker in zijn verzoekschrift dat, als hij een overschot had, hij het geld voor zich hield. Hij voert echter ook aan dat, als er een tekort was, hij dat bijpaste. Uit niets blijkt dat de verwerende partij zich ervan vergewist heeft of het niet-weergeven van een kasverschil systematisch alleen bij overschotten voorkwam. Evenmin werd onderzocht via een interne audit of de verzoeker naast de vastgestelde feiten andere onregelmatigheden beging die de afzetting zouden kunnen verantwoorden. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat de verzoeker de feiten opzettelijk en met het oogmerk om te schaden heeft gepleegd. Deze stelling is moeilijk te verenigen met de hiervóór aangehaalde conclusie uit het verslag na het intern onderzoek. Weliswaar vindt de stelling van de verwerende partij steun in het advies van de eerste inspecteur-afdelingschef van de directie Human Resources, die enerzijds erop wijst dat het niet om een eenmalig feit gaat, en die anderzijds aangeeft dat de verzoeker “op een sluwe wijze tewerk [ging] door zijn slachtoffers te kiezen onder kinderen, oudere mensen of gehaaste reizigers en door veel muntstukken terug te geven in plaats van -logischerwijze- bankbiljetten waar dit mogelijk was, allicht in de hoop dat de klant zich aldus niet de moeite zou getroosten om de ontvangen massa nikkel te verifiëren”. De verzoeker heeft de feiten inderdaad meer dan eens gepleegd, maar dit gegeven volstaat niet als bewijs dat de feiten ook met opzet zijn gepleegd. Wat voorts het zogenaamde “sluwe” optreden van de verzoeker betreft, kan de Raad van State in het administratief dossier geen concrete gegevens vinden die het mogelijk maken het gedrag van de verzoeker als zodanig te kwalificeren. De verwerende partij maakt aldus niet aannemelijk dat de ten laste gelegde feiten, ondanks het geringe bedrag van de aan de verzoeker verweten misrekeningen, zo ernstig zijn dat ze in redelijkheid de zwaarste straf, met name de afzetting, zouden kunnen wettigen. De conclusie is dan ook dat de aan de verzoeker opgelegde straf kennelijk niet in verhouding staat tot de vastgestelde feiten. IX-3843-10/11 6.4. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van het Directiecomité van de NMBS van 19 mei 2003 waarbij Ivan Delanghe wordt afgezet. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3843-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.761 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div