id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.762 Rolnummer: A. 92922/IX-2426 Zaak: Arrest 194762 - Personeel van de griffies en parketten - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.762 van 29 juni 2009 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.762 van 29 juni 2009 in de zaak A. 92.922/IX-2426 In zake : Paul VERDOODT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’HOOGHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul VERDOODT op 23 juni 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de examencommissie, hem medegedeeld met een brief van 10 mei 2000, waarbij hij niet-geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheids- proef voor de bevordering door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 2D bij de gerechtelijke politie bij de parketten; Gelet op het arrest nr. 91.658 van 18 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 1 februari 2001 door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 25 november 2002 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2426-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN BROECK die, loco advocaat P. DEVERS, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. D’HOOGHE die, loco advocaat F. LAHAYE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Verzoeker is op het tijdstip van de bestreden beslissing gerechtelijk afdelingsinspecteur bij de brigade Brussel. 1.
- Begin april 1999 wordt er aan de leden van de gerechtelijke politie meegedeeld dat er bekwaamheidsproeven worden georganiseerd voor bevordering tot de weddeschalen 1D en 2D, bestaande uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Volgens de oproep tot de kandidaten heeft het mondeling gedeelte van het examen voor de bevordering tot de weddeschaal 2D tot doel de bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan. In de bijlage bij de oproep worden de algemene managementbeginselen en -deelgebieden opgesomd die tijdens de bekwaamheidsproeven aan bod kunnen komen. Er wordt eveneens vermeld dat men op het mondeling gedeelte 12/20 moet behalen om geslaagd te zijn. IX-2426-2/6 1.
- Met een brief van 27 april 1999 stelt verzoeker zich kandidaat voor de bevordering tot de weddeschaal 2D. Met een brief van 16 juni 1999 wordt hem meegedeeld dat hij vrijgesteld wordt van het schriftelijk gedeelte. 1.
- Op 22 oktober 1999 legt verzoeker de mondelinge proef af. Hij scoort 10/20 en is dus niet geslaagd. 1.
- Het door hem behaalde puntenaantal wordt aan verzoeker medegedeeld met een brief van 10 mei 2000 waarbij gesteld wordt dat hij niet geslaagd is voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheidsproef voor bevordering tot de weddeschaal 2D. Ten gronde 2.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht en van de beginselen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij betoogt dat het examen tot doel had de bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan en dat de principes waren opgesomd in de bijlage bij de oproepingsbrief. Het betreft volgens hem zeer vage beginselen die ook op zeer subjectieve wijze kunnen worden beoordeeld, terwijl de bestreden beslissing geen enkele motivering bevat omtrent de toegekende punten. 2.
- De verwerende partij antwoordt dat de motieven van een beslissing inzake een examen in principe vervat zijn in de punten zelf en dat ook bij “subjectievere” proeven, zoals een mondeling examen, psycho-technische proeven en proeven waarbij persoonlijkheidsaspecten worden beoordeeld, de cijfermatige beoordeling volstaat als formele motivering. Zij stelt dat de beoordeling van het mondeling examen in kwestie niet meer subjectief was dan bij andere mondelinge examens waarbij naar een bepaalde beroepsbekwaamheid wordt gepeild, nu verzoeker te dezen aan de hand van een aantal zeer concrete parameters getest is op zijn bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht. Dergelijke proef, waarbij slechts de overeenstemming wordt nagegaan van een kandidaat met IX-2426-3/6 een vooropgesteld profiel, is volgens haar niet vergelijkbaar met een eindwerk, artistieke schets of wetenschappelijke verhandeling, die een verdere motivering vereisen. Opdat de examenquotering niet zou volstaan als motivering, moet verzoeker argumenten aanvoeren die kunnen doen twijfelen aan de ernst van het behaalde resultaat, wat volgens haar te dezen niet het geval is. 2.3.
- Verzoeker roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.3.
- Verzoeker is niet geslaagd omdat hij 10/20 behaald heeft voor het mondeling examengedeelte en dat is hem ook ter kennis gebracht. In casu blijkt uit de oproep tot de kandidaten dat dit mondeling gedeelte tot doel had de bekwaamheid van de kandidaten als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan. Verder bevatte de oproep nog een uitgebreide lijst van algemene managementbeginselen, managementbenaderingen en deelgebieden inzake management die aan bod konden komen tijdens de bekwaamheidsproeven. Uit het administratief dossier blijkt dus dat verzoeker getoetst werd op zijn managementvaardigheden. De verwerende partij brengt geen enkel concreet gegeven aan waaruit het tegendeel zou blijken. De proef waaraan hij heeft deelgenomen, kan dan ook moeilijk als kennisproef aangemerkt worden. De examencommissie doet immers meer dan nagaan of de kandidaten een bepaalde IX-2426-4/6 technische kennis binnen hun vakgebied bezitten en zij beschikt bij de globale beoordeling over een ruime appreciatiebevoegdheid. In een dergelijk geval kan het puntenaantal op zich de examenuitslag niet deugdelijk onderbouwen, maar moeten de punten nader verantwoord worden. Te dezen betekent dit dat de examencommissie een verantwoording van haar punten moet kunnen geven. Die verantwoording moet afdoende zijn. Opdat voldaan zou zijn aan de verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli 1991 moest verzoeker ook in kennis gesteld worden van die verantwoording. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt echter dat verzoeker ook maar enige toelichting zou hebben gekregen bij zijn puntenaantal. De verwerende partij betwist dit ook niet. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de examencommissie, medegedeeld met een brief van 10 mei 2000, waarbij Paul VERDOODT niet- geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheidsproef voor de bevordering door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 2D bij de gerechtelijke politie bij de parketten. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2426-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2426-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.762 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div