← België

Arrest 194776 - Organisatie van de dienst - 29/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.776 Rolnummer: A. 191109/IX-6186 Zaak: Arrest 194776 - Organisatie van de dienst - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.776 van 29 juni 2009 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.776 van 29 juni 2009 in de zaak A. 191.109/IX-

  1. In zake : Angelo DECEUNINCK, die woonplaats kiest te MEULEBEKE, Stijn Streuvelsstraat 2 bus A tegen : de Politiezone Meulebeke/Ingelmunster/ Dentergem/Oostrozebeke/Wielsbeke (MIDOW), die woonplaats kiest bij advocaat I. LIETAER, kantoor houdende te KORTRIJK, President Rooseveltplein
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Angelo DECEUNINCK op 10 januari 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de Politiezone Meulebeke/Ingelmunster/Dentergem/Ostrozebeke/Wielsbeke van 18 november 2008, waarbij hij vanaf 19 november 2008 voor onbepaalde duur structureel wordt gedetacheerd naar het arrondissementeel informatiekruispunt te Kortrijk; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 maart 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, die verschijnt in persoon, en van advocaat I. LIETAER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6186-1/10 Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is op het ogenblik van de bestreden beslissing hoofdinspecteur van politie bij de Politiezone Meulebeke/Ingelmunster/Dentergem/ Ostrozebeke/Wielsbeke (MIDOW). 1.
  4. Op 18 september 2006 beslist het politiecollege van de voornoemde politiezone de verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen gedurende vier maanden, met inhouding van 10% van zijn wedde. Deze maatregel is mede gesteund op een onderzoek van de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie ten laste van de verzoeker betreffende feiten van aanranding van de eerbaarheid en ongewenste seksuele intimiteiten bij meerdere vrouwelijke collega’s. Verzoekers vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing worden respectievelijk bij arrest nr. 166.711 van 16 januari 2007 en arrest nr. 179.260 van 1 februari 2008 van de Raad van State verworpen. De voorlopige schorsing van de verzoeker wordt telkens met vier maanden verlengd bij besluiten van het politiecollege van 16 januari 2007, 19 april 2007, 6 september 2007, 10 januari 2008, 8 mei 2008 en 25 augustus
  5. 1.
  6. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 8 januari 2008 en bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 november 2008 wordt de verzoeker vrijgesproken, omdat de hem ten laste gelegde feiten niet naar genoegen van recht bewezen zijn. IX-6186-2/10 1.
  7. Op 18 november 2008 beslist het politiecollege op grond van de overweging dat de voorwaarden voor het in stand houden van de voorlopige schorsing van de verzoeker niet langer vervuld zijn, om deze schorsing te beëindigen en de verzoeker vanaf 19 november 2008 terug in actieve dienst te nemen. 1.
  8. Eveneens op 18 november 2008 beslist het politiecollege, op advies van de korpschef en na de verzoeker te hebben gehoord, om de verzoeker vanaf 19 november 2008 voor onbepaalde duur structureel te detacheren naar het arrondissementeel informatiekruispunt te Kortrijk (AIK). Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat de vrouwelijke klagers alsmede een aantal mannelijke collega's schriftelijk hun vrees uitten voor hun psychisch en/of lichamelijk welzijn en integriteit wanneer zij met [hoofdinspecteur Deceuninck] geconfronteerd worden op de werkvloer; Overwegende dat zij tevens vrezen voor intimidaties en mogelijke vergeldingsacties jegens hen en dit gezien de leidinggevende functie van hoofdinspecteur Deceuninck als lid van het middenkader; Overwegende dat uit bovenvermelde feiten blijkt dat deze personeelsleden alle vertrouwen in hoofdinspecteur Deceuninck als collega of meerdere zijn verloren en het niet meer mogelijk achten om samen met hem op dienst te gaan, in eenzelfde dienst tewerkgesteld te zijn of met hem enig professioneel contact te moeten onderhouden; Overwegende dat volgens één der klagers meerdere mannelijke collega's zijn eventuele terugkeer naar de interventiedienst onaanvaardbaar achten doch zich niet geroepen voelen om hun standpunt schriftelijk te bevestigen uit vrees voor eventuele latere represailles van zijnentwege; Overwegende dat hieruit blijkt dat er -zekerlijk binnen de groep interventie doch niet alleen binnen deze dienst- een groot wantrouwen heerst met betrekking tot zijn eventuele terugkeer; Overwegende dat deze vrouwelijke collega's thans tewerkgesteld zijn in respectievelijk de interventiedienst

(2), de lokale recherche
(1), de verkeersdienst
(1)en het commando
(1); Overwegende dat gezien de kleinschaligheid van het korps en de onvermijdelijke interacties tussen alle diensten van het korps (incl. de wijkdienst en de sociale dienst) het onmogelijk is om hoofdinspecteur [Deceuninck] met een functie te gelasten waarbij elk professioneel contact tussen hem en de vrouwelijke klagers vermeden wordt; Overwegende dat zijn strafrechtelijke vrijspraak niet inhoudt dat er zich geen ongewenste seksuele gedragingen zouden hebben voorgedaan en dat aldus het vertrouwen dat zijn werkgever en meerdere medewerkers IX-6186-3/10 noodzakelijkerwijs in hem dienen te stellen als personeelslid, collega of overste, hierdoor niet hersteld is; Overwegende dat de inzet van hoofdinspecteur Deceuninck onvermijdelijk zal leiden tot persoonlijke conflicten tussen hem en één of meerdere van de vrouwelijke klagers en/of sympathisanten en dat hierdoor de goede werking en verstandhouding binnen het korps ernstig in het gedrang komt; Overwegende dat artikel 96 van de wet op de geïntegreerde politie voorziet dat leden van de lokale politie worden gedetacheerd in de diensten van de federale politie belast met steun aan de lokale politie; Overwegende dat het Koninklijk Besluit van 26 maart 2005 in artikel 21, § 1, 5/, de detacheringen naar het AIK gelijkstelt met structurele detacheringen en verder de statutaire en geldelijke gevolgen van dergelijke detacheringen regelt; Overwegende dat op heden nog een bediening voor een personeelslid afkomstig van de lokale politie op het AIK te Kortrijk niet ingevuld raakt en dat het diensthoofd van het AIK vragende partij blijft om deze plaats daadwerkelijk ingevuld te zien; Overwegende dat met de vooropgestelde detachering persoonlijke professionele contacten tussen [hoofdinspecteur Deceuninck] en de overige personeelsleden van het korps uitgesloten worden en dat hierdoor de rust in de eenheid en dus ook de goede werking van de eenheid gevrijwaard wordt; Overwegende dat het bestuur noodgedwongen dient te kiezen voor het hoger belang zijnde het blijvend verzekeren van de goede werking van de politiezone en dat elk persoonlijk belang hieraan derhalve ondergeschikt is; Overwegende dat de vooropgestelde structurele detachering naar het AlK een einde stelt aan [de] voorlopige schorsing bij ordemaatregel zodat [hoofdinspecteur Deceuninck] opnieuw [zijn] functie van hoofdinspecteur kan opnemen met inbegrip van uitbetaling van [zijn] volledig loon; Overwegende dat alle bijkomende kosten verbonden aan deze structurele detachering zoals verplaatsingskosten van en naar het werk en maaltijdkosten krachtens het Koninklijk Besluit vermeld in ref. 1.4 vergoed worden.” De voormelde beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. Ze wordt met een brief van dezelfde datum aan de verzoeker ter kennis gegeven. Ontvankelijkheid 2.
  1. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op. Zij laat gelden dat de verzoeker in zijn enig IX-6186-4/10 middel slechts een deel van de motivering van de bestreden beslissing bekritiseert. Vermits kritiek op een overtollig of niet-decisief motief niet kan leiden tot het ernstig bevinden van een middel, is het desbetreffende middel niet ontvankelijk. Bij gebrek aan een ontvankelijk aangevoerd middel, zo stelt de verwerende partij, is ook de vordering als zodanig niet ontvankelijk. 2.
  2. Deze exceptie hangt samen met de grond van de zaak. Vermits hierna zal blijken dat alleszins niet voldaan is aan de schorsingsvoorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aan de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dient deze exceptie in de huidige stand van de rechtspleging niet nader te worden onderzocht. Voorwaarden voor het bevelen van de schorsing 3.
  3. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  4. De verzoeker zet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, in zijn verzoekschrift als volgt uiteen: “Verzoeker woont in Meulebeke binnen de omschrijving van de politiezone MIDOW. In afwachting van het gerechtelijk onderzoek werd verzoeker vanaf 18 september 2006 geschorst bij ordemaatregel. Deze ordemaatregel werd opgeheven op datum van 18 november
  5. Op zich genomen leed verzoeker reeds een moeilijk te herstellen nadeel gedurende méér dan twee jaar. Aan verzoeker werd ingevolge de vermeende feiten en de daarop volgende schorsing bij ordemaatregel een zwaar strafrechtelijk profiel toegekend (aanranding van de eerbaarheid) en blijkbaar laat de overheid zich niet onbetuigd verdere insinuaties te blijven uiten. De overheid is immers van oordeel dat een strafrechtelijke vrijspraak niet inhoudt dat er zich geen ongewenste seksuele gedragingen zouden hebben voorgedaan. Door het nemen van de beslissing tot detachering voor onbepaalde duur verhoogt de overheid deze schade. Het toekennen van een dergelijk IX-6186-5/10 strafrechtelijk profiel maakt voor verzoeker ontegensprekelijk een zwaar moreel en sociaal nadeel uit wegens de absolute onwettigheid van de bestreden beslissing. Dit nadeel is des te zwaarder aangezien het een orgaan van de politie betreft waarvan éénieder een onberispelijk gedrag op privé- en op beroepsvlak verwacht. De bestreden beslissing beperkt verzoeker bovendien in zijn beroepsmobiliteit en ontzegt hem taken die beroepsmatig en/of financieel bevorderlijk zijn in zijn hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, bevoegdheden die verzoeker ontzegd worden in de uitoefening van zijn huidige bediening. Een louter annulatiearrest is niet bij machte de nodige voldoening te verschaffen. Het is onmogelijk te verwachten dat een annulatiearrest a posteriori het de facto aan verzoeker toegekend zwaar strafrechtelijk profiel zou ongedaan maken. Alleen een schorsingsarrest kan met het gezag verbonden aan dit arrest de heden zo noodzakelijke rehabilitatie aan verzoeker toekennen. Er mag hierdoor verwacht worden dat de overheid haar zienswijze zal aanpassen aan hetgeen zowel door de strafrechter als heden door [de Raad van State] gewezen zal worden. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing veroorzaakt voor de verzoeker dan ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.” 3.
  6. De verwerende partij repliceert in haar nota vooreerst dat slechts rekening mag worden gehouden met het nadeel dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet met het nadeel dat voortkomt uit de preventieve schorsing die op 18 september 2006 aan de verzoeker werd opgelegd. Volgens haar is niet bewezen dat de bestreden beslissing het nadeel dat de verzoeker reeds onderging, zodanig heeft verzwaard dat het nu als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in aanmerking moet worden genomen. Voorts laat zij gelden dat de beweerde absolute onwettigheid van de bestreden beslissing niet dienstig kan worden aangevoerd om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te bewijzen. De verwerende partij betwist ook dat de verzoeker ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing enig financieel of professioneel nadeel zou lijden. Zij wijst erop dat de verzoeker daaromtrent geen nadere gegevens aanvoert of stavingsstukken voorlegt. Ook de aanwezigheid van een moreel nadeel wordt niet nader uitgelegd of gestaafd. Ten slotte betoogt de verwerende partij dat de verzoeker de ernst van het aangevoerde nadeel relativeert, doordat hij de voorliggende vordering tot IX-6186-6/10 schorsing slechts op de valreep binnen de voorgeschreven beroepstermijn heeft ingediend. 3.
  7. Uit verzoekers uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, kan worden afgeleid dat hij een “moreel en sociaal nadeel”, een professioneel nadeel en een financieel nadeel inroept. 3.4.
  8. Vooreerst voert hij aan dat hij een ernstig “moreel en sociaal nadeel” lijdt, doordat hem ingevolge de feiten waarvoor hij strafrechtelijk werd vervolgd en preventief werd geschorst “een zwaar strafrechtelijk profiel” werd toegemeten, dat door de bestreden beslissing nog is versterkt. Dit geldt volgens de verzoeker des te meer, gelet op de “absolute onwettigheid” van de bestreden beslissing en de omstandigheid dat éénieder van een politieambtenaar een onberispelijk gedrag op privé- en beroepsvlak verwacht. Alleen een schorsingsarrest kan, aldus de verzoeker, de noodzakelijke rehabilitatie verlenen, vermits de verwerende partij er dan toe gebracht wordt haar zienswijze aan te passen. Een schorsing van de bestreden beslissing kan echter slechts worden verantwoord doordat de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden dat uit de bestreden beslissing zelf voortvloeit. Het “zwaar strafrechtelijk profiel” waarvan de verzoeker gewag maakt, lijkt -voor zover kan worden aangenomen dat hij een dergelijk profiel heeft opgespeld gekregen- veeleer toe te schrijven aan de strafrechtelijke vervolging waarvan hij het voorwerp is geweest, dan aan de bestreden beslissing zelf waarbij hij bij administratieve maatregel naar een andere dienst wordt gedetacheerd. Voor zover de verzoeker laat gelden dat dit strafrechtelijk profiel door de bestreden beslissing wordt verzwaard, moet worden opgemerkt dat die beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat de verzoeker op strafrechtelijk vlak is vrijgesproken en dat ook de brief waarmee die beslissing aan de verzoeker is meegedeeld uitdrukkelijk verwijst naar het arrest van het Hof van Beroep te Gent dat hem heeft vrijgesproken. De omstandigheid dat het politiecollege stelt dat deze vrijspraak niet impliceert “dat er zich geen (niet-strafrechtelijke) feiten van ongewenst seksueel gedrag op het werk zouden hebben voorgedaan, hetgeen op tuchtvlak nog zal worden onderzocht” kan bezwaarlijk het beweerde strafrechtelijke profiel van de verzoeker “verzwaren”. Voorts is verzoekers verwijzing naar de “absolute onwettigheid” van de bestreden beslissing niet dienstig, vermits ze betrekking heeft op de ernst van IX-6186-7/10 het aangevoerde enige middel. Het vereiste dat de verzoeker ernstige middelen moet aanvoeren enerzijds en het vereiste dat de verzoeker moet aantonen ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden anderzijds, zijn twee van elkaar te onderscheiden schorsingsvoorwaarden, die in beginsel afzonderlijk moeten worden beoordeeld. De door de verzoeker aangevoerde onwettigheid van de bestreden beslissing is niet zo duidelijk vast te stellen dat zij, uitzonderlijk, toch zou kunnen worden betrokken bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ook valt het niet in te zien dat de omstandigheid dat van een politieambtenaar een onberispelijk gedrag op privé- en beroepsvlak wordt verwacht, met zich zou brengen dat het aangevoerde nadeel als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden beschouwd. De verzoeker kan er dan ook niet van overtuigen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een “moreel en sociaal nadeel” lijdt dat dermate ernstig is dat het niet zou kunnen worden goedgemaakt door de morele genoegdoening die een eventueel vernietigingsarrest hem zou verschaffen. 3.4.
  9. De verzoeker voert voorts een professioneel nadeel aan. De bestreden beslissing zou zijn beroepsmobiliteit beperken en hem taken ontzeggen die “beroepsmatig [...] bevorderlijk zijn in zijn hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie”. Dit is echter niet meer dan een vage bewering, die door de verzoeker niet het minst concreet wordt uitgelegd en gestaafd. Ze maakt dan ook geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk. 3.4.
  10. Van eenzelfde vaagheid getuigt de stelling van de verzoeker dat de bestreden beslissing hem taken ontzegt die “financieel bevorderlijk zijn”. Bij gemis aan concrete, gestaafde gegevens dienaangaande kan niet worden aangenomen dat de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig financieel nadeel lijdt. 3.
  11. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat de verzoeker niet aantoont ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden. De vordering wordt om die reden verworpen. IX-6186-8/10 IX-6186-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2009, door: de HH. B THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6186-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.776 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.