id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.796 Rolnummer: A. 94689/IX-2504 Zaak: Arrest 194796 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.796 van 29 juni 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.796 van 29 juni 2009 in de zaak A. 94.689/IX-
- In zake : Marc COOLS, wonende te SINT-NIKLAAS, Sparrenhofstraat 122 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc COOLS op 18 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het departement Screening van de directie Human Resources van De Post, hem meegedeeld met een brief van 19 juni 2000, waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor het eerste onderdeel (computergestuurde proef) van het bevorde- ringsexamen tot de graad van sectiechef; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 25 november 2002 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-2504-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Op het tijdstip van de bestreden beslissing is verzoeker eerst- aanwezend opsteller bij De Post. 1.
- Hij neemt deel aan een bevorderingsexamen tot de graad van sectiechef. Met een brief van 19 juni 2000 wordt hem meegedeeld dat hij niet geslaagd is voor het eerste onderdeel (de computergestuurde proef) van het examen. Die brief vermeldt vervolgens de door hem behaalde score voor dit onderdeel: “4 op 9 voor de test ‘algemeen redeneervermogen’ (vereiste minimum- score: 4); 1 op 9 voor de test ‘sociale en commerciële vaardigheden’ (vereiste minimumscore: 4); 5 op 9 voor de test ‘organisatorische vaardigheden’ (vereiste minimum- score: 4); 3,33 op 9 voor het geheel van de testen (vereiste minimumscore: 5).” 1.
- Met een brief van 23 juni 2000 gericht aan de directeur Human Resources vraagt verzoeker om inzage en mededeling van zijn test voor het onderdeel “sociale en commerciële vaardigheden”. 1.
- Met een brief van 7 juli 2000 antwoordt de selectieconsulente van het departement Screening. IX-2504-2/8 Zij legt uit hoe de behaalde scores moeten worden geïnterpre- teerd. Met name worden de behaalde resultaten vergeleken met die van een “normgroep” bestaande uit personen van een vergelijkbaar niveau met dat van sectiechef. Voorts stelt zij dat de antwoorden en de scores verwerkt en opgeslagen worden via de computer en dat het niet mogelijk is vragen en correcte antwoorden aan de kandidaten te bezorgen, daar de testen beschermd zijn door auteursrechten. Met betrekking tot de test “sociale intelligentie” zet zij uiteen dat middels deze test gepeild wordt naar een aantal eigenschappen die belangrijk zijn in sociale en commerciële situaties en dat de score voor die test gebaseerd is op de combinatie van de volgende vijf meetschalen: “Commerciële vaardigheden: Personen die hoog scoren op deze schaal hebben veel antwoorden gegeven die getuigen van een positieve houding tegenover anderen. De kandidaten geven blijk van geduld, zijn gericht op het begrijpen van de andere, luisteren en vragen meer informatie, nodigen uit tot verder gesprek. Loyauteit: Een lage score op deze variabele betekent dat men alternatieven kiest die iets oneerlijks of onjuist bevatten: men zegt bv. aan de klant de waarheid niet of men volgt de richtlijnen van de firma niet. Agressiviteit: Agressieve antwoorden getuigen van een harde reactie, waarbij de kans op het afbreken van verdere interactie groot is. Submissiviteit (volgzaamheid): De testpersoon die hierop een hoge score haalt, geeft te vlug toe aan de tegenspeler. Ontwijken: Wie hier hoog scoort, schuift te snel problemen door naar anderen, bv. naar de chef.” 1.
- Met een brief van 19 juli 2000 repliceert verzoeker dat er wel in het algemeen wordt gezegd hoe de proef werd beoordeeld, maar dat er geen antwoord is gegeven op zijn vraag om inzage of mededeling van zijn eigen resultaten. Hij vraagt nogmaals hem in kennis te stellen van de juiste antwoorden en/of die welke hij fout zou hebben ingevuld, zodat er geen reden tot twijfel meer kan zijn. IX-2504-3/8 1.
- Met een brief van 25 juli 2000 antwoordt de selectieconsulente dat dit niet mogelijk is omdat de test auteursrechtelijk is beschermd. Ten gronde 2.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen. Hij betoogt dat, vermits het niet om een kennisexamen ging, het meedelen van de behaalde numerieke score niet volstond. Dit is volgens hem niet rechtgezet door de uitleg die hem nadien op zijn verzoek is verstrekt, daar dit een standaardbrief betrof waaruit hij niet kon afleiden waarom hij niet geslaagd was. Hij voegt daaraan toe dat inzage van zijn examenkopij daarbij kan helpen. De inzage van de kopij wordt evenwel geweigerd. Die weigering doet twijfel rijzen bij verzoeker omtrent de toegekende punten. Die twijfel wordt versterkt door het feit dat hij per telefoon foutieve informatie kreeg, waardoor er volgens hem sprake kan zijn van een vergissing. 2.
- De verwerende partij antwoordt dat de motieven voor een examenresultaat in principe vervat zijn in de punten zelf en dat het cijfer op zich de verantwoording van de gemaakte beoordeling bevat. Volgens haar volstaat bijgevolg een puntenbeoordeling, ook voor psychotechnische proeven, en is de beslissing voldoende gemotiveerd, door niet alleen te vermelden dat de verzoeker niet geslaagd is, maar ook door de behaalde resultaten en minimumscores aan te geven. Voorts stelt zij dat het verwijt dat zij inzage weigert te verlenen geen uitstaans heeft met de formele motiveringsplicht, maar enkel met de wet op de openbaarheid van bestuursdocumenten. Zij benadrukt dat het te dezen een computergestuurde proef betrof, zodat de resultaten zijn berekend door de computer en dus niet afhankelijk waren van een subjectieve beoordeling. 2.
- Verzoeker repliceert dat de proef waaraan hij heeft deelgenomen een echte psychotechnische proef is die tot doel heeft naar een aantal algemene IX-2504-4/8 vaardigheden en vermogens te peilen en dat voor dergelijke proef een meer uitgebreide motivering vereist is. Hij betoogt dat er te dezen geen sprake is van juiste en foute antwoorden en dat in die omstandigheden een louter cijfermatige beoordeling, die dan nog de optelsom blijkt te zijn van vijf verder niet meegedeelde deelscores, geen afdoende motivering is. Een controle moet volgens hem steeds mogelijk blijven, vermits, zelfs indien de test van een erkende kwaliteit zou zijn, dit nog geen garantie biedt dat de test ook correct is verlopen. Hij stelt dat een psychotechnisch onderzoek moet berusten op motieven die objectief en controleer- baar zijn en dat een kwalitatief beschrijvend rapport aan deze voorwaarde voldoet. Voorts wijst hij erop dat de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten de door de verwerende partij ingeroepen motieven om hem de inzage te weigeren niet deugdelijk heeft bevonden. 2.4.
- Verzoeker roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.4.
- Verzoeker is niet geslaagd omdat hij 1/9 behaald heeft voor de test “sociale en commerciële vaardigheden” en 3,33/9 voor de psychotechnische proef in haar geheel en dat is hem ook ter kennis gebracht. In casu blijkt uit de brief van IX-2504-5/8 7 juli 2000 dat die proef onder meer tot doel had de sociale intelligentie van de kandidaten na te gaan door middel van meerkeuzevragen gebaseerd op de combinatie van verschillende meetschalen, alsook door de plannings- en organisa- tiekwaliteiten na te gaan via het opmaken van een werkrooster. Uit het administra- tief dossier blijkt dat verzoeker getoetst werd op zijn algemene vaardigheden en dat het niet ging om vragen waarbij er steeds een duidelijk onderscheid is tussen juiste en foute antwoorden. De proef waaraan hij heeft deelgenomen, kan dan ook moeilijk als kennisproef aangemerkt worden. Evenwel beschikte de verwerende partij bij de beoordeling van de antwoorden van de kandidaten en de toekenning van de punten over geen enkele appreciatiebevoegdheid. Dit gebeurde volledig computergestuurd, hetgeen verzoeker reeds was meegedeeld met de brief van 7 juli
- Aldus is het testresultaat van de kandidaten volledig bepaald door de inhoud van een testpro- gramma dat, althans volgens de verwerende partij, na jarenlang wetenschappelijk onderzoek ontwikkeld is door een gespecialiseerde firma. De antwoorden van de verschillende kandidaten zijn door dit computerprogramma op objectieve wijze gespiegeld aan de optimale antwoorden en modellen en dito verwerkt. De resultaten zijn door het programma vergeleken met die van de “normgroep”, wat via een verdeelsleutel geleid heeft tot de quotering. In een dergelijk geval kan het puntenaantal op zich de examenuit- slag deugdelijk onderbouwen en volstaat dit om te voldoen aan de formele verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli
- 2.4.
- Het middel is niet gegrond. 3.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht. Hij is van mening dat de bestreden beslissing niet is gestoeld op deugdelijke motieven, aangezien de hem toegekende cijfers niet overeenstemmen met de door hem gegeven antwoorden. Hij is overtuigd dat de inzage in zijn dossier hem in staat zal stellen zulks aan te tonen. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat het haar vrij staat te kiezen hoe zij haar examens organiseert en laat organiseren. Zij benadrukt dat het te dezen een psychotechnisch meetinstrument betreft, ontwikkeld door een gespecialiseerde IX-2504-6/8 firma na jarenlang wetenschappelijk onderzoek en dat objectieve criteria het resultaat van de test bepalen. 3.
- Verzoeker repliceert dat de weigering van de verwerende partij om hem inzage te verlenen in zijn examen of een kopie hiervan neer te leggen een vermoeden van onwettigheid van de motieven doet ontstaan en de Raad van State de mogelijkheid ontneemt om zelfs maar een marginale toetsing te doen. 3.
- Verzoeker lijkt eraan te twijfelen dat het wel degelijk om zijn score gaat. De verwerende partij heeft echter op vraag van het auditoraat de testresultaten van verzoeker voorgelegd zoals die zijn opgeslagen in de databank met de resultaten van de desbetreffende test. Daaruit blijkt dat verzoeker inderdaad de score van 1 op 9 heeft behaald voor het onderdeel “sociale en commerciële vaardigheden”. Ook de andere scores komen overeen met wat aan verzoeker werd meegedeeld als zijn resultaat. Het feit dat verzoeker geen inzage krijgt in de door hem gegeven antwoorden, laat in de concrete omstandigheden van de zaak, meer bepaald een zuivere verwerking door een erkend testprogramma van door de kandidaat in de computer ingevoerde antwoorden, niet toe eraan te twijfelen dat de score wel degelijk is toegekend op grond van de antwoorden die verzoeker gaf. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-2504-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2504-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.796 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.