← België

Arrest 194797 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.797 Rolnummer: A. 68343/IX-1627 Zaak: Arrest 194797 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.797 van 29 juni 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.797 van 29 juni 2009 in de zaak A. 68.343/IX-

  1. In zake : Ermelinda VAN GUCHT, wonende te BORNEM, Eikenlaan 10 tegen : de Rijksdient voor Arbeidsvoorziening (RVA). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ermelinda VAN GUCHT op 1 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 december 1995 van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening waarbij zij met ingang van 1 mei 1995 door verhoging in weddeschaal bevorderd wordt tot de weddeschaal 30 F, en van de impliciete weigering om haar de weddeschaal 30 I, minstens 30 H, toe te kennen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 24 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-1627-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten en het reglementair kader 1.
  2. Verzoekster is sedert 1 december 1975 tewerkgesteld bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: de RVA) als klerk-typiste en sedert 1 december 1979 als eerstaanwezend klerk-typiste. 1.
  3. Het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4 (hierna: het koninklijk besluit van 14 september 1994) schaft onder meer de oude graden van klerk-typist (rang 30), eerstaanwezend klerk-typist (rang 32) en hoofdklerk-typist (rang 34) af en voert de nieuwe graad van klerk (rang 30) in. Krachtens artikel 39, §§ 1 en 4, van dat besluit worden de ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van dat besluit bekleed zijn met één van die afgeschafte graden ambtshalve benoemd in de nieuwe graad van klerk. Voor de berekening van hun graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten die gepresteerd zijn in een graad van de rangen 34, 33 en 32 geacht te zijn verricht in de nieuwe graad van rang
  4. Blijkens de tabel in bijlage II van dit besluit worden de titularissen van de nieuwe graad van klerk die voorheen de graad van eerste klerk, eerstaan- wezend klerk-typist, eerste klerk-stenotypist of klerk-stenotypist-secretaris hadden, bezoldigd in de schaal 30 C; de ambtenaren die de graad van hoofdklerk, hoofdklerk-typist, hoofdklerk-stenotypist of secretaris hadden, worden bezoldigd in de schaal 30 H. IX-1627-2/9 1.
  5. Ingevolge voornoemd besluit wordt verzoekster met ingang van 1 januari 1994 ambtshalve benoemd tot de graad van klerk in de weddeschaal 30 C, met graadanciënniteit vanaf 1 december
  6. 1.
  7. Artikel 122 van voormeld besluit, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, en artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene federale overheids- diensten gemene graden, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luiden als volgt: “§
  8. Aan de graad van klerk (rang 30) wordt de weddeschaal 30 A verbonden. De klerk die vier jaar graadanciënniteit heeft, geniet de weddeschaal 30 C. §
  9. De klerk die tenminste zes jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30 F verkrijgen. §
  10. De klerk die tenminste negen jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30 H verkrijgen. §
  11. De klerk die tenminste twaalf jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30 I verkrijgen.” De personeelsformatie van de RVA, zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1995, bevat 725 betrekkingen van klerk. Het ministerieel besluit van 7 april 1995 tot uitvoering van dit besluit verdeelt deze 725 betrekkingen als volgt over de verschillende weddeschalen: weddeschaal aantal betrekkingen 30 A en C 333 30 F 145 30 H 189 30 I 58 1.
  12. Op 21 december 1995 beslist de administrateur-generaal van de RVA om verzoekster met ingang van 1 mei 1995 te bevorderen tot de weddeschaal 30 F. Dit is de bestreden beslissing, voor zover daarin de weigering gelegen is om haar te bevorderen tot de weddeschaal 30 H of 30 I. IX-1627-3/9 1.
  13. Uit haar brief van 31 maart 2008 blijkt dat verzoekster op 1 juli 1999 bevorderd is tot de weddeschaal 30 H en op 1 september 1999 tot de weddeschaal 30 I. Gelet op het feit dat zij op 1 januari 1994 nog titularis was van de weddeschaal 30 C, heeft de nieuwe regeling tot gevolg gehad dat zij in een periode van 5 jaar en 9 maanden drie keer een bevordering door verhoging in weddeschaal gekregen heeft. Ten gronde 2.
  14. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 1, §§ 3 en 4 (bedoeld wordt artikel 2, §§ 3 en 4), van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene ministeries gemene graden (thans: het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden, hierna: het koninklijk besluit van 10 april 1995). Zij betoogt dat haar een bevordering tot de schalen 30 H en 30 I werd geweigerd, terwijl zij een graadanciënniteit heeft van bijna 21 jaar en dus recht heeft op minstens de weddeschaal 30 H, in het bijzonder nu anderen, die minder anciënniteit hebben dan zij, wel de weddeschaal 30 H toegekend kregen. 2.
  15. De verwerende partij antwoordt dat de bevordering tot de weddeschalen 30 H en 30 I niet uitsluitend afhangt van de anciënniteit, maar ook van het bestaan van vacante betrekkingen. Zij stelt dat verzoekster enkel beweert te voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden, maar niet bewijst dat er ook aan de tweede voorwaarde van een vacante betrekking voldaan was. Bovendien dient verzoekster volgens de verwerende partij in concreto aan te tonen welke personeelsleden ten onrechte door de administratie vóór haar werden gerangschikt. Voorts argumenteert de verwerende partij dat verzoekster geen aanspraak kan maken op een bevordering tot de weddeschaal 30 I, omdat dit een bevordering betreft die trapsgewijs in de betrokken weddeschalen evolueert waarbij de lagere weddeschaal de basis vormt waarop de hogere weddeschaal is gestoeld. Met name is er bepaald dat de graad van eerstaanwezend klerk-typiste recht geeft op een weddeschaal 30 C in de graad van klerk, gekoppeld aan een verdere trapsgewijze weddeschaalpromotie. Indien de regelgever bij de ambtshalve overgang naar de nieuwe graad van klerk rekening had willen houden met hogere anciënniteiten, dan zou hij daarin volgens de verwerende partij uitdrukkelijk hebben voorzien. Nu dit niet het geval is, moet er voor het verkrijgen van verdere IX-1627-4/9 weddeschaalbevorderingen na de conversie voldaan worden aan de voorwaarden van anciënniteit en vacature. De verwerende partij betoogt verder dat de ambtshalve omschakeling van de graden van hoofdklerk naar de nieuwe graad van klerk met weddeschaal 30 H tot gevolg heeft gehad dat de 189 betrekkingen die met die weddeschaal kunnen worden bezoldigd, volzet zijn. Om die reden kon verzoekster volgens de verwerende partij niet worden benoemd in die weddeschaal, en al evenmin in de weddeschaal 30 I, daar zij de weddeschaal 30 H nog niet bezat. In elk geval kwam verzoekster toch niet in aanmerking voor de weddeschaal 30 I, gelet op het beperkt aantal betrekkingen en op de andere kandidaten die wegens hun betere rangschikking naar anciënniteit voorrang hebben. 2.
  16. Verzoekster repliceert in eerste instantie op de bewering van de verwerende partij dat zij onvoldoende nauwkeurig haar middel onderbouwt en meer bepaald niet aantoont welke personeelsleden ten onrechte vóór haar werden gerangschikt. Zij vestigt er de aandacht op dat zij reeds in haar verzoekschrift heeft gevraagd dat de verwerende partij de lijst zou voorleggen met de automatische overgangen naar de weddeschaal 30 H, maar dat dit nog niet is gebeurd, terwijl er nochtans 189 klerken in die weddeschaal worden bezoldigd. Zij meent dat het niet aan haar, maar wel aan de verwerende partij toekomt om die gegevens voor te leggen. Voorts betwist verzoekster de stelling dat een bevordering tot de weddeschaal 30 I enkel kan worden verleend aan de klerken met de weddeschaal 30 H. Met name is er in het koninklijk besluit van 10 april 1995 enkel sprake van een vereiste graadanciënniteit. Zelfs indien de weddeschaal 30 I enkel zou kunnen worden toegekend aan de titularis van de schaal 30 H, dan nog worden volgens verzoekster haar rechten miskend, daar bij de automatische overschakeling op een onrechtmatige manier geweigerd is haar de weddeschaal 30 H toe te kennen. 2.
  17. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat er ten tijde van de bestreden beslissing 213 personeelsleden bezoldigd werden in de weddeschaal 30 H terwijl er slechts 189 betrekkingen verbonden waren met die weddeschaal, waaruit blijkt dat een gebrek aan vacante betrekkingen de verwerende partij in het verleden niet weerhouden heeft van benoemingen in overtal. Dit gebrek aan vacante IX-1627-5/9 betrekkingen met weddeschaal 30 H ingevolge een gebrekkige organisatie kan volgens verzoekster, niet aan haar worden tegengeworpen. Wat de bevorderingen tot de weddeschaal 30 I betreft, merkt zij op dat hiertoe werd beslist door de administrateur-generaal op 21 december 1995, zodat er vóór die datum wel degelijk vacante betrekkingen waren in die weddeschaal. Voorts wenst zij er op te wijzen dat bij de reorganisatie onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij buiten haar wil tewerkgesteld was in een dermate kleine groep dat bevordering bijna onmogelijk was, wat verklaart waarom zij na 19 jaar dienstanciënniteit nog steeds niet was opgeklommen tot de oude graad van hoofdklerk-typist en waardoor zij de automatische overgang naar de weddeschaal 30 H gemist heeft. Zij is van mening dat deze toestand via een inhaalbeweging kan worden rechtgezet door aan de personeelsleden met dergelijke zeer hoge anciënniteit de juiste weddeschaal toe te kennen. Artikel 122 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 kan volgens haar dan ook niet inhouden dat alle weddeschalen achtereenvolgens moeten worden doorlopen. Vooreerst biedt de tekst zelf volgens haar hiervoor geen houvast en is er enkel sprake van graadanciënniteit. Daarenboven stelt zij dat, om tot die interpretatie te komen, de Koning een bijkomende voorwaarde had moeten inlassen, zoals het bezitten van een bepaald aantal jaren weddeschaal-anciënniteit. 2.5.
  18. Op 1 mei 1995, de datum van inwerkingtreding van de bestreden bevordering, had verzoekster een graadanciënniteit als klerk van 19 jaar en 5 maanden. Zij beweert dat zij in plaats van een bevordering tot de weddeschaal 30 F dan ook een bevordering tot de weddeschaal 30 I, minstens 30 H, had moeten krijgen, vermits zij voldeed aan de anciënniteitsvoorwaarden daartoe. Immers, luidens artikel 122 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, zoals beide bepalingen van toepassing waren ten tijde van de bestreden beslissing, is voor de bevordering tot de weddeschaal 30 H slechts een graadanciënniteit als klerk vereist van negen jaar en voor de bevordering tot de weddeschaal 30 I slechts een graadanciënniteit van twaalf jaar. Bovendien merkt zij op dat er klerken met minder anciënniteit dan haar tot de weddeschaal 30 H bevorderd zijn. In haar memorie van wederantwoord stelt zij zelfs dat zij reeds bij de ambtshalve overgang naar de nieuwe graad van klerk de weddeschaal 30 H had moeten krijgen. IX-1627-6/9 2.5.
  19. De nieuwe regeling die is ingevoerd door het koninklijk besluit van 14 september 1994 vermindert het aantal graden drastisch tot twee in niveau 2 en telkens één in de niveaus 3 en
  20. Teneinde toch in een loopbaan te voorzien nadat de betrokken ambtenaar ambtshalve is overgegaan naar zijn nieuwe graad en de hieraan verbonden weddeschaal, worden de bevorderingen in graad vervangen door bevorderingen in weddeschaal. Aldus wordt een financiële loopbaan ingevoerd die gradueel is. De verschillende weddeschalen die tot een zelfde graad behoren, kunnen slechts achtereenvolgens en in stijgende volgorde worden verkregen. Een hogere weddeschaal vereist dan ook een grotere anciënniteit. Overeenkomstig voormeld besluit is verzoekster met ingang van 1 januari 1994 ambtshalve overgegaan naar de nieuwe graad van klerk en, in overeenstemming met bijlage II van dat besluit, naar de weddeschaal 30 C. Aldus kon zij door verhoging in weddeschaal enkel worden bevorderd tot de eerstvolgende hogere weddeschaal, zijnde de weddeschaal 30 F. Dit is gebeurd met de bestreden bevordering. Verzoekster stelt dan ook ten onrechte dat die bevordering diende te gebeuren in de weddeschaal 30 H of 30 I. 2.5.
  21. Ook in de veronderstelling dat een ambtenaar door verhoging in weddeschaal wel degelijk tot een andere weddeschaal zou kunnen worden bevorderd dan de eerstvolgende, zou de bevordering van verzoekster tot de weddeschaal 30 H of 30 I te dezen onmogelijk zijn geweest. Blijkens de paragrafen 3 en 4 van voormelde artikelen 2 en 122, zijn er twee voorwaarden voor bevordering tot de weddeschaal 30 H of 30 I, met name het bezitten van een graadanciënniteit van minstens negen respectievelijk twaalf jaar en het bestaan van vacante betrekkingen. Het louter bezitten van de vereiste anciënniteit volstaat dus niet. Deze vacante betrekkingen moeten dan met toepassing van artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, onder kandidaten met dezelfde evaluatie worden toegewezen volgens de anciënniteitsrangschikking. Krachtens het koninklijk besluit van 14 september 1994 en de bijlage II ervan worden de ambtenaren bekleed met de nieuwe graad van klerk die voorheen de graad van hoofdklerk, hoofdklerk-typist, hoofdklerk-stenotypist of secretaris hadden, bezoldigd in de weddeschaal 30 H. Als gevolg hiervan werden IX-1627-7/9 met ingang van 1 januari 1994 272 ambtenaren ambtshalve benoemd in de nieuwe graad van klerk met weddeschaal 30 H. Op 1 mei 1995 bedroeg hun aantal nog
  22. Vermits het ministerieel besluit van 7 april 1995 slechts voorzag in 189 betrekkingen met de weddeschaal 30 H, waren er op 1 mei 1995 nog geen vacante betrekkingen met die weddeschaal. Verzoekster kon met ingang van die datum dan ook onmogelijk bevorderd worden tot de weddeschaal 30 H. Wat de bevordering tot de weddeschaal 30 I betreft, werden bij beslissing van 21 december 1995 van de administrateur-generaal van de RVA alle 58 betrekkingen met die weddeschaal begeven met ingang van 1 mei
  23. Dit betekent dat op die datum wel degelijk betrekkingen met weddeschaal 30 I vacant waren. Alle Nederlandstalige betrekkingen hiervan werden echter toegewezen aan ambtenaren met de beoordeling “zeer goed” en met een grotere graadanciënniteit dan verzoekster. Verzoekster kon dan ook niet in aanmerking komen voor een bevordering tot de weddeschaal 30 I met ingang van 1 mei
  24. Bovendien heeft zij geen enkele van die bevorderingen bestreden en zijn deze derhalve definitief geworden. Er zijn dan ook geen vacante betrekkingen meer met weddeschaal 30 I waarin verzoekster met ingang van 1 mei 1995 benoemd zou kunnen worden bij wijze van reconstructie van haar loopbaan met terugwerkende kracht. 2.5.
  25. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  27. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekster. IX-1627-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1627-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.