← België

Arrest 194824 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.824 Rolnummer: A. 186971/XIV-30181 Zaak: Arrest 194824 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.824 van 29 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.824 van 29 juni 2009 in de zaak A. 186.971/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 8 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5543 van 9 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2313 van 11 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.181-1/7 Gehoord de opmerkingen van attaché K. MAES, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 juli 2007 en zich op 3 augustus 2007 vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 7 september 2007 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 26 september 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 9 januari 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel machtsoverschrijding en de schending van “het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten . Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden; Dat de Raad ten gronde het volgende stelt:
  4. Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund (Wetsontwerp nr. 2479/001 tol: hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, Pan. DL Kamer 2005-20B, p. 95). Door de devolutieve werking van het beroep is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De bewijslast ligt in beginsel bil de kandidaat-vluchteling, die in de mate XIV-30.181-2/7 van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient hij hiervoor een aannemelijke verklaring te geven (UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, 1992, nr. 196). De vrees van verzoekende partij moet tevens gegrond zijn, dit wil zeggen dat zij niet alleen subjectief bij haar aanwezig moet zijn maar ook moet kunnen worden geobjectiveerd (R. v. St., X, nr. 118.506, 22april2003). Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door het niet opnieuw vaststellen van de feiten in tegenstelling tot hetgeen zii stelt ten gronde een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissa- ris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald : 1/ bevestigen of hervormen ; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent samen met de Voorzitter dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het mop "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht. Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nopens het de vrees en de ernstige schade het volgende motiveert in tegenstelling tot hetgeen zij aankondigde ten gronde
  5. Nopens de ingeroepen vrees en de ernstige schade. 4.
  6. Verzoekster brengt geen elementen aan die het bestaan van de voorgehouden problemen aantonen. Verzoekster legt geen overlijdensakte van haar zus neer met de doodsoorzaak. De Commissaris generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betwijfelt de godsdienstovertuiging van verzoekster niet doch meent terecht dat verzoekster desgevallend geen ernstige poging heeft gedaan op de bescherming van haar nationale autoriteiten: "U geeft toe nooit beroep te hebben gedaan op de Indische veiligheidsdiensten op een hoger niveau, noch heeft u de hulp ingeroepen van een mensenrechtenorganisatie of een christelijke N. G.
  7. werkzaam in de regio." XIV-30.181-3/7 4.
  8. Verzoekster woont in een miljoenenstad. Ze heeft als kind reeds bescherming gekregen van de christelijke gemeenschap van Pune. Verzoeksters voorgehouden problemen zijn enerzijds louter gesitueerd op lokaal vlak, en anderzijds veroorzaakt door een specifieke groep jongeren. Ingevolge artikel 48/5 § 3 van de Vreemdelingenwet is er echter geen behoefte aan bescherming in het kader van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus (n het bijzonder artikel 48/4 § 2 a) en b) van de Vreemdelingenwet). 4.
  9. Er kan immers redelijkerwijs van verzoekster verwacht worden dat ze indien nodig in een ander deel van haar stad verblijft of in een ander deel van haar deelstaat. Het is niet aannemelijk dat verzoekster in een ander deel van India, benaderd zal worden door deze jongeren. Bovendien kan een inbreuk op religieuze verdraagzaamheid volgens het Indische strafrecht vervolgd worden (zie de informatie die de CGVS aan het administratieve dossier toevoegde). 4.
  10. Verzoekster toont niet aan dat er persoonlijke omstandigheden zijn waardoor er niet redelijkerwijs verwacht kan worden dat ze zich hervestigt. De andere middelen en documenten kunnen de Raad niet in een andere zin doen besluiten. 4.
  11. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij. geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen, en kan de subsidiaire beschermingsstatus niet worden toegekend. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht te respecteren wanneer bij een beroep met volle rechtsmacht het recht niet bestaat om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat". Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, onwettig is. Dat verzoeker wegens diens vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar diens land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de bestreden beslissing de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet correct motiveerde en de wetgeving schond.”; 2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord het middel herhaalt en er het volgende aan toevoegt: “(...) Alvorens recht te doen aan het Europees Hof van Justitie volgende vragen te stellen : ‘Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een XIV-30.181-4/7 eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen’. ‘Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat’.”; 2.
  2. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep een devolutieve werking heeft, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan hervormen, zonder door de motieven van de deze laatste gebonden te zijn; dat het beroep tegen de beslissingen van de commissaris-generaal op grond van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet een schorsende werking heeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 eveneens heeft geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd; dat het Grondwettelijk Hof in het voornoemde arrest uitdrukkelijk heeft overwogen dat het “hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, (...) geen afbreuk (doet) aan het recht op een rechterlijke toetsing en een daadwerkelijk rechtsmiddel”; dat de vraag of de lidstaten dienen “te XIV-30.181-5/7 voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat de verzoekende partij op algemene wijze stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de feiten in casu niet of niet voldoende zou hebben onderzocht, doch daarbij slechts de motivering van het bestreden arrest citeert zonder concreet aan te geven wat er ten onrechte niet onderzocht zou zijn; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03 uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; Overwegende dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nooit heeft gevraagd om op de nota van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te repliceren en dat uit het rechtsplegings- dossier niet blijkt dat zij daarover ter terechtzitting enige opmerking heeft gemaakt; dat zij zulks niet voor het eerst voor de Raad van State als administratieve cassatierechter kan vragen; dat het enige middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om de door de verzoekende partij geformuleerde prejudiciële vragen te stellen moet worden ingegaan; dat het enige middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is;
  3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.181-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig juni tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.181-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.824 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.