← België

Arrest 194825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.825 Rolnummer: A. 186713/XIV-30095 Zaak: Arrest 194825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.825 van 29 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.825 van 29 juni 2009 in de zaak A. 186.713/XIV-30.095. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE ROECK, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 155 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 15 januari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4686 van 11 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2197 van 21 februari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.095-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SCHREURS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij op 1 maart 2005 een aanvraag tot vestiging in functie van haar Belgische echtgenoot indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 6 juni 2005 een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 20 september 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 11 december 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de hoorplicht, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel opwerpt; dat zij aanvoert dat zij op geen enkel moment werd gehoord zodat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die als administratief rechtscollege een jurisdictionele taak vervult en niet als een orgaan van actief bestuur optreedt en dat het middel derhalve niet-ontvankelijk is; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.1.4. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur derhalve niet op zijn arresten van toepassing zijn, los van de vaststelling dat de verzoekende partij op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van XIV-30.095-2/6 3 december 2007 door haar raadsman werd vertegenwoordigd; dat het eerste middel niet- ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 31.3 van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna Richtlijn 2004/38) opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat deze richtlijn sedert 1 mei 2006 directe werking in het Belgische recht heeft, zodat de bestaande Belgische regelgeving die ermee in strijd is door de Belgische rechters buiten beschouwing moet worden gelaten, dat artikel 31.3 van Richtlijn 2004/38 door de bestreden beslissing is geschonden omdat het een administratieve beslissing betreft die niet na een procedure als in het voornoemde artikel 31.3 is genomen, dat een beslissing werd betekend waartegen enkel beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen openstaat, dat dit beroep niet aan de voorwaarden van artikel 31.3 van de Richtlijn 2004/38 beantwoordt en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers enkel over de wettigheid van de bestreden beslissing en niet over de feiten die er aanleiding toe hebben gegeven oordeelt; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat Richtlijn 2004/38 niet van toepassing is omdat de aanvraag tot vestiging als Marokkaans onderdaan en echtgenoot van een Belgische enkel op de Belgische wetgeving is gesteund, zonder enig intracommunautair aspect, dat het gemeenschapsrecht niet van toepassing is op zuiver interne situaties waarbij er slechts een aanknoping is met één EU-lidstaat en een derde staat, dat artikel 3.1. van die Richtlijn ook bepaalt dat zij van toepassing is op “iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit” en dat, ten overvloede, de omzetting van de Richtlijn door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geschied; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; XIV-30.095-3/6 2.2.4. Overwegende dat artikel 3.1. van Richtlijn 2004/38 bepaalt dat die richtlijn van toepassing is “ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen”; dat in artikel 2.2. van de voornoemde richtlijn als familielid worden gedefinieerd: “

  1. a)de echtgenoot;
  2. b)de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregis- treerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;
  3. c)de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  4. d)de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.”; Overwegende dat de verzoekende partij zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/38 valt; dat zij een vestigingsaanvraag in functie van haar Belgische echtgenoot heeft ingediend, doch dat deze echtgenoot uiteraard over een verblijfsrecht in België beschikt en de aanvraag geen betrekking heeft op de verblijfstoestand van de echtgenoot zelf; dat er dus geen aanknopingspunt met Richtlijn 2004/38 blijkt, dit los van de vraag naar de directe werking ervan; dat, ten overvloede, het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 heeft geoordeeld dat de rechtzoekende, wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals in casu op grond van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet als annulatierechter uitspraak doet, niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel is beroofd en dat uit de artikelen 15, 28 en 31 van Richtlijn 2004/38 niet blijkt dat daarin meer jurisdictionele waarborgen zijn voorzien dan in artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opwerpt; dat zij aanvoert dat die bepaling, gelijklopend met de invulling van artikel 6 van het E.V.R.M. doch van toepassing op alle zaken die de Europese Unie regelt, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht waarborgt, dat zulks vereist dat tenminste één rechterlijke instantie met volle rechtsmacht de beslissing moet kunnen controleren en alle relevante vragen van juridische en feitelijke aard moet kunnen onderzoeken, dat de procedure voor een aanvraag tot vestiging geen quasi-jurisdictionele procedure is vermits de verzoekende partij er niet eens werd gehoord, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus zelf moest overgaan tot een volledig onderzoek van de XIV-30.095-4/6 feiten of zelf onderzoeksmaatregelen moest bevelen, dat, ook zonder rechtstreekse werking van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht op een beroep met volle rechtsmacht een algemeen rechtsbeginsel is en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd met de aangehaalde bepaling geen volledig onderzoek naar de feiten kan voeren; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen directe werking heeft, dat de huidige zaak niet binnen het toepassingsgebied van artikel 6 van het E.V.R.M. valt, vermits dat artikel op burgerlijke rechten en op strafvervolging, doch niet op politieke rechten zoals het recht op verblijf en vestiging betrekking heeft, dat de wet geen behandeling in volle rechtsmacht van het annulatieberoep toestaat en dat het middel juridische grondslag mist; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.3.4. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht in het Belgische recht heeft; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillende betreffende toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat bij de behandeling van het tweede middel reeds is gewezen op het arrest waarin het Grondwettelijk Hof het annulatiebe- roep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als een daadwerkelijk rechtsmiddel beschouwt; dat het derde middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. XIV-30.095-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig juni tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.095-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.