← België

Arrest 194828 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.828 Rolnummer: A. 191064/XIV-30873 Zaak: Arrest 194828 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:21 Fiche Arrest nr 194.828 van 29 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.828 van 29 juni 2009 in de zaak A. 191.064/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. SCHOUTEN, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 14 januari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.378 van 12 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3919 van 27 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-30.873-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 november 2006 en zich op 7 november 2006 een eerste maal vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 14 december 2006 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 19 maart 2008 deze beslissing bevestigt; Overwegende dat de verzoekende partij zich op 25 juni 2008 een tweede maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 17 september 2008 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 9 oktober 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 12 december 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 6 EVRM. Schending van art. 10, 11 en 149 van de Grondwet. Verzoeker is vooreerst van mening dat hij recht heeft een beroep in te stellen waarbij zijn zaak in openbare zitting wordt behandeld. Hij stelt dat gezien art. 20 § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zulks niet toelaat daar in eerste instantie de Raad van State de toelaatbaarheid van het verzoekschrift zal nagaan zonder enige vorm van openbare zitting. Dat zulks in strijd is met art. 149 van de Grondwet. Dat zulks in strijd is met art. 6 EVRM en er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces. Dat tevens door art. 20 § 3 verschillende categorieën ontstaan van rechtzoekende bij de Raad van State met name zij die een schorsing en annulatieberoep indienen en zij welke cassatieberoep indienen. Deze laatste categorie dient eerst door de "toelaatbaarheidsfilter" te passeren alvorens het beroep ten gronde wordt behandeld. Dat er geen objectief criterium voorhanden is om zulks een verschillende wijze van behandeling te verantwoorden. XIV-30.873-2/5 Dat in die zin twee prejudiciële vragen werd gesteld aan het Grondwettelijk Hof en deze zaken thans hangende zijn onder het rolnummer 4513 en
  4. Dat het middel gegrond is.”; 2.1.
  5. Overwegende, daargelaten de vraag of dit middel gericht is tegen het bestreden arrest, en dus tot cassatie daarvan kan leiden, dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 1/2009 van 8 januari 2009 als antwoord op een prejudiciële vraag heeft geoordeeld dat artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt dat de beschikking over de toelaatbaarheid niet wordt voorafgegaan door een terechtzitting en door niet te bepalen dat zij wordt gewezen tijdens een openbare terechtzitting, niet strijdig is met de aangehaalde bepalingen van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het E.V.R.M.; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van art. 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. Verzoeker stelt dat art. 39 voornoemd geschonden is doordat de termijn om beroep in te stellen slechts 15 dagen is. Verzoeker stelt dat art. 39 hem het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel verschaft. Dat om te beoordelen of een rechtsmiddel effectief en daadwerkelijk is de termijn om beroep in te stellen voldoende dient te zijn ten einde hem in staat te stellen een beroep te kunnen instellen. Dat dit niet zo is. Dat het weliswaar noodzakelijk is dat er een beroepstermijn wordt ingeschakeld doch verzoeker meent dat de termijn te kort is om een onderbouwd beroep te kunnen indienen. Te meer daar verzoeker gehouden is in die periode van 15 dagen alle nieuwe bewijselemen- ten te moeten voortbrengen welke de stelling van het CGVS kunnen weerleggen. Dat de afstand tussen Afghanistan en België groot is en de communicatiemiddelen beperkt. Dat redelijkerwijze verzoeker minstens een termijn zou moeten hebben van één maand om zijn beroep te kunnen voorbereiden. Dat zulks temeer van toepassing is daar de hoorplicht bij het CGVS niet van toepassing is en verzoeker niet in staat is te anticiperen op een eventuele negatieve beslissing. Dat om zijn stelling te bekrachtigen verzoeker verwijst naar volgende arresten van het Europees Hof van Justitie. Zie onder andere arrest C-255/00 van 24 september 2002 van het Hof van Justitie, arrest C-45/76 van 16 december 1976 van het Hof van Justitie. Dat verzoeker verwijst naar het feit dat bij gelijkaardige procedures met name procedures inzake gezinshereniging welke ook handelen over verblijf in het kader van Europese richtlijnen de termijn éé maand bedraagt. Dat het Grondwettelijk Hof reeds moest vaststellen dat de termijn te kort is om beroep in te stellen. Dat in tegenstrijd met het Gemeenschapsrecht het Grondwettelijk Hof het niet noodzakelijk vond om deze schending onmiddellijk te vernietigen. Dat verzoeker meent dat zulks niet kan. Derhalve verzoekt hij de Raad van State volgende prejudiciële vraag te stellen. XIV-30.873-3/5 "Voldoet een termijn van vijftien dagen voor een beroep bedoeld in artikel 39 van Procedurerichtlijn 2005/85 aan de vereisten van effectiviteit zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van justitie".”; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij tijdig beroep heeft aangetekend en niet benadeeld werd door de door haar ingeroepen onwettigheid; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; 2.3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 10 en 11 van de Belgische Grondwet; Schending van artikel 39/76 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (verder afgekort als Vreemdelingenwet); In de huidige vreemdelingenwet die België kent wordt er aan de kandidaat vluchteling in het kader van zijn procedure die hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de afwijzende beslissing van het Commissariaat- Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen NIET de mogelijkheid gegeven om te antwoorden op de repliekmemorie van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen zoals voorzien in artikel 39/69 e.v. van de Vreemdelingenwet. Bovendien kan de verwerende partij het administratief dossier maar inzien nadat de beslissing is genomen door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en vóór hijzelf beroep aantekent tegen deze beslissing. Daarna kan hij het administratief dossier maar inzien nadat een rechtsdag werd bepaald en vóór de dag van de zitting. Maar de verwerende partij heeft GEEN mogelijkheden op te antwoorden op de al dan niet nieuwe argumenten die worden aangehaald door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen. Dit in tegenstelling tot het annulatieberoep tegen beslissingen van de Dienst Vreemdeling- enzaken (Belgische Staat, Minister van Migratie en Asielbeleid) waarbij de verzoekende partij zelfs verplicht is indien men het vereiste belang in de procedure niet wenst te verliezen. Dit is overeenkomstig artikel 4, 2/ van de wet van 4 mei 2007 tot wijziging van de artikelen 39/20, 39/79 en 39/81 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 10 mei 2005, in werking getreden op 1 juni 2007) juncto artikel 39/81 Vreemdelingenwet. In dergelijke procedures heeft de verwerende partij wel degelijk nog de kans om te antwoorden op de argumentatie van de tegenpartij. Bijgevolg wordt in de huidige Vreemdelingenwet de rechten van verdediging van een kandidaat asielzoeker geschonden gezien deze niet meer kan antwoorden op de argumentatie van hel Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daarenboven wordt ook het gelijkheidsbeginsel geschonden gezien dit wel mogelijk m.b.t. de annulatieberoepen. Bijgevolg heeft de vreemdeling, kandidaat-asielzoeker, niet meer de mogelijkheid om een tijdens de procedure die een procedure met volle rechtsmacht (overeenkomstig de nieuwe wetgeving van 15 september 2006, namelijk de wet tot hervorming van de Raad van State en de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen), om nieuwe elementen voor te leggen, noch om te antwoorden op de argumentatie van de verwerende procedure. Dit in tegenstelling tot de annulatieberoep die enkel een cassatie procedure zijn. Minstens dient over deze problematiek een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Constitutioneel Hof (Conseil D'Etat, section du contentieux adminsistratif, arrest 184.227, dd. 16 juni 2008, AR 184.227/31.170).”; XIV-30.873-4/5 2.3.
  9. Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan niet blijkt - en de verzoekende partij ook niet aanvoert - dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft aangevoerd, noch dat zij een antwoord op de repliekmemorie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft willen indienen; dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet wel degelijk de mogelijkheid voorziet om nieuwe gegevens voor te leggen, los van de vaststelling dat nergens uit blijkt welke nieuwe gegevens de verzoekende partij zou hebben getracht voor te leggen; dat het middel kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat ook niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan;
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig juni tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.873-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.