← België

Arrest 194943 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.943 Rolnummer: A. 74374/X-7443 Zaak: Arrest 194943 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-23 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.943 van 30 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.943 van 30 juni 2009 in de zaak A. 74.374/X-

  1. In zake :
  2. Willem LEYS,
  3. Marleen HENDRICKX, die woonplaats kiezen bij advocaat E. STORMS, kantoor houdende te 3110 ROTSELAAR, Echostraat 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willem LEYS en Marleen HENDRICKX op 16 mei 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 maart 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen de beslissing van 14 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, waarbij hen de bouwvergunning werd verleend voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen aan de Tiensesteenweg te Bierbeek (Korbeek-Lo), kadastraal bekend sectie B, nr. 140/k; Gelet op het arrest nr. 74.106 van 3 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 juli 1998 ingediend door Willem LEYS en Marleen HENDRICKX; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-7443-1/8 Gelet op de beschikking van 11 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. Op 25 april 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek een aanvraag in voor het bouwen van een woning op een perceel, gelegen aan de Tiensesteenweg te Korbeek-Lo, kadastraal bekend sectie B, nr. 140/k. Dit perceel is volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
  7. Op 10 juni 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek de gevraagde vergunning na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. X-7443-2/8 1.
  8. Op 17 juni 1996 stellen de verzoekende partijen tegen deze beslissing bij een niet aangetekende brief administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Het beroepschrift wordt op dezelfde datum voor ontvangst getekend. 1.
  9. Op 14 november 1996 willigt de bestendige deputatie het ingestelde administratief beroep in. 1.
  10. Op 10 december 1996 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie. 1.
  11. Op 26 februari 1997 rappelleren de verzoekende partijen de zaak overeenkomstig artikel 55, § 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. 1.
  12. Op 14 maart 1997 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt de beslissing van 14 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende toekenning van een bouwvergunning aan de verzoekende partijen. Dit is het bestreden besluit, dat als volg is gemotiveerd: “Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen aan de aanvrager werd betekend op 11 juni 1996; dat betrokkene beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie bij middel van een schrijven d.d. 17 juni 1996, dat hij tegen ontvangstbewijs die dag aldaar heeft afgegeven; Overwegende dat blijkens de bepalingen van artikel 55 § 1 van de stedenbouwwet de aanvrager bij de bestendige deputatie in beroep kan komen binnen de dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het gemeentebestuur; dat het instellen van het beroep bij de bestendige deputatie echter dient te gebeuren bij aangetekende zending; dat uit het ingediend beroepschrift bij de bestendige deputatie blijkt dat geen ontvangstbewijs van de aangetekende brief aan de bestendige deputatie kan voorgelegd worden; dat enkel het bewijs ‘Voor ontvangst’ niet rechtsgeldig is, aangezien de beroepsbrief niet ‘aangetekend’ werd verstuurd; dat de particulier niet de bij de wet vastgestelde procedure heeft gevolgd, zodat bij de bestendige deputatie geen rechtsgeldig beroep werd ingesteld; dat derhalve een substantiële vormvereiste niet is nageleefd en het beroep bij de bestendige deputatie als niet-ontvankelijk diende te worden beschouwd; dat, teneinde de beslissing van de bestendige deputatie te vernietigen, het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient ingewilligd te worden”. X-7443-3/8 1.
  13. Op 8 april 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen een nieuwe bouwaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek. Die aanvraag betreft hetzelfde bouwproject. Deze nieuwe bouwaanvraag leidt uiteindelijk tot een besluit van 12 maart 1998, waarbij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligt en de beslissing vernietigt van 16 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende toekenning van een bouwvergunning aan de verzoekende partijen. Dit besluit werd door de verzoekende partijen aangevochten voor de Raad van State en dit beroep werd verworpen.
  14. Ten gronde 2.1.
  15. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 55, § 1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet). De verzoekende partijen stellen dat het bestreden besluit ten onrechte het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van 14 november 1996 inwilligt op grond van de overweging dat de eerste verzoekende partij bij de bestendige deputatie niet op rechtsgeldige wijze administratief beroep zou hebben ingesteld. Het bestreden besluit gaat er van uit dat het instellen van het beroep enkel kan gebeuren bij een aangetekende brief. De eerste verzoekende partij heeft het beroep ingesteld door afgifte van het beroepschrift bij de bestendige deputatie tegen ontvangstbewijs. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek vermeldde immers niet op welke wijze het administratief beroep moest worden uitgeoefend. Tot vóór de hoorzitting op 14 februari 1997 was met geen woord gerept over een onregelmatig instellen van het administratief beroep bij de bestendige deputatie. Ten slotte sluit de aangehaalde wetsbepaling de afgifte tegen ontvangstbewijs niet uit, terwijl de vormvoorschriften die toepasselijk zijn voor een rappelbrief uitdrukkelijk op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen dat indien er al sprake zou zijn van een onregelmatigheid, die in het begin van de betrokken beroepsprocedure moet worden opgeworpen en na de beslissing in beroep niet meer kan worden aangevoerd. X-7443-4/8 Ten slotte argumenteren de verzoekende partijen dat zij zich nooit hebben beroepen op de overschrijding van de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 55, § 1, derde lid van de stedenbouwwet. Er was bijgevolg geen instelling van het administratief beroep bij een aangetekende brief vereist om het beginpunt van die termijn te bepalen. 2.1.
  16. Artikel 55, § 1, eerste en derde lid van de stedenbouwwet luidt als volgt: “§
  17. De aanvrager kan binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het schepencollege of van de weigeringsbeslissing van de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 54, § 1, tweede lid, van die beslissing, in beroep komen bij de bestendige deputatie. Bij ontstentenis van een beslissing kan hij eveneens in beroep komen binnen dertig dagen na afloop van de in artikel 54, § 1, tweede lid, bedoelde termijn. De bestendige deputatie zendt een afschrift van het beroepschrift, binnen vijf dagen na de ontvangst, aan de gemeenten en aan de gemachtigde ambtenaar. (...) Van de beslissing van de bestendige deputatie wordt aan de aanvrager, aan het college en aan de gemachtigde ambtenaar, kennis gegeven binnen zestig dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending, die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd”. Uit de aangehaalde wetsbepaling blijkt dat het administratief beroep met een aangetekende brief moet worden ingesteld. Dit vormvereiste is opgelegd ter bescherming van de overige bij het beroep betrokken partijen, met name het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar. Alleen aan de hand van de vaste datum die blijkt uit het ontvangstbewijs van de aangetekende brief, kan worden opgemaakt of de termijn binnen dewelke de bestendige deputatie bevoegd is om zich over het beroep uit te spreken, al dan niet is verstreken. Dit laatste is niet het geval voor het instellen van het administratief beroep bij een brief die bij de beroepsoverheid wordt afgegeven, zelfs tegen ontvangstbewijs. Aangezien het betrokken vormvereiste betrekking heeft op de geldige adiëring van de beroepsinstantie en op de ontvankelijkheid van het administratief beroep, is niet vereist dat de naleving ervan uitdrukkelijk door de stedenbouwwet op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven. Om dezelfde reden kan de schending van dit vormvereiste ook tijdens de er op volgende beroepsprocedure worden ingeroepen, nu ze de geldigheid van de beslissing van de bestendige deputatie aantast. X-7443-5/8 Uit artikel 2, 4/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur vloeit weliswaar voort dat in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen moet worden vermeld wat de beroepsmogelijkheden zijn, bij welke instanties beroep kan worden ingesteld en welke vormen en termijnen daarbij in acht moeten worden genomen, doch de niet-naleving van die verplichting heeft niet de nietigheid van de betrokken beslissing tot gevolg, maar enkel dat de verjaringstermijn voor het instellen van het beroep geen aanvang neemt. Alleszins heeft die bepaling niet tot gevolg dat het administratief beroep op de wijze zoals het werd ingesteld door de eerste verzoekende partij, alsnog moet worden geacht ontvankelijk te zijn. In deze omstandigheden is het ten slotte irrelevant dat de verzoekende partijen, zoals zij argumenteren, geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om zich tot de Vlaamse regering te wenden na het verstrijken van de termijn van zestig dagen waarbinnen de bestendige deputatie zich moet uitspreken, aangezien het vormvereiste met betrekking tot het instellen van het administratief beroep is voorgeschreven ter bescherming van de andere bij het beroep betrokken partijen en niet in het belang van de aanvrager van de vergunning. 2.1.
  18. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
  19. In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van “de beginselen van behoorlijk bestuur”. De verzoekende partijen stellen dat zij enkel de instructies van de overheid gevolgd hebben en dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen geen verwijzing bevatte naar de beroepsmogelijkheden, de beroepsinstanties en de geldende vormen en termijnen. Toen zij inlichtingen inwonnen bij de diensten van de bestendige deputatie werd hen meegedeeld dat het beroepschrift per drager kon worden bezorgd. Deze vorm werd door de overheid aanvaard, zoals blijkt uit het ontvangstbewijs. Het rechtmatig vertrouwen van de verzoekende partijen in de werking van de overheidsdiensten werd bijgevolg geschokt en de inwilliging van het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar is in die omstandigheden onwettig. 2.2.
  20. Het middel wordt door de verzoekende partijen zo omschreven en moet zo worden begrepen dat het een schending van het vertrouwensbeginsel inhoudt, zijnde het beginsel dat moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put, te kort worden gedaan. Dit houdt in dat X-7443-6/8 de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. De toepassing van dit beginsel kan er evenwel niet toe leiden dat de verwerende partij gedwongen zou zijn een beslissing die, zoals blijkt uit de bespreking van het eerste middel, aangetast is door onwettigheid, onaangeroerd te laten en het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep te verwerpen omwille van de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Voor wat betreft het niet vermelden van de gegevens met betrekking tot de beroepsmogelijkheden in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel, waaruit bleek dat daarvoor in een aangepaste sanctie is voorzien, die er te dezen evenwel niet toe leidt dat het bestreden besluit aangetast is door onwettigheid. 2.2.
  21. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.
  22. In ondergeschikte orde wordt in een derde middel de schending aangevoerd van “de bepalingen van de Stede(n)bouwwet (...) m.b.t. de gewestplannen en de bouwvergunning”. De verzoekende partijen stellen dat de gemachtigde ambtenaar in zijn beroepschrift voorhoudt dat de bouwaanvraag een woning betreft die zou worden opgericht op ongeveer 90 meter afstand van de wegas, terwijl de andere woningen in de onmiddellijke omgeving op 13 meter afstand van de wegas werden opgetrokken. Bovendien is de gemachtigde ambtenaar van oordeel dat de woning op het aanpalende perceel aan de linkerzijde een halfopen bebouwing betreft met een wachtgevel. Voorts meent de gemachtigde ambtenaar dat het perceel aan de linkerzijde onvoldoende breed is om bestemd te blijven voor een vrijstaande woning en dat op het bouwperceel een woning in halfopen bebouwing moet worden opgetrokken tegen de linkerperceelgrens, terwijl nochtans een rooilijn van 21 meter van toepassing is. Ten slotte stelt de gemachtigde ambtenaar dat het oprichten van een woning op het achterliggende perceel een verkwisting zou inhouden van potentiële bouwmogelijkheden. Deze stellingen zijn volgens de verzoekende partijen een miskenning van de plaatselijk toegelaten bouwwijze en van een goede ruimtelijke ordening, zoals zij aan de hand van een aantal argumenten betogen. 2.3.
  23. In dit middel bekritiseren de verzoekende partijen niet de beoordeling van de bouwaanvraag in het bestreden besluit, aangezien dit besluit enkel de beslissing van de bestendige deputatie heeft vernietigd omwille van het niet X-7443-7/8 naleven van een substantieel vormvereiste, zoals blijkt uit de bespreking van het eerste middel. De kritiek van de verzoekende partijen op de stellingname in het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar over de bouwaanvraag, kan in die omstandigheden niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. 2.3.
  24. Het derde middel is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7443-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.943 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.