← België

Arrest 194944 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.944 Rolnummer: A. 78079/X-8069 Zaak: Arrest 194944 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.944 van 30 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.944 van 30 juni 2009 in de zaak A. 78.079/X-

  1. In zake :
  2. Willem LEYS,
  3. Marleen HENDRICKX, die woonplaats kiezen bij advocaat E. STORMS, kantoor houdende te 3110 ROTSELAAR, Echostraat 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willem LEYS en Marleen HENDRICKX op 31 maart 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 maart 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 16 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hen de bouwvergunning werd verleend voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen aan de Tiensesteenweg te Bierbeek (Korbeek-Lo), kadastraal bekend sectie B, nr. 140/k, anderdeels, vernietiging van voornoemde beslissing van 16 september 1997 van de bestendige deputatie; Gelet op het arrest nr. 79.757 van 2 april 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 29 april 1999 ingediend door Willem LEYS en Marleen HENDRICKX; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-8069-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. Op 25 april 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek een eerste aanvraag in voor het bouwen van een woning op een perceel, gelegen aan de Tiensesteenweg te Korbeek-Lo, kadastraal bekend sectie B, nr. 140/k. Dit perceel is volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
  7. Deze eerste aanvraag leidt tot een besluit van 14 maart 1997, waarbij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke X-8069-2/11 Ordening het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligt en de beslissing vernietigt van 14 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende toekenning van een bouwvergunning aan de verzoekende partijen. Dit besluit werd door de verzoekende partijen aangevochten voor de Raad van State en dit beroep werd verworpen. 1.
  8. Op 8 april 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen een nieuwe bouwaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek. Die aanvraag betreft hetzelfde bouwproject. 1.
  9. Op 5 mei 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bierbeek de gevraagde bouwvergunning na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  10. Op 15 mei 1997 stellen de verzoekende partijen administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. 1.
  11. Op 16 september 1997 willigt de bestendige deputatie het ingestelde administratieve beroep in en verleent zij de gevraagde vergunning. 1.
  12. Op 25 november 1997 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie. 1.
  13. Op 1 december 1997 bezorgen de verzoekende partijen hun argumentatie aan de Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening. 1.
  14. Op 2 maart 1998 rappelleren de verzoekende partijen de zaak overeenkomstig artikel 53, § 2, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  15. 1.
  16. Op 12 maart 1998 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar in te willigen en de beslissing van 16 september 1997 van X-8069-3/11 de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende toekenning van een bouwvergunning aan verzoekende partijen te vernietigen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het oprichten van een vrijstaande eengezinswoning; dat de inplanting van deze woning voorzien is op circa 80,00m uit de as van de Tiensesteenweg; dat de bouwplaats te bereiken is via een smal bouwperceel dat circa 9,00m breedte heeft aan de straatkant; dat een bouwstrook is gepland van 13,00m bij 9,30m bouwbreedte gelegen op 15,00m van de voorste eigendomsgrens en op 19,20m afstand van de linker zijdelingse perceelsgrens; dat het gebouw afgedekt wordt met een zadeldak bij een totale nokhoogte van circa 11,00m; dat het geplande gebouw wordt voorzien achter de normale strook met lintbebouwing aan de Tiensesteenweg; dat op het linksaanpalend perceel zich een woning bevindt in half-open bebouwing met wachtgevel; dat het betrokken perceel gelegen is aan de gewestweg N3 Leuven-Tienen; Overwegende dat, volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1997 vastgestelde gewestplan Leuven, het eigendom gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat, ook wanneer het project in overeenstemming is met de op het gewestplan aangeduide bestemming, het de taak van de daartoe bevoegde overheid blijft te waken over een degelijke stedenbouwkundige aanleg van de plaats; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat door het college van burgemeester en schepenen, in zitting van 14 april 1997, volgend voorwaardelijk gunstig pré-advies werd uitgebracht: ‘Het bouwen van een alleenstaande ééngezinswoning op een achtergelegen terrein, na gedeeltelijk slopen van een bestaande berging. Gezien de rooilijn van de Tiensesteenweg op 21 m komt is bij een half-open bebouwing de wachtgevel half vrij en kan men de bouwdiepte van 15 m nauwelijks gebruiken, nl. aangebouwde veranda. Gelet op het feit dat dit perceel volledig gelegen is in het woongebied bestaat de mogelijkheid op het achterliggend gedeelte een woning te bouwen, mits de wachtgevel af te werken’; Overwegende dat voor het betrokken eigendom een stedebouwkundig attest nr. 2 werd gevraagd; dat door de gemachtigde ambtenaar op 25 april 1995 een ongunstig advies werd verstrekt met betrekking tot het oprichten van een vrijstaande woning; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek van onderhavige aanvraag blijkt dat de woning op het linksaanpalend perceel X-8069-4/11 onvoldoende breed is om beschouwd te worden als een perceel voor het oprichten van een woning in open bebouwing; dat trouwens deze woning niet geconcipieerd werd om omgevormd te worden tot een open bebouwing; dat het betrokken gebouw alle kenmerken vertoont om afgewerkt te worden met een andere half-open bebouwing; dat het perceel vooraan, waar de toegangsweg tot het achterliggend bouwperceel zich bevindt, normalerwijze bestemd is voor hoofdgebouwen; dat de bestaande lintbebouwing in de onmiddellijke omgeving hiervan een bevestiging is; dat de breedte van het perceel vooraan trouwens van dien aard is dat tegen de bestaande wachtgevel op de perceelsgrens nog een woning in half-open bebouwingswijze kan aangebouwd worden; dat niets de realisatie van deze stedenbouwkundig verantwoorde bestemming belet; dat om deze reden de aanvraag stedenbouwkundig onaanvaardbaar is, omdat geen afwerking van de wachtgevel is voorzien; Overwegende dat om voornoemde reden dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en bijgevolg niet voor vergunning vatbaar is; dat de beslissing van de bestendige deputatie dan ook in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen en diens beroep derhalve voor inwilliging vatbaar”.
  17. Ontvankelijkheid 2.
  18. De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is omdat in geen van de vijf middelen voldoende precies wordt weergegeven welke rechtsregel is geschonden. Er wordt in elk middel een schending ingeroepen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), zonder verdere specificatie aangaande de precies geschonden rechtsregel. 2.
  19. Het toentertijd geldende artikel 2, § 1, 2) van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt onder meer dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden. Het is niet vereist dat in het verzoekschrift de precieze wetsbepalingen worden geciteerd die zouden zijn geschonden, op voorwaarde dat voldoende duidelijk naar voor komt waarop de beweerde onregelmatigheid of onwettigheid van het bestreden besluit berust. Uit de uiteenzetting in de toelichting bij elk van de vijf middelen geven de verzoekende partijen in voldoende duidelijke mate weer wat hun juridische grieven zijn tegen het bestreden besluit. Het feit dat zij in die omstandigheden niet de precieze bepaling weergeven van het X-8069-5/11 gecoördineerde decreet die zij geschonden achten, brengt de ontvankelijkheid van die middelen niet in het gedrang. De exceptie is niet gegrond.
  20. Ten gronde 3.
  21. In alle vijf middelen voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de bepalingen van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996”. In het vijfde middel wordt tevens de schending aangevoerd van “de beginselen van behoorlijk bestuur”. Gelet op hun nauwe inhoudelijke samenhang worden deze middelen samen besproken. 3.1.
  22. In het eerste middel argumenteren de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat de links aanpalende woning niet geconcipieerd is om te worden omgevormd tot een open bebouwing en dat de woning integendeel alle kenmerken vertoont om te worden afgewerkt met een andere halfopen bebouwing. De verzoekende partijen stellen dat hierdoor de plaatselijke toegelaten bouwwijze wordt miskend, aangezien een nieuwbouw volgens de huidige normen van de regie der wegen 21 meter van de aslijn van de Tiensesteenweg verwijderd moet blijven, wat tot gevolg heeft dat hooguit de helft van de bestaande wachtgevel benut zou kunnen worden. De betrokken achteruitbouwlijn is bindend en er kan bijgevolg niet gebouwd worden zoals in het bestreden besluit wordt voorgehouden. 3.1.
  23. In een tweede middel betogen de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat de voorzijde van het perceel normalerwijze bestemd is voor hoofdgebouwen, aansluitend op de bestaande lintbebouwing in de onmiddellijke omgeving. De verzoekende partijen stellen dat de achterzijde van het perceel integendeel volwaardige bouwgrond vormt met een uitweg langs de voorzijde van het perceel. Zoals in het eerste middel is uiteengezet, kan op de voorzijde van het perceel niet worden gebouwd, gelet op de achteruitbouwlijn van 21 meter. Die bouwwijze zou overigens voor de buren aan de linkerzijde ernstige nadelen opleveren, omdat de bezonning van hun achtergevel, veranda en achtertuin in het gedrang zou komen. De oprichting van de woning op de achterzijde van het perceel zou de naastliggende percelen niet belasten en roept ook geen esthetische bezwaren op, te meer daar aan anderen in de onmiddellijke omgeving wel een uitweg werd toegekend. X-8069-6/11 3.1.
  24. In een derde middel argumenteren de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat de breedte van de voorzijde van het perceel van die aard is dat tegen de bestaande wachtgevel aan de linkerzijde nog een woning als halfopen bebouwing kan worden opgericht en dat niets de realisatie van die stedenbouwkundig verantwoorde bestemming belet. De verzoekende partijen brengen daar tegen in dat deze argumentatie andermaal een miskenning inhoudt van de achteruitbouwlijn van 21 meter en dat de resterende bouwdiepte (rekening houdend met die achteruitbouwlijn) niet toelaat een woning op te richten die voldoet aan de huidige, moderne normen. De geringe perceelbreedte zou immers slechts een woning van ongeveer 6 meter breed mogelijk maken. Bovendien zou een nieuwe wachtgevel ontstaan aan de linkerzijde van het perceel, achter het gebouw aan de linkerzijde. 3.1.
  25. In een vierde middel betogen de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat de bouwaanvraag onaanvaardbaar is omdat niet wordt voorzien in een afwerking van de wachtgevel. Zij stellen dat zij steeds expliciet hebben bevestigd dat zij de betrokken wachtgevel zouden afwerken met een gevelparament. 3.1.
  26. In een vijfde middel argumenteren de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat de aanvraag de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en dat de door de bestendige deputatie afgeleverde vergunning in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. De verzoekende partijen stellen dat de goede ruimtelijke ordening beslist niet in het gedrang komt. Deze motivering is allicht een verwijzing naar de stelling van de gemachtigde ambtenaar, die in zijn beroepschrift stelde dat het binnengebied, gelegen tussen de Tiensesteenweg en de Pimberg niet verder benut kan worden. Die laatste stelling is evenwel incorrect, tegenstrijdig en niet wettelijk, aangezien het betrokken perceel volwaardige bouwgrond is met bouwrecht en het binnengebied enkel hun bouwgrond omvat, alsook een andere onbebouwde grond van het OCMW van Bierbeek. Dat binnengebied is nog niet gestructureerd en er kan dan ook niet worden voorgehouden dat de oriëntatie van de woning volgens de bouwaanvraag in strijd is met onzekere toekomstige bebouwing in dat binnengebied. De verzoekende partijen verkwisten in hun bouwaanvraag bijgevolg geen bouwmogelijkheden, aangezien hun bouwproject conform de bouwvoorschriften en reglementeringen is, zoals de bestendige deputatie in haar beslissing bevestigde. De argumentatie in het bestreden besluit berust bijgevolg niet X-8069-7/11 op vaststaande stedenbouwkundige gegevens, maar op een subjectieve beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. 3.2.
  27. De argumentatie van de verzoekende partijen kan begrepen worden als een aangevoerde schending van de in artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet vervatte motiveringsplicht, in de mate dat zij stellen dat het bestreden besluit gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens of dat het de feitelijke gegevens onjuist of niet afdoende heeft beoordeeld. De middelen worden in die interpretatie besproken. Tevens maken de verzoekende partijen in het eerste en tweede middel gewag van “willekeur” en “machtsafwending”, zodat ook de aangevoerde schending van de ermee overeenstemmende beginselen wordt besproken. 3.2.
  28. Overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 45 van het gecoördineerde decreet moeten voor een bouwwerk, gelegen aan een grote weg, de verordeningen en adviezen van de betrokken administratie, in casu de afdeling Wegen van de administratie Wegen en Verkeer, in acht worden genomen. In zijn advies van 25 april 1997 over de bouwaanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit, stelt de gemachtigde ambtenaar hierover het volgende: “Voor (...) de situering van de rooi- en bouwlijn van de Tiensesteenweg verwijs ik naar de bouwaanvraag op het perceel sectie B nr. 215h-216p (Tiensesteenweg 158a) waar het advies dd. 17 mei 1995 van de afdeling Wegen Vlaams-Brabant de bouwlijn vaststelde op 13 m uit de as van de weg. De rooilijn van de Tiensesteenweg aldaar is immers geen bij KB goedgekeurde rooilijn waardoor kan afgeweken worden van de gehanteerde normen langsheen gewestwegen (21 m uit de as van de weg)”. De verzoekende partijen verwijzen in hun argumentatie bij het eerste middel naar “de achteruitbouwlijn van 21 meter (Besluit Hoofdbestuur dd. 30.7.1957)”, zonder dat evenwel verder uit te werken of te concretiseren. Voorts verwijzen de verzoekende partijen naar een andere bouwaanvraag met betrekking tot de uitbreiding van een winkelruimte voor een perceel, gelegen aan de overzijde van de Tiensesteenweg. Voor die bouwaanvraag bepaalde de afdeling Wegen Vlaams-Brabant in een advies van 9 mei 1995 de rooilijn op 13 meter, “zoals aangeduid op het goedgekeurd rooilijnplan KN.10.739”. In dat advies wordt ook een bouwvrije zone van 8 meter vermeld, maar uit het advies kan niet worden opgemaakt dat die bouwvrije zone ook van toepassing zou X-8069-8/11 zijn aan de zijde van de Tiensesteenweg waar het perceel van de verzoekende partijen is gelegen. In de beslissing van de bestendige deputatie van 16 september 1997 wordt melding gemaakt van een “oude achteruitbouwlijn, (15m/2 straatbreedte) + 5 (voortuinstrook) = 12.5 m uit de as van de Tiensesteenweg”, maar er wordt aan toegevoegd “dat de nieuwe rooilijn nog niet vastligt in een goedgekeurd rooilijnplan” en “dat niettemin het aanbouwen van een woning voor de toekomstige rooilijn zou leiden tot de verplichte afstand van meerwaarde voor de gehele woning; dat deze maatregel te overwegen is voor een kleine verbouwing (waarvan een precedent in de onmiddellijke omgeving), maar niet voor een volledige nieuwbouw”. Verder in die beslissing wordt uitgegaan van een achteruitbouwlijn van 21 meter, waarbij niet duidelijk is of wordt gerefereerd aan het door de verzoekende partijen aangehaalde “Besluit Hoofdbestuur dd. 30.7.1957”, dan wel aan het voordien vermelde toekomstige rooilijnplan. 3.2.
  29. Uit deze gegevens kan niet worden opgemaakt wat nu precies de rooilijn is die in acht genomen moet worden voor het betrokken perceel. Er kan echter nog veel minder uit worden opgemaakt, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, dat voor het betrokken perceel een bindende rooilijn van 21 meter zou bestaan, dan wel een combinatie van een rooilijn en een bouwvrije zone die tot gevolg heeft dat de bouwlijn voor het betrokken perceel op 21 meter van de wegas zou liggen. Indien moet worden aangenomen, zoals uit de beslissing van de bestendige deputatie kan worden opgemaakt, dat een voornemen bestaat om in de toekomst een rooilijn van 21 meter vast te stellen, kon dit voornemen alleszins de vergunningverlenende overheid niet binden. De verzoekende partijen maken bijgevolg niet aannemelijk dat het bestreden besluit ingaat tegen een bestaand bindend rooilijnplan of tegen een advies van de afdeling Wegen, door uit te gaan van de mogelijkheid van de oprichting van de woning aan de voorzijde van het perceel, aansluitend op de wachtgevel aan de linkse perceelgrens. 3.2.
  30. De bezwaren die de verzoekende partijen aanvoeren tegen een oprichting van de woning, ten dele aansluitend op de wachtgevel aan de linkse perceelgrens, missen daardoor ook feitelijke grondslag, nu uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit vermocht uit te gaan van de oprichting van de woning met volledige (en niet gedeeltelijke) aansluiting op de wachtgevel. X-8069-9/11 De bezwaren die zij aanvoeren met betrekking tot de beperkte breedte van zes meter van een woning die kan worden opgericht aan de voorzijde van het perceel, overtuigen evenmin. Bovendien is het betrokken perceel aan de voorzijde ongeveer negen meter breed. Het gebouw aan de rechterzijde, dat zich nog op enige afstand van de rechtse perceelgrens bevindt, heeft blijkens de bij de bouwaanvraag gevoegde foto’s weliswaar vensters in de zijgevel, maar daaruit kan nog niet worden afgeleid dat een gebouw op de voorzijde van het betrokken perceel, aansluitend op de wachtgevel aan de linkse perceelgrens, slechts zes meter breed kan zijn. De overweging in het bestreden besluit dat “om deze reden de aanvraag stedenbouwkundig onaanvaardbaar is, omdat (in) geen afwerking van de wachtgevel is voorzien”, verwijst niet naar de afwerking van de wachtgevel met een bepaalde gevelbekleding, maar naar het aanbouwen van een woning op het betrokken perceel tegen de wachtgevel, zoals uit de ruimere context kan worden opgemaakt. Het betreft bijgevolg geen foutieve of tegenstrijdige overweging. 3.2.
  31. De vergunningverlenende overheid vermocht voorts te oordelen dat de oprichting van een woning aan de achterzijde van het betrokken perceel, in het binnengebied gelegen tussen de Tiensesteenweg en de Pimberg, “de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt” en “in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw”. Ook voor een nog niet bebouwd of verkaveld binnengebied kan de vergunningverlenende overheid een stedenbouwkundig beleid voeren met betrekking tot bouwaanvragen die op dat binnengebied betrekking hebben en moet zij met name de goede plaatselijke ordening betrekken bij de beoordeling van die bouwaanvragen. Die beoordeling kan ertoe leiden dat bouwaanvragen worden geweigerd omdat ze niet verenigbaar zijn met de beleidsvisie die de vergunningverlenende overheid hanteert met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het betrokken binnengebied. De verzoekende partijen tonen alleszins niet aan dat die beleidsvisie kennelijk onredelijk zou zijn en geen afdoende motivering kan vormen voor het bestreden besluit. Dat die beleidsbeoordeling niet gebaseerd is op vaststaande gegevens, maar op een subjectieve beoordeling, zoals de verzoekende partijen argumenteren, doet geen afbreuk aan deze vaststelling. 3.2.
  32. Aangezien het bestreden besluit aldus op goede gronden de voorkeur geeft aan de oprichting van de woning op een andere plaats (aan de voorzijde van het perceel), veeleer dan op de plaats waar de verzoekende partijen X-8069-10/11 de woning wensten op te richten, blijkt ook niet dat sprake is van willekeur of van machtsafwending, temeer daar de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat het bestreden besluit is ingegeven door andere overwegingen dan het algemeen belang en de goede plaatselijke ordening. 3.2.
  33. De vijf middelen zijn niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8069-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.944 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.