id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.945 Rolnummer: A. 191322/IX-6208 Zaak: Arrest 194945 - Jacht - Vergunningen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.945 van 30 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Vergunningen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.945 van 30 juni 2009 in de zaak A. 191.322/IX-
- In zake : Henri DEWICKE, die woonplaats kiest bij advocaat G. AMPE, kantoor houdende te OOSTENDE, Kerkstraat 8 bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Henri DEWICKE op 4 februari 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 8 december 2008, waarbij het beroep wordt afgewezen dat hij heeft ingediend tegen de weigering van de arrondissementscommissaris van 4 augustus 2008 om hem een jachtverlof te verlenen voor het jachtseizoen 2008-2009; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 maart 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6208-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. CHRISTIAENS die, loco advocaat G. AMPE, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker is gepensioneerd. Naar eigen zeggen beoefent hij “sinds jaar en dag” de jacht als hobby en verkreeg hij daarvoor steeds een jachtverlof. 1.
- Op 8 juni 2007 weigert de arrondissementscommissaris aan de verzoeker een jachtverlof voor het jachtseizoen 2007-
- Ter motivering van zijn beslissing verwijst de arrondissementscommissaris naar artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen (hierna: het koninklijk besluit van 28 februari 1977), luidens hetwelk het jachtverlof kan worden geweigerd aan “degenen wier slecht gedrag, geestestoestand of vorig gedrag laat veronderstellen dat zij een slecht gebruik van hun wapens maken”, alsook naar “de beslissing van de gouverneur d.d. 20 juli 2006 [waarbij] de vergunningen [van de verzoeker] voor het voorhanden hebben van een reeks verweervuurwapens werden ingetrokken”. De verzoeker stelt tegen deze weigering beroep in bij de gouverneur, die echter oordeelt dat hij, gelet op de adviezen die hem werden verleend door de arrondissementscommissaris en de procureur des Konings, de uitreiking van het jachtverlof niet kan bevelen en daarom het dossier van de verzoeker met toepassing van artikel 8, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 overmaakt aan het Agentschap voor Natuur en Bos. IX-6208-2/13 Op 18 februari 2008 bevestigt het Agentschap voor Natuur en Bos de beslissing van de arrondissementscommissaris van 8 juni
- Het steunt deze bevestiging op “de ongunstige adviezen van de arrondissementscommissaris, de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen en de procureur des Konings te Veurne”. Het bedoelde advies van de procureur des Konings van 11 december 2007 luidt als volgt: “Met verwijzing naar uw brief van 03.07.2007, heb ik de eer u te laten weten dat Henri Dewicke een blanco strafregister heeft. Evenwel wens ik u het volgende ter kennis te brengen. Op 17.05.2006 werd door de PZ Polder een klacht opgenomen lastens Henri Dewicke wegens vergiftiging van een hond. Het bleek dat het dier was gestorven na het opeten van een met een landbouwinsecticide gevulde viskop. Volgens de lokale politie ‘is het geweten dat Dewicke als fervent jager tot alles in staat is’ en bepaalde overeenstemmende vermoedens wezen in zijn richting, doch uiteindelijk werd de zaak geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen. Op 03.05.2007 werd lastens betrokkene een nieuw proces-verbaal opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos wegens illegale vogelvangst. Dewicke had op zijn jachtgronden te Lo-Reninge kooien opgesteld om eksters te vangen (VU63.H2.151049-07). Ter plaatse werd ook een mogelijk vergiftigd ei gevonden (resultaat onderzoek RU Gent nog niet gekend). In deze laatste zaak zal de heer Dewicke kortelings door mijn ambt worden gedagvaard. De heer Dewicke heeft aldus niet de passende moraliteit om een jachtverlof te kunnen bekomen, zodat mijn ambt adviseert om zijn beroep af te wijzen.” De verzoeker vecht de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 18 februari 2008 niet aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. 1.
- Bij arrest nr. 180.175 van 28 februari 2008 vernietigt de Raad van State onder meer de voormelde beslissing van de gouverneur van 20 juli 2006 betreffende de intrekking van verzoekers vergunningen voor het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens. 1.
- De verzoeker dient vervolgens een aanvraag in tot het verkrijgen van een jachtverlof voor het jachtseizoen 2008-
- IX-6208-3/13 1.
- De arrondissementscommissaris beslist op 4 augustus 2008 aan de verzoeker geen jachtverlof voor het jachtseizoen 2008-2009 te verlenen. Hij steunt zijn beslissing andermaal op artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977, alsook op de volgende motieven: “Gelet op het proces-verbaal VU63.H2.151049-07 d.d. 3 mei 2007, het proces-verbaal van verhoor van de heer Dewicke en het navolgend proces- verbaal waarbij werd vastgesteld dat de betrokkene werd betrapt op het plaatsen van illegale vogelvangstkooien en er in de directe omgeving ook verdachte eieren (wellicht met gif) werden aangetroffen; Gelet op het advies van de heer procureur des Konings van Veurne d.d. 18 juli 2008 waarin gemeld wordt dat de betrokkene in het dossier VU63.H2.151049-07 een minnelijke schikking betaalde van 250 euro; Gelet op het voormelde advies van de heer procureur des Konings waarin wordt vermeld dat ook in 2006 lastens de heer Dewicke een proces-verbaal werd opgesteld voor het vergiftigen van een hond en verdachte eieren; Dat de heer procureur des Konings adviseert om de heer Dewicke elk jachtverlof te weigeren, gelet op het feit dat de betrokkene slecht staat aangeschreven bij de politie door verschillende aan de jacht gerelateerde inbreuken; Overwegende dat het recente vorig gedrag van de verzoeker ernstige bedenkingen laat over de discipline van betrokkene, dat hierdoor mogelijks een verhoogde kans bestaat dat de heer Henri Dewicke een slecht gebruik van zijn jachtwapen maakt;” 1.
- Met een schrijven van 12 augustus 2008 dient de verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de gouverneur. In zijn beroepschrift voert hij aan, wat de feiten betreft waarvan sprake in het proces-verbaal VU63.H2.151049-07, dat het plaatsen van een kooi ter bestrijding van rechtbekken is toegelaten, mits voorafgaande melding, die hij vergeten was te doen. Voorts stelt hij dat in de beslissing van de arrondissementscommissaris onjuiste beschuldigingen worden aangehaald, waarvan elk bewijs ontbreekt. 1.
- Met brieven van 20 augustus 2008 en 15 september 2008 verlenen respectievelijk de arrondissementscommissaris en de procureur des Konings aan de gouverneur advies over verzoekers beroep. De arrondissementscommissaris herhaalt in essentie de motivering van zijn beslissing waartegen het beroep werd ingediend. Hij besluit dat de verzoeker het niet altijd nauw neemt met de bestaande wetgeving en derhalve geen IX-6208-4/13 garanties biedt voor de naleving van de jachtwetgeving en dat “een potentieel slecht gebruik van zijn wapen [...] in deze context niet verwonderlijk [zou] zijn”. De procureur des Konings verwijst andermaal naar de gegevens van het dossier VU63.H2.151049-07 en vermeldt dat ook in 2006 ten laste van de verzoeker een proces-verbaal werd opgesteld voor het vergiftigen van een hond en verdachte eieren en dat de verzoeker bij de lokale politie slecht staat aangeschreven door verschillende aan de jacht gerelateerde inbreuken. 1.
- Met een brief van 26 september 2008 deelt de gouverneur aan het Agentschap voor Natuur en Bos mee dat hij gelet op de beide adviezen de uitreiking van het jachtverlof niet kan bevelen en daarom het dossier van de verzoeker met toepassing van artikel 8, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 weer overmaakt aan het voornoemde agentschap. 1.
- Met een brief van 8 december 2008 wordt namens de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos aan de verzoeker meegedeeld: “[...] Na onderzoek van het dossier moet ik u meedelen dat ik de beslissing bevestig van de arrondissementscommissaris van Brugge van 4 augustus 2008 waarbij hij weigert [...] een jachtverlof uit te reiken voor het jachtseizoen 2008- 2009, op basis van artikel 7, 3/, van [het koninklijk besluit van 28 februari 1977]. Op grond van dit artikel wordt u dan ook een jachtverlof geweigerd voor het jachtseizoen 2008-
- Mijn beslissing is gebaseerd op de ongunstige adviezen van de arrondissementscommissaris, de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen en van de procureur des Konings te Veurne. [...]” Dit is de bestreden beslissing. Ontvankelijkheid van de vordering 2.
- De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij laat gelden dat zij verzoekers administratief beroep snel heeft afgehandeld, maar dat de verzoeker bijna de volledige beroepstermijn heeft laten voorbijgaan alvorens de voorliggende vordering bij de Raad van State in te IX-6208-5/13 dienen, waardoor het jachtseizoen op dat ogenblik al grotendeels was verstreken. Vermits een schorsing van de bestreden beslissing er niet meer toe kan leiden dat de verzoeker alsnog een jachtverlof voor het jachtseizoen 2008-2009 verkrijgt, heeft hij volgens de verwerende partij geen belang bij zijn vordering. 2.
- Een schorsing geldt per definitie ex nunc. Als zodanig verhindert zij alleen de toekomstige tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Vermits het jachtseizoen 2008-2009 op 30 juni 2009 verstrijkt, moet de verwerende partij in zoverre worden bijgevallen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing er niet meer toe kan leiden dat de verzoeker alsnog een jachtverlof voor het jachtseizoen 2008-2009 verkrijgt waarvan hij nuttig gebruik kan maken. Dit sluit echter niet uit dat de bestreden beslissing de verzoeker ook ná het jachtseizoen 2008-2009 nadeel kan berokkenen. Uit de uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat de bestreden beslissing gesteund is op feiten uit het verleden die ook reeds aan de basis lagen van de weigering van een jachtverlof aan de verzoeker voor het jachtseizoen 2007-
- Met het jachtseizoen 2009-2010 in het verschiet, lijkt niet te kunnen worden uitgesloten dat die feiten door de arrondissementscommissaris, of na beroep, door de gouverneur, desgevallend het Agentschap voor Natuur en Bos, wederom in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van verzoekers aanvraag van een jachtverlof voor het nieuwe jachtseizoen. Artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 bepaalt: “Wordt het beroep tegen de weigering van een jachtverlof, overeenkomstig § 1 van dit artikel ingewilligd, dan kunnen de redenen waarop de weigering gegrond was niet meer in aanmerking worden genomen bij de beslissing over een volgende aanvraag tot jachtverlof.” Deze bepaling legt uitdrukkelijk een verband tussen de beslissing waarbij het administratief beroep tegen de weigering van een jachtverlof wordt ingewilligd en de beslissing over een volgende aanvraag: de redenen waarop de weigering van het jachtverlof werd gesteund, mogen niet meer in aanmerking worden genomen. IX-6208-6/13 Mede in het licht van deze bepaling heeft de verzoeker er belang bij, met het oog op de behandeling van zijn aanvraag van een jachtverlof voor het jachtseizoen 2009-2010, vastgesteld te zien -zij het dat dit in het kader van een administratief kort geding slechts een voorlopige vaststelling kan zijn- dat de redenen waarop de bestreden weigering van het jachtverlof werd gesteund, niet deugdelijk zijn. Te dezen heeft de verzoeker derhalve nog een actueel belang bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernstig middel 4.
- De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De verzoeker betoogt dat de weigering van het jachtverlof gesteund is op artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977, maar dat niet wordt aangegeven waaruit dan wel zijn “slecht gedrag” of “vorig gedrag” zou bestaan of wat er verkeerd zou zijn aan zijn geestestoestand, dat zou toelaten te veronderstellen dat hij een slecht gebruik van zijn wapens zou kunnen maken. Voorts laat hij gelden dat de bestreden beslissing verwijst naar de adviezen van de arrondissementscommissaris, de procureur des Konings en de gouverneur. De adviezen van de arrondissementscommissaris en de gouverneur zijn IX-6208-7/13 evenwel gesteund op het advies van de procureur des Konings en verbinden daaraan de conclusie dat de verzoeker het niet altijd even nauw neemt met de bestaande wetgeving en derhalve geen garanties biedt dat hij de jachtwetgeving nauwgezet naleeft. Volgens de verzoeker blijkt uit niets dat hij een inbreuk zou hebben gemaakt op enig jachtvoorschrift. Hij beklemtoont dat hij, integendeel, “een uitstekende en onbesproken reputatie” heeft. De verzoeker argumenteert dat volgens het advies van de procureur des Konings hij bij de lokale politie slecht staat aangeschreven omwille van verschillende aan de jacht gerelateerde inbreuken, maar dat “de schamele argumentatie” die daarvoor wordt aangehaald, elke feitelijke grondslag mist. De verzoeker wijst erop dat de procureur des Konings in zijn advies van 11 december 2007 nog uitdrukkelijk vermeldde dat in 2006 ten laste van de verzoeker een proces- verbaal werd opgesteld wegens de vergiftiging van een hond, maar dat de zaak werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen, terwijl de procureur in zijn advies van 15 september 2008 alleen nog melding maakt van een proces-verbaal voor het vergiftigen van een hond en verdachte eieren, zonder daaraan toe te voegen dat er een seponering is gevolgd wegens onvoldoende bewijzen. Wat het dossier VU63.H2.151049-07 betreft, stelt de verzoeker dat de procureur in zijn advies van 11 december 2007 dienaangaande nog een dagvaarding aankondigde, maar in zijn advies van 15 september 2008 vermeldt dat de zaak werd afgesloten door het aanvaarden van een minnelijke schikking. Volgens de verzoeker is de arrondissementscommissaris ten onrechte ervan uitgegaan dat gelet op de aangegane minnelijke schikking elke verdere discussie over de beweerde inbreuk uitgesloten is. Een minnelijke schikking houdt, aldus de verzoeker, geen erkenning van schuld in. Zelfs indien al zou kunnen worden overwogen dat hij bij de bestrijding van eksters een administratieve vergissing heeft begaan, dan nog kan daaruit niet worden afgeleid dat hij het niet altijd nauw neemt met de bestaande wetgeving, dat hij geen garanties biedt voor een nauwgezette naleving van de jachtwetgeving en dat een potentieel slecht gebruik van zijn wapen in die context niet verwonderlijk zou zijn. De vermelding dat in de directe omgeving van de eksterkooi verdachte eieren “wellicht met gif” werden aangetroffen, is niet meer dan een verdachtmaking, vermits in het advies van de procureur van 11 december 2007 slechts sprake is van een mogelijk vergiftigd ei. De verzoeker betoogt ten slotte dat hij al jaren het slachtoffer is van belaging door één en dezelfde persoon, die zeker aan de basis lag van de klacht in 2006 en vermoedelijk ook van de klacht in
- IX-6208-8/13 4.
- De verwerende partij repliceert in haar nota dat uit de adviezen van de arrondissementscommissaris en de procureur des Konings blijkt dat de verzoeker er niet voor terugschrikt zich schuldig te maken aan jachtgerelateerde inbreuken. De omstandigheid dat het proces-verbaal van 2006 leidde tot een seponering, staat een toepassing van artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 niet in de weg, aangezien deze reglementaire bepaling niet voorschrijft dat er een effectieve veroordeling moet zijn vooraleer het jachtverlof kan worden geweigerd. De processen-verbaal van 2006 en 2007 lieten er geen twijfel over bestaan dat het gedrag van de verzoeker niet onberispelijk is en bijgevolg een slecht gebruik van zijn wapens laat veronderstellen. De verwerende partij besluit daaruit dat aan de verzoeker terecht een jachtverlof met toepassing van artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 werd geweigerd. Voorts laat de verwerende partij gelden dat de verzoeker zich niet kan beroepen op een schending van de formele motiveringsplicht, vermits hij in staat blijkt inhoudelijk kritiek uit te oefenen op de bestreden beslissing, zodat het doel van de formele motiveringsplicht ten aanzien van hem is bereikt. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, betoogt de verwerende partij dat zij bij het beoordelen van het al dan niet verlenen van een jachtverlof over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt die de redelijkheid als grens heeft. Volgens haar kan het weigeren van een jachtverlof aan een persoon die zich recent schuldig heeft gemaakt aan jachtgerelateerde inbreuken, onmogelijk als manifest onredelijk worden beschouwd. Met betrekking tot de aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel stelt de verwerende partij niet in te zien dat zij bij de verzoeker de rechtmatige verwachting zou hebben gewekt dat hem een jachtverlof zou worden verleend. 4.
- Artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 luidt als volgt: “Onverminderd het bepaalde betreffende het jachtexamen kan de arrondissementscommissaris het verlof weigeren: [...] 3/aan degenen wier slecht gedrag, geestestoestand of vorig gedrag laat veronderstellen dat zij een slecht gebruik van hun wapens maken.” IX-6208-9/13 De bestreden beslissing wijst het beroep af dat de verzoeker heeft ingediend tegen de weigering van de arrondissementscommissaris van 4 augustus 2008 om hem een jachtverlof voor het jachtseizoen 2008-2009 te verlenen, dewelke gesteund was op de voormelde reglementaire bepaling, en bevestigt deze weigering. Ze is luidens haar formele motivering gebaseerd op “de ongunstige adviezen van de arrondissementscommissaris, de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen en van de procureur des Konings te Veurne”. Het advies van 20 augustus 2008 van de arrondissements- commissaris komt tot de bevinding dat de verzoeker het niet altijd nauw neemt met de bestaande wetgeving en derhalve geen garanties biedt voor de naleving van de jachtwetgeving en dat “een potentieel slecht gebruik van zijn wapen [...] in deze context niet verwonderlijk [zou] zijn”. Het advies van de procureur des Konings van 15 september 2008 stelt dat de verzoeker slecht staat aangeschreven bij de lokale politie ingevolge verschillende aan de jacht gerelateerde inbreuken. Beide adviezen verwijzen ter adstructie naar het proces-verbaal VU63.H2-151049-07 van 3 mei 2007, waarbij werd vastgesteld dat de verzoeker werd betrapt op het plaatsen van illegale vogelvangstkooien en dat in de omgeving ook verdachte eieren werden gevonden. Het advies van de procureur des Konings verwijst tevens naar het feit dat in 2006 lastens de verzoeker een proces-verbaal werd opgesteld “voor het vergiftigen van een hond en verdachte eieren”. De verzoeker lijkt in zijn beroepschrift van 12 augustus 2008 aan de gouverneur en in het voorliggende verzoekschrift toe te geven dat hij bij de bestrijding van eksters een administratieve vergissing heeft begaan. Uit de stukken van het neergelegde administratief dossier blijkt ook dat het ei dat in de omgeving van de illegale eksterkooi werd aangetroffen, gif bevatte. Het lijkt dan ook dat de verwerende partij deze gegevens in aanmerking mocht nemen bij de beoordeling van verzoekers beroep tegen de weigering van de arrondissementscommissaris om hem een jachtverlof te verlenen. Wat daarentegen de feiten uit 2006 betreft, toen tegen de verzoeker een klacht werd ingediend “voor het vergiftigen van een hond en verdachte eieren”, moet worden vastgesteld dat de procureur des Konings daarover op 11 december 2007 zelf heeft gesteld dat de zaak werd geseponeerd wegens een gebrek aan bewijzen. De desbetreffende klacht kan dan ook niet mede de conclusie van de arrondissementscommissaris verantwoorden dat het gedrag van de verzoeker laat veronderstellen dat hij een slecht gebruik zal maken van zijn wapen. Met die IX-6208-10/13 klacht mocht de verwerende partij evenmin rekening houden bij de beoordeling van verzoekers beroep. Nu blijkt dat de bestreden beslissing dat wel heeft gedaan, schendt zij artikel 7, 3/, van het koninklijk besluit van 28 februari
- Het enige middel is in zoverre ernstig. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.
- De verzoeker voert in zijn verzoekschrift met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden aan dat de jacht “zijn enige hobby” en “zijn leven” is. Gedurende vijftig jaar heeft hij die hobby zonder problemen kunnen uitoefenen. Hij heeft nu reeds de jachtseizoenen 2007-2008 en 2008-2009 aan zijn neus zien voorbijgaan. Straks treedt het jachtseizoen 2009-2010 aan en is het niet ondenkbaar dat de arrondissementscommissaris zich nog maar eens op dezelfde processen-verbaal beroept om hem een jachtverlof te weigeren. De verzoeker betoogt voorts: “- de weigering van het jachtverlof veroorzaakt schade die gewoon niet meer te herstellen is: wat voorbij is, kan niet meer ongedaan gemaakt worden; - voor de verzoekende partij is dit nadeel daarenboven bijzonder ernstig, nu de jacht, sinds zijn pensionering, gewoon zijn leven uitmaakt: de jacht is voor de verzoekende partij zijn enige en uitsluitende activiteit, waarmee hij opstaat en gaat slapen; - bij dit alles moet dan nog worden rekening gehouden met de leeftijd van de verzoekende partij, die straks 80 jaar wordt, zodat het hoe dan ook uitgesloten is dat hij nog vele jaren zal kunnen jagen: ongeacht de vraag hoelang de verzoekende partij nog zal leven, weze het immers wel duidelijk dat op dergelijke hoge leeftijd op elk ogenblik fysieke kwalen kunnen opduiken, die het uitoefenen van de hobby sowieso onmogelijk kunnen maken. Er rest de verzoekende partij dan ook letterlijk niet veel tijd meer, om nog, met volle overgave, van zijn enige hobby te kunnen genieten.” 5.
- De verwerende partij repliceert in haar nota op de voormelde argumenten van de verzoeker dat, “mede door de wijze van procederen van verzoeker zelf”, jagen tijdens het jachtseizoen 2008-2009 niet meer mogelijk blijkt. Zij stelt tevens dat de rechtspraak van de Raad van State in die zin is gevestigd dat in zaken waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd van IX-6208-11/13 beslissingen tot weigering van een jachtverlof, er geen sprake is of kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 5.
- In zijn arrest nr. 166.150 van 20 december 2006 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van onder meer de beslissing van de gouverneur van 20 juli 2006 om de vergunningen van de verzoeker tot het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens in te trekken, heeft de Raad van State geoordeeld dat de onmogelijkheid om in afwachting van een eventuele annulatie een hobby of vrijetijdsbesteding te beoefenen, niet ernstig in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden geacht en dat het aangevoerde moreel nadeel niet moeilijk herstelbaar lijkt. De Raad van State heeft daar echter aan toegevoegd dat “een en ander weliswaar nuancering behoeft in bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden” en dat de leeftijd van de verzoeker een dergelijke omstandigheid kan zijn. De verzoeker is inmiddels bijna 80 jaar. Gelet op die hoge leeftijd en de specifieke toedracht van de zaak, waarbij moet worden vastgesteld dat aan de verzoeker twee opeenvolgende jachtseizoenen een jachtverlof werd geweigerd en het niet lijkt te kunnen worden uitgesloten dat de redenen waarop die weigering telkens werd gesteund, ook bij de beoordeling van een volgende aanvraag van een jachtverlof vanwege de verzoeker in aanmerking zullen worden genomen, kan verzoekers standpunt dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden indien de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet wordt bevolen, worden bijgevallen.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de beide in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde voorwaarden voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn. IX-6208-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 8 december 2008, waarbij het beroep wordt afgewezen dat Henri DEWICKE heeft ingediend tegen de weigering van de arrondissementscommissaris van 4 augustus 2008 om hem een jachtverlof te verlenen voor het jachtseizoen 2008-
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 juni 2009, door: de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6208-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.945 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.496 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div