← België

Arrest 194962 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.962 Rolnummer: A. 190043/XIV-30639 Zaak: Arrest 194962 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.962 van 30 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.962 van 30 juni 2009 in de zaak A. 190.043/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, die verklaart staatloos te zijn, op 20 oktober 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 16.138 van 19 september 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3513 van 7 november 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.639-1/18 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VANDENBERGHE die, loco Advocaat H. DE PONTHIERE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat L. BRACKE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, die verklaart staatloos te zijn, dient op 29 maart 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van (oud) artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van het grondgebied in. 1.
  4. Op 29 april 2008 neemt de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. 1.
  5. Op 3 juni 2008 ontvangt verzoeker eveneens een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Verzoeker dient op 27 juni 2008 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissingen in bij de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. 1.
  7. Bij arrest nr. 16.138 van 19 september 2008 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring verworpen. XIV-30.639-2/18 Dit is het bestreden arrest: “(...) Gezien het verzoekschrift dat XXX, die verklaart van Armeense nationaliteit te zijn, op 27 juni 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoer- legging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 29 april 2008 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied te verlaten, beslissingen die aan verzoekende partij ter kennis zijn gebracht op 3 juni
  8. Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Gezien de nota met opmerkingen. Gelet op de beschikking van 23 juli 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 10 september
  9. Gehoord het verslag van kamervoorzitter Ch. BAMPS. Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en haar advocaat H. DE PONTHIERE en van advocaat S. DE VRIEZE, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij. WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  10. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak 1.
  11. Verzoeker dient op 31 maart 2006 een asielaanvraag in. Op 22 mei 2006 neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een annulatieprocedure in bij de Raad van State die bij arrest nr. 177.332 van 29 november 2007 het beroep verwierp. 1.
  12. Op 29 maart 2007 dient verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf in, met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
  13. Op 29 april 2008 verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvank- elijk. Dit is de eerste bestreden beslissing die verzoeker op 3 juni 2008 ter kennis is gebracht en gemotiveerd is als volgt: “In toepassing van artikel 9.3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene sinds maart 2006 in België verblijft, geïntegreerd is, Nederlands leert en spreekt, werkbereid is, een vrienden- en kennissenkring heeft uitgebouwd en getuigenverklaringen voorlegt, verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van artikel 9 van de wet van 15/12/1980 in België wordt ingediend. Deze elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9.2 van de wet van 15/12/
  14. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten. De asielaanvraag werd op 24.05.2006 afgesloten met een beslissing ‘niet erkend’ van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, hem betekend op 26.05.
  15. Betrokkene verkoos geen gevolg te XIV-30.639-3/18 geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten en verblijft sindsdien illegaal in België. Uit dit langdurig illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie. De duur van de asielprocedure (namelijk minder dan 2 maanden) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Het beroep ingesteld bij de Raad van State werd verworpen op 29.11.2007 (RVS, arrest nr. 177.332). Het feit dat betrokkene zich beroept op de subsidiaire beschermingsstatus zoals gesteld in de Europese richtlijn 2004/83/EG, omgezet in de Belgische wetgeving, kan niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid aangezien betrokkene hiertoe de specifiek georganiseerde procedure dient op te starten en deze procedure niet valt onder de bevoegdheid van de Dienst Humanitaire Regularisaties. Betrokkene beweert dat hij bij terugkeer ongetwijfeld opnieuw terecht zal komen in een militaire gevangenis, waar hij opnieuw kan worden blootgesteld aan folteringen en dat hij vreest voor zijn leven, doch betrokkene legt geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkene om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat betrokkene vreest voor zijn leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Betrokkene voegt geen enkel nieuw element toe aan de elementen die hij reeds tijdens zijn asielprocedure naar voor bracht en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Wat betreft de vermeende schending van het Verdrag tegen foltering en andere, wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10.12.1984, dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via dit verdrag slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dient betrokkene zijn beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde anti-folterverdrag. De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het verdrag volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. De aanvraag kan in het land van herkomst gebeuren. Betrokkene tracht de onmenselijke behandelingen en mensenrechtenschendingen in Armenië te illustreren aan de hand van artikelen (cf. Country Report on Human Rights Practices dd. 2005). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herinnert er echter aan dat het louter inroepen van rapporten die op algemene wijze melding maken van de schending van mensenrechten in een land, niet volstaat om te staven dat iedere onderdaan van dat land een risico loopt onderworpen te worden aan marteling of aan onmenselijke of mensonterende behandelingen. In dit geval constateert de RVV dat, hoewel bronnen melding maken van schendingen van de fundamentele rechten van het individu in het land van herkomst van verzoekende partij, geen enkel middel wordt aangewend dat bewijst dat verzoekende partij persoonlijk een reëel risico zou lopen onderwor- pen te worden aan ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet. (R.V.V., 27 juli 2007, nr. 1.018). Niets verhindert betrokkene derhalve om terug te keren naar het land van herkomst en via de reguliere weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Het staat betrokkene vrij hiertoe de hulp in te roepen van de Internationa- le Organisatie voor Migratie (IOM), om alzo de nodige documenten en/of financiële steun te bekomen. (…)” De tweede bestreden beslissing, die ook op 3 juni 2008 ter kennis is gebracht aan verzoeker, luidt als volgt: “(…) Reden van de beslissing: XIV-30.639-4/18 Betrokkene werd niet als vluchteling erkend bij beslissing tot weigering van de erkenning door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op datum van 24/5/
  16. Betrokkene maakte reeds het voorwerp uit van een BGV dd. 13/4/
  17. Hij heeft echter geen gevolg gegeven aan dit bevel en verblijft nog steeds illegaal in het land. (…)”
  18. Ontvankelijkheid Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing omdat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bij onmiddellijke uitvoering van de beslissing niet op basis van concrete gegevens wordt aangetoond. Uit hetgeen hierna volgt, zal blijken dat in elk geval het beroep tot nietigverklaring niet wordt ingewilligd. In die omstandigheden is het niet nodig om de opgeworpen exceptie te onderzoeken.
  19. Onderzoek van het beroep 3.
  20. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 7, 9, derde lid en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: Vreemdeling- enwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 3 en 15 van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM), van artikel 3.1 van het VN-Anti-folterverdrag, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het algemeen principe van behoorlijk bestuur omdat verzoeker als buitengewone omstandigheden een reeks feiten heeft opgesomd die vallen onder artikel 3 EVRM, dat het toepassingsgebied van artikel 3 EVRM ruimer is dan dat van artikel 1 Vluchtelingenverdrag, dat daarom de aanvraag niet kan worden verworpen uitsluitend door te verwijzen naar de beslissing die werd genomen in het asieldossier, dat de asielaanvraag wegens onontvankelijkheid door de Commissaris-generaal werd verworpen maar dat de feiten op geen enkel ogenblik in vraag werden gesteld, dat er dus geen enkele reden is om artikel 3 EVRM niet toe te passen, dat de minister aldus niet motiveert waarom de aangehaalde motieven niet als een buitengewone omstandig- heid kunnen worden beschouwd, dat de aangehaalde motieven niet een ‘loutere vermelding’ uitmaken maar gedetailleerd werden uiteengezet in de asielprocedure en bevestigd door algemene rapporten, dat van de tekst van artikel 3 EVRM geen enkele afwijking mogelijk is krachtens artikel 15 EVRM, dat verzoeker verwijst naar het arrest Soering van het Europees Hof, dat ook het VN-Anti-Folterverdrag een klaar en duidelijk verwijderingsverbod oplegt, dat de verwerende partij rekening moet houden met alle relevante overwegingen, met inbegrip van een consistent patroon van ernstige, flagrante of massale schendingen van de mensenrechten, dat verzoeker zich steunt op de folteringen die hij persoonlijk reeds heeft ondergaan en die niet werden betwist en anderzijds op de rapporten over folteringen in het Armeense leger, dat aldus niet kan worden beslist het VN Anti-folterverdrag niet toe te passen en dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt, dat het bevel eveneens dient geschorst of vernietigd te worden in de mate dat de beslissing tot weigering van regularisatie wordt geschorst of vernietigd. Verzoeker merkt ten slotte nog op dat het bevel om het grondgebied te verlaten niet mag worden afgegeven zolang er geen beslissing werd genomen op grond van artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet. Ter adstructie van het middel zet verzoeker het volgende uiteen: “Dat de verzoekende partij onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratieve dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad, volgende middelen voorstelt: Schending van de artikelen 7, 9.3 (oud) en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van art. 3 en 15 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, schending van artikel 3.1 van XIV-30.639-5/18 het VN-Anti Folterverdrag, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het algemeen principe van behoorlijk bestuur; Doordat, De bestreden beslissing als volgt werd gemotiveerd: : "De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene sinds maart 2006 in België verblijft, geïntegreerd is, Nederlands leert en spreekt, werkbereid is, een vrienden- en kennissenkring heeft uitgebouwd en getuigenverklaringen voorlegt, verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van artikel 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Deze elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9.2 van de wet van 15.12.
  21. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. De asielprocedure werd op 24.05.2006 afgesloten met een beslissing 'niet erkend' van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, hem betekend op 26.05.
  22. Betrokkene verkoos geen gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten en verblijft sindsdien illegaal in België. Uit dit langdurig illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie. De duur van de asielprocedure (namelijk minder dan 2 maanden) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Het beroep ingesteld bij de Raad van State werd verworpen op 29.11.
  23. (RVS, arrestnr. 177.332) Het feit dat betrokkene zich beroept op de subsidiaire beschermingsstatus zoals gesteld in de Europese richtlijn 2004/83/EG, omgezet in Belgische wetgeving, kan niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid aangezien betrokkene hiertoe de specifiek georganiseerde procedure dient op te starten en deze procedure niet valt onder de bevoegdheid van de Dienst Humanitaire Regularisaties. Betrokkene beweert dat hij bij terugkeer ongetwijfeld opnieuw terecht zal komen in een militaire gevangenis, waar hij opnieuw kan worden blootgesteld aan folteringen en dat hij vreest voor zijn leven, doch betrokkene legt geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkene om op zijn minst een begin van bewijs te leveren '; De loutere vermelding dat betrokkene vreest voor zijn leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Betrokkene voegt geen enkel nieuw element toe aan de elementen die hij reeds tijdens zijn asielprocedure naar voor bracht en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Wat betreft de vermeende schending van het Verdrag tegen foltering en andere, wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New Vork op 10.12.1984, dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via dit verdrag slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dient betrokkene zijn beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde anti-folterverdrag. De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het verdrag volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. De aanvraag kan in het land van herkomst gebeuren. Betrokkene tracht de onmenselijke behandelingen en mensenrechtenschendingen in Armenië te illustreren aan de hand van enkele artikelen (cf Country Report on XIV-30.639-6/18 Human Rights Practices dd. 2005). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herinnert er echter aan dat het louter inroepen van rapporten die op algemene wijze melding maken van de schending van mensenrechten in een land, niet volstaat om te staven dat iedere onderdaan van dat land een risico loopt onderworpen te worden aan marteling of aan onmenselijke of mensonterende behandelingen. In dit geval constateert de RvV dat, hoewel bronnen melding maken van schendingen van de fundamentele rechten van het individu in het land van herkomst van verzoekende partij, geen enkel middel wordt aangewend dat bewijst dat verzoekende partij persoonlijk een reëel risico zou lopen onderwer- pen te worden aan ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet. Niets verhindert betrokkene derhalve om terug te keren naar het land van herkomst en via de reguliere weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Het staat betrokkene vrij hiertoe de hulp in te roepen van de Internationa- le Organisatie voor Migratie (I0M), om alzo de nodige documenten enlof financiële steun te bekomen.” Terwijl, In casu de verzoekende partij als buitengewone omstandigheden een reeks feiten heeft opgesomd, als vallende onder artikel 3 E.V.R.M., in die zin dat zijn verwijdering een schending zou uitmaken van dat artikel; Dat het toepassingsgebied van het artikel 3 E.V.R.M. ruimer is dan dat van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, zodat een aanvraag ingediend op grond van artikel 9, derde lid niet kan verworpen worden, uitsluitend door te verwijzen naar de beslissing die werd genomen in het asieldossier; Dat het asielverzoek van de verzoekende partij werd onontvankelijk verklaard omdat de ingeroepen motieven niet vielen onder het toepassingsveld van de Conventie van Genève, maar dat de ingeroepen feiten door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op geen enkel ogenblik werden in vraag gesteld; Dat er dus geen enkele reden is om uit te sluiten dat de motieven zouden vallen onder het toepassingsveld van het artikel 3 E.V.R.M.; Dat de Minister aldus niet motiveert waarom de door de verzoekende partij aangehaalde motieven, niet zouden vallen onder het begrip "'buitengewone omstandigheden" van artikel 9 derde lid van de Vreemdelingenwet (R.v.St. 9/2/2007, nr. 167.672); Dat de bestreden beslissing niet motiveert, waarom er geen rekening diende gehouden te worden met deze motieven en aldus de in het middel aangeduide bepalingen schendt; Dat het in casu niet gaat om "een loutere vermelding", maar dat de feiten gedetailleerd werden uiteengezet in de asielprocedure en nooit werden betwist en overigens werden bevestigd door algemene rapporten, die hetgeen de verzoekende partij heeft uiteengezet, alleen maar des te geloofwaardiger maken; En terwijl, Geen enkele afwijking mogelijk is van de tekst van art. 3 E.V.R.M, zelfs niet in geval van oorlog en zulks krachtens art. 15 van datzelfde Verdrag; Dat in een Arrest Soering (E.H.R.M., arrest Soering/Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, E.H.R.R. 1989, 439), het Hof van Straatsburg heeft geoordeeld dat de Verdragstaten artikel 3 E.V.R.M. schenden indien zij een persoon uitleveren aan een staat waar hij of zij zou worden onderworpen aan handelingen die door art. 3 worden verboden; En terwijl, Het VN-Anti-Folterverdrag een klaar en duidelijk verwijderingsverbod oplegt, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering; Dat om vast te stellen of er dergelijke gronden zijn, de bevoegde overheid rekening moet houden met alle relevante overwegingen, met inbegrip van een XIV-30.639-7/18 consistent patroon van ernstige, flagrante of massale schendingen van de mensenrechten in het betrokken land; Dat de verzoekende partij zich dus mag steunen, enerzijds op de folteringen, die hij persoonlijk reeds ondergaan heeft en die hij heeft uiteengezet, zowel bij het formuleren van zijn asiel, als bij het regularisatieverzoek, en die niet betwist werden en anderzijds op de zeer duidelijke en consistente rapporten over folteringen in het Armeense leger; Dat het dus strijdig is met de verplichtingen die door België werden aangegaan, te beslissen, dat het VN-Anti-Folterverdrag niet van toepassing zou zijn en dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zou kunnen vinden, zoals wordt voorgehouden in de bestreden beslissing; En doordat, het bevel om het grondgebied te verlaten eveneens dient geschorst of vernietigd te worden in de mate dat de beslissing tot weigering van regularisatie, geschorst of vernietigd wordt; Dat er geen bevel om het grondgebied te verlaten mag worden afgegeven, zolang er geen beslissing werd genomen op grond van het oude artikel 9, 3 e lid (cfr voetnoot 113, bij "Van artikel 9, lid 1, 2 en 3 Vreemdelingenwet naar artikelen 9, lid 1 en 2, 9bis en 9ter Vreemdelingenwet, L. Denys in Migratie- en Migrantenrecht, va. 12, p. 38 en de aldaar geciteerde rechtspraak van de Raad van State en het Hof van Cassatie; R.v.State nr. 161.271, 12 juli 2006, T. Vreemd. 2006, 410; Cass. 23/8/2006, T. Vreemd. 2006, 407);" 3.
  24. De in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 Vreemdelingenwet neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze. Het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De plicht tot uitdrukkelijke motivering houdt evenwel niet in dat de beslissende administratieve overheid de motieven van de gegeven redenen van de beslissing moet vermelden. Zij dient dus niet “verder” te motiveren, zodat derhalve de uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende overheid voor elke overweging in haar beslissing “het waarom” of “uitleg” dient te vermelden. Tevens dient te worden opgemerkt dat indien een beslissing gemotiveerd is met algemene overwegingen of zelfs een voorbeeld zou zijn van een stereotiepe, geijkte en gestandaardiseerde motivering, dit loutere feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren gemotiveerd is (RvS 27 oktober 2006, nr. 164.171; RvS 27 juni 2007, nr. 172.821). De bestreden beslissing moet duidelijk de determinerende motieven aangeven. In de motivering van de eerste bestreden beslissing wordt verwezen naar de juridische grondslag, met name artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet en naar het feit dat de door verzoeker ingeroepen redenen geen buitengewone omstandigheden zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde van de minister op de in de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf aangevoerde elementen uitdrukkelijk is ingegaan. In de motivering van de tweede bestreden beslissing wordt gewezen op het vorige bevel om het grondgebied te verlaten van 13 april 2006, naar aanleiding van de beslissing tot weigering van de erkenning als vluchteling van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van 24 mei
  25. Dienvolgens moet worden vastgesteld dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motiveringen hem niet in staat stellen te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden XIV-30.639-8/18 beslissingen zijn genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht. Uit het verzoekschrift blijkt tevens dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissingen kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt en verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dat oogpunt wordt onderzocht. Tevens dient te worden benadrukt dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en (hierna: de Raad) behoort zijn beoordeling van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet, in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van deze aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het hoofdmotief van de eerste bestreden beslissing bestaat erin dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kan rechtvaardigen. Het ten tijde van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf geldende artikel 9 Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.” Als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden wordt hem evenwel toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België. Enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, kan de verblijfsmachtiging in België worden aangevraagd. De buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid Vreemdeling- enwet mogen niet verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging aan te vragen. De toepassing van artikel 9, derde lid houdt met andere woorden een dubbel onderzoek in : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buitengewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn; zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging niet in aanmer- king worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven; desbetreffend beschikt de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid. Vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om verzoeker een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, dient de verwerende partij na te gaan of zijn aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone XIV-30.639-9/18 omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden. De vreemdeling moet in zijn aanvraag klaar en duidelijk vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen. Uit zijn uiteenzetting moet duidelijk blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat. Uit zijn aanvraag blijkt dat verzoeker zijn asielrelaas herhaalt en stelt dat zijn relaas de subsidiaire bescherming wettigt, zodat hieruit een refoulementsverbod volgt. Tevens roept hij de toepassing van het Anti-Folterverdrag in en verwijst naar het Country Report on Human Rights Practices 2005 over Armenië. In casu werd de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die verzoeker heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom hij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in zijn land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven op: • Het feit dat betrokkene sinds maart 2006 in België verblijft, geïntegreerd is, Nederlands leert en spreekt, werkbereid is, een vrienden- en kennissenkring heeft uitgebouwd en getuigenverklaringen voorlegt, verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van artikel 9 van de wet van 15/12/1980 in België wordt ingediend. Deze elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9.2 van de wet van 15/12/
  26. • Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten. De asielaanvraag werd op 24.05.2006 afgesloten met een beslissing ‘niet erkend’ van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, hem betekend op 26.05.
  27. Betrokkene verkoos geen gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten en verblijft sindsdien illegaal in België. Uit dit langdurig illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie.De duur van de asielprocedure (namelijk minder dan 2 maanden) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. • Het beroep ingesteld bij de Raad van State werd verworpen op 29.11.2007 (RVS, arrestnr. 177.332) • Het feit dat betrokkene zich beroept op de subsidiaire beschermingsstatus zoals gesteld in de Europese richtlijn 2004/83/EG, omgezet in de Belgische wetgeving, kan niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid aangezien betrokkene hiertoe de specifiek georganiseerde procedure dient op te starten en deze procedure niet valt onder de bevoegdheid van de Dienst Humanitaire Regularisaties. • Betrokkene beweert dat hij bij terugkeer ongetwijfeld opnieuw terecht zal komen in een militaire gevangenis, waar hij opnieuw kan worden blootgesteld aan folteringen en dat hij vreest voor zijn leven, doch betrokkene legt geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkene om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat betrokkene vreest voor zijn leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Betrokkene voegt geen enkel nieuw element toe aan de elementen die hij reeds tijdens zijn asielprocedure naar voor bracht en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. • Wat betreft de vermeende schending van het Verdrag tegen foltering en andere, wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10.12.1984, dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via dit verdrag slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. XIV-30.639-10/18 Hiervoor dient betrokkene zijn beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde anti-folterverdrag. De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het verdrag volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. De aanvraag kan in het land van herkomst gebeuren. • Betrokkene tracht de onmenselijke behandelingen en mensenrechtenschendingen in Armenië te illustreren aan de hand van artikelen (cf. Country Report on Human Rights Practices dd. 2005). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herinnert er echter aan dat het louter inroepen van rapporten die op algemene wijze melding maken van de schending van mensenrechten in een land, niet volstaat om te staven dat iedere onderdaan van dat land een risico loopt onderworpen te worden aan marteling of aan onmenselijke of mensonterende behandelingen. In dit geval constateert de RVV dat, hoewel bronnen melding maken van schendingen van de fundamentele rechten van het individu in het land van herkomst van verzoekende partij, geen enkel middel wordt aangewend dat bewijst dat verzoekende partij persoonlijk een reëel risico zou lopen onderwor- pen te worden aan ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet. (R.V.V., 27 juli 2007, nr. 1.018). • Niets verhindert betrokkene derhalve om terug te keren naar het land van herkomst en via de reguliere weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Het staat betrokkene vrij hiertoe de hulp in te roepen van de Internationa- le Organisatie voor Migratie (IOM), om alzo de nodige documenten en/of financiële steun te bekomen.” 3.
  28. Wat de eerste bestreden beslissing betreft: Daar waar verzoeker stelt dat met betrekking tot de toepassing van artikel 3 EVRM in de bestreden beslissing enkel wordt verwezen naar zijn verworpen asielaanvraag terwijl de feiten door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op geen enkel ogenblik in vraag werden gesteld en de gemachtigde niet motiveert waarom de feiten niet als een buitengewone omstandigheid worden beschouwd, wordt opgemerkt dat verzoekers beweringen feitelijke grondslag missen. In de bestreden beslissing wordt immers duidelijk rekening gehouden met de door verzoeker aangebrachte argumentatie en de gemachtigde van de minister heeft de motivering in de beslissing niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker slechts elementen aanvoert die niet weerhouden werden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en daarom niet kunnen aanvaard worden als buitengewone omstandigheden. In de bestreden beslissing wordt eveneens uitdrukkelijk gesteld dat verzoeker geen begin van bewijs voorlegt waaruit zou kunnen worden besloten tot een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Aangezien verzoeker zijn beweringen niet aannemelijk maakt, kunnen zijn loutere verklaringen ook niet als buitengewone omstandigheid worden weerhouden. Uit de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van 22 mei 2006 blijkt het volgende: “Force est de constater que les motifs que vous alléguez à l’appui de votre demande d’asile (…) relèvent du droit disciplinaire militaire et ne peuvent être rattachés à aucun des critères prévus par la Convention de Genève du 28 juillet 1951 (…).’’ De conclusie van verzoeker dat de door hem aangehaalde feiten tijdens zijn asielaanvraag niet werden betwist en op geen enkel ogenblik in vraag werden gesteld, berust bijgevolg op een verkeerde lezing van de beslissing van de Commissaris-generaal. Uit de beslissing blijkt immers dat de feiten niet onder één van de criteria van het Vluchtelingenverdrag vallen. De aangehaalde feiten werden bijgevolg niet verder onderzocht en de vraag met betrekking tot de geloofwaardigheid van de feiten was dan ook niet meer aan de orde. Verzoeker kan hieruit echter niet afleiden dat zijn asielrelaas niet werd betwist en dat de feiten als bewezen moeten worden geacht door de gemachtigde van de minister in het kader van zijn aanvraag om machtiging tot verblijf en met betrekking tot de beoordeling van de buitengewone omstandigheden. Een schending van de materiële motiveringsplicht of artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet wordt niet aannemelijk gemaakt. XIV-30.639-11/18 Daar waar verzoeker stelt dat geen enkele afwijking mogelijk is van artikel 3 EVRM krachtens artikel 15 EVRM, zelfs niet in geval van oorlog, dat hij bovendien verwijst naar het arrest Soering v. Verenigd Koninkrijk van het EHRM waaruit blijkt dat een staat artikel 3 EVRM schendt indien deze staat een persoon uitlevert aan een land waar hij of zij zou worden onderworpen aan handelingen die door artikel 3 EVRM worden verboden, dat ook het VN-Anti-Folterverdrag klaar en duidelijk een verwijderingsver- bod oplegt, dat de stelling dat artikel 3 EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt, in strijd is met de verdragsverplichtingen die België heeft aangegaan, dat verzoeker de buitengewone omstandigheden steunt op zijn asielrelaas dat niet werd betwist en bevestigd wordt door de rapporten over folteringen in het Armeense leger, dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissingen niet tot gevolg hebben dat verzoeker uitgeleverd wordt aan een ander land. Er wordt slechts beslist dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden aanbrengt die toelaten om de aanvraag om machtiging tot verblijf in België in te dienen en dat hij het grondgebied dient te verlaten. De aangehaalde rechtspraak is derhalve niet dienend. Daarnaast moet worden gesteld dat volgens de vaste rechtspraak slechts tot een schending van artikel 3 EVRM kan worden besloten indien wordt aangetoond dat een persoon een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden, volstaat op zich evenmin (RvS 27 maart 2002, nr. 105.é; RvS 25 juni 2003, nr. 120.961 en RvS 8 oktober 2003, nr. 123.977). Zoals in de bestreden beslissing duidelijk is aangegeven, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, blijft verzoeker door de loutere verwijzing naar zijn asielrelaas en enkele artikelen evenwel in gebreke aan te tonen dat hij persoonlijk een risico loopt te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffing. De gemachtigde van de minister oordeelt aldus dat het asielrelaas en de artikelen niet volstaan om te staven dat verzoeker als individu een risico loopt op folteringen. Verzoeker lijkt niet akkoord te gaan met de appreciatie van deze stukken door de gemachtigde van de minister, doch toont hiermee niet aan dat deze beoordeling onwettig of kennelijk onredelijk is. De gemachtigde van de minister heeft derhalve terecht geconcludeerd dat er geen begin van bewijs van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing is aangetoond. Een schending van de artikelen 3 en 15 EVRM wordt niet aangetoond. Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 3, eerste lid van het Anti- Folterverdrag stelt verzoeker dat dit verdrag klaar en duidelijk een verwijderingsverbod oplegt wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering en dat niet kan worden gesteld dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zou kunnen vinden. Artikel 3, eerste lid van het Anti-Folterverdrag luidt als volgt: “Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden (“refouler”) naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.” De Raad wijst er nogmaals op dat de bestreden beslissing slechts vaststelt dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden heeft aangebracht die toelaten te besluiten dat hij zijn regularisatieaanvraag in België kan indienen en is er niet op gericht om verzoeker uit te zetten, terug te wijzen of uit te leveren. Bovendien blijkt uit de voornoemde bepaling en bevestigt verzoeker in zijn verzoekschrift, dat er “gegronde redenen” moeten zijn om aan te nemen dat een vreemdeling gevaar zou lopen in het land waarnaar hij teruggestuurd wordt. Verzoeker maakt door zijn loutere beweringen, de verwijzing naar zijn asieldossier en de verwijzing naar een aantal artikels, niet aannemelijk dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat hij zelf risico loopt te worden onderworpen aan foltering. Waar verzoeker nog verwijst naar een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het “algemeen principe van behoorlijk bestuur” moet worden opgemerkt dat XIV-30.639-12/18 verzoeker nalaat uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden, zodat deze onderdelen van het middel, bij gebreke van de vereiste toelichting, als onontvankelijk dienen te worden beschouwd. 3.
  29. Wat de tweede bestreden beslissing betreft: Met betrekking tot de tweede bestreden beslissing stelt verzoeker dat het bevel niet mag worden afgegeven zolang er geen beslissing werd genomen met betrekking tot de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet. Daargelaten de vraag of een bevel om het grondgebied te verlaten niet eerder mag worden afgegeven dan nadat een beslissing inzake de regularisatieaanvraag is genomen, wordt vastgesteld dat het bevel in casu werd genomen in gevolge de weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf op 29 april 2008 en dat het bevel samen met de beslissing houdende de onontvankelijkverklaring van de regularisatieaanvraag, ter kennis is gebracht aan verzoeker op 3 juni
  30. Dit onderdeel van het middel mist aldus feitelijke grondslag. Het middel is ongegrond.
  31. Uit voorgaande blijkt dat de zaak slechts korte debatten heeft vereist. De verzoeken- de partij heeft geen middel aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, wordt derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. (...).”.
  32. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  33. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Dat de verzoekende partij onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, volgend middel tot nietigverklaring voorstelt: Enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 7, 9bis en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van art. 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, schending van de bepalingen van artikel 3.1 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, schending van de bewijswaarde van de akten en van het zorgvuldigheidsbeginsel; Doordat, Het bestreden arrest als volgt werd gemotiveerd: (...) terwijl; het toepassingsgebied van art. 3 E.V.R.M. en/of van het art. 3.1 van het Anti-Folterverdrag, ruimer is dan dat van art. 1 van het Vluchtelingenverdrag van 28 juli 1951 en de Dienst Vreemdelingenzaken, een aanvraag ingediend op grond van art. 9, derde lid (oud) en dus tevens art. 9bis (nieuw) niet kan verwerpen - noch als onontvankelijk, noch als ongegrond- uitsluitend door te verwijzen naar het feit dat de asielinstanties de motieven voor de erkenningsaanvraag hebben verworpen, indien de aanvragen zoals in casu, de feiten mede heeft omschreven als vallende onder artikel 3 XIV-30.639-13/18 E.V.R.M. en/of vallende onder art. 3.1 van het Anti-Folterverdrag (R.v.St. nr. 97.536, 6/7/2001; R.v.St. nr. 108.480, 26/6/2002); Dat de verzoekende partij geenszins heeft voorgehouden dat de door haar ingeroepen feiten, automatisch als bewezen dienen beschouwd te worden, nu de asielinstanties de feiten, niet betwistten in hun beslissing; Dat de verzoekende partij uitsluitend heeft voorgehouden dat de afwijzing van de asielprocedure niet is gebeurd omwillen van bedrieglijkheid of omwillen van manifeste ongegrondheid, maar wel omdat de feiten, die door de verzoekende partij werden ingeroepen, niet vallen onder het toepassingsveld van de Vluchtelingenconventie; Dat de verzoekende partij dus heeft geargumenteerd, dat bijgevolg de feiten op hun gegrondheid dienden onderzocht te worden, nu deze feiten door de verzoekende partij werden ingeroepen als vallende onder het Anti-Folterverdrag, meer bepaald onder het art. 3.1 dat bepaalt dat geen enkele staat, die partij is bij het Verdrag, een persoon mag uitzetten of terugzenden, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering; Dat de verklaringen afgelegd binnen het raam van de asielaanvraag, dienen aangezien te worden minstens als een begin van bewijs, nu de asielinstanties de feiten niet betwistten; Dat de instantie, die diende te oordelen over het al dan niet bestaan van buitengewone omstandigheden, dus minstens diende na te gaan of deze feiten inderdaad gegrond waren of konden zijn en minstens dienden aan te duiden, waarom er met deze feiten geen rekening diende gehouden te worden; Dat uit de beslissing van de Commissaris-generaal in elk geval niet volgt dat de feiten, die door de verzoekende partij werden aangehaald, niet zouden zijn onderzocht geworden; Dat zulks nergens expliciet wordt gezegd door de Commissaris-generaal; Dat, integendeel, de beslissing zegt in het dispositief: "Le fait que vous ayez suivi l'ordre etc. ..., ne justifie pas le fait de se soustraire à la justice arménienne", zodat ervan uitgegaan kan worden, dat het Commissaris-generaal, deze feiten voor waar heeft aangezien, tot bewijs van het tegendeel ; Dat het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de bewijswaarde van de beslissing; Dat Uw Raad als Cassatierechter kan nagaan of op grond van de feiten, die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden vastgesteld, de juiste juridische conclusies werden getrokken; Dat het Arrest daarenboven niet of onvoldoende antwoordt op de argumenten, die door de verzoekende partij werden uiteengezet in haar verzoekschrift; Dat krachtens het Anti-Folterverdrag de bevoegde overheden, rekening dienen te houden met alle relevante overwegingen, met inbegrip van het bestaan van een consistent patroon van ernstige, flagrante of massale schendingen van de mensenrechten in het betrokken land (Vluchtelingen-een overzicht, Dirk Vanheule, Mys & Breesch, 1998, p. 269); Dat de verzoekende partij bij zijn regularisatieaanvraag het bewijs had overgelegd van dit "consistent patroon", binnen het Armeense leger; Dat bijgevolg het bewijs van de folteringen met alle middelen van recht mogen worden aangetoond, met inbegrip van de door de verzoekende partij aangehaalde rapporten, die samen dienen gelezen te worden met zijn asielverhaal;”; XIV-30.639-14/18 2.1.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt: “
  35. De verwerende partij antwoordt eigenlijk naast de kwestie: het toepassingsgebied van art. 3 E.V.R.M. en/of van het art. 3.1 van het Anti-Folterverdrag, is ruimer dan dat van art. 1 van het Vluchtelingenverdrag van 28 juli 1951 en de Dienst Vreemdelingenzaken kan een aanvraag ingediend op grond van art. 9, derde lid (oud) en dus tevens art. 9bis (nieuw) niet verwerpen - noch als onontvankelijk, noch als ongegrond- uitsluitend door te verwijzen naar het feit dat de asielinstan- ties de motieven voor de erkenningsaanvraag hebben verworpen, indien de aanvragen zoals in casu, de feiten mede heeft omschreven als vallende onder artikel 3 E.V.R.M. en/of vallende onder art. 3.1 van het Anti- Folterverdrag (R.v.St. nr. 97.536, 6/7/2001; R.v.St. nr. 108.480, 26/6/2002);
  36. Het is volstrekt onjuist dat de verzoekende partij aan de Raad van State zou vragen zich omtrent de feiten uit te spreken of nog zich in de plaats te stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  37. De verzoekende partij heeft uitsluitend voorgehouden dat de afwijzing van de asielprocedure niet is gebeurd omwille van bedrieglijkheid of omwille van manifeste ongegrondheid, maar wel omdat de feiten, die door de verzoekende partij werden ingeroepen, niet vielen onder het toepassingsveld van de Vluchtelingenconventie; De verzoekende partij heeft dus geargumenteerd, dat bijgevolg de feiten op hun gegrondheid dienden onderzocht te worden door de Minister, nu deze feiten door de verzoekende partij werden ingeroepen als vallende onder het Anti-Folterverdrag, meer bepaald onder het art. 3.1 dat bepaalt dat geen enkele staat, die partij is bij het Verdrag, een persoon mag uitzetten of terugzenden, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering;
  38. Artikel 9bis van de Vreemdelingenwet werd geschonden, doordat feiten, die door de asielinstanties niet werden betwist, met name de door de verzoekende partij ondergane folteringen, door de Minister niet worden beschouwd als buitengewo- ne omstandigheden. De verklaringen, afgelegd binnen het raam van de asielaanvraag, dienen aangezien te worden minstens als een begin van bewijs, nu de asielinstanties de feiten niet betwistten; De instantie, die diende te oordelen over het al dan niet bestaan van buitengewo- ne omstandigheden, diende dus minstens na te gaan of deze feiten inderdaad gegrond waren of konden zijn en minstens diende aangeduid te worden, waarom er met deze feiten geen rekening diende gehouden te worden; Uit de beslissing van de Commissaris-generaal volgt in elk geval niet dat de feiten, die door de verzoekende partij werden aangehaald, niet zouden zijn onderzocht geworden; Nergens wordt dit expliciet gezegd door de Commissaris-generaal; Integendeel, de beslissing zegt in het dispositief: "Le fait que vous ayez suivi l'ordre etc. ..., ne justifie pas le fait de se soustraire à la justice arménienne", zodat ervan uitgegaan kan worden, dat het Commissaris-generaal, deze feiten voor waar heeft aangezien, tot bewijs van het tegendeel; Het bestreden arrest heeft bijgevolg geen rekening gehouden met de bewijswaar- de van de beslissing van de Commissaris-generaal;
  39. Uw Raad als Cassatierechter kan wel degelijk nagaan of op grond van de feiten, die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden vastgesteld, de juiste juridische conclusies werden getrokken; Het middel is gegrond.”; XIV-30.639-15/18 2.2.
  40. Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op beslissingen van een administratief rechtscollege zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) evenmin van toepassing is op een administra- tief rechtscollege; 2.2.
  41. Overwegende dat verzoeker stelt dat het toepassingsgebied van artikel 3 van het EVRM en/of het artikel 3.1 van het Anti-Folterverdrag, ruimer is dan artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag en dat de Dienst Vreemdelingenzaken een aanvraag ingediend op basis van artikel 9, derde lid van de vreemdelingenwet niet kan verwerpen door te verwijzen naar het feit dat de asielinstanties de motieven van de erkenningsaanvraag hebben verworpen, indien de aanvraag de feiten mede heeft omschreven als vallende onder artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3.1 van het Anti-Folterverdrag, dat de verklaringen afgelegd binnen het raam van de asielaanvraag dienen aanzien te worden minstens als een begin van bewijs, nu de asielinstanties de feiten niet betwistten, dat dient vastgesteld dat het bestreden arrest geen rekening houdt met de bewijswaarde van deze beslissing; dat verzoeker terecht betoogt dat het toepassingsgebied van artikel 1 van het Verdrag van Genève verschillend is van het toepassingsgebied van artikel 3 van het EVRM en van artikel 3.1 van het Anti- Folterverdrag; dat in sommige gevallen de Minister evenwel ter beantwoording van de buitengewone omstandigheden kan volstaan met de verwijzing naar de asielprocedure, bijvoorbeeld indien de ingeroepen argumenten dezelfde zijn als deze aangehaald in de asielaanvraag en de asielaanvraag bedrieglijk werd bevonden; dat in casu verzoeker in zijn aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingeroepen dat hij bij terugkeer ongetwijfeld opnieuw zal terecht komen in een militaire gevangenis en er opnieuw zal worden gefolterd; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing van 22 mei 2006 heeft overwogen dat de motieven ingeroepen ter ondersteuning van zijn asielrelaas betrekking hebben op het militair recht en geen aanknopingspunten vertonen met de criteria van het Verdrag van Genève; dat verzoeker kan worden gevolgd waar hij stelt dat in casu de verwijzing naar de asielprocedure niet volstond en de feiten op hun gegrondheid dienen te worden onderzocht, nu deze feiten werden ingeroepen als vallende onder het Anti- Folterverdrag; dat in onderhavig geval de Minister van Migratie- en asielbeleid evenwel heeft onderzocht of de feiten onder het toepassingsgebied van laatstgenoemd Verdrag vielen; dat de rechter in vreemdelingenzaken in haar arrest terecht motiveert dat de bewering van verzoeker feitelijke grondslag mist; dat uit artikel 3.1 van het Anti-Folterverdrag blijkt dat er gegronde redenen moeten zijn om aan te nemen dat een persoon gevaar loopt om te worden onderworpen aan folteringen; dat zowel de Minister als de Raad voor Vreemdeling- XIV-30.639-16/18 enbetwistingen vaststellen dat verzoeker zijn bewering niet staaft met een begin van bewijs; dat verzoeker beweert dat de zinsnede uit de beslissing van de Commissaris-generaal “Le fait que vous ayez suivi l’ordre etc..., ne justifie pas le fait de se soustraire à la justice arménienne” betekent dat de Commissaris-generaal de feiten voor waar heeft aanzien en dit een begin van bewijs vormt; dat niet kan worden ingezien hoe deze zinsnede die stelt dat het feit dat het hij het bevel heeft opgevolgd, niet rechtvaardigt dat hij zich onttrekt aan het Armeense gerecht, een begin van bewijs zou betekenen dat hij door deze autoriteiten zou worden gefolterd; dat verzoeker aanvoert dat het arrest niet of onvoldoende antwoordt op de argumenten die in zijn verzoekschrift werden uiteengezet, namelijk dat krachtens het Anti- Folterverdrag de bevoegde overheid rekening dient te houden met alle relevante opmerking- en, met inbegrip van het bestaan van een consistent patroon van flagrante of massale schendingen van mensenrechten en stelt dat hij dit bewijs had overlegd; dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat verzoeker met de verwijzing naar een aantal artikels niet aannemelijk maakt dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat hij zelf een risico loopt te worden onderworpen aan folteringen; dat de bewering van verzoeker feitelijke grondslag mist; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  42. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  43. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.639-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.639-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.