id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.963 Rolnummer: A. 189608/XIV-30543 Zaak: Arrest 194963 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-03 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-07-03 00:50 Fiche Arrest nr 194.963 van 30 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.963 van 30 juni 2009 in de zaak A. 189.608/XIV-30.
(53)76, r.o. 49, en H.v.J. 22 februari 1990, Busseni, C-221/88, Jur., 1990, I-495, r.o. 30), een gemeente (H.v.J. 22 juni 1989, Fratelli Costanzo, 103/88, Jur., 1989, 1839, r.o. 31-32), een overheidsorgaan verantwoordelijk voor de gezondheidszorg (H.v.J. 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jur., 1986, 723, r.o. 49-50), en organen die, ongeacht hun juridische vorm, krachtens een overheids- maatregel belast zijn met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid (H.v.J. 12 juli 1990, foster e.a., C-188/89, Jur., 1990, I-3313, r.o. 20; H.v.J. 4 december 1997, Kampelmann e.a., C-253/96 tot en met C-258/96, Jur., 1997, I-6907, r.o. 46). Hieruit blijkt dat een particulier rechten uit een richtlijn kan inroepen tegen een overheidsorgaan, ongeacht de hoedanigheid van dit orgaan en het antwoord op de vraag of dit orgaan internrechtelijk voor de omzetting van de richtlijn bevoegd is (LENAERTS, K., VAN NUFFEL, P., Europees Recht, Antwerpen- Apeldoorn, Maklu, 2003, 682-683). “Wanneer … de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kunnen de particulieren zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Het zelfde geldt wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden” (HvJ 8/81, Becker, 19 januari 1982, 25). Uit de bewoordingen van artikel 9.1 van de richtlijn 2004/38/EG blijkt dat aan voornoemde voorwaarden is voldaan. Deze bepaling heeft derhalve rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde, zodat verzoeker zich er op kan beroepen. De Belgische overheid heeft nagelaten onder andere artikel 9.1 van de richtlijn 2004/38/EG te implementeren in de Belgische rechtsorde, en derhalve is een rechtsvacuüm ontstaan voor familieleden van EU-burgers die geen burger van de Unie zijn, en die in België een “verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie”, volgens de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 2004/38/EG, willen verkrijgen. Artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet is, gezien de rechtstreekse werking van artikel 9.1 van richtlijn 2004/38/EG, sinds 30 april 2006 niet meer van toepassing op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Los van het feit of verzoeker begunstigde is van de richtlijn of niet, staat vast dat artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Het enig middel is in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: XIV-30.543-4/21 Enig artikel. Vernietigd wordt de beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken op 17 augustus 2007 om de afgifte van een visum te weigeren. (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “3.1. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: - art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (verder in dit middel te noemen: "Vreemdelingenwet"); - en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; - de artikelen 39/78, eerste lid, juncto artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/ van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: (...) Eerste onderdeel In een eerste onderdeel voert verzoeker een schending aan van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: - art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (verder in dit middel te noemen: "Vreemdelingenwet"); - en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; in samenhang met: - artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest desbetreffend als volgt wordt geoordeeld: "(...) Artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet is, gezien de rechtstreekse werking van artikel 9.1 van richtlijn 2004/38/EG, sinds 30 april 2006 niet meer van toepassing op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Los van het feit of verzoeker begunstigde is van de richtlijn of niet, staat vast dat artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Het enig middel is in de besproken mate gegrond " XIV-30.543-5/21 Er dient te worden vastgesteld dat noch in het bestreden arrest, noch in enig ander stuk waarop de Raad van State als administratieve cassatierechter acht vermag te slaan, enige vermelding wordt opgenomen die toelaat om vast te stellen dat verweerder op enig ogenblik, laat staan op het ogenblik van het nemen van de met het bestreden arrest vernietigde bestuurlijke beslissing, te zijnen aanzien om de toepassing van artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft verzocht. Artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals het van toepassing was vóór inwerkingtreding van de Wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bepaalt als volgt: "§ 6.- Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen. " Terwijl de echtgenote van verweerder de Nederlandse nationaliteit blijkt te bezitten. Dit gegeven komt tot uiting in de inhoud van de beslissing van 17 augustus 2007 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij is besloten: "Op 25/09/2006 werd via de Belgische diplomatieke post te Islamabad een visumaanvraag gezinshereniging ingediend op naam van XXX (...) om zijn echtgenote (...), van Nederlandse nationaliteit, in België te vervoegen." (onderlijning toegevoegd) Deze inhoud is in het bestreden arrest, op p. 1 van 4, letterlijk overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Aldus is het gegeven van de Nederlandse nationaliteit van verweerders echtgenote in graad van administratieve cassatie vaststaand. Terwijl uit de hoger weergegeven inhoud van (oud) artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, afdoende naar voor komt dat dit artikel betrekking heeft op de gezinshereniging van een niet E.U.-onderdaan (zoals verweerder in casu) met een Belg, hetgeen verweerders echtgenote in casu niet is. Zodoende kon het (oud) artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet in casu niet van toepassing zijn, waarbij tevens dient te worden herhaald en benadrukt dat verweerder ook nooit te zijnen aanzien om de toepassing van artikel 40 §6 voormeld heeft verzocht. Uit het voorgaande volgt dan meteen een schending van de regelgeving die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft toegepast, zijnde art. 40, § 6, Vreemdelingenwet. Immers wordt in het bestreden arrest het enig middel gegrond verklaard om reden dat het `vaststaat' dat "artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden (...)" en wordt om die reden "het enig middel (
- is)in de besproken mate gegrond" verklaard. Nu de rechter in vreemdelingenzaken ten onrechte toepassing heeft gemaakt van een wetsbepaling die in casu niet van toepassing kon zijn en door om die reden het enig middel gegrond te verklaren en de aangevochten administratieve beslissing dd. 17.08.2007 te vernietigen, werd het bestreden arrest onjuist gemotiveerd. Uit het voorgaande blijkt dan ook de schending van de rechtsregels die de jurisdictione- le motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven, en dit in samenhang met artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het eerste onderdeel is gegrond. XIV-30.543-6/21 Tweede onderdeel In het tweede onderdeel beroept verzoeker zich op: - de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Mocht, in weerwil van hetgeen in het vorige onderdeel is vermeld, toch kunnen worden aangenomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest, al is het maar impliciet, heeft geoordeeld dat verweerder zijn visumaanvraag heeft gedaan op grond van een huwelijk, niet met een Nederlandse, maar met een Belgische onderdane, dan dient te worden besloten dat dit rechtscollege aldus de bewijskracht heeft miskend van stukken die verweerder ter ondersteuning van deze aanvraag heeft aangebracht, te weten de Nederlandse identiteitskaart van zijn echtgenote alsook de Belgische "verblijfskaart van een onderdaan van een lidstaat der E.E.G." op naam van zijn echtgenote. Een zodanig onderdeel is immers niet verenigbaar met de inhoud van deze laatste stukken, waaruit onmiskenbaar blijkt dat verweerders echtgenote de Nederlandse nationaliteit heeft. De bedoelde stukken maakten deel uit van het administratief dossier dat met toepassing van art. 39/59, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen is toegezonden en afschriften ervan, die voor zoveel als nodig door de advocaat van de verweerder in de annulatieprocedure, thans verzoeker, eensluidend worden verklaard met de exemplaren van het genoemde dossier (cf. Cass. 26 oktober 2000, AR C.99.0526.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6, Arr. Cass. 2000, 1664), worden hierna gevoegd als vierde en vijfde bijlagen. De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze stukken die dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het tweede onderdeel is gegrond. Derde onderdeel In een derde onderdeel voert verzoeker andermaal een schending aan van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen; en tevens van: - de artikelen 39/78, eerste lid, juncto artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/ van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; De verzoekende partij stelt vast dat de rechter in vreemdelingenzaken onder 2.2 in het bestreden arrest verwijst naar de in de memorie van antwoord door verzoeker (oorspronkelijk verweerder) aangevoerde exceptie, met name dat huidig verweerder (oorspronkelijk verzoeker) in het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen geen voldoende duidelijk middel heeft aangebracht, zodat het onontvankelijk is. Zoals verzoeker reeds voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft opgemerkt, kan de uiteenzetting van (oorspronkelijk verzoeker) voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet worden beschouwd als een voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel. Dit laatste begrip dient immers de invulling te krijgen die het ook heeft in het kader van de behandeling van het annulatiecontentieux bij de Raad van State (zie Parl St., Kamer, 2005- 2006, DOC 51-2479/001, p. 116, in fine), hetgeen betekent dat daaronder de voldoende duidelijke opgave moet worden verstaan van de overtreden geachte rechtsregel(
- s)en van de wijze(
- n)waarop die regel(
- s)door de bestreden beslissing zouden worden geschonden (zie onder vele andere: R.v.St. nr. 135.268, 23 september 2004, C.D.P.K. 2006, 488; R.v.St. nr. 124.312, 16 oktober 2003, A.P.M 2003, 195; R.v.St. nr. 40.706, 12 oktober 1992, Arr. R.v.St. 1992). In de inhoud van verweerders inleidende verzoekschrift voor de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen kan een dergelijke opgave bezwaarlijk aanwezig worden geacht. XIV-30.543-7/21 Meer bepaald werd in de memorie voor de (toen verwerende) partij het volgende uiteengezet: "Voor verzoeker wordt een lijvig verzoekschrift ingediend bevattende een groot aantal pagina's die zijn bedrukt met onsamenhangende citaten, verwijzingen naar bepaalde wetgevingen en rechtspraak doch zonder dat er uit kan worden opgemaakt welke de uiteindelijke inhoud ervan is. De titel van het document, "verzoekschrift tot hoger beroep" duidt niet op het bij wet voorziene beroep tot nietigverklaring. Uit het feit dat het geschrift gericht is tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en uit het gegeven dat de tweede bladzijde het citaat bevat van de weigeringbeslissing kan worden afgeleid dat verzoeker de nietigverklaring vordert van die beslissing. Voor het overige is de voorliggende tekst onleesbaar in de zin van onduidelijk onlogisch, niet samenhangend, niet gestructureerd, kortom zinloos. Artikel 36/69 van de vreemdelingenwet schrijft voor dat het inleidend verzoekschrift houdende het beroep tot nietigverklaring, wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/56. Het verzoekschrift moet op straffe van nietigheid: 1/ de naam, nationaliteit, woonplaats van de verzoekende partij en het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij zoals vermeld op de bestreden beslissing bevatten; 2/ de keuze van woonplaats in België bevatten; 3/ de beslissing vermelden waartegen het beroep gericht is; 4/ een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen; 5/ de taal van de overeenkomstig artikel 39/60 horen ter terechtzitting vermelden; 7/ ondertekend zijn door verzoeker of zijn advocaat. Artikel 39/60 stelt dat de procedure schriftelijk is en dat de partijen en hun advocaat ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling mogen voordragen. Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn. Dat alles duidt op het belang van de uiteenzetting van het middel in het beroep tot nietigverklaring. Een middel moet aan bepaalde voorwaarden voldoen om ontvankelijk te zijn. De verwerende partij heeft de eer te verwijzen naar de doctrine zoals hieronder, die de vrucht is constante rechtspraak van de Raad van State, waarvan eveneens een arrest wordt geciteerd: Doctrine: "Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel en van de wijze waarop, volgens de verzoekende partij deze rechtsregel of het beginsel wordt geschonden. Een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van verzoeker kan uitmaken welke schending van welke rechtsregel is bedoeld en de verwerende partij of de Raad van State zelf het middel interpreteren, is niet ontvankelijk". "In het schorsingscontentieux wordt van de verzoekende partij bovendien verwacht dat zij ernstige middelen aanvoert. Onder ernstige middelen moet worden verstaan, middelen die bij een eerste lezing en rekening houdend met de omstandigheden van de zaak ontvankelijk en gegrond lijken, zodat de vernieti- ging van de bestreden beslissing quasi-onafwendbaar is. " (Procedures voor de Raad van State, Stephan De Taeye, Kluwer, 3/ uitgave - 2003 n/ 114) Rechtspraak: RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 158.703 van 15 mei 2006 in de zaak A. 66.593/X-6526 XIV-30.543-8/21 "Overwegende, wat de opgeworpen exceptie obscuri libelli betreft, dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift o.m. een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; Er kan geen dergelijk middel worden gelezen in het voorliggend verzoekschrift." In iedere hypothese kan de uiteenzetting van verzoeker niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, die slechts kan worden uitgesproken voor zover zou zijn aangetoond als zou de bestreden beslissing een hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm overtreden, hetzij een overschrijding of afwending van de macht inhouden. Het middel is niet ontvankelijk, minstens niet gegrond " In het aangevochten arrest wordt evenwel nergens op deze exceptie geantwoord, exceptie die nochtans de essentie uitmaakte van het verweer van de (oorspronkelijk verwerende) partij. Waar de rechter in vreemdelingenzaken nochtans onder 2.2 - zoals hoger opgemerkt - verwijst naar deze repliek van de (oorspronkelijk verwerende) partij, doet deze hier in het verder verloop van het arrest op geen enkele wijze uitspraak over. Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cf. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T.P.R. 1971, 1- 26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht. XIV-30.543-9/21 Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Op geen enkel ogenblik blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het door de (oorspronkelijk verwerende) partij in haar memorie van antwoord gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor op grond waarvan de exceptie van de (oorspronkelijk verwerende) partij werd afgewezen. Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze exceptie nochtans blijkt te hebben afgewezen, nu hij het enig middel gegrond verklaart. De motieven om tot dit oordeel te komen, ontbreken evenwel. Het gebrek aan vermelding van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de exceptie van de (oorspronkelijk verwerende) partij heeft afgewezen en tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratie- ve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Aldus schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Daarenboven benadrukt verzoeker dat, zoals hoger reeds uiteengezet, verweerder een voldoende duidelijke opgave had moeten geven van de overtreden geachte rechtsre- gel(
- s)en van de wijze(
- n)waarop die regel(
- s)door de bestreden beslissing zouden worden geschonden, bij gebreke waarvan geen voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel wordt aangevoerd. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hier anders over oordeelt, schendt hij in casu tevens de wetsbepalingen die een uiteenzetting van middelen in het bij hem ter inleiding van een annulatieberoep ingediende verzoekschrift op straffe van nietigheid voorschrijven, te weten art. 39/78, eerste lid, Vreemdelingenwet, juncto art. 39/69, § 1, tweede lid, 4/., Vreemdelingenwet. Gezien de weerslag van de motieven (of het gebrek daaraan, zoals in casu) van het bestreden arrest op de beoordeling van de gegrondheid van het "enig middel", volstaat deze vaststelling van de schending van de rechterlijke motiveringsplicht om tot administratieve cassatie te leiden. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. Het middel is gegrond.”; XIV-30.543-10/21 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt: “3.1. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: - art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (verder in dit middel te noemen: "Vreemdelingenwet"); - en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; - de artikelen 39/78, eerste lid, juncto artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/ van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: (...) Eerste onderdeel In een eerste onderdeel voert verzoeker een schending aan van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: - art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (verder in dit middel te noemen: "Vreemdelingenwet"); - en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; in samenhang met: - artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest desbetreffend als volgt wordt geoordeeld: "(...) Artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet is, gezien de rechtstreekse werking van artikel 9.1 van richtlijn 2004/38/EG, sinds 30 april 2006 niet meer van toepassing op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Los van het feit of verzoeker begunstigde is van de richtlijn of niet, staat vast dat artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn. Het enig middel is in de besproken mate gegrond" Er dient te worden vastgesteld dat noch in het bestreden arrest, noch in enig ander stuk waarop de Raad van State als administratieve cassatierechter acht vermag te slaan, enige vermelding wordt opgenomen die toelaat om vast te stellen dat verweerder op enig ogenblik, laat staan op het ogenblik van het nemen van de met het bestreden arrest vernietigde bestuurlijke beslissing, te zijnen aanzien om de toepassing van artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft verzocht. Artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals het van XIV-30.543-11/21 toepassing was vóór inwerkingtreding van de Wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bepaalt als volgt: "§ 6.- Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen. " Terwijl de echtgenote van verweerder de Nederlandse nationaliteit blijkt te bezitten. Dit gegeven komt tot uiting in de inhoud van de beslissing van 17 augustus 2007 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij is besloten: "Op 25/09/2006 werd via de Belgische diplomatieke post te Islamabad een visumaanvraag gezinshereniging ingediend op naam van XXX (...) om zijn echtgenote (...), van Nederlandse nationaliteit, in België te vervoegen." (onderlijning toegevoegd) Deze inhoud is in het bestreden arrest, op p. 1 van 4, letterlijk overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Aldus is het gegeven van de Nederlandse nationaliteit van verweerders echtgenote in graad van administratieve cassatie vaststaand. Terwijl uit de hoger weergegeven inhoud van (oud) artikel 40 §6 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, afdoende naar voor komt dat dit artikel betrekking heeft op de gezinshereniging van een niet E.U.-onderdaan (zoals verweerder in casu) met een Belg, hetgeen verweerders echtgenote in casu niet is. Zodoende kon het (oud) artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet in casu niet van toepassing zijn, waarbij tevens dient te worden herhaald en benadrukt dat verweerder ook nooit te zijnen aanzien om de toepassing van artikel 40 §6 voormeld heeft verzocht. Uit het voorgaande volgt dan meteen een schending van de regelgeving die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft toegepast, zijnde art. 40, § 6, Vreemdelingenwet. Immers wordt in het bestreden arrest het enig middel gegrond verklaard om reden dat het `vaststaat' dat "artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden (...)" en wordt om die reden "het enig middel (
- is)in de besproken mate gegrond" verklaard. Nu de rechter in vreemdelingenzaken ten onrechte toepassing heeft gemaakt van een wetsbepaling die in casu niet van toepassing kon zijn en door om die reden het enig middel gegrond te verklaren en de aangevochten administratieve beslissing dd.17.08.2007 te vernietigen, werd het bestreden arrest onjuist gemotiveerd. Uit het voorgaande blijkt dan ook de schending van de rechtsregels die de jurisdictio- nele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven, en dit in samenhang met artikel 40 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Waar verwerende partij in haar memorie van antwoord poneert dat een 'nieuw middel niet voor het eerst in cassatie voor de Raad van State kan worden opgeworpen', laat de verzoekende partij gelden dat zulke beschouwing faalt naar recht. Immers was niet verzoekende partij, doch wel verwerende partij de verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zodat huidig verzoeker in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nooit enig middel heeft opgeworpen tot vernietiging van de administratieve beslissing, doch slechts gehouden was haar beslissing te verdedigen. Aan de verzoekende partij kan niet worden verweten geen middelen tot vernietiging te hebben ontwikkeld in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen XIV-30.543-12/21 teneinde de vernietiging van haar eigen administratieve beslissing te bekomen; hetgeen uiteraard nooit het geval zal zijn. Dit sluit vanzelfsprekend niet uit dat de verzoekende partij cassatie kan indienen tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen. In casu is het middel, dat bestaat in een schending van de jurisdictionele motiverings- plicht en artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet gericht tegen de concrete motieven van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (en - uiteraard - niet tegen de administratieve beslissing die het voorwerp uitmaakt van de procedure). Verzoekende partij licht in haar middel ook toe op welke wijze de rechter in vreemdelingenzaken plots en om totaal onduidelijke motieven melding maakt van artikel 40 §6 Vreemdelingenwet, dit des te meer nu verweerder ook nooit te zijnen aanzien om de toepassing van artikel 40 §6 voormeld heeft verzocht. De verzoekende partij kón zich dan ook nooit - tenzij in voorliggende cassatieprocedu- re, wat zij ook doet - verweren of enig middel aanvoeren nopens de plotse en onaangekondigde door de rechter in vreemdelingenzaken naar voor gebrachte verwijzing naar artikel 40 §6 Vreemdelingenwet. Verweerder merkt verder 'subsidiair' op dat 'duidelijk' zou blijken dat verzoekende partij `opkomt tegen de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing en zij in feite wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen overdoet'. Verweerder kan hierin uiteraard niet gevolgd worden. De kritiek van verzoekende partij berust hierin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen geheel ten onrechte melding maakt van artikel 40 §6 Vreemdelingenwet in zijn arrest, nu: - dit artikel in casu niet van toepassing is, vermits verweerders echtgenote de Nederlandse nationaliteit heeft - hetgeen als feit vaststaat - en verweerder zich nooit, noch voor de Dienst Vreemdelingenzaken, noch voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, op artikel 40 §6 Vreemdelingenwet heeft beroepen; - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet motiveert waarom hij verwijst naar artikel 40 §6 Vreemdelingenwet, artikel dat voordien niet ter sprake was gekomen en in casu ook niet van toepassing kan worden geacht. De argumenten van de verwerende partij in cassatie kunnen dan ook allerminst worden aangenomen. Het eerste onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel In het tweede onderdeel beroept verzoeker zich op: - de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Mocht, in weerwil van hetgeen in het vorige onderdeel is vermeld, toch kunnen worden aangenomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest, al is het maar impliciet, heeft geoordeeld dat verweerder zijn visumaanvraag heeft gedaan op grond van een huwelijk, niet met een Nederlandse, maar met een Belgische onderdane, dan dient te worden besloten dat dit rechtscollege aldus de bewijskracht heeft miskend van stukken die verweerder ter ondersteuning van deze aanvraag heeft aangebracht, te weten de Nederlandse identiteitskaart van zijn echtgenote alsook de Belgische "verblijfskaart van een onderdaan van een lidstaat der E.E.G." op naam van zijn echtgenote. Een zodanig onderdeel is immers niet verenigbaar met de inhoud van deze laatste stukken, waaruit onmiskenbaar blijkt dat verweerders echtgenote de Nederlandse nationaliteit heeft. De bedoelde stukken maakten deel uit van het administratief dossier dat met toepassing van art. 39/59, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen is toegezonden en afschriften ervan, die voor zoveel als nodig door de advocaat van de verweerder in de annulatieprocedure, thans verzoeker, eensluidend worden verklaard met de exemplaren van het genoemde dossier (cf. Cass. 26 oktober 2000, AR C.99.0526.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6, Arr. Cass. 2000, 1664), worden hierna gevoegd als vierde en vijfde bijlagen. XIV-30.543-13/21 De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze stukken die dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Andermaal poneert verweerder als zou dit onderdeel van het middel een 'nieuw middel' betreffen, dat niet voor het eerst in graad van administratieve cassatie kan worden opgeworpen. De verzoekende partij verwijst naar haar repliek desbetreffend onder het eerste onderdeel van het eerste middel. Het is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die in zijn arrest voor het eerst de bewijskracht van de stukken ontkent. Een dergelijk middel kon - nog los van het gegeven dat het hoe dan ook niet aan huidig verzoeker was om voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen middelen op te werpen tegen zijn eigen administratieve beslissing - dan ook slechts worden opgewor- pen in huidige cassatieprocedure, gericht tegen dit arrest. Het tweede onderdeel is gegrond. Derde onderdeel In een derde onderdeel voert verzoeker andermaal een schending aan van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen; en tevens van: - de artikelen 39/78, eerste lid, juncto artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/ van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; De verzoekende partij stelt vast dat de rechter in vreemdelingenzaken onder 2.2 in het bestreden arrest verwijst naar de in de memorie van antwoord door verzoeker (oorspronkelijk verweerder) aangevoerde exceptie, met name dat huidig verweerder (oorspronkelijk verzoeker) in het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen geen voldoende duidelijk middel heeft aangebracht, zodat het onontvankelijk is. Zoals verzoeker reeds voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft opgemerkt, kan de uiteenzetting van (oorspronkelijk verzoeker) voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet worden beschouwd als een voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel. Dit laatste begrip dient immers de invulling te krijgen die het ook heeft in het kader van de behandeling van het annulatiecontentieux bij de Raad van State (zie ParL St., Kamer, 20052006, DOC 51-2479/001, p. 116, in fine), hetgeen betekent dat daaronder de voldoende duidelijke opgave moet worden verstaan van de overtreden geachte rechtsregel(
- s)en van de wijze(
- n)waarop die regel(
- s)door de bestreden beslissing zouden worden geschonden (zie onder vele andere: R.v.St. nr. 135.268, 23 september 2004, C.D.P.K. 2006, 488; R.v.St. nr. 124.312, 16 oktober 2003, A.P.M. 2003, 195; R.v.St. nr. 40.706, 12 oktober 1992, Arr. R.v.St. 1992). In de inhoud van verweerders inleidende verzoekschrift voor de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen kan een dergelijke opgave bezwaarlijk aanwezig worden geacht. Meer bepaald werd in de memorie voor de (toen verwerende) partij het volgende uiteengezet: "Voor verzoeker wordt een lijvig verzoekschrift ingediend bevattende een groot aantal pagina's die zijn bedrukt met onsamenhangende citaten, verwijzingen naar bepaalde wetgevingen en rechtspraak doch zonder dat er uit kan worden opgemaakt welke de uiteindelijke inhoud ervan is. De titel van het document, "verzoekschrift tot hoger beroep" duidt niet op het bij wet voorziene beroep tot nietigverklaring. Uit het feit dat het geschrift gericht is tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en uit het gegeven dat de tweede bladzijde het citaat bevat van de weigeringbeslissing kan worden afgeleid dat verzoeker de nietigverklaring vordert van die beslissing. XIV-30.543-14/21 Voor het overige is de voorliggende tekst onleesbaar in de zin van onduidelijk onlogisch, niet samenhangend, niet gestructureerd, kortom zinloos. Artikel 36/69 van de vreemdelingenwet schrijft voor dat het inleidend verzoekschrift houdende het beroep tot nietigverklaring, wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/56. Het verzoekschrift moet op straffe van nietigheid: 1/ de naam, nationaliteit, woonplaats van de verzoekende partij en het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij zoals vermeld op de bestreden beslissing bevatten; 2/ de keuze van woonplaats in België bevatten; 3/ de beslissing vermelden waartegen het beroep gericht is; 4/ een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen; 5/ de taal van de overeenkomstig artikel 39/60 horen ter terechtzitting vermelden; 7/ ondertekend zijn door verzoeker of zijn advocaat. Artikel 39/60 stelt dat de procedure schriftelijk is en dat de partijen en hun advocaat ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling mogen voordragen. Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoek- schrift of in de nota uiteengezet zijn. Dat alles duidt op het belang van de uiteenzetting van het middel in het beroep tot nietigverklaring. Een middel moet aan bepaalde voorwaarden voldoen om ontvankelijk te zijn. De verwerende partij heeft de eer te verwijzen naar de doctrine zoals hieronder, die de vrucht is constante rechtspraak van de Raad van State, waarvan eveneens een arrest wordt geciteerd: Doctrine: "Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel en van de wijze waarop, volgens de verzoekende partij deze rechtsregel of het beginsel wordt geschonden. Een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van verzoeker kan uitmaken welke schending van welke rechtsregel is bedoeld en de verwerende partij of de Raad van State zelf het middel interprete- ren, is niet ontvankelijk". "In het schorsingscontentieux wordt van de verzoekende partij bovendien verwacht dat zij ernstige middelen aanvoert. Onder ernstige middelen moet worden verstaan, middelen die bij een eerste lezing en rekening houdend met de omstandigheden van de zaak ontvankelijk en gegrond lijken, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing quasi-onafwendbaar is." (Procedures voor de Raad van State, Stephan De Taeye, Kluwer, 3/ uitgave - 2003 n/ 114) Rechtspraak: RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 158.703 van 15 mei 2006 in de zaak A. 66.593/X-6526 "Overwegende, wat de opgeworpen exceptie obscuri libelli betreft, dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift o.m. een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; Er kan geen dergelijk middel worden gelezen in het voorliggend verzoekschrift." In iedere hypothese kan de uiteenzetting van verzoeker niet leiden tot de nietigver- klaring van de bestreden beslissing, die slechts kan worden uitgesproken voor zover zou zijn aangetoond als zou de bestreden beslissing een hetzij substantiële, hetzij op XIV-30.543-15/21 straffe van nietigheid voorgeschreven vorm overtreden, hetzij een overschrijding of afwending van de macht inhouden. Het middel is niet ontvankelijk minstens niet gegrond " In het aangevochten arrest wordt evenwel nergens op deze exceptie geantwoord, exceptie die nochtans de essentie uitmaakte van het verweer van de (oorspronkelijk verwerende) partij. Waar de rechter in vreemdelingenzaken nochtans onder 2.2 – zoals hoger opgemerkt – verwijst naar deze repliek van de (oorspronkelijk verwerende) partij, doet deze hier in het verder verloop van het arrest op geen enkele wijze uitspraak over. Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cf. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T.P.R. 1971, 1- 26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Op geen enkel ogenblik blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het door de (oorspronkelijk verwerende) partij in haar memorie van antwoord gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor XIV-30.543-16/21 op grond waarvan de exceptie van de (oorspronkelijk verwerende) partij werd afgewezen. Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze exceptie nochtans blijkt te hebben afgewezen, nu hij het enig middel gegrond verklaart. De motieven om tot dit oordeel te komen, ontbreken evenwel. Het gebrek aan vermelding van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de exceptie van de (oorspronkelijk verwerende) partij heeft afgewezen en tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratie- ve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Aldus schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Daarenboven benadrukt verzoeker dat, zoals hoger reeds uiteengezet, verweerder een voldoende duidelijke opgave had moeten geven van de overtreden geachte rechtsre- gel(
- s)en van de wijze(
- n)waarop die regel(
- s)door de bestreden beslissing zouden worden geschonden, bij gebreke waarvan geen voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel wordt aangevoerd. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hier anders over oordeelt, schendt hij in casu tevens de wetsbepalingen die een uiteenzetting van middelen in het bij hem ter inleiding van een annulatieberoep ingediende verzoekschrift op straffe van nietigheid voorschrijven, te weten art. 39/78, eerste lid, Vreemdelingenwet, juncto art. 39/69, § 1, tweede lid, 4/, Vreemdelingenwet. Gezien de weerslag van de motieven (of het gebrek daaraan, zoals in casu) van het bestreden arrest op de beoordeling van de gegrondheid van het "enig middel", volstaat deze vaststelling van de schending van de rechterlijke motiveringsplicht om tot administratieve cassatie te leiden. Waar verweerder stelt dat dit onderdeel van het middel 'erop neerkomt dat verzoekende partij wil dat de Raad van State de beoordeling van de gegevens van het dossier overdoet', faalt deze bewering in feite én in rechte. Immers heeft deze grief van verzoeker niets vandoen met de feitelijke gegevens van het dossier, doch enkel met de wijze waarop huidig verweerder (oorspronkelijk verzoeker) zijn middel omschreef voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zoals hoger toegelicht, dient een middel aangebracht in een administratieve procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een voldoende duidelijk omschreven rechtsregel te omvatten. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat huidig verweerder (in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker) in zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in gebreke is gebleven dit te doen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft hier geen enkel antwoord op geformuleerd. Aldus voert verzoeker terecht een schending aan van de jurisdictionele motiveringsverplichting, zoals hoger toegelicht. Nu de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen de door verzoekende partij in cassatie aangevoerde exceptie niet heeft onderzocht, minstens hieromtrent niet heeft gemotiveerd, zijn ook de rechten van verdediging van verzoeker geschonden. Verweerders repliek berust op een volstrekt verkeerde lezing en verkeerd begrip van dit onderdeel van het eerste middel en mist elke relevantie dienaangaande. XIV-30.543-17/21 Hoger werd uiteengezet wat de jurisdictionele motiveringsplicht inhoudt. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht Waar verweerder dan ook voorhoudt dat, "gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen haar motivering volledig baseert op de uiteenzetting in het verzoekschrift hoger beroep van verwerende partij in cassatie, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen haar standpunt betreffende de exceptie van verzoekende partij in cassatie zeer duidelijk." En "Een uitgebreidere motivering is bijgevolg niet vereist" dient verzoeker andermaal te benadrukken dat geen enkel motief werd geformuleerd nopens de exceptie. Aldus kan de Raad van State hier op geen enkele wijze zijn wettigheidstoezicht over uitoefenen. Verweerder slaat de bal mis waar deze kennelijk - doch zonder enige juridische grond daartoe - meent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet had moeten motiveren omtrent deze door de verzoekende partij in cassatie aangevoerde exceptie. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. Het middel is gegrond.”; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van de rechtsregels die de jurisdictionele motiverings- plicht beheersen, namelijk van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht in samenhang met artikel 40 van laatstgenoemde wet; dat de verzoekende partij aanvoert dat noch in het bestreden arrest noch in enig ander stuk, enige vermelding wordt opgenomen die toelaat vast te stellen dat verweerder om de toepassing van artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet heeft verzocht; dat zij stelt dat artikel 40, §6 immers betrekking heeft op de gelijkstelling met een EG-vreemdeling van de echtgenoot van een Belg, terwijl de echtgenote van verweerder de Nederlandse nationaliteit lijkt te bezitten, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg ten onrechte deze regelgeving heeft toegepast zodat het bestreden arrest onjuist gemotiveerd is; 2.3.2.1. Overwegende dat de verwerende partij stelt dat het eerste onderdeel kennelijk niet -ontvankelijk is, enerzijds, omdat dit middel niet werd opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dit niet voor de eerste keer in cassatie kan en, anderzijds, omdat de verzoekende partij in wezen wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overdoet; 2.3.2.2. Overwegende dat dient opgemerkt dat de verzoekende partij niet kan verweten worden dit onderdeel van het eerste middel niet in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te hebben opgeworpen aangezien zij in deze procedure optrad als verwerende partij en het niet aan haar toekwam middelen aan te voeren; dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat de verzoekende partij een XIV-30.543-18/21 feitelijke herbeoordeling van de zaak beoogt; dat de verzoekende partij immers betoogt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte melding maakt van artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet nu dit artikel niet van toepassing is aangezien verweerders echtgenote de Nederlandse nationaliteit heeft en dit gegeven niet wordt betwist; dat het eerste onderdeel van het eerste middel ontvankelijk is; 2.3.3. Overwegende dat de oorspronkelijke verzoekende partij, thans de verwerende partij, in het enig middel van haar annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, onder meer, de schending heeft aangevoerd van de richtlijn 2004/38/EG en betoogd dat deze richtlijn diende te worden omgezet in de Belgische rechtsorde ten laatste op 30 april 2006, hetgeen niet was gebeurd op het ogenblik van de bestreden beslissing; dat, gezien de artikelen 7 en 9 van deze richtlijn directe werking hebben, artikel 40 van de Vreemdelingenwet niet meer kon worden toegepast en de weigeringsbeslissing niet op deze grond kon worden genomen; dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen in zijn arrest overweegt dat “artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet, gezien de rechtstreekse werking van artikel 9.1 van richtlijn 2004/38/EG, sinds 30 april 2006 niet meer van toepassing (
- is)op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn” en dat “los van het feit of verzoeker begunstigde is van de richtlijn of niet, het vast (staat), dat artikel 40, §6 sinds 30 april 2006 niet meer kan toegepast worden op familieleden van een EU-burger die zelf geen burger van de Unie zijn” en dat het middel bijgevolg gegrond is; dat uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het middel heeft gegrond verklaard omdat artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet niet meer kan worden toegepast; dat het (oud) artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet bepaalt: “Met de EG-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedver- wanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen.”; dat de bepaling uitdrukkelijk handelt over de gelijkstelling met de EG-vreemdeling van de echtgenoot en de familieleden van een Belg; dat uit de stukken van het administratief dossier evenals uit het bestreden arrest blijkt dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, een visumaan- vraag gezinshereniging aan de Belgische autoriteiten heeft aangevraagd in functie van zijn echtgenote, van Nederlandse nationaliteit; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord op geen enkel ogenblik betwist dat haar echtgenote de Nederlandse nationaliteit bezit; dat de verwerende partij zich bijgevolg op geen enkel ogenblik kon beroepen op artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet aangezien haar echtgenote niet de Belgische nationaliteit XIV-30.543-19/21 bezat; dat de verzoekende partij gelijk heeft wanneer zij stelt dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen ten onrechte toepassing maakt van artikel 40, §6 van de Vreemdelingenwet; dat het bestreden arrest, dat op doorslaggevende wijze gesteund is op de toepassing van voornoemde bepaling, derhalve onjuist is gemotiveerd; dat de schending van de motiverings- plicht dient aangenomen; dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het arrest nr. 14.933 van 7 augustus 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-30.543-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.543-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.963 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div