← België

Arrest 194968 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.968 Rolnummer: A. 176783/X-13013 Zaak: Arrest 194968 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.968 van 30 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.968 van 30 juni 2009 in de zaak A. 176.783/X-13.013. In zake : Koenraad VAN LIEFFERINGE, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de stad GERAARDSBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141. tussenkomende partij : de v.z.w. BARONIE VAN BOELARE, die woonplaats kiest bij advocaat F. VAN TRIMPONT, kantoor houdende te 9500 GERAARDSBERGEN, Vredestraat 45. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koenraad VAN LIEFFERINGE op 15 september 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1. Een besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Geraardsbergen, genomen op 13.06.2002, houdende aflevering, aan de VZW Baronie van Boelare, van een stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden en verbouwen van verblijfsaccommodatie voor bejaarden op een terrein met als adres Kasteeldreef(Ned) 3, 9300 Nederboelare, met als kadastrale omschrijving Geraardsbergen 2 Afd (Nederboelare), sectie A, nr(

  1. s)367 en volgende; 2. Een besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Geraardsbergen, genomen op 18.07.2006, houdende niet-intrekking van voormeld besluit van 13.06.2002 na een terzake gewezen schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar van 5 juli 2006”; X-13.013-1/12 Gelet op het arrest nr. 170.398 van 24 april 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 11 juni 2007 ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 13 juli 2007 ingediend door de v.z.w. BARONIE VAN BOELARE; Gelet op de beschikking van 3 augustus 2007 die de tussenkomst van de v.z.w. BARONIE VAN BOELARE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VAN ACKER, die loco advocaat D. MATTHYS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat L. DU GARDEIN, die loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. VAN TRIMPONT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.013-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van de percelen gelegen te Geraardsbergen, Astridlaan, kadastraal bekend sectie A, nrs. 348/k2 en 362/h. Deze percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem gelegen in woongebied. Ze liggen niet in een gebied dat het voorwerp uitmaakt van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling. 1.2. De tussenkomende partij baat een rust- en verzorgingstehuis uit op het domein van de Baronie van Boelare gelegen te Geraardsbergen, Kasteeldreef. Dat goed is volgens het voormelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem gelegen in natuurgebied. Het is ook gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij ministerieel besluit van 16 juni 1995 goedgekeurde BPA nr. 17, “Baronie van Boelare”, waarvan de herziening en uitbreiding bij besluit van 14 november 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening is goedgekeurd. 1.3. Tegen het voormelde ministerieel besluit van 14 november 2005 heeft de verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingesteld in de zaak gekend onder het nummer A. 169.780/X-12.673. Bij arrest nr. 194.967 heeft de Raad van State heden dit beroep verworpen. 1.4. Op 6 april 2006 dient de tussenkomende partij een stedenbouw- kundige vergunningsaanvraag in voor het “uitbreiden en verbouwen van verblijfsaccommodatie voor bejaarden”. De aanvraag omvat de nieuwbouw van een uitbreidingsvleugel met 24 individuele kamers voor bejaarden, de verbouwing van een kleine dwarsschuur tot gemeenschappelijke verblijfs- en verzorgingsruimte en de aanleg van een ringdijk en noodweg ter bescherming van de gebouwen en de bewoners tegen overstroming. Door de uitbreiding en de verbouwing van de bestaande gebouwen moet het mogelijk worden om alle residenten, namelijk 56 personen, voortaan te huisvesten in het uit te breiden gebouw “De Meander” en niet meer (deels) in het kasteel van Boelare, dat op lange termijn niet meer kan voldoen aan de voorschriften voor een reglementaire opvang. X-13.013-3/12 1.5. De afdeling ROHM-Oost-Vlaanderen Monumenten en Landschappen, het agentschap voor Natuur en Bos, de brandweer van Geraardsbergen en de afdeling Bovenschelde van de n.v. Waterwegen en Zeekanaal, brengen elk een gunstig advies uit, mits naleving van één of meerdere voorwaarden. 1.6. Op 13 juni 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, mits stipte naleving van de voormelde adviezen. Dit is het eerste bestreden besluit. 1.7. Dit besluit wordt op 5 juli 2006, met verzoek tot onmiddellijke intrekking, door de gemachtigde ambtenaar geschorst, omdat hij het op verschillende punten niet in overeenstemming acht met het bij ministerieel besluit van 14 november 2005 goedgekeurde BPA: “ bijzonder plan van aanleg beslissing college De maximale verhoging van het Wegens het ontbreken op de huidige oeverpeil zal nergens groter bouwplannen van de aanduiding van mogen zijn dan 30 cm. het huidig en toekomstig oeverpeil is het niet op te maken of aan de voorwaarde wordt voldaan. De aanleg van de brandweg zal, Volgens het inplantingsplan wordt de rekening houdend met de algemene brandweg voorzien buiten de voorschriften inzake opgelegde zone. Dit wordt bevestigd in brandbeveiliging voor openbare het advies van de Bovenschelde van gebouwen, gebeuren in een zone 18.05.2006. Het college neemt in de van 8 m breedte, te rekenen vanaf stedenbouwkundige vergunning als de muurvoet van de gebouwen. voorwaarde op dat de plannen moeten aangepast worden aan dat advies. Dit impliceert evenwel dat er geen beeld is waar precies de brandweg zal komen te liggen. De strijdigheid qua ligging van de brandweg met de stedenbouwkundige voorschriften kan om die redenen niet geregeld worden met een wijzigende voorwaarde in de stedenbouwkundige vergunning, doch vereist een aanpassing van de bouwplannen. ” X-13.013-4/12 1.8. Op 18 juli 2006 besluit het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen echter tot het niet intrekken van het besluit van 13 juni 2006. Het motiveert dit besluit, dat het tweede bestreden besluit is, als volgt: “1. (...) De op het plan aangeduide hoogtepeilen langsheen de oever zijn de bestaande peilen en tevens de toekomstige doordat aan de oever zelf niet wordt geraakt. De verhoging ter hoogte van de oever is namelijk 0 cm. (...) 2. (...) De brandweg wordt inderdaad op sommige plaatsen voorzien buiten de opgelegde zone maar dit is juist rekening houdende met de algemene voorschriften inzake brandbeveiliging. De voorschriften stellen immers duidelijk dat brandwegen een binnenbuigstraal van 11 m en een buitenbuigstraal van 15m dienen te hebben. Dit is onmogelijk te realiseren binnen de 8m van de bestaande bebouwing. Een bijkomend aanvullend plan maakt dit duidelijk. Tevens merken wij op dat er geen efficiënte brandbestrijding kan gebeuren als de brandweerweg continu en dichtbij de muurvoet van de gebouwen zou liggen omdat dit ondermeer de manschappen en voertuigen in het gevaar zou brengen en er o.a. geen operationele vrijheid is om bvb. de ladderwagen op te richten en te laten roteren. Het advies van de administratie Afdeling Bovenschelde handelt niet over de brandweg, maar over de ringdijk. (...)”. 1.9. De afdeling Stedenbouwkundig Beleid deelt op 27 juli 2006 mee dat de vergunning logisch en gegrond is en dat het dossier bijgevolg niet ter vernietiging van de vergunning aan de bevoegde minister zal worden voorgelegd. 1.10. Bij besluit van 25 september 2006 van de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, wordt aan de tussenkomende partij de voorafgaande vergunning verleend voor het bouwen van een rusthuisgedeelte met 25 woongelegenheden ter vervanging van een bestaand rusthuisgedeelte, waarbij de maximale opnamecapaciteit behouden blijft op 56 woongelegenheden. 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1.1. De verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat hij een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij het aanvechten van de bestreden beslissingen. Daartoe voert hij aan dat het ministerieel besluit van 14 november 2005, waarvan hij bij de Raad van State de nietigverklaring heeft gevorderd in de zaak gekend onder het nummer A. 169.780/X-12.673, “de grondslag (vormt) voor X-13.013-5/12 de aflevering van de thans aangevochten stedenbouwkundige vergunning”, die “het concrete eindpunt” is, en dat “het belang dat (hij) naar aanleiding van de (...) vermelde eis tot nietigverklaring (...) heeft toegelicht (...) identiek (
  2. is)aan het belang dat in huidige eis voor (hem) bestaat”. Dit belang komt er, aldus de verzoeker, op neer “dat (hij), (die) zelf eigenaar (
  3. is)van een aangrenzend perceel grond dat (is gelegen) in een woongebied, een ongunstig advies kreeg van de stad Geraardsbergen voor een door hem gepland project onder aanvoering dat dit project niet complementair is met de historisch aangrenzende site van de Baronie van Boelare, en dat hij aldus concludeert dat hem beperkingen worden opgelegd in het woongebied waar zijn eigendom is gelegen zonder BPA, terwijl voor de site Baronie van Boelare, die als argument wordt aangewend om (zijn) project (...) negatief te adviseren, zelfs een herziening en uitbreiding van het BPA wordt goedgekeurd voor het bijbouwen van service-flats, dit in een natuurgebied”. 2.1.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een ontvankelijkheidsexceptie op inzake het belang van de verzoeker. Zij stelt daartoe in essentie, vooreerst, dat het duidelijk mag zijn dat een eventuele nietigverklaring van de kwestieuze besluiten niet tot gevolg kan hebben dat het project van de verzoeker vergunbaar zou worden. Dat project moet immers worden beoordeeld rekening houdend met de stedenbouwkundige en planologische context van zijn percelen. De met deze procedure aangevochten besluiten hebben dan ook geen rechtstreekse band met de plannen van de verzoeker en kunnen hem bijgevolg geen rechtstreeks nadeel toebrengen. Voorts voert ze aan, met verwijzing naar de voor de verzoeker gunstige vergunningshistoriek inzake laagbouw, dat het stadsbestuur de bouwplannen van de verzoeker steeds heeft gesteund en dat de verzoeker zijn project wel degelijk kan realiseren mits indiening van een bouwaanvraag met een gereduceerd aantal bouwlagen. 2.1.3. Ook de tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker niet beschikt over het wettelijk vereiste belang. Ze voert daartoe in essentie aan dat haar project, dat enkel het realiseren van een vervangingsnieuwbouw van rusthuisbedden (RVT en ROB) betreft, en derhalve de bestreden besluiten die de uitvoering ervan mogelijk maken, de verzoeker er geenszins van weerhoudt om zijn plannen, namelijk het bouwen van appartementen en serviceflats, te realiseren. X-13.013-6/12 Ook wijst ze erop dat de verzoeker nalaat zijn project effectief ten uitvoer te brengen, dat de verzoeker niet tijdig heeft gepoogd om een voorafgaande vergunning voor 40 rusthuisbedden te bekomen toen dit nog kon, dat de verzoeker helemaal niet voldoet aan de voorwaarden (“te weten de professionele kwaliteitsgaranties”) om ROB- of RVT-bedden te bekomen, dat de verzoeker, wiens percelen op “(ongeveer) 1 kilometer (van de site zijn) gesitueerd (en ervan zijn) gescheiden door een spoorwegbedding met vier sporen, een openbare weg en een eigendom van een derde”, niet kan aantonen dat hij een bijzonder, van de andere eigenaars van gronden in de buurt onderscheiden, belang heeft, dat de Raad van State in zijn arrest van 24 april 2007 waarin de schorsingsvordering is verworpen reeds heeft overwogen dat “aangezien de verzoeker naar eigen zeggen de intentie heeft op zijn perceel enkel appartementen en ‘serviceflats’ te bouwen, niet valt in te zien op welke wijze de bestreden vergunning de verzoeker ervan zou kunnen weerhouden zijn plannen te realiseren, zelfs indien het programmatiecijfer voor serviceflatgebouwen voor de gemeente Geraardsbergen geen bijkomende wooneenheden meer zou toelaten”, dat de aan haar vergunde werken geen enkele invloed hebben op de realiseerbaarheid van het project van de verzoeker daar er voor de stad Geraardsbergen in het programma nog voldoende wooneenheden beschikbaar zijn (zonodig met een transfer uit andere gemeenten) en dat zij in geval van nietigverklaring van de bestreden besluiten, gelet op het feit dat de door haar verkregen voorafgaande vergunning van 25 september 2006 geldt voor vijf jaar en eenmalig kan worden verlengd met drie jaar, nog steeds de tijd zou hebben om in de stad een andere locatie te vinden voor haar ouderlingenaccommodatie zonder haar vergunning te verliezen. 2.1.4. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker vooreerst wat hij reeds in zijn verzoekschrift inzake zijn belang heeft gesteld. Daarnaast betoogt hij nog dat daaruit “genoegzaam het rechtstreeks nadeel (blijkt) dat (hij) ondervindt”, namelijk dat hij “door de aflevering aan de (tussenkomende partij) van een onwettige stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden en verbouwen van een verblijfsaccommodatie voor bejaarden, (...) van (de verwerende partij) een ongunstig advies (kreeg) voor zijn voorgenomen project, zijnde het oprichten van appartementen en serviceflats met mogelijks op het gelijkvloers een commerciële ruimte alsook ondergrondse parking”. Voorts poneert hij dat “(
  4. de)tussenkomende partij (...) de terminologie ‘serviceflats’ in de aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2, ingediend door verzoeker, heel letterlijk (heeft) genomen en (...) daardoor tot een totaal andere betekenis (komt)”. “Nochtans is het voor stedenbouw”, aldus de X-13.013-7/12 verzoeker, “zonder belang of men nu de bewoording ROB en RVT (rustoordbedden en rust verzorgingstehuis) of serviceflats gebruikt”, aangezien het “hier immers enkel (gaat) om het volume van de woongelegenheden”. Daarbij zet de verzoeker nog uiteen dat “(
  5. de)tussenkomende partij (...) deze bewoordingen (misbruikt) omdat zij weet dat de dienst Welzijn en Gezondheidszorg daar wel degelijk een onderscheid maakt, ofschoon dit in huidige aangelegenheid niet de minste relevantie heeft” en dat “bovendien (...) serviceflats altijd een functionele binding (moeten) hebben met een rustoord, waardoor het evident is dat er ook ROB moeten komen in (zijn) project (...), omdat er anders een binding zal moeten zijn met een ander rusthuis”. Eveneens voert hij dienaangaande aan dat “de uiteenzetting van (
  6. de)tussenkomende partij (en tevens het arrest van 24 april 2007 waarbij de schorsing werd afgewezen) (...) nu enkel in(speelt) op die woordspeling”, dat “in het geval van ‘serviceflats’ (...) er inderdaad nog 17 serviceflats beschikbaar (zijn) en (...) er (kunnen) getransfereerd worden van de omringende gemeenten” en dat het “bij (hem) (...) evenwel (gaat) om een veel ruimere betekenis, nl. over bejaardenaccommodatie”. Vervolgens wijst hij erop, reagerend op de opmerking van de tussenkomende partij dat hij nalaat zijn project effectief ten uitvoer te leggen, dat hij “op 1 januari 2007, zowel per mail als per aangetekende zending naar het Agentschap Zorg en Gezondheid een aanvraag (deed) tot het verkrijgen van een voorafgaande vergunning tot oprichting van een moderne bejaardenaccommodatie voor niet minder dan 100 bedden, gespreid over 60 rustoordbedden en 40 serviceflats”, dat hij “met een apart schrijven dd. 30.01.2007 van het Vlaams Agentschap Zorg werd (...) verzocht om bijkomende informatie” (“o.a. een bewijs, ondertekend door de Burgemeester, dat aantoont dat het onroerend goed (...) stedenbouwkundig in aanmerking komt om er het geplande initiatief te realiseren”), dat hij “een attest (ontving) van de stad” waaruit blijkt “dat het perceel (is gelegen) in woongebied, zijnde de correcte zonering voor het oprichten van serviceflats en/of een rustoord”, dat blijkens het voormelde schrijven van 30 januari 2007 “in de Stad Geraardsbergen nog slechts een toename van het aantal woongelegenheden in rusthuizen mogelijk is met 14 opnamemogelijkheden”, dat er “voor de gevraagde 40 serviceflats (...) geen problemen (zijn)”, dat “het resultaat is dat in (zijn) project (...) een tekort blijft van 46 rustoordbedden” zodat hij “zeker en vast een persoonlijk belang (heeft) dat aantoont dat de vernietiging van de bestreden beslissing hem tot voordeel strekt” aangezien hij “zeker en vast aanspraak (kan) maken op rustoordbedden”. X-13.013-8/12 Eveneens voert de verzoeker aan dat hij “bij de weigering van de bouwvergunning van de Baronie 25 extra rustoordbedden (had) kunnen bekomen gezien op 30 november 2007 de erkenning (van de tussenkomende partij) van 25 bedden verviel, wat haar tekort om de 60 gevraagde bedden in te vullen had kunnen doen verminderen”. “De zet van (
  7. de)tussenkomende partij om op een slinkse wijze 40 bedden te bekomen moest”, aldus de verzoeker, “de realisatie van het project van verzoeker kunnen dwarsbomen”. Onder “op slinkse wijze” verstaat de verzoeker dat de tussenkomende partij, wiens “erkenning (...) op 19 oktober 2005 (werd) verlengd tot 30 november 2007 voor maximum 56 woongelegenheden” en ten aanzien van wie “op 2 maart 2006 (...) een voorstel (werd) geformuleerd tot weigering van (
  8. de)erkenning voor 25 bedden rust- en verzorgingstehuis gezien tal van gebreken aan de accommodatie”, “vanaf het moment dat (zij) op de hoogte werd gebracht van de indiening van het verzoekschrift tot nietigverklaring met betrekking tot het Ministerieel Besluit dd. 14.11. 2005 houdende goedkeuring van de herziening en uitbreiding van het BPA nr. 17 Baronie van Boelare (datum van indiening: 26 januari 2006), begon (...) voorafgaande vergunningen te vragen voor de resterende rustoordbedden in het programmatiecijfer 2006, (dit) met de duidelijke bedoeling (hem) voor voldongen feiten te stellen”. 2.1.5. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat hij beschikt over “het wettelijk vereist belang (...) als aanpalende/aangrenzende eigenaar van het perceel waarop de bestreden beslissing betrekking heeft”. Daarbij wijst hij enerzijds op het feit “dat degene die een eigendom bewoont die of paalt aan of gelegen is in de onmiddellijke nabijheid van de grond waarvoor een verkavelings- vergunning en een bouwvergunning zijn afgegeven, van het wettelijk vereiste belang doet blijken om de vernietiging van die vergunning te vorderen” en anderzijds op het ongunstig advies over zijn vraag tot aflevering van een stedenbouwkundig attest nr. 2 waarin de stad Geraardsbergen het heeft over de historisch “aangrenzende” site van de Baronie van Boelare. 2.2.1. Zowel in zijn verzoekschrift, als in zijn memorie van weder- antwoord stelt de verzoeker dat zijn belang “identiek is aan het belang” dat hij in de zaak gekend onder het nummer A. 169.780/X-12.673 heeft aangevoerd tegen het ministerieel besluit van 14 november 2005 houdende goedkeuring van de herziening en uitbreiding van het BPA nr.17, Baronie van Boelare, van de stad Geraardsbergen. X-13.013-9/12 Daarnaast dient te worden vastgesteld dat de verzoeker, net als in de voormelde zaak, in de feitenuiteenzetting van zijn verzoekschrift stelt dat hij “eigenaar (
  9. is)van (percelen) grond te 9500 Geraardsbergen - Nederboelare, Astridlaan 143, kadastraal bekend sectie A, 2de afdeling, nrs. 348 K2 en 362 H”, dat hij “het voornemen heeft op (die percelen) appartementen en serviceflats te bouwen met mogelijks op het gelijkvloers een commerciële ruimte alsook ondergrondse parkings” en dat “(gemelde percelen) (...) (palen), met een tussenliggende strook grond die toebehoort aan de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen en waarop een spoorlijn loopt, aan de gronden van het litigieuze plangebied ‘Baronie van Boelare’”. 2.2.2. In het arrest nr. 194.967 van heden, dat werd uitgesproken in de zaak gekend onder het nummer A. 169.780/X-12.673, werd geoordeeld dat het uitgangspunt dat de verzoeker in zijn verzoekschrift ter staving van zijn belang heeft uiteengezet, onjuist is. De verzoeker gaat er immers ten onrechte van uit dat het ongunstig advies van 8 maart 2005 van het college van burgemeester en schepenen in verband met zijn aanvraag tot afgifte van een stedenbouwkundig attest nr. 2 aan hem, wat betreft het voorwerp van zijn aanvraag, meer bepaald de door hem voorgenomen bouw van serviceflats, beperkingen oplegt. In dat arrest is gewezen dat de zogenaamde “beperkingen” die aan de verzoeker worden opgelegd enkel en alleen blijken verband te houden met de goede plaatselijke ordening en dus geenszins met de vigerende planologische voorschriften. Het college van burgemeester en schepenen blijkt immers van oordeel te zijn geweest dat verzoekers project, dat overigens veel meer omvat dan enkel serviceflats (zie randnummer 2.2.1, tweede alinea), qua “schaal” en “typologie” niet “verzoenbaar (
  10. is)met de omgeving”, waarbij wordt aangevoerd dat “dergelijk project (...) niet alleen in schril contrast (staat) met de omgeving van de aanpalende woningen langs de Astridlaan, maar eveneens niet complementair (
  11. is)met de historisch aangrenzende site van de Baronie van Boelare (cfr conciërgewoning vooraan)” en dat “(er verder ook dient te worden nagedacht) over de mogelijke gevolgen van het toestaan van een project met dergelijke verticale constructies”. In het voormelde arrest is ook aangestipt dat de gemachtigde ambtenaar in zijn ongunstig advies van 24 maart 2005 stelt dat de aanvraag principieel in overeenstemming is met het vigerende gewestplan (woongebied). De verzoeker toont dan ook, in het licht van de grote afstand tussen zijn percelen en het kwestieuze, niet aan in zijn hoedanigheid van eigenaar van “aangrenzende” percelen, over het vereiste belang te beschikken. X-13.013-10/12 2.2.3. Bovendien dient te worden vastgesteld dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning geen “serviceflats” betreft, maar enkel een vervangingsnieuwbouw voor rusthuisbedden (RVT en ROB). Zelfs als zou worden aangenomen dat het, zoals de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opwerpt, “voor stedenbouw zonder belang (
  12. is)of men nu de bewoording ROB en RVT (rustoordbedden en rust verzorgingstehuis) of serviceflats gebruikt”, aangezien het “hier immers enkel (gaat) om het volume van de woongelegenheden”, blijft de vaststelling dat de verzoeker zich, zowel in zijn verzoekschrift, als in zijn memorie van wederantwoord, beroept op hetzelfde belang als datgene dat hij heeft aangevoerd tegen het BPA in de zaak gekend onder het nummer A. 169.780/X-12.673, namelijk zijn voornemen om op de percelen met nrs. 348/k2 en 362/h serviceflats te bouwen. Het gaat dan ook niet op om in de memorie van wederantwoord te stellen dat zijn voornemen ruimer had moeten worden opgevat, met name als betrekking hebbende op “bejaardenaccommodatie”. 2.2.4. Er dient te worden vastgesteld dat de verzoeker niet doet blijken van het wettelijk vereiste belang. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-13.013-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-13.013-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.968 Gerelateerde publicatie(
  13. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.