id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.969 Rolnummer: A. 80144/X-8407 Zaak: Arrest 194969 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 194.969 van 30 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.969 van 30 juni 2009 in de zaak A. 80.144/X-
- In zake : Thierry VANWINSEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN DE VYVER, kantoor houdende te 2020 ANTWERPEN, Eglantierlaan 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. tussenkomende partij : de gemeente OVERIJSE, die woonplaats kiest bij advocaat P. VANDEROSIEREN, kantoor houdende te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Thierry VANWINSEN op 5 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 april 1998 van de gemachtigde ambtenaar waarbij aan de gemeente Overijse de bouwvergunning wordt verleend voor “het aanleggen van een fietspad op de bestaande voetweg nr. 51” te Overijse (Kaalheide); Gelet op het arrest nr. 79.751 van 2 april 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 7 mei 1999 ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 3 juni 1999 ingediend door de gemeente OVERIJSE; Gelet op de beschikking van 16 juni 1999 die de tussenkomst van de gemeente OVERIJSE toelaat; X-8407-1/7 Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 26 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. SERVAES, die loco advocaat J. VAN DE VYVER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VANDEROSIEREN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoeker is eigenaar en bewoner van een woonhuis met een tuin. Naast het betrokken perceel loopt een aarden voetweg. Zowel het perceel als de voetweg zijn overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in natuurgebied. 1.
- In de loop van maart-april 1997 legt de verzoeker klacht neer tegen het zonder vergunning uitvoeren van werken door de tussenkomende partij, zowel aan de voetweg als aan de erlangs lopende Nellebeek. X-8407-2/7 1.
- In een brief van 15 april 1997 aan de tussenkomende partij stelt de verzoeker: “ik noteer dat de werken voorlopig worden stilgelegd en dat de gemeente Overijse nu een bouwaanvraag zal indienen”. 1.
- Op 4 augustus 1997 dient het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse een bouwaanvraag in met het oog op het aanleggen van een fietspad op het gedeelte van buurtweg nr. 51 dat nog niet is verhard met dolomiet of kassei. Er wordt voorzien in een losse dolomietbedekking van 5 cm hoog met een breedte van 1,60 m, afgewerkt met kantstroken. 1.
- Op 6 april 1998 verleent de gemachtigde ambtenaar de bouwvergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Gelet op de ligging in een natuurgebied doch binnen de wegzate van de buurtweg nummer 51 Gezien het tracé het natuurlijk reliëf respecteert en gezien het materiaalgebruik derwijze (grindverharding) is dat een volledige permeabiliteit van de verharding verzekerd is. Gelet op de bewezen verkeerskundige en ecologische noodzaak tot de opwaardering en aanleg van voet- en fietspaden zodat een volwaardig alternatief voor autoverkeer ontstaat”.
- Ontvankelijkheid 2.1.
- De tussenkomende partij betwist in een eerste exceptie de tijdigheid van het beroep tot nietigverklaring. Zij stelt dat de verzoeker reeds vóór 10 juli 1998 kennis had van het bestreden besluit, aangezien hij op 7 april 1997 een onderhoud had met de burgemeester en met de schepen van openbare werken en op de hoogte werd gebracht van de inhoud en de draagwijdte van de bouwvergunning. Aangezien de verzoeker ook op de hoogte blijkt te zijn van de stemmenverhoudingen binnen het college van burgemeester en schepenen, moet naar recht en redelijkheid worden aangenomen dat hij ook op de hoogte was van het verlenen van de bouwvergunning. Bovendien werd de bouwvergunning aangeplakt vóór het begin van de werken. 2.1.
- De bestreden bouwvergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen X-8407-3/7 ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, om het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. 2.1.
- Als bewijskrachtig gegeven voor haar stelling dat de verzoeker reeds vóór 10 juli 1998 kennis had van het bestreden besluit, verwijst de tussenkomende partij enkel naar de brief van 15 april 1997 van de verzoeker, weergegeven in randnummer 1.3 van het feitenrelaas. Aangezien die brief dateert van vóór het bestreden besluit, is ze niet dienend voor de beoordeling van de exceptie. Ook de bewering - niet gestaafd door bewijskrachtige gegevens- dat de bouwvergunning reeds vóór het begin van de werken was aangeplakt, volstaat niet om aan te tonen dat de verzoeker kennis had van het bestreden besluit vóór 10 juli 1998, zijnde de datum waarop de werken werden hervat na het afleveren van de bouwvergunning. 2.1.
- De eerste exceptie is niet gegrond. 2.2.
- De tussenkomende partij betwist in een tweede exceptie het belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. Zij stelt dat de werken betrekking hebben op een buurtweg die niet naast, maar achter de woning van de verzoeker gelegen is en dat hij niet aantoont dat de verleende vergunning hem enig nadeel berokkent of dat die vergunning foutief werd uitgevoerd. Voorts stelt de tussenkomende partij dat de verzoeker zich niet kan beroepen op de aantasting van de leefomgeving, nu op zijn perceel een verharding in dolomiet werd aangebracht met een breedte van 3 meter. Ten slotte kan de verzoeker niet verlangen dat een verharding van het betrokken stuk buurtweg uitblijft omwille van zijn persoonlijke wens om niet gestoord te worden door fietsers en wandelaars. 2.2.
- Aangezien de verzoeker een aanpalende eigenaar is, beschikt hij over het rechtens vereiste belang om de betrokken bouwvergunning aan te vechten. 2.2.
- De tweede exceptie is niet gegrond. X-8407-4/7
- Ten gronde 3.
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker argumenteert in een eerste middelonderdeel dat de motivering van het bestreden besluit vanuit juridisch oogpunt niet afdoende is, aangezien er niet uit kan worden afgeleid waarom het ongunstig advies van de dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente niet werd gevolgd. De motivering is een stijlclausule, die bovendien volstrekt irrelevant is, aangezien een zogenaamd alternatief voor autoverkeer niet kan bestaan in het aanleggen van verharde fietspaden in natuurgebieden. Ten slotte is volgens de voormelde omzendbrief van 8 juli 1997 de aanleg van wegen in beginsel schadelijk voor natuurgebied en moet het tegendeel bijzonder worden gemotiveerd in het bestreden besluit, wat niet het geval is. De verzoeker stelt in een tweede middelonderdeel dat de motivering van het bestreden besluit ook in feite niet afdoende is, aangezien er wordt gesteld dat het natuurlijk reliëf zal worden gerespecteerd en dat het materiaalgebruik een volledige permeabiliteit van de verharding waarborgt, wat niet het geval is. 3.
- De tussenkomende partij repliceert dat het advies van de dienst Ruimtelijke Ordening een voorbereidende werkzaamheid betreft, waarvoor geen bijkomende motivering vereist is. Voorts beoogt de aanleg van het fietspad het vermijden van ongevallen op de bestaande voetweg en het bevorderen van het gebruik van de fiets voor de verplaatsingen tussen Eizer en Overijse. De argumentatie met betrekking tot de schadelijkheid voor natuurgebied houdt geen steek, nu het bestreden besluit expliciet wijst op de ligging in natuurgebied, maar ook op de ligging binnen de wegzate van de buurtweg nr. 51 en op het respect voor het natuurlijk reliëf. De verzoeker toont niet aan dat een gedeeltelijke verharding X-8407-5/7 van de bestaande buurtweg (en dus niet de aanleg van een nieuwe weg) schadelijk zou zijn. Voor wat betreft het tweede middelonderdeel stelt de tussenkomende partij dat het natuurlijk reliëf wel degelijk wordt gerespecteerd en dat het gebruikte materiaal (losse dolomiet) volledig permeabel is voor oppervlaktewater. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij daar nog aan toe dat het fietspad is geïntegreerd in het natuurgebied en dat de gebruikte verharding daar juist toe bijdraagt, in tegenstelling tot andere verhardingsmaterialen. 3.
- Artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt het volgende: “4.
- De groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. 4.3.
- De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. (...)”. 3.
- Het bestreden besluit vergunt de aanleg van een fietspad in natuurgebied zonder dat in de motivering wordt uiteengezet hoe deze werken bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu, overeenkomstig de zo-even aangehaalde bepaling. De vermelding dat “het tracé het natuurlijk reliëf respecteert” heeft betrekking op een zeer specifiek element van deze beoordeling, met name het reliëf. De verwijzing naar de volledige permeabiliteit van het gebruikte materiaal betreft eveneens een bijzonder aspect, dat niet kan worden aangemerkt als een voldoende beoordeling van de verenigbaarheid met de bestemming natuurgebied. De verwijzing naar “de bewezen verkeerskundige en ecologische noodzaak tot de opwaardering en aanleg van voet- en fietspaden” als “volwaardig alternatief voor autoverkeer” heeft geen betrekking op het betrokken natuurgebied, maar betreft een beleidsoverweging met betrekking tot mobiliteit die niet als een stedenbouwkundige beoordeling kan worden beschouwd. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet op afdoende wijze motiveert waarom de aanleg van het betrokken fietspad in natuurgebied kon worden vergund. X-8407-6/7 3.
- Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 6 april 1998 van de gemachtigde ambtenaar waarbij aan de gemeente Overijse de bouwvergunning wordt verleend voor “het aanleggen van een fietspad op de bestaande voetweg nr. 51” te Overijse (Kaalheide). Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure en in het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-8407-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.969 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div