id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.973 Rolnummer: A. 190496/XIV-30712 Zaak: Arrest 194973 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-03 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-07-01 21:55 Fiche Arrest nr 194.973 van 30 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.973 van 30 juni 2009 in de zaak A. 190.496/XIV-30.
- In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, met burelen te 1000 BRUSSEL, World Trade Center II, Antwerpsesteenweg 59 B tegen :
- XXX, 2.XXX, handelend in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen: XXX, XXX en XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. KEMPINAIRE, kantoor houdende te 8500, Koning Leopold I straat
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, op 27 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr.
- 708 van 24 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3639 van 4 december 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-30.712-1/16 Gelet op de beschikking van 2 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. BRACKE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat J. KEMPINAIRE, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, van Afghaanse nationaliteit, hebben op 22 maart 2006 in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen een aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op basis van (oud) artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van het grondgebied. 1.
- Op 7 april 2008 heeft de Minister van Migratie- en Asielbeleid de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk verklaard. 1.
- Betrokkenen dienen op 21 mei 2008 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Bij arrest nr. 17.708 van 24 oktober 2008 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van Minister van Migratie- en Asielbeleid van 7 april 2008 vernietigd. Dit is het bestreden arrest: “(...) XIV-30.712-2/16 Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, die verklaren van Afghaanse nationaliteit te zijn, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen XXX, XXX, en XXX, op 21 mei 2008 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 7 april 2008 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard. Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Gezien de regelmatig gewisselde memories. Gelet op de beschikking van 18 juli 2008, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 september
- Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken M. MILOJKOWIC. Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat J. KEMPINAIRE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij. WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
- Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak. Op 22 maart 2006 dienen verzoekers een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Op 7 april 2008 beslist de Minister van Migratie- en asielbeleid de aanvraag van verzoekers onontvankelijk te verklaren. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De bewering dat betrokkenen geïntegreerd zijn, Nederlandse taallessen hebben gevolgd, werkwillig zijn, diverse aanbevelingsbrieven voorleggen, een ruime kennissen- en vriendenkring hebben en geen gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid, verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 15 december 1980 in België wordt ingediend. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, al 2 van de wet van 15 december
- Het feit dat hun twee oudste kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkenen niet aantonen dat een scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land verzoeker van herkomst te vinden is. Bovendien hebben betrokkenen steeds geweten dat de scholing van hun oudste dochter, Mina, plaatsvond in precair verblijf en dat haar opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van het kind toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds mei 2006 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf. Wat de scholing van hun andere dochter, Maryam, betreft dien er opgemerkt te worden de verplichte scholing van deze dochter steeds plaats vond in illegaal verblijf. Hierbij kan bijgevolg opgemerkt worden dat het de ouders zijn die de belangen van de kinderen hebben geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf. Ook het feit dat hun kinderen uitsluitend in het Nederlands hebben leren schrijven en lezen kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid aangezien dit feit enkel te wijten is aan de eigen houding van betrokkenen op dat moment om geen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van hun asielprocedure en dat zij bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. XIV-30.712-3/16 Betrokkenen vroegen op 17 september 2004 in België asiel aan. Deze asielaanvraag werd op 24 maart 2006 afgesloten met de beslissing “niet erkend” door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen, hun betekend op 19 april
- Op 4 mei 2006 werd een bevel om het grondgebied te verlaten afgeleverd, hun betekend op 19 april
- Betrokkenen dienden uiterlijk op 17 juni 2006 het grondgebied te verlaten doch zij verkozen dit niet te doen en sindsdien verblijven zij illegaal in België. Uit dit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie. De duur van de asielprocedure (namelijk een jaar en zeven maanden) was niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Het feit dat er een zekere behandelingsperiode is, geeft aan betrokkenen ipso facto geen recht op verblijf. (Raad van State, arrest nr. 89.980 van 2 oktober 2000) Betrokkenen beweren dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst uit vrees voor vervolging en voor hun leven doch zij leggen geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkenen om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat zij vrezen voor vervolging en voor hun leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegen betrokkenen geen enkel nieuw element toe aan de elementen die zij reeds tijdens hun asielprocedure naar voor brachten en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Ook kan het indienen van onderhavig regularisatieverzoek geen soort “hoger beroep” vormen tegen de afwijzing van de asielaanvraag of tegen een verwijderingbeslissing, nadat de betrokkenen rees alle geëigende beroepsmogelijkheden hebben uitgeput. Wat betreft de verwijzing naar de toestand in Afghanistan dient er opgemerkt te worden dat dit algemene toestand in het land betreft. Betrokkenen leveren geen persoonlijke bewijzen dat hun leven in gevaar zou zijn. Wat betreft de bewering dat betrokkenen onverwijderbaar zouden zijn; het principe wordt gehanteerd dat betrokkenen in eerste instantie de verplichting hebben om zelf gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. Betrokkenen dienen alles in het werk te stellen om aan hun wettelijke verplichting om het land te verlaten te voldoen en bijgevolg dienen zij in de eerste plaats zelf alle stappen te ondernemen om rechtstreeks of via een derde land naar hun herkomstland terug te keren of naar een land waar zij kunnen verblijven. De advocaat van betrokkenen halt in zijn brief van 17 december 2007 ook aan dat zij een nieuwe asielaanvraag zullen indienen. Echter, uit het dossier blijkt dat betrokkenen dit tot op heden niet hebben gedaan. Het feit dat betrokkenen zich beroepen op de subsidiaire-beschermingsstatus zoals gesteld in de Europese richtlijn 2004/83/EG, omgezet in Belgische wetgeving, kan niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid aangezien betrokkenen hiertoe de specifiek georganiseerde procedure dienen op te starten. Ook deze procedure hebben betrokkenen tot op heden niet opgestart. Er dient bij vermeld te worden dat de procedure betreffende de subsidiairebe- schermingsstatus niet valt onder de bevoegdheid van de Dienst Humanitaire Regularisa- ties. Wat de vermeende schending van art. 3 van het EVRM betreft dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via art. 3 van het EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dienen verzoekers hun beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde artikel
- De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het artikel 3 EVRM volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Het inroepen van art. 6 van het EVRM kan eveneens niet weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid. Dit artikel is immers slechts geldig in burgerlijke en strafrechterlijke zaken en asielrecht is een politiek recht. Inzake administratieve beslissingen die genomen worden in het kader van de Vreemdelingenwet kunnen betrokkenen geen schending van de rechten van verdediging inroepen aangezien dit XIV-30.712-4/16 rechtsbeginsel niet van toepassing is op deze beslissingen. Betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen vallen buiten het toepassingsgebied van art. 6 van het EVRM omdat de desbetreffende regels een publiekrechtelijk karakter hebben. Wat in inroepen van art. 8 van het EVRM betreft dient er opgemerkt te worden dat dit artikel hier niet van toepassing is aangezien de verplichting om terug te keren naar het land van herkomst om aldaar machtiging tot verblijf te vragen voor het hele gezin geldt zodat er van een verbreking van de familiale banden geen sprake is. Gewone sociale relaties vallen niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. Ook de loutere vermelding van art. 17 en art. 26 van het BUPO en art. 10 en art. 11 van de Belgische grondwet, kan niet weerhouden worden vermits betrokkenen geen bewijzen leveren die op hun eigen persoon betrekking hebben, conform voornoemde artikels. Dat een beroep ingediend bij de Raad van State wel degelijk een uitwijzing onmogelijk zou maken, en dus opschortend zou zijn, en dat dit bevestigd wordt door het Conka- arrest genomen door het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM Conka/België nr. 51564/99 van 5 februari 2002) kan niet weerhouden worden. In deze dient te worden opgemerkt dat uit het arrest van het EHRM blijkt dat het duidelijk was dat de repatriëring van de familie Conka een schending van art. 13 van het EVRM inhield omdat deze zo was georganiseerd dat zij de facto geen juridische procedure meer kon instellen. Het EHRM stelde aldus een schending van het art. 13 van het EVRM vast. Tengevolge hiervan werd de procedure ‘bij uiterst dringende noodzakelijk- heid’, ingediend bij de Raad van State, aangepast. Het instellen van een dergelijke procedure is daadwerkelijk opschortend. Derhalve stond het betrokkenen dan ook vrij, bij monde van hun raadsman, een dergelijke procedure in te stellen doch zij hebben verzuimd dit te doen. Bijgevolg kunnen zij nu niet volhouden dat er een schending is van art. 13 van het EVRM. De keuze van het rechtsmiddel is immers hun eigen verantwoordelijkheid. Wat het aangehaalde art. 3 van het Verdrag van de Rechten van het Kind betreft dient te worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie gesteld heeft dat art. 3 geen directe werking heeft. Dat een mogelijke terugkeer naar het land van herkomst een schending zou betekenen van art. 2 (non-discriminatie van kinderen) van voornoemde verdrag, kan niet aanvaard worden. Betrokkenen maken immers niet duidelijk in welke zin dit een schending van dit artikel zou betekenen. Hetzelfde gaat op voor art. 6 van dit Verdrag dat stipuleert dat ieder kind een recht op leven heeft. Het aanhalen van dit artikel lijkt ons in deze context misplaatst daar betrokkenen niet aantonen dat het leven van de kinderen in het gedrang komt door een terugkeer naar het land van herkomst waardoor dit element niet kan aanzien worden als een buitengewone omstandigheid. Wat betreft de verwijzing naar de wet van 22 december 1999; dit was een enige en unieke operatie, de criteria voor regularisatie vermeld in deze wet zijn dan ook niet van toepassing op de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van
- Wat betreft het feit dat betrokkenen geen titel noch recht zouden hebben om zich - zelfs tijdelijk - elders te vestigen dient er opgemerkt te worden dat betrokkenen voor deze bewering geen bewijzen voorleggen. Hierdoor kan dit element evenmin weerhouden worden als een buitengewone omstandigheid. Betrokkenen dienen zich te wenden tot de Belgische ambassade te Islamabad (Pakistan) om een aanvraag tot machtiging tot verblijf conform art. 9, al 2 van de wet van 15 december 1980 in te dienen. Betrokkenen tonen niet aan dat zij niet tijdelijk naar Pakistan zouden kunnen gaan om aldaar een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Bovendien zijn er regelmatig Afghanen die een aanvraag indienen via de Belgische diplomatieke of consulaire post in Islamabad. Ook zij worden geconfronteerd met eventuele verblijfsproblemen. Deze problemen kunnen dan ook niet aanzien worden als buitengewone omstandigheid, terwijl dit niet zo is voor andere Afghaanse burgers. Ten slotte staat het betrokkenen XIV-30.712-5/16 vrij een beroep te doen op de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) om alzo de nodige documenten te bekomen. Niets verhindert betrokkenen derhalve om via de reguliere weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. … De betrokkenen blijven langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slagen er niet in het bewijs te leveren dat zij deze termijn niet overschreden hebben (art. 7, alinea 1, 2/ van de wet van 15 december 1980). - Betrokkenen werden niet als vluchteling erkend bij beslissing tot weigering van de erkenning door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op datum van 24 maart
- - Betrokkenen maakten reeds het voorwerp uit van een BGV van 4 mei
- Zij hebben echter geen gevolg gegeven aan dit bevel en verblijft nog steeds illegaal in het land.”
- Onderzoek van het beroep. 2.
- In een eerste en tweede middel werpen verzoekers onder meer de schending op van artikel 9, derde lid en 62 van de Vreemdelingenwet, en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij betogen dat het door verzoekers ingeroepen argument van onverwijderbaarheid door de verwerende partij wordt weggeblazen met het argument dat verzoekers in eerste instantie zelf de verplichting hebben om gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. In casu staat het buiten kijf dat verzoekers de Afghaanse nationaliteit genieten en afkomstig zijn uit Kabul. Een terugkeer naar hun land van herkomst is dan ook uitgesloten. Door dit te betwisten miskent de verwerende partij niet alleen de door het UNHCR gepubliceerde lijst van onveilige gebieden, het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 21 september 2007, het rapport van Human Rights Watch, maar ook het arrest nr. 2940 van 23 oktober 2007 en het arrest nr. 2939 van 23 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In deze arresten werden Afghanen afkomstig uit de onveilige gebieden subsidiaire bescherming toegekend. 2.
- De verwerende partij betoogt in de nota met opmerkingen dat de minister van Binnenlandse Zaken geheel conform artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, besliste dat er geen buitengewone omstandigheden aanwezig waren waarom verzoekers de aanvraag niet kunnen indienen via de gewone procedure. 2.
- Verzoekers verbazen zich er in hun repliekmemorie over dat de verwerende partij in de nota met opmerkingen niet ingaat op hun betoog zoals hierboven uiteengezet. Zij vragen zich af of uit dit stilzwijgen mag worden afgeleid dat de verwerende partij erkent dat verzoekers afkomstig zijn uit een onveilige regio in Afghanistan zodat regularisatie zich opdringt. 2.
- De in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze. Het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. Verzoekers betogen in hun aanvraag om machtiging tot verblijf als volgt: “Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen … dat de gezinsleden gevlucht zijn omwille van de gevaarlijke situatie aldaar en zij stellen aldaar ook op heden niet te kunnen terugkeren … ”. Zij herhalen hierin hun XIV-30.712-6/16 vluchtrelaas zoals uiteengezet in hun asielprocedure bij de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen. Verzoekers betogen in hun brief van 8 mei 2006 betreffende de aanvraag om machtiging tot verblijf als volgt: “Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen”. Verzoekers betogen in hun verzoekschrift verder als volgt: “Buitengewone of uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingen- wet zijn geen omstandigheden van overmacht. Het volstaat dat de betrokkene minstens aantoont dat het voor hem bijzonder moeilijk is terug te keren naar zijn land van oorsprong om de bedoelde machtiging te vragen”. Bovendien betoogden zij in hun aanvraag als volgt: “Dat het oordeel van de Vaste Beroepscommissie betreffende de situatie in het land van herkomst geen gewijsde heeft t.a.v. het oordeel betreffende het inroepen van de bijzonder omstandigheden. Dat het oordeel betreffende de situatie in het land van herkomst in het kader van de bijzondere omstandigheden te onderscheiden valt van het oordeel met betrekking de situatie in het land van herkomst in de vluchtelingenprocedure”. De enige motieven in de bestreden beslissing aangaande voornoemde argumenten van verzoekers zijn de volgende: “Betrokkenen beweren dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst uit vrees voor vervolging en voor hun leven doch zij leggen geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkenen om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat zij vrezen voor vervolging en voor hun leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegen betrokkenen geen enkel nieuw element toe aan de elementen die zij reeds tijdens hun asielprocedure naar voor brachten en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Ook kan het indienen van onderhavig regularisatieverzoek geen soort “hoger beroep” vormen tegen de afwijzing van de asielaanvraag of tegen een verwijderingbeslissing, nadat de betrokkenen rees alle geëigende beroepsmogelijkheden hebben uitgeput. Wat betreft de verwijzing naar de toestand in Afghanistan dient er opgemerkt te worden dat dit algemene toestand in het land betreft. Betrokkenen leveren geen persoonlijke bewijzen dat hun leven in gevaar zou zijn.”, “Wat betreft de bewering dat betrokkenen onverwijderbaar zouden zijn; het principe wordt gehanteerd dat betrokkenen in eerste instantie de verplichting hebben om zelf gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. Betrokkenen dienen alles in het werk te stellen om aan hun wettelijke verplichting om het land te verlaten te voldoen en bijgevolg dienen zij in de eerste plaats zelf alle stappen te ondernemen om rechtstreeks of via een derde land naar hun herkomstland terug te keren of naar een land waar zij kunnen verblijven.”, “Wat de vermeende schending van art. 3 van het EVRM betreft dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via art. 3 van het EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dienen verzoekers hun beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde artikel
- De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het artikel 3 EVRM volstaat dus niet om als buitengewone omstandig- heid aanvaard te worden.”, en “Betrokkenen tonen niet aan dat zij niet tijdelijk naar Pakistan zouden kunnen gaan om aldaar een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. Bovendien zijn er regelmatig Afghanen die een aanvraag indienen via de Belgische diplomatieke of consulaire post in Islamabad. Ook zij worden geconfronteerd met eventuele verblijfsproblemen. Deze problemen kunnen dan ook niet aanzien worden als buitengewone omstandigheid, terwijl dit niet zo is voor andere Afghaanse burgers.”. Verzoekers maken met hun betoog dat “Buitengewone of uitzonderlijke omstandighe- den in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet geen omstandigheden XIV-30.712-7/16 van overmacht (zijn). Het volstaat dat de betrokkene minstens aantoont dat het voor hem bijzonder moeilijk is terug te keren naar zijn land van oorsprong om de bedoelde machtiging te vragen” en “Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen …” aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk te verklaren. Het eerste en tweede middel zijn in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. Vernietigd wordt de beslissing van 7 april 2008 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemde- lingenwet) onontvankelijk wordt verklaard. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Er werd in casu niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekers maken met hun betoog dat "Verzoekers maken met hun betoog dat "Buitengewone of uitzonderlijke omstandigheden in de zin van art. 9, derde lid Vr. W. geen omstandigheden van overmacht zijn. Het volstaat dat de betrokkene minstens aantoont dat het voor hem bijzonder moeilijk is terug te keren naar zijn van oorsprong om de bedoelde machtiging te vragen" en "Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen..." aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op XIV-30.712-8/16 grond van art. 9, derde lid van de Vr. W.. onontvankelijk te verklaren." schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65 eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven" Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. XIV-20.981-3/6 Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er opnieuw verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T.P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht. De rechter in vreemdelingenzaken heeft in het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd waarom hij de beslissing van verzoekster " kennelijk onredelijk" acht. Hij beperkt zich tot het loutere herhalen van de kritiek van verwerende partij, maar motiveert geenszins waarom hij de bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest niet afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft vernietigd. Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken de beslissing dd. 7.4.2008 heeft vernietigd. De gemachtigde van de Minister is tot het besluit gekomen dat er door de betrokken vreemdelingen, zijnde verweerders (oorspronkelijk verzoekers), niet werd voldaan aan de voorwaarde van art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met name het aantonen van buitengewone omstandigheden waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. In deze beslissing dd. 7.4.2008 werd door de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid heel uitvoerig uiteengezet op basis van welke motieven de gemachtigde tot de beslissing is gekomen dat verweerders (oorspronkelijk verzoekers) en niet op voldoende overtuigende wijze de buitengewone omstandigheden hebben aangetoond. Nopens de toestand in Afghanistan werd in de oorspronkelijk bestreden beslissing van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid, het volgende vermeld : - "Betrokkenen beweren dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst uit vrees voor vervolging en voor hun leven doch zij leggen geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkenen om op zijn minst een begin XIV-30.712-9/16 van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat zij vrezen voor vervolging en voor hun leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegen betrokkenen geen enkel nieuw element toe aan de elementen die zij reeds tijdens hun asielprocedure naar voor brachten en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Ook kan het indienen van onderhavig regularisatieverzoek geen soort "hoger beroep" vormen tegen de afwijzing van de asielaanvraag of tegen een verwijderingbeslissing, nadat de betrokkenen reeds alle geëigende beroepsmo- gelijkheden hebben uitgeput. Wat betreft de verwijzing naar de toestand in Afghanistan dient er opgemerkt te worden dat dit algemene toestand in het land betreft. Betrokkenen leveren geen persoonlijke bewijzen dat hun leven in gevaar zou zijn." Evenwel heeft de rechter in vreemdelingenzaken zich in het bestreden arrest er daarentegen toe beperkt de kritiek van verweerders (oorspronkelijk verzoekers) te herhalen, maar motiveert hij geenszins om welke concrete redenen hij de oorspronkelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest niet afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft vernietigd. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoeker (...) met zijn betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De rechter in vreemdelingenzaken gaat bovendien compleet voorbij aan de motivering van verzoeker in de oorspronkelijk bestreden beslissing, en laat deze buiten beschou- wing. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt: “Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; XIV-30.712-10/16 o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl en Pas. 1960, I, 170 concl.) Er werd in casu niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen.. Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekers maken met hun betoog dat "Verzoekers maken met hun betoog dat "Buitengewone of uitzonderlijke omstandigheden in de zin van art. 9, derde lid Vr. W. geen omstandigheden van overmacht zijn. Het volstaat dat de betrokkene minstens aantoont dat het voor hem bijzonder moeilijk is terug te keren naar zijn van oorsprong om de bedoelde machtiging te vragen" en "Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen..." aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van art. 9, derde lid van de Vr. W. onontvankelijk te verklaren." schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven" Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
- De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter,. aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. XIV-20.981-3/6 Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er opnieuw verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T.P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aanhoord en onderzocht. XIV-30.712-11/16 De rechter in vreemdelingenzaken heeft in het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd waarom hij de beslissing van verzoekster " kennelijk onredelijk" acht. Hij beperkt zich tot het loutere herhalen van de kritiek van verwerende partij, maar motiveert geenszins waarom hij de bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest niet afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft vernietigd. Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken de beslissing dd. 7.4.2008 heeft vernietigd. De gemachtigde van de Minister is tot het besluit gekomen dat er door de betrokken vreemdelingen, zijnde verweerders (oorspronkelijk verzoekers), niet werd voldaan aan de voorwaarde van art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met name het aantonen van buitengewone omstandigheden waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. In deze beslissing dd. 7.4.2008 werd door de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid heel uitvoerig uiteengezet op basis van welke motieven de gemachtigde tot de beslissing is gekomen dat verweerders (oorspronkelijk verzoekers) en niet op voldoende overtuigende wijze de buitengewone omstandigheden hebben aangetoond. Nopens de toestand in Afghanistan werd in de oorspronkelijk bestreden beslissing van de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid, het volgende vermeld : - "Betrokkenen beweren dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst uit vrees voor vervolging en voor hun leven doch zij leggen geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkenen om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat zij vrezen voor vervolging en voor hun leven volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegen betrokkenen geen enkel nieuw element toe aan de elementen die zij reeds tijdens hun asielprocedure naar voor brachten en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Ook kan het indienen van onderhavig regularisatieverzoek geen soort "hoger beroep" vormen tegen de afwijzing van de asielaanvraag of tegen een verwijderingbeslissing, nadat de betrokkenen reeds alle geëigende beroepsmo- gelijkheden hebben uitgeput. Wat betreft de verwijzing naar de toestand in Afghanistan dient er opgemerkt te worden dat dit algemene toestand in het land betreft. Betrokkenen leveren geen persoonlijke bewijzen dat hun leven in gevaar zou zijn." Evenwel heeft de rechter in vreemdelingenzaken zich in het bestreden arrest er daarentegen toe beperkt de kritiek van verweerders (oorspronkelijk verzoekers) te herhalen, maar motiveert hij geenszins om welke concrete redenen hij de oorspronkelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest niet afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft vernietigd. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) XIV-30.712-12/16 Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen.. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekers (...) met hun betoog aannemelijk (maken) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De rechter in vreemdelingenzaken gaat bovendien compleet voorbij aan de motivering van verzoeker in de oorspronkelijk bestreden beslissing, en laat deze buiten beschou- wing. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Waar huidige verweerders in hun memorie van antwoord verwijzen naar het feit dat de rechter in vreemdelingenzaken de stellingname van verweerders in cassatie eigen heeft gemaakt, en dat uit de beslissing valt op te maken dat de rechter in vreemdelingenzaken oordeelt dat het volstaat dat de betrokkenen aantonen dat het voor hen bijzonder moeilijk is terug te keren naar hun land van herkomst EN dat het onomstreden vaststaat dat de toestand in Afghanistan dermate is - cfr de UNHCR rapporten - dat er van een terugkeer naar Afghanistan geen sprake kan zijn en stellen dat de rechter in vreemde- lingenzaken dan ook oordeelde dat om deze concrete redenen de Minister van Migratie- en asielbeleid destijds op kennelijk onredelijke wijze tot het besluit kwam om de aanvraag tot machtiging tot verblijf onontvankelijk te verklaren, heeft de verzoekende partij de eer te antwoorden dat de uiteenzetting van de rechter in vreemdelingenzaken geen eigen uiteenzetting is van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doch enkel een verwijzing naar het middel van (verzoekers), thans verweerders en derhalve geen eigen motivering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitmaakt. In het arrest wordt in één wel zeer summiere paragraaf - bestaande uit één zin - geoordeeld dat de aangevochten administratieve beslissing dient te worden vernietigd, enkel stellende dat `verzoekers met hun betoog aannemelijk maken dat de minister op kennelijk onredelijke wijze' tot de bestreden administratieve beslissing is gekomen.. Er werd dan ook - in tegenstelling tot hetgeen verweerders voorhouden - niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Het dient te worden benadrukt dat de enige eigen motieven van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende zijn: "Verzoekers maken met hun betoog dat "Buitengewone of uitzonderlijke omstandig- heden in de zin van art. 9, derde lid Vr. W geen omstandigheden van overmacht zijn. Het volstaat dat de betrokkene minstens aantoont dat het voor hem bijzonder moeilijk is terug te keren naar zijn van oorsprong om' de bedoelde machtiging te vragen" en "Dat de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn uit Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen..." aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van art. 9, derde lid van de Vr.FV. onontvankelijk te verklaren." Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekers (...) met hun betoog aannemelijk (maken) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft XIV-30.712-13/16 besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid„ Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het eerste middel is gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht beheersen, namelijk artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictione- le motiveringsplicht en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij de motivering van het aangevochten arrest onvoldoende acht, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat de bestreden beslissing onredelijk is, dat zij stelt dat de rechter zich beperkt tot het herhalen van de kritiek van de verwerende partij, maar geenszins motiveert om welke concrete redenen hij de oorspronkelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk vindt, dat de verzoekende partij uit de motivering van het bestreden arrest niet kan afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronk- elijk bestreden beslissing heeft vernietigd; 2.2.
- Overwegende dat de oorspronkelijke verzoekende partijen, thans de verwerende partij, in hun annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hun eerste en tweede middel de schending hebben ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen en van artikel 9, derde lid en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat zij stelden dat het door hen ingeroepen argument van onverwijderbaarheid door de Minister werd weggeblazen, terwijl het buiten kijf staat dat zij van Afghaanse nationaliteit zijn en afkomstig zijn uit Kabul zodat een terugkeer naar hun land van herkomst uitgesloten is; dat uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat vooreerst de motieven van de oorspronkelijk bestreden beslissing in verband met de onverwijderbaarheid integraal worden herhaald; dat verder overwogen wordt dat “verzoekers met hun betoog dat “de verzoekende partijen de nationaliteit hebben van Afghanistan en afkomstig zijn van Afghanistan. Dat er voor wat betreft dit land de toestand dusdanig is dat er van een terugkeer geen sprake kan zijn, zeer zeker niet met relatief kleine minderjarige kinderen ...” aannemelijk (maken) dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de XIV-30.712-14/16 aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingen- wet, onontvankelijk te verklaren”; dat de verzoekende partij kan worden bijgetreden waar zij stelt dat uit deze zinsnede op geen enkele wijze blijkt waarom de rechter in vreemdeling- enzaken tot het besluit komt dat de Minister van Migratie- en asielbeleid de aanvraag op kennelijk onredelijke wijze heeft onontvankelijk verklaard; dat in de oorspronkelijk bestreden beslissing wordt overwogen dat betrokkenen niet aantonen “dat zij niet tijdelijk naar Pakistan zouden kunnen gaan om daar een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen”, dat “(er) bovendien regelmatig Afghanen (zijn ) die een aanvraag indienen via de Belgische diplomatieke of consulaire post in Islamabad”, dat “ook zij worden geconfronteerd met eventuele verblijfsproblemen” en dat “deze problemen (dan ook) niet kunnen aanzien worden als buitengewone omstandigheid, terwijl dit niet zo is voor andere Afghaanse burgers”; dat in het arrest dit motief op geen enkele wijze wordt beoordeeld; dat niet kan worden opgemaakt of de rechter in vreemdelingenzaken dit argument in overweging heeft genomen; dat de schending van de motiveringsplicht kan worden aangenomen; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr.
- 708 van 24 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. XIV-30.712-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.712-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.973 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.