id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.035 Rolnummer: A. 185782/VII-37091 Zaak: Arrest 195035 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 02/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 195.035 van 2 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.035 van 2 juli 2009 in de zaak A. 185.782/VII-37.
- In zake : de BVBA DEDONCKER P&G, die woonplaats kiest bij advocaat W. LEYSSENS, kantoor houdende te BRASSCHAAT, Augustijnslei 68 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering,
- het comité van beroep, het erkenningscomité en het erken- ningssecretariaat bosexploitatie, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA DEDONCKER P&G op 8 november 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het comité van beroep van 10 september 2007 betreffende de erkenning van kopers en exploitanten van hout, waarbij haar een waarschuwing wordt opgelegd; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; VII-37.091-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN DEN HOLE die, loco advocaat W. LEYSSENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna : besluit van 8 november 2002) bevat een regeling voor de erkenning van kopers en exploitanten van hout van openbare bossen. Een erkenningscomité kan aan erkende kopers en exploitanten administratieve sancties opleggen. De sanctie voor een eerste inbreuk op het niet- naleven van de erkenningsvereisten is de waarschuwing (artikel 28, § 1, van het besluit van 8 november 2002). Tegen dergelijke beslissing van het erkenningscomité is beroep mogelijk bij het comité van beroep (artikel 26, § 1, van het besluit van 8 november 2002). 1.
- De verzoekende partij is erkend exploitant en koper van bossen. 1.
- Op 10 november 2005 neemt de verzoekende partij deel aan een openbare verkoping van houtkappingen in de bossen van de openbare besturen van de houtvesterij Antwerpen voor het jaar
- Zij koopt onder meer het lot "aob- 019" van het OCMW van Zoersel dat betrekking heeft op de percelen "Medelaar/009-a en Vennen/007-a". Als aard wordt vermeld : "Kaalkap". De verkoop wordt afhankelijk gesteld van een reeks voorwaarden. Artikel 3, 2/, van de bijzondere verkoopsvoorwaarden bepaalt : "Minstens twee werkdagen voor de aanvang van de exploitatie of van het hervatten ervan, moet de koper de betrokken boswachter hiervan verwittigen". Artikel 3, 4/, van de bijzondere verkoopsvoor- VII-37.091-2/14 waarden bepaalt : "Het vellen en ruimen (tot buiten het bos) moet beëindigd zijn vóór 31 december 2006, tenzij verder anders bepaald". 1.
- Verwijzend naar de vele regen in de betrokken periode vraagt de verzoekende partij uitstel voor het kappen en ruimen van het aangekochte bos. Van de bevoegde ingenieur-houtvester krijgt zij uitstel tot en met 30 september
- 1.
- Op 11 april 2007 legt het Bosbeheer, vertegenwoordigd door de bevoegde ingenieur-houtvester, bij het secretariaat van het erkenningscomité klacht neer tegen de verzoekende partij wegens het onbehoorlijk uitvoeren van de werkzaamheden. De klacht is opgesteld naar aanleiding van een terreincontrole door het Bosbeheer op 15 februari 2007, en betreft : - kap van voorbehouden bomen; - beschadiging van bomen; - aanbrengen van wijzigingen in de bodemstructuur en beschadiging van de bodem; - boswachter werd niet gewaarschuwd (twee dagen op voorhand); - boswachter werd niet gewaarschuwd bij schade in verband met bodemschade en houtschade; - bomen- en schaarhoutbeschadiging op naburige eigendom; - olielek. 1.
- Met een brief van 26 april 2007 aan het erkenningssecretariaat zet de verzoekende partij uiteen dat de klacht compleet onrechtvaardig is en dat de boswachter haar bedrijf viseert. Zij stelt voorts : "De werken zijn volledig conform de voorwaarden en richtlijnen van de boswachter uitgevoerd, er is absoluut geen buitensporige of abnormale schade aan de bosgrond, enkel de normale en niet te vermijden sleepschade na een kaalkap van 200 bomen! Er waren ook géén bomen voorbehouden! Hoewel het voor dit lot niet werd gevraagd en voor andere loten uit dezelfde verkoop wel, hebben wij toch het werk volledig uitgevoerd met rupskraan! Wij voegen hierbij een copij van onze verhoorbrief bij de Politie, samen met onze aldaar afgelegde verklaring (3 bladzijden) en ook nog 31 bijlagen. Dit volledige dossier wensen wij dan ook bij u te gebruiken ter verdediging van onze rechten". VII-37.091-3/14 1.
- Met een brief van 18 juni 2007 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat het erkenningscomité heeft beslist de administratieve sanctie van een waarschuwing op te leggen. 1.
- De verzoekende partij stelt op 11 juli 2007 beroep in bij het comité van beroep. 1.
- Met een brief van 10 september 2007 wordt de thans bestreden beslissing aan de verzoekende partij meegedeeld. De volgende vermeldingen uit die brief zijn relevant voor de onderhavige zaak : "
- (...) U haalt in uw beroep verschillende aspecten betreffende deze sanctionering aan. Ten eerste verwijst u naar het aspect dat na het ontvangen van het proces-verbaal door het Bosbeheer u een poging heeft gedaan om, overtuigd van uw onschuld, op het terrein de schade te gaan bekijken, maar dat u hierop geen reactie heeft gekregen van het Bosbeheer. Ten tweede verwijst u naar het aspect dat de argumentering tot sanctionering door het Erkenningscomité pover en ongegrond is. Ten derde verwijst u naar het feit dat in de klacht het Bosbeheer u ongegrond inbreuken ten laste legt (kappen voorbehouden bomen). Deze aspecten zullen hierna alle drie worden behandeld. 2a. In zijn besluit tot sanctionering met een waarschuwing weerhield het Erkenningscomité niet het aspect van het kappen van voorbehouden bomen. Dit werd ook zo meegegeven in de besluitvorming van het erkenningscomité van 18 juni 2007: '- gelet op het feit dat kaalkap met voorbehoud van bomen niet in de verkoopsvoorwaarden vermeld stond'. Dus deze feiten werden u door het erkenningscomité niet ten laste gelegd. Ook het Comité van Beroep is van mening dat deze feiten u niet ten laste worden gelegd en volgt hier de beslissing van het Erkenningscomité. Voor deze feiten wordt u bijgevolg geen sanctie opgelegd. 2b. In haar besluit tot sanctionering met een waarschuwing weerhield het Erkenningscomité wel het aspect van het feit dat de boswachter niet tijdig werd verwittigd. Dit werd ook zo meegegeven in de besluitvorming van het Erkenningscomité van 18 juni 2007: '- gelet op het feit dat in de verkoopsvoorwaarden vermeld staat dat de boswachter 2 dagen voor de aanvang van de exploitatie dient verwittigd te worden en de werkzaamheden al begonnen waren'. De beroeper argumenteert in zijn mondelinge verdediging dat wel tijdig, telefonisch, werd verwittigd. Zo zou de week voor dinsdag 30 januari reeds een bericht zijn nagelaten op het antwoordapparaat van de betrokken wachter om de start der werken te melden. Hiervan kan geen bewijs worden geleverd. Het Comité van Beroep meent echter dat, gezien het feit dat op dinsdag 30 januari aan de betrokken boswachter werd meegedeeld dat de werken op het 'eind' van de week (vrijdag 2 februari of zaterdag 3 februari?) zouden aanvangen, alle beweerde voorgaande berichtgeving nog weinig relevant is. Immers, ofwel heeft de beroeper in de beweerde eerdere telefonische mededeling(en) een andere aanvangsdatum meegedeeld en dan moet geoordeeld worden dat met de latere telefonische mededeling van 30 januari de eerder meegedeelde aanvangsdatum werd herroepen. Ofwel heeft de beroeper in de beweerde vorige telefonische melding dezelfde aanvangsdatum VII-37.091-4/14 meegedeeld en dan 1) stelt zich de vraag waarom hij dit dan nog op 30 januari gewoon zou herhalen, en 2) moet nog steeds vastgesteld worden dat de exploitatie vroeger (namelijk op 30 januari) begonnen is dan meegedeeld, waardoor de boswachter verhinderd werd het lot te bezichtigen vóór de aanvang van de werken. Bij dit alles is het belangrijk te weten dat het proces-verbaal van de boswachter (notitienr. AN.92.H2.111641/07, registratienr. 58), als bewijs geldt van de materiële feiten betreffende de daarin vastgestelde wanbedrijven en overtredingen zolang het tegendeel niet bewezen is (art. 138, eerste lid, van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek). Dit proces-verbaal vermeldt zowel de datum en het uur van de telefonische melding ('dinsdag 30 januari omstreeks 10.00 uur'), van de inhoud van die melding (: 'dat ze einde diezelfde week zullen starten met de bosexploitatie (...)') alsook, onder meer, dat bij de controle op het terrein op 31 januari vastgesteld wordt dat de werken al begonnen zijn. Er werden door de beroeper geen bewijzen aangedragen die de vaststellingen uit het proces-verbaal, waarnaar hier verwezen wordt, ontkrachten. Het Comité van Beroep is van mening dat uit het voorgaande blijkt dat beroeper niet voldoet aan artikel 3, § 2, 3/, van het Besluit Erkenningsregeling. Dit bepaalt dat om erkend te worden en erkend te blijven als exploitant rechtspersonen moeten voldoen aan het vereiste de verkoopsvoorwaarden en boswetgeving naleven. De verplichting om de boswachter minstens twee dagen vóór de aanvang of hervatting van de velling of ruiming te verwittigen, is opgenomen in art. 19, § 2, van het Besluit van de Vlaamse regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen. Dit besluit is genomen in uitvoering van het bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid de artikelen 54 en
- Het behoort bijgevolg tot de boswetgeving. De bewuste verplichting is ook opgenomen in de verkoopsvoorwaarden (art. 3). Het Comité van Beroep is bijgevolg van mening dat dit aspect van de klacht behouden blijft. 2c. In haar besluit tot sanctionering met een waarschuwing weerhield het Erkenningscomité ook het aspect van het feit dat er schade kon worden vermeden. Dit werd ook zo meegegeven in de besluitvorming van het Erkenningscomité van 18 juni 2007: 'gelet op het feit dat veel schade kan vermeden worden bij het tijdig verwittigen en samen ter plekke gaan controleren van de toestand ter plaatse'. Het Comité van Beroep is van mening dat het feit of er al dan niet vermijdbare schade werd aangebracht (cf. art 21 van het voormelde Besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002), terzake door het Comité moeilijk in te schatten is. In het proces-verbaal heeft de boswachter zich daar ook niet met zoveel woorden over uitgesproken. Tevens beschikt het Comité van Beroep niet, evenmin als het Erkenningscomité, over een second opinion door een tweede terreinexpert met specifieke aandacht voor het al dan niet vermijdbaar zijn van de schade. Het Comité van Beroep is van mening dat er 'mogelijk' vermijdbare schade werd aangebracht, meerbepaald in het noordelijk deel van het terrein Lange Vorsbeemd. Overeenkomstig het opgestelde proces-verbaal werd dit deel heel nat bevonden bij het terreinbezoek van de boswachter op woensdag 31 januari. Voor dit stuk werden de houtkappers (niet geïdentificeerd) gevraagd om dit later (in de zomer) te exploiteren, maar werd op 5 februari vastgesteld dat het toch was gekapt (proces-verbaal). De beroeper beweert in zijn verdediging helemaal niet op de hoogte te zijn van richtlijnen die door de boswachter aan de houtkappers zouden zijn gegeven met betrekking tot het later kappen van het natte noordelijke deel. VII-37.091-5/14 Het Comité van Beroep is van mening dat de betrokken wachter hier de betrokken personen ('houtkappers') had moeten identificeren en dit in het kader van de algemene identificatiecontrole binnen de erkenningsregeling overeenkomstig art. 24, § 3, van het Besluit Erkenningsregeling. Dit zou bovendien toegelaten hebben de in de vorige alinea vermelde bewering van de beroeper te verifiëren. Het Comité van Beroep is verder van mening dat het feit dat in de gegeven omstandigheden, na het terreinbezoek door de boswachter op 5 februari, geen terreinbezoek meer werd uitgevoerd samen met de beroeper, niet strookt met een goede communicatie vanuit het Bosbeheer. Dit terreinbezoek had kunnen gebeuren hetzij vóór er tot opmaak van een proces-verbaal werd over(ge)gaan, hetzij nadien, voor zover dit dan nog procedureel tot de mogelijkheden behoort, als reactie op de vraag van de beroeper aan de woudmeester (e-mail van 16 maart 2007) om naar aanleiding van het opgestelde proces-verbaal samen een terreinbezoek uit te voeren. Het Comité van Beroep is namelijk van mening dat een dergelijk terreinbezoek verheldering had kunnen opleveren wat betreft de vraag of de vastgestelde schade al dan niet vermijdbare schade is. Het Comité van Beroep beslist dat het feit dat de betrokken wachter de betrokken houtkappers niet identificeerde waardoor niets kan worden gecontroleerd, zoals bijv. een eventueel overleg van de houtkappers met of mededelingen aan de beroeper of afspraken tussen de beroeper en de houthakkers over het al dan niet uitstellen van de exploitatie van het noordelijk deel van de Lange Vorsbeemd, en het feit dat niet werd ingegaan op een gevraagd overleg door de beroeper om de mogelijk vermijdbare schade te bekijken, als verzachtende omstandigheden kunnen worden ingeroepen. Dit leidt ertoe dat het Comité van Beroep oordeelt om het betrokken aspect niet meer te behouden als basis voor de sanctionering. Op basis van de voorgaande argumentatie van het Comité van Beroep, wordt het beroep tegen de waarschuwingssanctie - Rechtspersoon exploitant nr. 20 Dedoncker P&G bvba ongegrond bevonden met betrekking tot het weerleggen van het tijdig melden der werken, en gegrond met betrekking tot het (niet) aanbrengen van vermijdbare schade. De waarschuwingssanctie wordt bijgevolg behouden, doch enkel met betrekking tot het aspect van het niet tijdig melden van de werken. (...)".
- De procedure 2.
- De verwerende partijen hebben hun memorie van antwoord niet binnen de voorgeschreven termijn aan de Raad van State bezorgd. Deze memorie wordt uit de debatten geweerd. 2.
- De verzoekende partij duidt in haar verzoekschrift het Vlaamse Gewest, het comité van beroep, het erkenningscomité en het erkenningssecretariaat bosexploitatie aan als verwerende partijen. Het erkenningscomité en zijn secretariaat evenals het comité van beroep ageren binnen de structuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het Vlaamse Gewest is de rechtspersoon die als verwerende partij in rechte treedt VII-37.091-6/14 wanneer beslissingen van zijn organen worden betwist. Het comité van beroep, het erkenningscomité en het erkenningssecretariaat bosexploitatie worden buiten de zaak gesteld.
- De grond van de zaak 3.1.
- In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 77 van het bosdecreet van 13 juni 1990, doordat zij geen tien dagen op voorhand verwittigd werd van de schouwing na het kappen. Zij betoogt dat uit de haar medegedeelde stukken blijkt dat de schouwing gebeurde op 15 februari 2007, maar dat zij daarvan niet tijdig op de hoogte gebracht werd. De klacht bij het erkenningscomité, die op grond van deze schouwing werd opgesteld, is dan ook ongeldig. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat zij niet de mogelijkheid gehad heeft om de schouwing bij te wonen en daar haar opmerkingen te geven en dat dit op zich het bestreden besluit vitieert. 3.1.
- Artikel 77 van het bosdecreet heeft betrekking op de schouwing en de controle achteraf van de houtkappingen die gebeuren in de openbare bossen. Het decreet verplicht het bestuur de koper schriftelijk minstens tien dagen vooraf in kennis te stellen van de datum en het uur van deze schouwing ter controle, die verricht moet worden binnen de twee maanden na het verstijken van de datum voor de opruiming. Volgens de verzoekende partij is de schouwing van 15 februari 2007, waarvan het proces-verbaal van 26 februari 2007 en de brieven, die het erkenningscomité haar gezonden heeft, melding maken, niet op tegenspraak gebeurd. Aldus berust volgens haar het gehele dossier dat tegen haar opgemaakt is op "een ongeldige klacht", wat dan leidt tot de onregelmatigheid van het bestreden besluit. 3.1.
- De eventuele onregelmatigheid van de schouwing ter controle -wegens laattijdige verwittiging van de datum van het bezoek ter plaatse- belet niet dat het bestuur in het proces-verbaal van 26 februari 2007, waarnaar de klacht van 11 april 2007 bij het erkenningscomité essentieel verwijst en waarin melding gemaakt wordt van de schouwing van 15 februari 2007, een rechtsgeldige grondslag heeft kunnen vinden voor de overtreding van de verkoopsvoorwaarde dat de VII-37.091-7/14 boswachter minstens twee dagen op voorhand verwittigd moet worden van de aanvang van de houtkappingen. Laatstgenoemde overtreding heeft niets van doen met de regelmatigheid van de schouwing ter controle. Aangezien in dit geval het comité van beroep alleen de inbreuk op de voorafgaande meldingsplicht aan de verzoekende partij verwijt, heeft een eventuele onregelmatigheid aangaande het bewijs van de schouwing niet tot gevolg dat de klacht in het geheel niet meer in aanmerking genomen kan worden als de grondslag voor de waarschuwing. Anders gesteld, op grond van dit middel kan niet besloten worden tot de onregelmatigheid van het bestreden besluit. Het eerste middel is niet ontvankelijk. 3.2.
- In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 11 van het ministerieel besluit van 9 december 2005 houdende de goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het comité van beroep met betrekking tot de erkenning van kopers en exploitanten. Zij betoogt dat het comité van beroep de bestreden beslissing genomen heeft in een niet-rechtsgeldige samenstelling, aangezien er geen vijf vaste leden of hun vervangers aanwezig waren en aangezien, bovendien, twee personen -Luc DE RIDDER en Inge SERBRUYNS- die geen vast lid van het comité van beroep en ook geen vervanger zijn, aan de besluitvorming deelgenomen hebben. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat de samenstelling van het comité van beroep niet correct was aangezien Luc DE RIDDER -voorzitter- noch Inge SERBRUYNS op het ogenblik van de beraadslaging vast lid of vervanger waren. Zij wijst er ook op dat het ministerieel besluit van 29 augustus 2007, waarbij Luc DE RIDDER tot voorzitter van het comité van beroep werd benoemd, pas bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 12 november 2007 zodat dit besluit op 30 augustus 2007 nog niet "in werking was". 3.2.
- De samenstelling van het comité van beroep is een substantieel vormvoorschrift waarvan de schending de rechtsgeldigheid van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, in het gedrang brengt. De rechtsgeldige samenstelling wordt bewezen door de vermelding in de notulen van de vergadering. In dit geval legt de verwerende partij geen dergelijke notulen voor, maar beperkt zij zich tot het overleggen van een "presentielijst" van de vergadering van het comité van beroep van 30 augustus 2007, die door de aanwezigen op die vergadering ondertekend is. De verzoekende partij betwist niet dat deze presentielijst bepalend is voor de samenstelling van het comité van beroep dat effectief over haar zaak beslist heeft. VII-37.091-8/14 3.2.
- De samenstelling en de werking van het comité van beroep wordt geregeld door het besluit van 8 november 2002 en het huishoudelijk reglement van het comité van beroep, opgemaakt op 13 januari
- Artikel 7, § 1, van het besluit van 8 november 2002 bepaalt : "Voor de beroepsprocedure wordt een comité van beroep ingesteld, dat is samengesteld uit een voorzitter, twee vertegenwoordigers van de beroepsfederatie Nationale Federatie van Exploitanten en Houthandelaars (FEDEMAR), één ambtenaar van het Bosbeheer en één vertegenwoordiger van de openbare boseigenaars, een vertegenwoordiger van het Educatief Bosbouwcentrum Groenendaal, een privé-eigenaar, voorgesteld door de Vlaamse Hoge Bosraad, een ambtenaar van de Technische Inspectie van het federaal ministerie van Arbeid en Tewerkstelling en hun vervangers. De minister wijst een voorzitter aan binnen de administratie en benoemt de leden van het comité van beroep en hun vervangers". Artikel 8 van hetzelfde besluit bepaalt dat een secretariaat het comité van beroep bijstaat, dat het verzorgd wordt door "het Bosbeheer" en dat het kan "uitbesteed worden". Artikel 11 van het huishoudelijk reglement van het comité van beroep bepaalt : "Het comité kan alleen rechtsgeldig beraadslagen als minstens vijf vaste leden of hun vervangers aanwezig zijn. (...)". Artikel 16 van hetzelfde reglement bepaalt : "Op voorstel van de voorzitter of bij beslissing van het comité kunnen externen als deskundige worden uitgenodigd om aan de bespreking van een bepaald agendapunt deel te nemen. De externen hebben geen stemrecht en nemen geen deel aan de besluitvorming". 3.2.
- Uit de overgelegde presentielijst van de vergadering van 30 augustus 2007 blijkt dat de voorzitter en vier van de leden die overeenkomstig artikel 7, § 1, van het besluit van 8 november 2002 aangewezen zijn, aan de beraadslaging deelgenomen hebben. Uit niets blijkt dat de voorzitter van het comité van beroep niet als een "vast lid" in de zin van artikel 11 van het huishoudelijk reglement zou mogen worden beschouwd. Integendeel, artikel 7, § 1, van het besluit van 8 november 2002 bepaalt dat een voorzitter, die een lid van de administratie moet zijn, en zeven ambtenaren die elk een specifieke belangengroep of dienst vertegenwoordigen het comité van beroep vormen en er dus de vaste leden van VII-37.091-9/14 uitmaken. Bijgevolg werd op 30 augustus 2007 het aanwezigheidsquorum van vijf vaste leden of hun vervangers behaald. 3.2.
- De verzoekende partij wijst terecht op de aanwezigheid van Inge SERBRUYNS, die geen vast lid of vervanger van het comité van beroep is en die het presentieblad ondertekend heeft in haar hoedanigheid van ambtenaar van het "Agentschap voor Natuur en Bos". Zij staat wel gerangschikt onder de rubriek "anderen", dus niet als lid van het comité van beroep. De verzoekende partij toont niet aan dat de genoemde in die hoedanigheid de vergadering niet mocht bijwonen. Uit niets blijkt ook dat betrokkene haar aanwezigheid als "andere" op enige wijze misbruikt zou hebben om het besluitvormingsproces van de vaste leden te beïnvloeden. 3.2.
- Uit het administratief dossier blijkt dat Luc DE RIDDER het voorzitterschap van de vergadering heeft waargenomen. Hij was daarvoor, ter vervanging van Ann CARETTE, aangewezen met het ministerieel besluit van 29 augustus
- Op 30 augustus 2007 kon hij dan ook rechtsgeldig deelnemen aan de vergadering van het comité van beroep. Dat de verzoekende partij op dat ogenblik geen kennis had van dit benoemingsbesluit, aangezien het slechts op 12 november 2007 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt is, betekent niet dat het comité van beroep op 30 augustus 2007 geen rechtsgeldige beslissing genomen heeft. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.
- In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25, § 2, van het besluit van 8 november 2002, doordat de beslissing van het erkenningscomité haar niet medegedeeld werd binnen de maand na het neerleggen van de klacht van 11 april 2007, maar slechts op 18 juni
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het bestuur, op gevaar af aan een bepaling als artikel 25, § 2, van het besluit van 8 november 2002 elk nuttig gevolg te ontnemen, zich aan de regelgeving moet houden en dat haar belangen geschaad zijn doordat zij ruim twee maanden heeft moeten wachten op een uitspraak en al die tijd "in de grootste staat van rechtsonzekerheid" verkeerde. VII-37.091-10/14 3.3.
- Artikel 25, § 2, van het besluit van 8 november 2002 bepaalt dat het erkenningscomité elke met redenen omklede klacht van de bosbeheerder behandelt en "binnen één maand na het neerleggen van de klacht schriftelijk meedeelt aan de indiener van de klacht en de betrokken exploitant of koper welke beslissing (...) werd genomen". 3.3.
- Te dezen is de klacht van het Bosbeheer op 11 april 2007 bij het secretariaat van het erkenningscomité neergelegd en daar op 13 april 2007 geregistreerd. Pas op 18 juni 2007 is aan de verzoekende partij medegedeeld dat haar een waarschuwing werd opgelegd. Daarmee heeft het erkenningscomité duidelijk de beslissingstermijn, bepaald in artikel 25, § 2, van het besluit van 8 november 2002, overschreden. Noch uit enige bepaling van het besluit van 8 november 2002, noch uit het bosdecreet kan worden opgemaakt dat het erkenningscomité na afloop van de voorgeschreven termijn van één maand haar beslissingsbevoegdheid verliest. Zij kan bijgevolg ook nadien nog een administratieve sanctie opleggen, voor zover zij haar beslissing niet zolang uitstelt dat de redelijke termijn om te beslissen kennelijk overschreden is. De verzoekende partij voert zulks te dezen niet aan. Het derde middel is niet gegrond. 3.4.
- In het vierde middel voert de verzoekende partij aan dat het proces-verbaal, dat de grondslag vormde voor de klacht bij het erkenningscomité, geen melding maakt van de identiteit of de hoedanigheid van de opsteller, zodat het haar rechten van verdediging schendt en nietig is, zodat het comité van beroep er geen rechtsgeldige grondslag kon in vinden om haar een administratieve sanctie op te leggen. In haar laatste memorie benadrukt zij dat zijzelf de verplichting niet had om het bestuur in de loop van het administratief besluitvormingsproces op die gebrekkigheid te wijzen. 3.4.
- Het proces-verbaal dat de grondslag gevormd heeft van de klacht tegen de verzoekende partij dagtekent van 26 februari 2007 en is ondertekend met een onleesbare handtekening. De klacht zelf bij het erkenningscomité, ingediend op 11 april 2007, en waarbij het proces-verbaal als bewijsmateriaal gevoegd was, is ingediend door ingenieur-houtvester Erik VAN BOGHOUT. Daarmee beschikte de verzoekende partij over afdoende gegevens om de identiteit van de instrumenterende ambtenaren te achterhalen en de bewijswaarde van het proces-verbaal, dat in dit VII-37.091-11/14 geval gebruikt is als een administratieve inlichting, te betwisten. Het vierde middel is niet gegrond. 3.5.
- In het vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 19, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen en van artikel 3, 2/, van de bijzondere verkoopsvoorwaarden die in dit geval van toepassing waren. Zij betoogt dat zij de boswachter wel degelijk minstens twee werkdagen voor het aanvangen van de kap verwittigd heeft. Met name heeft zij in de week van 23 januari 2007 de boswachter telefonisch verwittigd en is de kap aangevangen op 31 januari
- Van dit telefoongesprek kan zij geen bewijs leveren, maar zij heeft daarbij gehandeld als voorgeschreven. De regelgeving omtrent het verwittigen van de boswachter "vraagt om bewijsmoeilijkheden". 3.5.
- Artikel 19, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen luidde in januari 2007 als volgt : "Als de exploitant de velling of ruiming aanvangt of hervat, verwittigt hij de boswachter daarvan minstens twee werkdagen op voorhand". Artikel 3, 2/, van de bijzondere verkoopsvoorwaarden bij de verkoop van 10 november 2005 bepaalt : "Minstens twee werkdagen voor de aanvang van de exploitatie of van het hervatten ervan, moet de koper de betrokken boswachter hiervan verwittigen". Blijkens die voorschriften moest de verzoekende partij de boswachter twee dagen voor de aanvang van de werken verwittigen. De bewijslast ligt bij haar. 3.5.
- De verzoekende partij betoogt dat zij reeds op 23 januari 2007 de boswachter had verwittigd en dat zij dat op 30 januari 2007 nogmaals deed. Dat wordt evenwel tegengesproken door de verklaring van de boswachter dat hij pas op 30 januari 2007 werd verwittigd van de aanvang der werken. 3.5.
- Artikel 138 van de wet van 19 december 1854 (boswetboek) bepaalt : VII-37.091-12/14 "Een regelmatig proces-verbaal, opgemaakt door één ambtenaar of één wachter, geldt eveneens als bewijs zolang het niet van valsheid beticht is, indien het wanbedrijf of de overtreding geen veroordeling tot meer dan honderd euro geldboete of schadevergoeding kan meebrengen. Wanneer het misdrijf een zwaardere geldelijke veroordeling of een gevangenisstraf kan meebrengen, geldt het proces-verbaal zolang het tegendeel niet bewezen is". In casu is het proces-verbaal van 26 februari 2007 niet van valsheid beticht noch is het tegendeel van de inhoud ervan bewezen. De verzoekende partij bewijst niet dat zij op 23 januari 2007 effectief heeft gebeld. De verwerende partij heeft terecht besloten dat er een inbreuk gepleegd was op de bepalingen die de verzoekende partij miskend acht. De uitleg die zij daarover in het bestreden besluit verschaft is niet onjuist of kennelijk onredelijk. Het vijfde middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het comité van beroep, het erkenningscomité en het erkenningssecretariaat bosexploitatie worden buiten de zaak gesteld. Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-37.091-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.091-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div