← België

Arrest 195039 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 02/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.039 Rolnummer: A. 155131/XII-4245 Zaak: Arrest 195039 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 02/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:22 Fiche Arrest nr 195.039 van 2 juli 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.039 van 2 juli 2009 in de zaak A. 155.131/XII-

  1. In zake : Marc VERDONCK, die woonplaats kiest bij advocaat J. Haentjens, kantoor houdende te Lokeren, H. Hartlaan 56 tegen : de STAD LOKEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Verdonck op 27 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 april 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren, waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt behouden en als eindevaluatie wordt vastgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Haentjens, die loco advocaat J. Haentjens verschijnt voor verzoeker, en van stadssecretaris J.-P. Van Speybrouck, die verschijnt voor verwerende partij; XII-4245-1/7 Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoeker treedt op 1 juli 1991 als statutair geschoold arbeider B in dienst van de stad Lokeren. Hij wordt, met ingang van 1 november 1995, door de gemeenteraad bevorderd tot eerste werkman, specialist B (specialiteit “metselen”). Bij beslissing van 28 mei 2002 van de gemeenteraad van de stad Lokeren wordt verzoeker belast met de functie van technisch ploegleider, en dit vanaf 1 april 2002 gedurende de ziekte van die ploegleider, echter uiterlijk tot 30 september
  3. Bij beslissing van 31 maart 2003 verlengt de gemeenteraad die uitoefening van de functie van technisch ploegleider door verzoeker voor de ganse ziekteperiode van de technisch ploegleider. 1.
  4. Op 28 juli 2003 - verzoeker is op dat ogenblik nog steeds tijdelijk technisch ploegleider - vindt een functioneringsgesprek plaats tussen verzoeker en zijn diensthoofd. Er wordt een aantal elementen van verzoekers functioneren besproken en afspraken worden dienaangaande gemaakt. Het verslag wordt door verzoeker voor akkoord ondertekend. Op 16 december 2003 vindt een tweede functioneringsgesprek plaats tussen verzoeker - nog steeds technisch ploegleider - en zijn directe chef. Daarbij wordt door deze laatste gewezen op “klachten in verband met zijn aanpak en houding”. Het verslag van dit gesprek wordt door verzoeker ondertekend, zij het niet “voor akkoord”. Verzoeker maakt een 9 januari 2004 gedateerde toelichtende XII-4245-2/7 nota bij het verslag van dat functioneringsgesprek, waarin hij kritiek levert op een aantal van de tijdens dat gesprek naar boven gekomen klachten. 1.
  5. Bij de aanvang van 2004 vindt een evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en zijn beoordelaars. Deze laatsten kennen verzoeker de evaluatie “ongunstig” toe voor de periode 1 januari 2002 tot 31 december
  6. Daarbij scoort verzoeker voor de verschillende criteria als volgt :
  7. kwaliteit van het werk, nauwkeurigheid: score C (= goed, normaal)
  8. kwantiteit van het werk, ijver, tempo: score C (= goed, normaal)
  9. zelfstandigheid, initiatief, verantwoordelijkheidszin, motivatie: score C (= goed, normaal)
  10. omgang met chefs, collega’s en externe burgers, aanpassingsvermogen: score A/B (A= onvoldoende/B=matig, net voldoende)
  11. leiderschap: score A/B (A= onvoldoende/B=matig, net voldoende). Er wordt telkens, per criterium, ook een onder woorden gebrachte omschrijving van de beoordeling gegeven. Het verslag wordt door de beoordelaars op 19 februari 2004 ondertekend; verzoeker ondertekent het op 1 maart 2004 “voor gelezen en voor ontvangst van 1 exemplaar”. 1.
  12. Op 2 maart 2004 vraagt verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen om de herziening van die ongunstige evaluatie. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren stelt daarop conform het administratief statuut een adviescommissie samen. Deze adviescommissie hoort op 29 maart 2004 eerst de beoordelaars, vervolgens verzoeker en zijn raadsman en tot slot de beoordelaars en verzoeker en diens raadsman samen. Hiervan wordt telkens een verslag opgesteld. Deze commissie brengt vervolgens, op 1 april 2004, een advies uit, waarin zij stelt van oordeel te zijn “dat er geen reden is tot herziening van de evaluatie”. XII-4245-3/7 1.
  13. Op 5 april 2004 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren dat de ongunstige evaluatie van verzoeker “wordt behouden en als eindevaluatie vastgelegd”. Dit is de bestreden beslissing. Verzoeker wordt hiervan in kennis gesteld met een brief van 7 april 2004, waarvoor hij op 8 april 2004 een ontvangstbewijs ondertekent. Daarin verklaart hij ondermeer “ontvangen te hebben van het stadsbestuur Lokeren, in verband met het behoud van zijn ongunstige evaluatie als eindevaluatie, een schrijven d.d. 7 april 2004 ref. Pers 1991/04, met daarbij het collegebesluit d.d. 5 april 2004, waaraan gehecht het advies van de adviescommissie dd. 1 april 2004”. 1.
  14. Verzoeker dient, bij monde van zijn raadsman, klacht in tegen die beslissing van 7 april 2004 bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. Na repliek van de stad Lokeren, laat de gouverneur bij brief van 29 juni 2004 weten dat verzoekers klacht ongegrond is, daaraan toevoegend “dat het niet getuigt van behoorlijk bestuur om betrokkene, ondanks de ongunstige evaluatie, toch de hogere functie verder te laten uitoefenen”. De ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  15. Verwerende partij werpt ter terechtzitting op dat verzoeker zonder actueel belang is. Sedert het indienen van zijn beroep immers is verzoeker bevorderd tot technisch ploegleider, hetgeen overigens noodzakelijk impliceert dat hij voorafgaand aan die bevordering een gunstige evaluatie heeft gekregen.
  16. Verzoeker betwist niet de feitelijke elementen die verwerende partij aanbrengt, maar spreekt wel tegen dat dit tot de conslusie moet leiden dat hij geen actueel belang meer heeft bij het beroep. De bestreden evaluatie blijft immers in het dossier aanwezig en hij kan er in de toekomst mogelijk mee worden geconfronteerd. XII-4245-4/7 Beoordeling
  17. Het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem nog een concreet voordeel oplevert; dit voordeel moet meer zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Een verzoeker die geconfronteerd wordt met een exceptie van gebrek aan belang, valt het toe om daartegenover klaar en duidelijk standpunt te kiezen en om, indien hij de exceptie betwist, de precieze redenen daarvoor te doen kennen en, meer bepaald, het belang dat hij met zijn vordering gediend wil zien zo nauwkeurig en volledig mogelijk te omschrijven.
  18. Het betoog van verzoeker over de blijvende gevolgen van de ongunstige evaluatie wordt niet bijgevallen. Naar verwerende partij op de terechtzitting formeel bevestigt, bevat het administratief statuut dat te dezen van toepassing is geen regels die blijvende effecten hechten aan een ongunstige evaluatie en wordt integendeel bij beslissingen over verzoekers rechtspositie enkel naar de laatst toegekende evaluatie gekeken zodat het bij navolgende beslissingen stellig van onbehoorlijk bestuur zou getuigen, indien nog rekening zou worden gehouden met de thans bestreden evaluatie, des te meer nog nu verzoeker zelfs is bevorderd tot ploegleider. Verzoeker beweert ook niet dat hij in de periode van de ongunstige evaluatie concrete nadelige gevolgen heeft ondergaan die aan die evaluatie zijn toe te schrijven, zoals een loopbaanvertraging of gemiste promotiekansen. Mocht bijgevolg zo een risico hebben bestaan, dan heeft het zich niet gerealiseerd. Ten overvloede -want verzoeker voert zelf geen moreel nadeel aan- stelt de Raad van State vast dat een evaluatiebeslissing zich onderscheidt, wat het aangebrachte morele leed betreft, van een tuchtbeoordeling. Een tuchtsanctie beoogt een ambtenaar wegens deontologisch laakbaar gedrag te bestraffen en werpt XII-4245-5/7 een zodanige smet op de getuchtigde dat hij er in elk geval een gekwalificeerd moreel belang bij heeft om haar middels een annulatieberoep ongedaan te zien maken. Een dergelijke smet wordt niet tegengesproken of ongedaan gemaakt door het enkele feit dat de betrokkene ondertussen bevorderd zou zijn. Een evaluatie heeft tot doel het bestuur in te lichten over de waarde, de geschiktheid, de prestaties en de verdiensten van een personeelslid gedurende een welbepaalde, afgelopen periode, waarbij het personeelslid ofwel voor zijn inzet wordt gewaardeerd ofwel wordt aangespoord zijn prestaties te verbeteren. Een evaluatie is geen tuchtmaatregel of anderszins gericht op enige bestraffing van tekortkomingen in zijn functioneren maar beoogt, door een waardering uit te drukken van het bestuur over de wijze van dienen van zijn personeelslid, aanmoedigend of aanmanend te werken voor de betrokken persoon opdat deze optimaal in zijn functie zou renderen. Te dezen beweert verzoeker niet, en blijkt ook niet spontaan, dat hetgeen in de beschrijving van zijn presteren aan bod komt een dermate grievend karakter vertoont dat hij, zonder enige nadere toelichting, geacht kan worden er nog een gekwalificeerd moreel belang aan te ontlenen. Het belang dat verzoeker bij het instellen van zijn beroep ontegensprekelijk had, is in de loop van de procedure teloor gegaan. Het besluit is dan ook, nu verzoeker zonder actueel belang is, dat het beroep niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4245-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juli 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4245-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.