← België

Arrest 195151 - Collectieve arbeidsovereenkomst - 09/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.151 Rolnummer: A. 161711/VII-33863 Zaak: Arrest 195151 - Collectieve arbeidsovereenkomst - 09/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.151 van 9 juli 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Collectieve arbeidsovereenkomst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.151 van 9 juli 2009 in de zaak A. 161.711/VII-33.

  1. In zake : het Sociaal Fonds Sociale Maribel voor de Socio-Culturele Sector, dat woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  3. de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Sociaal Fonds Sociale Maribel voor de Socio-Culturele Sector op 14 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 3 februari 2005 houdende de vernietiging van de beslissingen van het beheerscomité van de verzoekende partij van 17 januari 2005 die strekken tot het handhaven van het beleid van toekennen van de voordelen van de bijdrageverminde- ring "sociale Maribel" op basis van het criterium "leeftijd" en op basis van "vrijstelling van arbeidsprestaties", bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2005; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-33.863-1/5 Gelet op de beschikking van 28 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. CARÊME die, tevens loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: De ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
  5. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van een regelmatige beslissing van de verzoekende partij om een annulatieberoep in te stellen. Zij stelt dat de bevoegdheid van de voorzitter en de ondervoorzit- ter van de raad van bestuur van de verzoekende partij om gezamenlijk op te treden in rechte, die in artikel 15 van de statuten van de verzoekende partij wordt bedoeld, moet worden onderscheiden van "de prealabele beslissing om een vernietigingsbe- roep in te stellen", die aan de raad van bestuur toekomt. De verwerende partij meent dat de voorzitter en de ondervoorzitter bevoegd zijn om gezamenlijk in rechte op te treden ter uitvoering van de beslissing om een vernietigingsberoep in te stellen en dat een andere interpretatie een te ruime betekenis zou geven aan de bevoegdheid om in rechte op te treden. Een dergelijke algemene bevoegdheid zou volgens haar strijdig zijn met de bewoordingen zelf van artikel 15 van de statuten van de verzoekende partij. Het kan volgens de verwerende partij niet de bedoeling zijn dat de gezamenlijke bevoegdheid van de voorzitter en de ondervoorzitter om in rechte VII-33.863-2/5 op te treden alle bevoegdheden omvat, waaronder de bevoegdheid om een vernietigingsberoep in te stellen bij de Raad van State.
  6. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij in essentie dat artikel 15 van haar statuten bepaalt dat de raad van bestuur in rechte handelt via de voorzitter en de ondervoorzitter gezamenlijk en dat deze bepaling vanzelfsprekend de beslissingsbevoegdheid om in rechte te treden als voorwerp heeft. Volgens haar moet "in rechte handelen" redelijkerwijze worden begrepen als "in rechte treden" en wordt de procesbevoegdheid kennelijk aan de voorzitter en de ondervoorzitter gedelegeerd. Beoordeling
  7. Aangezien rechtspersonen niet zelf "in persoon" een beroep bij de Raad van State kunnen indienen, moeten zij een beroep doen op hun organen. Omtrent het instellen van een beroep bij de Raad van State moeten twee bevoegdhe- den worden onderscheiden: er is enerzijds de bevoegdheid om te beslissen al dan niet een annulatieberoep in te dienen en anderzijds de bevoegdheid om de maatregelen te nemen ter uitvoering van die beslissing.
  8. De artikelen 11 en 15 van de statuten van de verzoekende partij luiden als volgt: "Artikel
  9. Het Fonds wordt beheerd door een paritaire Raad van Bestuur samengesteld uit 14 effectieve leden. (...) Artikel
  10. De Raad van Beheer beschikt over de meest uitgebreide bevoegdhe- den voor het beheer en de administratie van het Fonds, binnen de limieten gesteld door en/of krachtens de wet van 7 januari 1958, deze statuten en het Koninklijk Besluit van 18 juli
  11. Tenzij andersluidende beslissing van de Raad van Beheer treedt deze laatste in al zijn handelingen op en handelt hij in rechte via de voorzitter en de ondervoorzitter gezamenlijk, elk desgevallend vervangen door een lid van de Raad daartoe door de Raad aangesteld. De Raad van Beheer heeft onder meer als opdrachten : - het toekennen van de som van de bijdrageverminderingen overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 5 en het opvolgen van deze toekenning; - alle nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 18 juli 2002 en van zijn uitvoeringsbesluiten; - over te gaan tot de eventuele aanwerving en afdanking van het personeel van het Fonds; - controle uit te oefenen en alle nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van deze statuten; - de administratiekosten vast te stellen; VII-33.863-3/5 - tijdens de maand juni van elk jaar schriftelijk verslag over te maken aan het Paritair comité over de vervulling van zijn opdrachten; - aan de bevoegde instanties de verslagen voorzien door en/of krachtens het Koninklijk Besluit van 18 juli 2002 over te maken; - het opstellen van een huishoudelijk reglement."
  12. Uit de artikelen 11 en 15, eerste lid, van haar statuten blijkt dat de meest uitgebreide bevoegdheden voor het beheer en de administratie van de verzoekende partij toekomen aan de raad van bestuur. Het is deze die de beslissing moet nemen om in rechte te treden. Artikel 15, tweede lid, van de statuten, waarin de term "raad van beheer" kennelijk slaat op de in artikel 11 genoemde "raad van bestuur", maakt een onderscheid tussen de bevoegdheid om in rechte te treden en de bevoegdheid om de maatregelen te nemen ter uitvoering van hetgeen de raad van bestuur heeft beslist. Aan de voorzitter en de ondervoorzitter wordt de bevoegdheid toegekend om gezamenlijk de beslissing van de raad van bestuur uit te voeren. De bewoordingen van artikel 15, tweede lid, van de statuten zijn duidelijk. Het is "via de voorzitter en de ondervoorzitter gezamenlijk" dat de raad van bestuur optreedt, tenzij andersluidende beslissing van laatstgenoemde. Het komt aan de raad van bestuur, die paritair is samengesteld en die ingevolge artikel 18 van de statuten in principe bij eenparigheid van stemmen beslist, toe om te beslissen of er in rechte wordt opgetreden. Eenmaal is beslist om in rechte te treden, kunnen de voorzitter en de ondervoorzitter de maatregelen nemen om deze beslissing uit te voeren. De verzoekende partij maakt in haar memorie van wederantwoord geen onderscheid tussen de beslissing om in rechte te treden en de maatregelen om deze beslissing ten uitvoer te brengen, hoewel haar statuten dit onderscheid maken. Een latere interpretatieve bevestiging van de raad van bestuur, zoals deze door de verzoekende partij bij haar laatste memorie wordt gevoegd, kan daaraan geen afbreuk doen. De beslissing om in rechte te treden, moet immers regelmatig zijn genomen binnen de beroepstermijn van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State. Het beroep is niet ontvankelijk, VII-33.863-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. BARRA, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. A. VANDENDRIESSCHE. VII-33.863-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.