← België

Arrest 195152 - Natuurbehoud - Vergunningen - 09/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.152 Rolnummer: A. 183072/VII-36979 Zaak: Arrest 195152 - Natuurbehoud - Vergunningen - 09/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.152 van 9 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.152 van 9 juli 2009 in de zaak A. 183.072/VII-36.979. In zake : de NV INTERSTRUCTURE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-M. BROCORENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Sint-Michielslaan 65 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV INTERSTRUCTURE op 4 mei 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 februari 2007 waarbij de gronden, gelegen aan de Rittwegerlaan 50 te Machelen, worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2009; VII-36.979-1/19 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENAERTS die, loco advocaat J.-M. BROCORENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij is sinds lang eigenaar van een terrein met bedrijfsgebouwen in Machelen. In de loop van 1997 - 1998 worden oriënterende bodemonderzoe- ken uitgevoerd op een naastgelegen terrein, eigendom van de NV SUMMIT TEXTILE CHEMICALS. Een deel van het terrein wordt op dat moment niet gebruikt, op een ander deel waren ooit een onderhouds- en herstellingswerkplaats voor wagens en een schroothandel gevestigd, en sinds een dertiental jaar worden er kleurstoffen opgeslagen en gemengd. Er wordt verontreiniging vastgesteld met onder meer verschillende zware metalen, minerale olie en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). In 1998 vestigt de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM zich op het terrein. Deze vennootschap exploiteert een inrichting waar chemicaliën worden opgeslagen, alsook een onderzoekslabo voor textielkleurstoffen. In 2002 wordt een nieuw oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Er wordt geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige historische verontreiniging van het grondwater met solventen. Vervolgens wordt een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd. Het verslag komt tot de bevinding dat de verontreiniging met gechloreerde solventen afkomstig is van een perceel dat deel uitmaakt van het bedrijfsterrein van de verzoekende partij. VII-36.979-2/19 1.2. Met een brief van 5 september 2006, gericht aan de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM, legt de Openbare Vlaamse Afvalstoffen- maatschappij (hierna : OVAM) een aanvullend onderzoek op. OVAM meent dat de verontreiniging met gechloreerde solventen, waarvan zij aanneemt dat ze afkomstig is van het terrein van de verzoekende partij, niet voldoende in kaart is gebracht. Het aanvullend onderzoek moet worden uitgevoerd door de verzoekende partij. Er wordt een afschrift per gewone brief aan de verzoekende partij gezonden. Met een brief van 4 oktober 2006, gericht aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, met vermelding "beroep tegen beslissing Ovam", ontkent de verzoekende partij dat zij de verontreiniging heeft veroorzaakt. 1.3. De juridische dienst van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie laat op 5 oktober 2006 weten het beroep onontvankelijk te bevinden, omdat de brief van OVAM zich niet tot de verzoekende partij richt en deze voor haar geen rechtsgevolgen heeft. Het is pas wanneer OVAM de verzoekende partij als saneringsplichtige zal hebben aangemaand dat zij aan bepaalde verplichtingen zal moeten voldoen. 1.4. Op 30 januari 2007 stelt OVAM aan de bevoegde Vlaamse minister voor om het perceel van de verzoekende partij aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het voorstel luidt als volgt : "Gelet op het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals herhaaldelijk gewijzigd (hierna genoemd 'bodemsaneringsdecreet'), inzonderheid artikel 30, §1 en §2; Gelet op het besluit d.d. 5 maart 1996 van de Vlaamse regering houdende Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, zoals herhaaldelijk gewijzigd (hierna genoemd 'VLAREBO'); Gelet op volgende documenten met betrekking tot de grond gelegen Rittwegerl 50 te Machelen, kadastraal gekend als (toestand op 01.01.2005): 23047 MACHELEN 1 AFD/MACHELEN/, Sectie: A en perceelnummer: 0435 Z5: - beschrijvend onderzoek: 'Beschrijvend bodemonderzoek Sumitomo Chemical Belgium nv, Rittwegerlaan 52 te 1830 Machelen (projectnummer: 11/00003336)', uitgevoerd door Arcadis Gedas nv, op 21.06.2006; Overwegende dat de OVAM op basis van de volgende vaststellingen in bovengenoemd(

  1. e)document(
  2. en)van oordeel is dat er voor de voormelde grond ernstige aanwijzingen zijn dat de vastgestelde historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 30, §1 van het bodemsane- ringsdecreet; Overwegende de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult zoals weergegeven in de vermelde rapporten; Overwegende de aard en concentratie van de stoffen en organismen zoals weergegeven in de tabel in bijlage bij dit voorstel; VII-36.979-3/19 Overwegende dat de grond volgens de kwetsbaarheidskaart van het grondwater gelegen is in een gebied dat als zeer kwetsbaar ca 1 wordt gecatalogiseerd; Overwegende dat de bovengenoemde grond volgens de geldende plannen van aanleg gelegen is in industriegebied (bestemmingstype V); Gelet op de kenmerken van de bodem van de betreffende gronden, de aard en de concentraties van de aangetroffen verontreinigende stoffen, de versprei- ding ervan, de functies die de bodem van de betreffende gronden vervult en het gevaar op blootstelling aan de verontreinigende stoffen, zoals hierboven uiteengezet, is de OVAM van oordeel dat er voor de grond gelegen te Machelen, Rittwegerl 50, kadastraal gekend (toestand op 01.01.2005): 23047 Machelen 1 Afd/Machelen/ Sectie: A en perceelnummer: 0435 Z 5 ernstige aanwijzingen zijn dat de vastgestelde historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt; Op grond hiervan stellen wij U overeenkomstig artikel 30, §2 van het bodemsaneringsdecreet voor de grond gelegen te Machelen, Rittwegerl 50, kadastraal gekend (toestand op 01.01.2005): 23047 MACHELEN 1 AFD/MACHELEN/, Sectie: A en perceelnummer: 0435 Z 5, aan te wijzen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden". Bij het voorstel is een bijlage gevoegd. 1.5. Op 12 februari 2007 duidt de verwerende partij het perceel Machelen, afdeling 1, sectie A, perceelnummer 0435 Z 5 aan als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Dit is de thans bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt : "Gelet op het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals herhaaldelijk gewijzigd (hierna genoemd 'bodemsaneringsdecreet'), inzonderheid artikel 30, §2; Gelet op het besluit d.d. 5 maart 1996 van de Vlaamse regering houdende Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, zoals herhaaldelijk gewijzigd (hierna genoemd 'VLAREBO'); Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004, 23 december 2005 en 19 mei 2006; Gelet op het schrijven van de OVAM waarin zij overeenkomstig artikel 30, §2 van het bodemsaneringsdecreet aan de Vlaamse regering voorstelt om de gronden gelegen Rittwegerl 50 te Machelen, kadastraal gekend als (toestand op 01.01.2005): 23047 MACHELEN 1 AFD/MACHELEN/, Sectie: A en perceelnummer: 0435 Z 5, aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden (bijlage 1); Gelet op volgende documenten met betrekking tot bovengenoemde gronden: - beschrijvend onderzoek: 'Beschrijvend bodemonderzoek Sumitomo Chemical Belgium nv, Rittwegerlaan 52 te 1830 Machelen (projectnummer: 11/00003336)', uitgevoerd door Arcadis Gedas nv, op 21.06.2006; Overwegende dat in het kader van voormeld(
  3. e)verslagen van bodemonder- zoek op de betreffende gronden een historische bodemverontreiniging werd vastgesteld; dat de OVAM in haar voorstel op gemotiveerde wijze oordeelt dat er op basis van voormelde onderzoeken ernstige aanwijzingen zijn dat de op de betreffende gronden vastgestelde historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 30, §1 van het bodemsaneringsdecreet; VII-36.979-4/19 Overwegende dat de OVAM op basis van de voormelde documenten rechtsgeldig tot deze vaststellingen gekomen is; dat wordt ingestemd met het a1s bijlage opgenomen voorstel van de OVAM; dat de daarin opgenomen motivering omtrent de aard en de ernst van de vastgestelde historische verontreiniging integraal deel uitmaakt van onderhavige beslissing (...)". 1.6. Op 11 mei 2007 maant OVAM de verzoekende partij als saneringsplichtige aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren overeen- komstig artikel 31, § 1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet). Op 11 juni 2007 betwist de verzoekende partij saneringsplichtig te zijn, en vraagt zij in ondergeschikte orde om te worden vrijgesteld van de saneringsplicht; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 7/ en 8/, van het bodemsaneringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de motive- ringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging, doordat het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar het "beschrijvend bodemonderzoek : Beschrijvend bodemonderzoek Sumitomo Chemical Belgium nv, Rittwegerlaan 52 te 1830 Machelen (projectnummer: 11/00003336), uitgevoerd door Arcadis Gedas nv, op 21.06.2006", zonder dat dit document ter kennis werd gebracht aan de verzoekende partij, terwijl het bestreden besluit een individuele administratie- ve rechtshandeling is waarop de motiveringswet van toepassing is, dat de motive- ringswet uitdrukkelijk voorschrijft dat de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen ter kennis moet worden gebracht of bekend moet zijn aan de betrokkene, dat het doel van de motiveringsplicht geenszins wordt bereikt door te verwijzen naar een stuk waarvan de inhoud voor de betrokkene onbekend is gebleven; dat de verzoekende partij stelt dat zelfs niet alleen wordt verwezen naar het beschrijvend bodemonderzoek van 21 juni 2006, maar dat het voorstel van OVAM om het perceel van de verzoekende partij aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, daadwerkelijk is gesteund op dit enig stuk, waarvan de verzoekende partij nooit kennis heeft gekregen, dat hierdoor tevens de rechten van verdediging van de verzoekende partij worden uitgehold; VII-36.979-5/19 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord erkent dat het beschrijvend bodemonderzoek niet bij de betekening van de bestreden beslissing was gevoegd; dat zij vooreerst stelt dat de verzoekende partij wel degelijk kennis heeft van het beschrijvend bodemonderzoek, dat reeds bij brief van 5 september 2006, OVAM de verzoekende partij er van op de hoogte bracht dat zij, in haar hoedanigheid van eigenaar van perceel 0435 Z 5, diende over te gaan tot een beschrijvend bodemonderzoek, en dit op basis van de vaststellingen van het onderzoek bij de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM, dat de verzoekende partij beroep heeft aangetekend tegen deze beslissing, dat dit beroep onontvankelijk werd verklaard, dat zij verder geen annulatieberoep heeft ingesteld, dat zij al evenmin zelf een beschrijvend bodemonderzoek heeft laten uitvoeren, hoewel dat door OVAM was opgelegd, dat zij pas naar aanleiding van de aanmaning om het beschrijvend bodemonderzoek te laten uitvoeren, reageert bij brief van 11 juni 2007, dat zij in dit schrijven meldt dat zij zelf navraag heeft gedaan naar het bodemonder- zoek bij de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM, dat het haar alleszins is meegedeeld, gelet op de inhoud van die brief; dat de verwerende partij voorts betwist dat zij verplicht is het beschrijvend bodemonderzoek in extenso mee te delen en stelt dat aan de bestreden beslissing het voorstel van OVAM is gehecht, alsmede als bijlage 1, de concentraties en de aard van de aangetroffen polluenten, dat op deze wijze de verzoekende partij kennis heeft van de elementen die tot de beslissing hebben geleid en die de beslissing volledig schragen, dat het derhalve volstaat dat de resultaten van het onderzoek worden bijgevoegd, zonder dat het hele onderzoek mee moet worden betekend, dat het te dezen een beslissing betreft waarbij op individuele wijze een element van de rechtspositie van een rechtspersoon wordt bepaald of gewijzigd, en dat de motiveringswet individuele kennisgeving vereist, dat niet alleen de beslissing ter kennis wordt gebracht, maar ook de motivering, dat men die motivering terugvindt in het overwegende gedeelte, alsook in het voorstel van OVAM met de bijlage waarnaar wordt verwezen, waarmee uitdrukkelijk wordt ingestemd en die wordt geacht integraal deel uit te maken van de beslissing, dat het steeds om de motivering gaat, derwijze dat de betrokkene de wettigheid ervan kan beoordelen, dat de verzoekende partij lijkt te eisen dat ook alle feitenmateriaal en hoe het tot stand is gekomen mee ter kennis wordt gebracht, doch dat dit op zich geen deel uitmaakt van de motivering, die uiteindelijk is gebaseerd op het eindresultaat van het onderzoek, dat de verzoekende partij "bezwaarlijk (kan) ontkennen dat zij op basis van de elementen in de betekende beslissing de wettigheid kan beoordelen", dat er dan ook wordt aangenomen dat, wanneer de overheid zich op een advies steunt waarvan de betrokkene nog geen kennis zou hebben, dit advies wordt meegedeeld door overname ervan of door het aan te hechten of door de VII-36.979-6/19 inhoud ervan te preciseren, dat aan deze voorwaarde duidelijk is voldaan, dat het onjuist is te stellen dat het beslissende gedeelte niet aan de verzoekende partij zou zijn betekend, dat "de beoordelingsmarge van de overheid inzake deze materie van bodemsanering, alhoewel niet onbestaand volgens de rechtspraak van Uw Raad, toch wel zeer gering is", dat eens de objectieve gegevens en de cijfers bekend zijn en het voorstel van OVAM aan de minister wordt gericht, de beslissing tot opname in het register van verontreinigde gronden zich sterk opdringt, dat de discretionaire bevoegdheid uiterst gering is, precies omdat de gegevens zo objectief zijn, dat de verwerende partij zich afvraagt hoe de overheid in de meeste gevallen anders zou kunnen oordelen dan wat door OVAM wordt voorgesteld, dat van enige schending van de rechten van de verdediging geen sprake kan zijn, aangezien het bodemsane- ringsdecreet geen hoorrecht invoert; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij zelf toegeeft dat het beschrijvend bodemonderzoek niet bij de bestreden beslissing was gevoegd, dat de verzoekende partij er op het moment van de bestreden beslissing geen kennis van had, dat het niet aan de rechtzoekende is om de documenten waarnaar de overheid verwijst op te vragen, dat de verwerende partij daarentegen tracht te argumenteren dat, door het feit dat de verzoekende partij reeds kennis zou hebben gehad van het bestaan van het beschrijvend bodemonderzoek aan de hand van de meegedeelde kopie van de brief van 5 september 2006, zij automatisch er mag van uitgaan en verwachten dat de verzoekende partij zelf dit beschrijvend bodemonderzoek opvraagt en kennis zou hebben van de inhoud ervan, dat de brief van 5 september 2006 is gericht aan de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM en betrekking heeft op het beschrijvend bodemonderzoek dat is opgestart op initiatief van de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM, dat zij niets te maken heeft met de NV SUMITOMO CHEMICAL BELGIUM, dat zij wenst te betwisten dat zij op grond van de brief van 5 september 2006 moet overgaan tot een beschrijvend bodemonderzoek, dat deze brief enkel te beschouwen is als een niet bindende en louter informatieve mededeling, dat een dergelijke mededeling niet als een formele aanmaning kan worden gezien; dat de verzoekende partij voorts benadrukt dat het voor haar niet mogelijk is om te oordelen of het gerechtvaardigd is om te stellen dat er sprake is van ernstige aanwijzingen dat de op de betreffende gronden vastgestelde historische bodemver- ontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 30, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, dat in het bijzonder de concentratiegehalten weergegeven in bijlage 1 niet toelaten om uit te maken of die concentraties een ernstige aanwijzing vormen van een ernstige bedreiging in de zin van artikel 30, § 1, van het VII-36.979-7/19 bodemsaneringsdecreet, dat er inzake historische bodemverontreiniging geen vaststaande normen zijn waaraan de verontreiniging kan worden getoetst, dat bij historische bodemverontreiniging wordt uitgegaan van een risicobeoordeling; dat zij voorts betoogt dat de verwerende partij elementen aanhaalt die de verzoekende partij zelfs niet had opgeworpen, met name over de al dan niet discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse regering om een grond aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat de term "op voorstel van" inhoudt dat de Vlaamse regering de mogelijkheid behoudt er anders over te oordelen dan OVAM, dat dit ook wordt bevestigd in het arrest van de Raad van State nr. 81.065 van 17 juni 1999; dat de verzoekende partij er ten slotte op wijst dat zij nergens het hoorrecht heeft opgeworpen, dat de afwezigheid van een hoorrecht in het bodemsa- neringsdecreet niet uitsluit dat er sprake kan zijn van een schending van de rechten van verdediging; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat de informatie waarop de motivering is gebaseerd, niet aan de verzoekende partij werd meegedeeld; dat zij betwist dat het aan haar zou toekomen om te motiveren waarom de opgenomen informatie in de bestreden beslissing niet zou toelaten te besluiten tot de aanwezigheid van een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat het integendeel aan de verwerende partij toekomt te bewijzen dat er wel degelijk argumenten en elementen voorhanden zijn om te besluiten tot de aanwezigheid van een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat uit de loutere mededeling van een aantal concentraties van stoffen zonder verdere duiding niet kan worden afgeleid of er al dan niet een aanwijzing is voor een ernstige bedreiging; 2.1.5. Overwegende dat het voorstel van OVAM, dat integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing, een tabel bevat met de stoffen die werden aangetroffen in het grondwater, alsook de vastgestelde concentraties ervan; dat het voorstel van OVAM tevens vermeldt dat de grond volgens de kwetsbaarheidskaart van het grondwater in een zeer kwetsbaar gebied ligt, en volgens de geldende plannen van aanleg in industriegebied met bestemmingstype V; dat het bijgevolg zonder meer duidelijk is op welke feitelijke gegevens OVAM en de verwerende partij zich bij hun beoordeling hebben gesteund; dat het loutere feit dat de vaststellingen werden geput uit een beschrijvend bodemonderzoek, niet impliceert dat ook dat volledige onderzoek bij de betekening diende te worden gevoegd; dat men mag aannemen dat het bestuur de feitelijke gegevens correct overneemt uit een bodemonderzoek; dat ook na kennisname van het betreffende bodemonderzoek de VII-36.979-8/19 verzoekende partij niet aanvoert dat die gegevens onjuist zouden zijn overgenomen; dat de verzoekende partij ook niet uiteenzet waarom de in de bestreden beslissing vermelde feitelijke gegevens niet zouden kunnen volstaan om te kunnen beoordelen of er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3/- 5/, en 30, § 1 en §2, van het bodemsane- ringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het motiveringsbe- ginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit geen individueel en in concreto - onderzoek heeft uitgevoerd tot opname van het perceel van de verzoekende partij als historisch verontreinigde grond; dat zij betoogt dat dit niet blijkt uit de motivering van het voornoemde besluit, dat de bijlage van het voorstel van OVAM niet aangeeft op basis van wat, noch waarom er ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging van historische bodemverontreini- ging zouden zijn, terwijl, eerste onderdeel, uit artikel 30, § 2, samengelezen met artikel 30, § 1, van het bodemsaneringsdecreet volgt dat de Vlaamse regering op voorstel van OVAM enkel die historisch verontreinigde gronden kan aanwijzen waar bodemverontreiniging moet plaatsvinden, nadat is aangetoond dat er op de desbetreffende gronden ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, dat artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet bepaalt dat men bij de evaluatie van de ernst van de bedreiging door bodemverontreiniging in concreto rekening moet houden met de kenmerken van de bodem, de aard en de concentratie van de stoffen en organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan, de functies die de bodem vervult, het gevaar op blootstelling van mensen of dieren en waterwinningen, dat wanneer uit dit onderzoek blijkt dat er ernstige aanwijzingen van ernstige bedreiging voorhanden zijn, men moet overgaan tot bodemsanering, dat uit de bestreden beslissing geenszins blijkt dat een in concreto - onderzoek werd uitgevoerd, terwijl, tweede onderdeel, het bestreden besluit een individuele administratieve rechtshandeling is waarop de motiveringswet van toepassing is, dat het als bijlage opgenomen voorstel van OVAM met de daarin opgenomen motivering omtrent de aard en de ernst van de vastgestelde verontreiniging integraal deel uitmaakt van onderhavige beslissing, dat de bijlage geenszins de grondslag van de "aard en concentratie van de stoffen en organismen" aangeeft, dat te dezen het voorstel van OVAM op geen enkel ogenblik aangeeft op welke criteria zij zich heeft gesteund om te besluiten tot "ernstige aanwijzingen voor een historische verontreini- ging die een ernstige bedreiging vormt"; VII-36.979-9/19 Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens de beide onderdelen van het middel omstandig toelicht om te besluiten tot de gegrondheid van het middel; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord op het eerste onderdeel repliceert dat artikel 30, § 1, in het bodemsane- ringsdecreet is ingevoerd bij decreet van 26 mei 1998, dat voordien de tekst immers in die zin was geredigeerd dat pas na een beschrijvend bodemonderzoek kon worden uitgemaakt of de aangetroffen verontreiniging een ernstige bedreiging vormde, dat in 1998 dit werd omgezet naar de huidige tekst, die volstaat met ernstige aanwijzin- gen van een ernstige bedreiging, en dit op basis van het oriënterend bodemonder- zoek, dat op basis van een oriënterend bodemonderzoek wellicht op zichzelf geen definitief uitsluitsel kan worden gegeven met betrekking tot de ernst van de bedreiging, dat zoals de verzoekende partij aanhaalt "ernstige bedreiging" moet worden bekeken in het licht van artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet, waarbij ondermeer het gevaar voor het drinkwater staat vermeld, dat anders dan de verzoekende partij voorhoudt, het oriënterend bodemonderzoek niet slechts wijst op "ernstige aanwijzingen van verontreiniging", maar wel degelijk op "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging", dat de verzoekende partij volledig over het hoofd ziet dat er niet een oriënterend maar wel degelijk een beschrijvend bodemonderzoek voorligt, en dat er niet aan de cijfers kan worden voorbijgegaan, dat meetpunten 62 en 64 zich op het perceel van de verzoekende partij bevinden, dat de concentratie aan cis-1,2-dichlooretheen op meetpunt 62, 830 :g/l en op meetpunt 64, nog 350 :g/l bedraagt, daar waar de saneringsnorm 50 :g/l bedraagt, dat de concentratie van trichlooretheen eveneens de norm overschrijdt, dat de concentratie aan vinylchloride op meetpunt 64, 9 :g/l bedraagt, terwijl de saneringsnorm op 5 :g/l ligt, dat de verzoekende partij de motivering van de beslissing niet goed leest waar zij het in haar verzoekschrift voortdurend heeft over de verwijzing naar een oriënterend bodemonderzoek, dat aangezien dit gebied zich situeert in een gebied dat volgens de kwetsbaarheidskaart van het grondwater gelegen is in zeer kwetsbaar "ca 1", en gelet op de zeer uitgebreide analyse en risico-evaluatie die in het beschrijvend bodemonderzoek wordt gemaakt, waarbij alle elementen in concreto bekeken en berekend worden, de verzoekende partij onmogelijk kan stellen dat de verwerende partij tekort zou zijn geschoten aan een beoordeling in concreto zoals door artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet wordt vereist, dat er alleszins geen sprake is van het hanteren van een stijlformule; VII-36.979-10/19 Overwegende dat zij op het tweede onderdeel antwoordt dat de verzoekende partij beweert dat het uiterst vaag is welke stoffen werden aangetroffen op haar perceel, dat het antwoord nochtans is dat alle vermelde stoffen die op bijlage 1 van het voorstel van OVAM voorkomen, stoffen zijn die in de opgegeven concentraties zijn aangetroffen op het perceel 0435 Z 5 dat eigendom is van de verzoekende partij; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste onderdeel repliceert dat de redenering van de verwerende partij is dat er wel degelijk een in concreto-onderzoek is uitgevoerd zoals door artikel 2, 3/, van het bodemsaneringsdecreet is vereist, dat de verwerende partij hiervoor verwijst naar de zeer uitgebreide analyse en risico-evaluatie die in het beschrijvend bodemonderzoek werden gemaakt, waarbij werkelijk alle elementen in concreto bekeken en berekend werden, dat de ver- werende partij ook wijst op het feit dat het oriënterend bodemonderzoek niet slechts wijst op "ernstige aanwijzingen van verontreiniging", maar wel degelijk op "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging", dat dit niet als een onderbouwde argumentatie kan worden beschouwd, dat de verwerende partij iets "stelt", maar dit niet argumenteert, dat deze opmerking van de verwerende partij bijgevolg geen enkele relevantie heeft, dat daarnaast de verzoekende partij, volgens de verwerende partij, over het hoofd ziet dat er niet een oriënterend maar een beschrijvend bodemonderzoek voorligt; dat de verzoekende partij wenst duidelijk te maken dat zij zich zeer zeker bewust is van het feit dat het hier gaat om een beschrijvend bodemonderzoek, dat dit evenwel niet belet dat zij aan de hand van de interpretatie van de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet, in het bijzonder artikel 3, § 4, van het bodemsaneringsdecreet, en aan de hand van een analogie redenering tracht duidelijk te maken dat de "geest" van de wet de noodzakelijkheid van een individueel concreet onderzoek ondersteunt, dat het beschrijvend bodemonderzoek van de NV SUMITOMO CHEMICALS BELGIUM in de eerste plaats een onderzoek is op haar perceel, het perceel dat grenst aan het perceel van de verzoekende partij, dat het in het kader van dat beschrijvend bodemonderzoek is dat er één bijkomende peilboring is uitgevoerd op het perceel van de verzoekende partij, dat het op basis van deze ene peilboring is dat het bestreden besluit is genomen, dat er geen integraal beschrijvend bodemonderzoek is gebeurd op het perceel van de verzoekende partij, dat bijgevolg de discussie omtrent de aanwijzing van het perceel van de verzoekende partij als historisch verontreinigde grond een zeer eenzijdige en onrechtvaardige discussie is, die enkel en alleen is gebaseerd op het beschrijvend VII-36.979-11/19 bodemonderzoek opgestart op initiatief van en uitgevoerd op het perceel van de NV SUMITOMO CHEMICALS BELGIUM; Overwegende dat zij met betrekking tot het tweede onderdeel repliceert dat de verwerende partij eenvoudigweg stelt dat moet worden aangenomen dat alle vermelde stoffen die op bijlage 1 van het voorstel van OVAM voorkomen, stoffen zijn die in de vermelde concentraties aangetroffen zijn op het perceel 0435 Z 5, eigendom van de verzoekende partij, dat de stelling van de verwerende partij evenwel niet wordt gestaafd door een doorslaggevend element; dat een dergelijke "povere" stelling volgens de verzoekende partij van "onwetendheid" aan de zijde van de verwerende partij getuigt; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog stelt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat bepaalde criteria in acht werden genomen om te toetsen of de aangetroffen verontreiniging een aanwijzing oplevert voor een ernstige bedreiging, dat er wel degelijk een motivering is vereist waarom de concentraties in de gegeven omstandigheden een ernstige bedreiging opleveren, dat op zich de overschrijding van een bodemsaneringsnorm geen aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid van een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat men anders in het bodemsaneringsdecreet had kunnen volstaan met te zeggen dat er een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging is indien de bodemsanerings- norm wordt overschreden, dat aangezien dit niet als zodanig vermeld staat in het bodemsaneringsdecreet, niet zonder meer mag worden geponeerd dat er wel degelijk sprake is van een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat de vaststelling dat het grondwater kwetsbaar is, evenmin als motivering kan dienen voor de aanwezigheid van een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat immers indien het grondwater op geen enkele wijze in de nabijheid wordt gewonnen, er mogelijk geen enkele reden is om aan te nemen dat deze verontreiniging een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging oplevert; 2.2.5. Overwegende dat de rechtzoekende in een beslissing de redenen moet kunnen terugvinden om te kunnen beoordelen of het nuttig is die beslissing aan te vechten; dat men van die rechtzoekende mag verwachten dat hij de motivering op een ernstige wijze leest en te goeder trouw poogt te begrijpen; dat de tabel bij het voorstel van OVAM aangeeft welke stoffen er in welke concentraties werden aangetroffen in het grondwater; dat daaruit blijkt dat voor cis-1,2-dichlooretheen, concentraties werden aangetroffen van 350 en 830 :g/l; dat de bodemsaneringsnorm slechts 50 :g/l bedraagt; dat het bodemsaneringsdecreet een verschillende VII-36.979-12/19 behandeling kent van "nieuwe" en van historische verontreiniging; dat bij nieuwe verontreiniging moet worden gesaneerd zodra de saneringsnormen zijn overschre- den; dat er bij historische verontreiniging, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt, een beschrijvend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd; dat wanneer uit dat beschrijvend bodemonderzoek blijkt dat er inderdaad een ernstige bedreiging bestaat, er saneringswerken moeten worden uitgevoerd; dat de beoordeling of de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt, moet gebeuren middels een concreet en individueel onderzoek, en niet aan de hand van algemene normen, afgeleid van de bodemsaneringsnormen; dat bij het nemen van de bestreden beslissing niet diende te worden beoordeeld of er een ernstige bedreiging bestond, maar of daarvoor ernstige aanwijzingen bestonden; dat men mag aannemen dat daarvoor even goed een concreet en individueel onderzoek is vereist; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de kwestieuze grond in een gebied ligt waar het grondwater als zeer kwetsbaar is gecatalogiseerd, en dat in het grondwater een overschrijding werd vastgesteld van tot zestien maal hoger dan de bodemsanerings- norm; dat, hoewel de saneringsnormen zijn uitgevaardigd voor nieuwe verontreini- gingen, niet valt in te zien waarom deze normen, als zij zijn overschreden bij een historische verontreiniging, niet als een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging zouden kunnen worden beschouwd, aangezien die normen bepalen vanaf welke graad van verontreiniging er moet worden gesaneerd, en bijgevolg vanaf welke graad van verontreiniging de ernstige bedreiging vaststaat; dat de objectieve vaststellingen van de meervoudige overschrijding van de bodemsaneringsnorm die op zich door de verzoekende partij niet worden betwist, voldoende de ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging schragen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, doordat het bestreden besluit bepaalt dat de grond wordt aangewezen als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden hoewel OVAM eveneens enkele maanden voordien door middel van het bodemattest van 20 september 2006 te kennen had gegeven dat er conform het bodemsaneringsdecreet geen verdere maatregelen moesten worden genomen, terwijl, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, gewijzigde omstandigheden uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en tevens niet valt in te zien hoe op basis van eenzelfde VII-36.979-13/19 bodemonderzoek totaal tegenoverstelde conclusies zouden kunnen worden genomen waardoor elke rechtszekerheid zou verdwijnen; dat de verzoekende partij uiteenzet dat het een raadsel is hoe de verwerende partij tot het bestreden besluit is kunnen komen, dat op 5 september 2006 OVAM oordeelt dat het beschrijvend bodemonder- zoek dat de NV SUMITOMO CHEMICALS BELGIUM heeft uitgevoerd niet conform is aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet, dat meer bepaald nog een aantal bijkomende verplichtingen werden opgelegd, dat deze beslissing vermeldt dat de bodemsaneringsdeskundige, op het ogenblik van het opstellen van de aanvullingen, moet zorgen dat de administratieve, milieutechnische gegevens voldoende actueel zijn, dat ook volgens OVAM moet worden nagegaan of de toetsing is gebeurd in overeenstemming met het actuele beoordelingskader, dat in deze beslissing ook het kadastraal perceel dat eigendom is van de verzoekende partij was betrokken, dat nauwelijks veertien dagen later, met name op 20 september 2006, OVAM een bodemattest verstuurt waaruit dan weer blijkt dat er geen sprake is van een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, dat conform het bodemsaneringsdecreet geen verdere maatregelen moeten worden genomen, dat opnieuw zes maanden later, OVAM aan de verzoekende partij een beslissing stuurt van de verwerende partij die dan weer beslist dat de eigendom van de verzoekende partij wordt aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat deze opeenvolging van documenten aantoont dat de "beslissingsvorming bij OVAM" en bij de verwerende partij niet zorgvuldig is, dat de verwerende partij immers niet plots kan beslissen dat op een perceel bodemsanering moet plaatsvinden terwijl OVAM zes maanden voordien heeft geoordeeld dat er, conform het bodemsaneringsdecreet, geen verdere maatregelen moeten worden genomen, dat de bestreden beslissing de formele wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ook schendt, dat enkel en alleen wordt verwezen naar de motivering die OVAM heeft opgenomen in haar voorstel tot aanwijzing van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat er geen enkele bijkomende, eigen motivering van de verwerende partij wordt aan toegevoegd, dat in het bodemattest van 20 september 2006 OVAM zich baseert op het beschrijvend bodemonderzoek van 21 juni 2006 om te stellen dat er conform het bodemsaneringsdecreet geen verdere maatregelen moeten worden genomen, dat op basis van hetzelfde bodemonderzoek OVAM in haar voorstel van beslissing van 29 januari 2007 ineens het tegenovergestelde beslist, dat ook de verwerende partij zich deze motivering van OVAM eigen maakt, dat er dan ook niet anders kan worden besloten dan dat deze motivering onvoldoen- de is, dat men immers op basis van een en hetzelfde bodemonderzoek geen twee diametraal tegenover elkaar staande beslissingen kan nemen, dat gezien het VII-36.979-14/19 ontbreken van enige bijkomende motivering, dan ook besloten moet worden dat de beslissing van de verwerende partij niet kan worden gedragen door de motieven die zijn vermeld, dat deze beslissing gebrekkig is gemotiveerd en er dus sprake is van een schending van de formele motiveringsplicht, dat er tevens sprake is van een schending van de materiële motiveringsplicht gezien de motieven in de bestreden beslissing pertinent onjuist zijn, dat OVAM in haar bodemonderzoek van 20 september 2006 immers heeft beslist dat er geen verdere maatregelen moeten worden genomen, dat er anders over beslissen in het voorstel van 29 januari 2007 in strijd is met de werkelijkheid, dat daarenboven ook moet worden gewezen op de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, dat het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel een uit de rechtsstaat voortvloeiend beginsel is dat inhoudt dat het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn zodat de rechtssubjecten in staat zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen op voorhand in te schatten, en dat die rechtssubjecten moeten kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid bij het bestuur, dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen, dat dit concreet betekent dat de verzoekende partij moet kunnen vertrouwen op wat OVAM heeft vermeld in het bodemattest dat zij aan de verzoekende partij heeft overgemaakt op 20 september 2006, met name dat er zich geen verdere maatregelen in het kader van het bodemsaneringsdecreet opdringen, dat wanneer de verwerende partij kort nadien iets totaal anders beslist, het duidelijk is dat de verzoekende partij in haar verwachtingen is geschaad; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het beschrijvend bodemonderzoek van ARCADIS GEDAS dateert van eind juni 2006, dat het verslag, luidens de brief van OVAM van 5 september 2006, op 7 augustus 2006 aan OVAM werd bezorgd, dat OVAM kennis neemt van het dossier en op 5 september 2006 laat weten dat het beschrijvend onderzoek niet conform de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet is, dat bijkomend onderzoek wordt opgelegd, dat het dossier van OVAM, overeenkomstig artikel 4, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, een aantal gegevens bevat, dat naar aanleiding hiervan, OVAM vervolgens, conform artikel 4, § 3, van het bodemsaneringsdecreet, een bodemattest moet uitreiken aan de eigenaar, de gebruiker en de gemeente, waarin zij uiteraard niets meer kan vermelden dan wat op dat ogenblik reeds werd vastgesteld, dat het ook niet aan OVAM is om te beslissen over de opname op de lijst met gronden die moet worden gesaneerd, maar aan de Vlaamse regering, dat VII-36.979-15/19 vervolgens OVAM eind januari 2007 het voorstel doet aan de verwerende partij om het perceel op te nemen op de lijst van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat het de verwerende partij is die beslist, dat dit zodoende op geen enkel ogenblik een verandering van standpunt inhoudt, dat het slechts het doorlopen van de fases van een procedure is, dat het attest van 20 september 2006 geenszins een definitieve beslissing inhoudt, en alleszins niet in het licht van de mededeling van twee weken voordien dat de verzoekende partij een beschrijvend bodemonderzoek diende te laten uitvoeren; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zij de door de verwerende partij genoemde "logische gang van zaken" niet ziet, dat de uitspraak inzake de historische bodemverontreini- ging van OVAM op het door haar uitgereikte bodemattest van 20 september 2006 volledig is gebaseerd op het beschrijvend bodemonderzoek van 21 juni 2006, dat het bijgevolg onlogisch is dat het bestreden besluit, dat eveneens uitsluitend is gebaseerd op hetzelfde beschrijvend bodemonderzoek, plotseling in een volledig tegengestelde beslissing resulteert, dat met name uit het bodemattest blijkt dat er geen ernstige bedreiging uitgaat van de bodemverontreiniging terwijl uit de beslissing van OVAM naderhand wel een ernstige bodemverontreiniging zou blijken, dat beide beslissingen nochtans zijn gebaseerd op één en hetzelfde bodemonderzoek, dat het daarbij voor de verzoekende partij niet mogelijk is om aan de hand van het bestreden besluit zelf te achterhalen waarom er plotseling een heel andere beslissing wordt genomen betreffende het perceel van de verzoekende partij, aangezien er enkel wordt verwezen naar de motivering die OVAM heeft opgenomen in haar voorstel tot aanwijzing van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat er geen enkele bijkomende, eigen motivering van de verwerende partij wordt aan toegevoegd, dat het dus voor de verzoekende partij een raadsel is hoe de verwerende partij tot het bestreden besluit is kunnen komen, dat de argumentatie van de verwerende partij evenwel aan de verzoekende partij niet toelaat om het bestreden besluit beter te begrijpen, dat de verzoekende partij vertrouwde wat er in het bodemattest is beslist, met name dat er zich geen verdere maatregelen in het kader van het bodemsaneringsdecreet opdringen, dat wanneer de verwerende partij kort nadien iets totaal anders beslist, het duidelijk is dat de verzoekende partij in haar verwachtingen is geschaad; 2.3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie toegeeft dat het bodemattest geen administratieve rechtshandeling is en dat de bevoegdheid van OVAM niet zonder meer wordt beperkt door eerdere standpunten VII-36.979-16/19 die het zou hebben ingenomen; dat zij wel het gegeven betwist dat de verwerende partij op zeer korte termijn na het versturen van het bodemattest tot een totaal tegenovergestelde beslissing is kunnen komen en dit nochtans op basis van dezelfde informatie waarover zij beschikte, dat zij het niet eens is met de stelling dat het bodemattest geen document is waarin een bepaalde beleidsvisie wordt bekendge- maakt, beleidsvisie waarop de rechtsonderhorige vanaf dan zijn vertrouwen zou kunnen vestigen, dat zij er rechtmatig mag van uitgaan dat de informatie die haar wordt aangeleverd door een bevoegde overheid in de vorm van een bodemattest wel degelijk met de werkelijkheid overeenstemt, dat zelfs in de mate waarin het geen beleidsvisie verwoordt, de rechtsonderhorige er rechtmatig op mag vertrouwen dat informatie die hem spontaan wordt meegedeeld juist en daarenboven pertinent is; dat zij voorts van oordeel is dat uit geen enkele bepaling van het bodemsaneringsdecreet blijkt dat de bewoordingen "dat er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn" betrekking zouden hebben op de uitvoering van voorzorgsmaatregelen of gebruiks- beperkingen, dat wel het tegendeel geldt, met name dat voormelde bewoordingen voortvloeien uit een evaluatie van de beschikbare documenten en dat op basis daarvan geen reden meer voorhanden is tot het nemen van enige verdere maatregel in het kader van het bodemsaneringsdecreet, dat dit dan ook niet beperkt is tot het nemen van voorzorgsmaatregelen en gebruiksbeperkingen; dat de verzoekende partij daarenboven het gegeven betwist dat de verwerende partij zonder meer van idee kan veranderen omtrent de aard en de ernst van de bodemverontreiniging op basis van identiek dezelfde informatie, dat zij niet betwist dat bijkomende latere onderzoeken vroegere onderzoeken kunnen aanvullen en bijgevolg tot een andere conclusie kunnen leiden, dat dit in voorliggend dossier niet het geval is, dat er louter en alleen een andere beslissing wordt genomen op basis van identiek dezelfde informatie, dat dit gegeven onmiskenbaar een schending is van het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; 2.3.5. Overwegende dat het voornoemde bodemattest volgende passage bevat : "In het beschrijvend bodemonderzoek dd. 21.06.2006 waarin dit kadastraal perceel is opgenomen worden concentraties vastgesteld waarbij de kwaliteit van de bodem rechtstreeks of onrechtstreeks nadelig wordt beïnvloed of kan beïnvloed worden. Gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult zoals weergegeven in de vermelde rapporten, oordeelt de OVAM dat er geen sprake is van een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. Conform het bodemsaneringsdecreet moeten geen verdere maatregelen worden genomen"; VII-36.979-17/19 dat een bodemattest geen administratieve rechtshandeling is; dat het geen rechtsgevolgen tot stand brengt, noch belet dat rechtsgevolgen tot stand komen; dat het evenmin een document is waarin een bepaalde beleidsvisie wordt bekendge- maakt, beleidsvisie waarop de rechtzoekende vanaf dan zijn vertrouwen zou kunnen vestigen; dat het bodemattest louter een informatief document is, dat aangeeft of op de grond in kwestie verontreiniging werd vastgesteld en dat, onder meer, een samenvattende omschrijving bevat van de ernst van de bodemverontreiniging die reeds werd vastgesteld in het licht van de bodemsaneringsnormen alsook de eventuele gebruiksbeperkingen of voorzorgsmaatregelen die werden opgelegd overeenkomstig artikel 5 van het bodemsaneringsdecreet; dat het bodemsaneringsde- creet er overigens uitdrukkelijk rekening mee houdt dat de gegevens van het attest kunnen worden gewijzigd; dat een bodemattest bijgevolg geen gevolgen kan genereren die het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel in gedrang zouden kunnen brengen; dat er bovendien geen tegenstrijdigheid tussen het attest en de bestreden beslissing bestaat; dat het attest de actuele stand van zaken vermeldt; dat aangezien het beschrijvend bodemonderzoek onvolledig was voor de verontreini- ging, het onmogelijk was om de ernst van de bedreiging vast te stellen; dat de bestreden beslissing daar niet mee in strijd is waar zij stelt dat er ernstige aanwijzin- gen zijn voor een ernstige bedreiging, zodat bodemsanering noodzakelijk is; dat waar het attest stelt dat "conform het bodemsaneringsdecreet (...) geen verdere maatregelen (moeten) worden genomen", het om de verplichte vermelding van gebruiksbeperkingen of voorzorgsmaatregelen gaat die reeds zouden zijn opgelegd, en niet om een belofte dat geen verdere procedures meer zullen volgen; dat ten slotte de bevoegdheid van de verwerende partij, bij het nemen van de beslissingen die het bodemsaneringsdecreet haar opdraagt, niet zomaar kan worden ingeperkt door standpunten die OVAM eerder zou hebben laten kennen; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-36.979-18/19 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.979-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.