id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.153 Rolnummer: A. 181641/VII-36952 Zaak: Arrest 195153 - Natuurbehoud - Vergunningen - 09/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.153 van 9 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.153 van 9 juli 2009 in de zaak A. 181.641/VII-36.
- In zake :
- José QUINTENS,
- Rosa WAUTERS, die woonplaats kiezen bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- tussenkomende partijen :
- Alain MISSOTTEN,
- Gertrudis VRANCKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat G. PAQUE, kantoor houdende te BORGLOON, Gillebroekstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat José QUINTENS en Rosa WAUTERS op 12 maart 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 januari 2007 waarbij het beroep van de verzoekende partijen ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 30 mei 2006, houdende conformverklaring van het "Beschrijvend bodemonder- zoek, Kloosterstraat te 3870 Heers, o. ref. AT-2006-25030-R-AT-9410502541" aan de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; VII-36.952-1/25 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 juni 2007 ingediend door Alain MISSOTTEN en Gertrudis VRANCKEN; Gelet op de beschikking van 21 juni 2007 die de tussenkomsten van Alain MISSOTTEN en Gertrudis VRANCKEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 april 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. CHRISTIAEN die, loco advocaat G. PAQUE verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-36.952-2/25 1.
- De betwisting betreft bodemverontreiniging rond de woning van de verzoekende partijen aan de Kloosterstraat 11 te Heers (perceel 95d). Tussen de woning van de verzoekende partijen en die van de tussenkomende partijen, Kloosterstraat 15 (perceel 93b), bevindt zich een andere woning met tuin, Kloosterstraat 13, (perceel 94b). Het terrein helt af in de richting van de tussen- komende partijen. Volgens de verzoekende partijen wordt hun stookolietank bij controle op 19 juli 2002 in orde bevonden. Bij een levering op 16 oktober 2003 "zou een kleine overvulling gebeurd zijn". Op 20 oktober 2003 "viel de verwarming uit en bleek de stookolietank na controle leeg te zijn". Een nieuwe test van de tank wijst uit dat er "een aantal kleine gaatjes" in waren, "maar dat het zeer onwaarschijnlijk was dat de tank langs die gaatjes volledig was leeggelopen". Op initiatief van de verzoekende partijen en hun verzekerings- maatschappij vinden er een aantal bodemonderzoeken plaats. Sommige deskundigen stellen aanwijzingen te vinden voor een tweede verontreinigingsbron. Er ontstaat betwisting over de onderzoekspraktijken en conclusies. Op vraag van de tussen- komende partijen stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Tongeren op 21 februari 2005 een deskundige aan om een en ander te onderzoeken. 1.
- In opdracht van de gerechtsdeskundige wordt een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd. Het verslag dateert van 11 april
- Er wordt geen tweede verontreinigingsbron gevonden. Het onderzoek besluit : "De bodem- en grondwaterverontreiniging met minerale olie en naftaleen ter hoogte van de ondergrondse stookolietank is een nieuwe verontreiniging die ontstaan is tengevolge van een overvulde en lekke tank. De verontreiniging werd zowel horizontaal als verticaal afgeperkt. De verontreiniging overschrijdt de perceelsgrens. Op perceel 95d, 94b en 93b worden de registerwaarden voor minerale olie en/of naftaleen overschreden. Het volume verontreinigde bodem in de onverzadigde zone bedraagt ca. 130 m³, het volume verontreinigd grondwater is ca. 630 m³. Er is een saneringsnoodzaak daar de minerale olie/naftaleen verontreiniging een nieuwe bodemverontreiniging betreft met overschrijding van de bodemsa- neringsnorm. Er bestaat een saneringsurgentie gezien de grondwaterverontreiniging een verspreidingsrisico vormt waarbij de aanwezigheid van een drijflaag wordt opgemerkt. Er is geen sprake van een blootstellingsrisico mits contact met verontreinigde bodem bij eventuele graafwerken vermeden wordt en zolang grondwater, binnen de contour van verontreiniging, niet ongecontroleerd onttrokken, gebruikt en geloosd wordt. Als voorzorgsmaatregel wordt voorgesteld de contour van verontreiniging op te volgen en binnen de contour de blootstelling aan en het gebruik van verontreinigde grond en verontreinigd grondwater te beperken of aan te passen in functie van concentraties minerale olie". VII-36.952-3/25 1.
- Op 30 mei 2006 laat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaat- schappij (hierna : OVAM) aan de verzoekende partijen weten het beschrijvend bodemonderzoek conform te verklaren. Er moet een bodemsaneringsproject worden ingediend voor 1 november
- 1.
- De verzoekende partijen tekenen administratief beroep aan. Zij stellen dat "niet ontegensprekelijk vaststaat" dat er slechts één verontreinigingsbron is. Ze verwijzen naar en citeren uit een door de NV ECOREM in opdracht van de verzekeringsmaatschappij gemaakte evaluatie, die besluit : "Het is onduidelijk of de grondwaterverontreiniging met minerale olie op de percelen 95d, 94b en 93b afkomstig (is) van één bron (stookolietank op perceel 95d) of dat er nog een tweede bron aanwezig was. Er zijn immers een aantal aanwijzingen dat er reeds een grondwaterverontreiniging met minerale olie aanwezig was : - ouderdomsbepalingen toonden aan dat de verontreiniging in peilbuizen PB25 en PB30 zes à acht jaar oud was, de verontreiniging in de kern was slechts één jaar oud; - er werd een hogere concentratie aan minerale olie aangetroffen in een peilbuis (PB25) die verder van de verontreinigingskern gelokaliseerd was dan in peilbuizen die dichter tegen de kern gelegen zijn, en dit is niet volgens de verwachtingen voor het gedrag van een zich verspreidende olieverontreiniging; - de verspreidingssnelheid van de verontreiniging is te traag om op zulke korte termijn peilbuis PB25 te bereiken. Op basis van deze aanwijzingen wordt vermoed dat er reeds een grondwater- verontreiniging aanwezig was op het ogenblik dat de stookolietank op perceel 95d leegliep. Op basis van de thans uitgevoerde onderzoeken kan de oorsprong en de omvang van die tweede verontreiniging echter nog niet achterhaald worden". 1.
- OVAM laat haar standpunt kennen, alsook de tussenkomende partijen en de buren van de Kloosterstraat
- De adviescommissie Bodemsanering stelt als volgt voor het beroep te verwerpen : "Het beroep is ongegrond. Uit het beschrijvend bodemonderzoek blijkt voldoende dat er geen aanwijzingen zijn dat de tanks op de percelen 93B en 94B verontreiniging hebben veroorzaakt. De tank T1 op het perceel 95D is vermoedelijk niet van de ene op de andere dag beginnen lekken, maar waarschijnlijk al gedurende enkele jaren. Dit kan de verschillen in ouderdom van de verontreiniging verklaren. De geologische opbouw van de ondergrond kan de toename van de concentratie naarmate men verder van de verontreini- gingsbron is verwijderd, verklaren, alsook de afstand die de verontreiniging heeft afgelegd. In bepaalde stookolie is er een restfractie BTEX aanwezig, zodat de metingen betreffende BTEX dus niet relevant zijn om tot een 2e benzinebron te besluiten. De tank van de beroepers is wel degelijk de bron van de verontreiniging". VII-36.952-4/25 1.
- Op 8 januari 2007 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt verworpen. De bestreden beslissing wordt uitvoerig gemotiveerd. Het administratief beroepschrift wordt integraal weergegeven, alsook de argumentatie van de in het administratief beroep tussenkomende partijen. Nadat de procedurele voorgaanden zijn gegeven, worden de argumenten van de beroepsindieners en van de tussenkomende partijen samengevat, vervolgens worden het verweer van OVAM en het advies van de adviescommissie Bodemsanering weergegeven, daarna worden de betrokken percelen en eigenaars gesitueerd, en worden de verschillende gevoerde onderzoeken opgesomd. Aan de hand van verwijzingen naar verschillende onderzoeken worden een aantal bevindingen gegeven inzake de oorzaak van de verontreiniging, de toestand van het grondwater, de intensiteit en de verspreiding van de verontreiniging, de ouderdomsbepaling van de verontreiniging, de samenstelling van de verontreinigende stoffen, de verspreiding, de vastgestelde concentraties met hun lokalisatie en de afperking van de verontreiniging. Er worden beknopt verschillende opinies over de wijze van verspreiding weergegeven. De kern van de motivering luidt als volgt : "Overwegende dat alle bodemonderzoeken duidelijk zijn met betrekking tot de oorzaak van de verontreiniging; dat alle bodemonderzoeken vermelden dat de nieuwe bodemverontreiniging ontstond door een lek in de ondergrondse stookolietank T1 op het terrein van de beroepers; dat zowel het tussentijds verslag AXTRON, opgesteld in opdracht van de beroepers, als het tegenstelbare beschrijvend bodemonderzoek LISEC, opgesteld in opdracht van de gerechts- deskundige, bovendien vermelden dat de ondergrondse stookolietank T1 werd overvuld; dat de beroepers noch het lekslaan van tank T1 noch het overvullen van deze tank betwisten; Overwegende dat het tussentijds verslag AXTRON, opgesteld in opdracht van de beroepers, vermeldt dat op 19 juli 2003 de tank T1 werd gekeurd; dat dit gegeven wordt overgenomen in het beschrijvend bodemonderzoek LISEC, opgesteld in opdracht van de gerechtsdeskundige; dat hieromtrent verder geen gegevens beschikbaar zijn; dat niet wordt vermeld wat het resultaat van deze keuring was; dat geen dichtheidsattest wordt voorgelegd van de lekke tank T1 of van de andere tank T2 die op het terrein van de beroepers aanwezig is; dat over deze tank T2 zelfs geen enkel ander gegeven dan een weergave op de plannen in bijlage van de bodemonderzoeken wordt aangetroffen; dat het niet voldoende is dat in een bodemonderzoek gesteld wordt dat een tank gekeurd werd zonder dat hiervoor stavingsstukken worden voorgelegd; dat met dit gegeven dan ook geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de OVAM meent dat de verontreiniging afkomstig is van 1 bron, namelijk de tank op het perceel van beroepers; dat ook de deskundigen LISEC en AEOLUS die niet in opdracht van beroepers werken van mening zijn dat de verontreiniging afkomstig is van 1 bron; dat de deskundigen AXTRON en ECOREM die in opdracht van beroepers werken van mening zijn dat, mits een bijkomende peilbuis geplaatst wordt, mogelijks kan aangetoond worden dat de verontreiniging afkomstig is van 1 bron; dat een bijkomende peilbuis waarin geen bodemverontreiniging werd aangetroffen, geplaatst werd tussen de tank T4 op perceel 93B en peilbuis BP25 zodat kan geconcludeerd worden dat ook VII-36.952-5/25 volgens de voorwaarden gesteld door de door de beroepers aangestelde deskundigen, er slechts één verontreinigingsbron is; Overwegende dat ter hoogte van de ondergrondse mazouttank T4 op het perceel 93B er in het vaste deel van de bodem immers geen verontreiniging werd vastgesteld en in het grondwater enkel een verontreiniging met minerale olie boven de achtergrondwaarden werd vastgesteld, niet boven de bodemsane- ringsnorm; dat ter hoogte van de ondergrondse mazouttank T3 op het perceel 94B in het bovenste deel van de bodem en vlak onder het onderste niveau van de tank geen verontreiniging werd vastgesteld; dat de verontreiniging in het vaste deel van de bodem zich situeert ter hoogte van de fluctuatiezone van het grondwater; dat deze vaststellingen voldoende aantonen dat er geen aanwij- zingen zijn dat de tanks op de percelen 93B en 94B bodemverontreiniging hebben veroorzaakt; dat het duidelijk is dat het perceel 95D het bronperceel is en de percelen 93B en 94B de verspreidingspercelen; Overwegende dat de verspreiding van de minerale olie stroomafwaarts duidelijk één enkele vlek vormt; dat hiervoor voldoende gegevens aanwezig zijn in de bodemonderzoeken; Overwegende dat de ouderdomsbepaling een foutenmarge heeft waarmee rekening moet gehouden worden; dat wat het verschil in de ouderdom van de verontreiniging betreft, dit kan verklaard worden doordat er plots een grote hoeveelheid stookolie in de bodem is terechtgekomen, zeker gelet op het feit dat BE-CON vermeldt dat er meerdere perforaties waren in de tank; dat de mazouttank van beroepers vermoedelijk reeds enkele jaren lekte (de oudste verontreiniging wordt op ongeveer 8 jaar - met een foutmarge van 2 tot 3 jaar - geschat), zodat de verontreiniging zich heeft kunnen verspreiden; dat in 2003 het lek groter kan geworden zijn, waardoor er bij de vulling van de tank in oktober 2003 een grote hoeveelheid minerale olie in de bodem is terecht gekomen; dat door deze piek de oudere bodemverontreiniging niet meer gemeten wordt t.h.v. PB1; Overwegende dat de lithologische verschillen ervoor kunnen gezorgd hebben dat de verontreiniging zich via preferentiële zones verplaatst heeft; dat de toename van de concentratie naarmate men verder van de verontreinigings- bron is verwijderd, kan verklaard worden door de geologische opbouw van de ondergrond; dat alle deskundigen het hiermee eens zijn mits er aangetoond wordt dat de tank T4 op perceel 93B geen tweede verontreinigingsbron is; dat de door AEOLUS geplaatste peilbuis dit aantoonde; dat op een diepte van ca 3 à 4 m-mv een grindlaag voorkomt; dat deze grindlaag veel meer doorlatend is dan leem, waaruit de meerderheid van de ondergrond is opgebouwd; dat de verontreiniging zich voornamelijk in deze laag zal verspreiden; dat deze grindlaag niet overal wordt aangetroffen en dus waarschijnlijk discontinu verloopt; dat waar de grindlaag overloopt in een minder doorlatende leemlaag er een ophoging van de verontreiniging kan ontstaan en zo een hogere concentratie van minerale olie; dat dit de aangetroffen concentraties op het perceel 93B, die hoger zijn dan op het perceel 94B dichter tegen de verontreini- gingskern, kan verklaren; Overwegende dat de snelheid van de grondwaterverplaatsing louter geraamd is zonder metingen op het terrein zodat een grotere snelheid heel goed mogelijk is; dat de afstand die de verontreiniging over een periode van acht jaar gezien afgelegd zou hebben heel goed mogelijk is; dat de horizontale stromingssnel- heid van het grondwater theoretisch werd bepaald; dat gelet op de geologische opbouw, meer bepaald de discontinue grindlaag, de effectieve grondwatersnel- heid nog groter kan zijn; dat de verontreiniging zich vanaf perceel 95D dus zeker kan verspreid hebben tot op het perceel 93B; Overwegende dat wat de aanwezigheid van BTEX betreft, het geweten is dat in bepaalde stookolie er een restfractie BTEX kan aanwezig zijn; dat de metingen betreffende BTEX dus niet relevant zijn om tot een benzine-ver- VII-36.952-6/25 ontreiniging te besluiten; dat bovendien geen enkele verontreiniging werd gevonden rond de tanks van de tussenkomende partijen; dat de tank T1 van de beroepers wel degelijk de bron is van de verontreiniging en deze nieuwe verontreiniging dan ook dient gesaneerd te worden; Overwegende dat de verontreiniging afkomstig is van 1 bron, namelijk de tank op het perceel van beroepers; dat immers deze tank waarschijnlijk niet van de ene op de andere dag begon te lekken, maar dit een proces is dat jaren kan geduurd hebben en dit de verschillen in de ouderdom kan verklaren; dat de geologische opbouw van de ondergrond de toename van de concentratie naarmate men verder van de verontreinigingsbron is verwijderd, kan verklaren, alsook de afstand die de verontreiniging heeft afgelegd; Overwegende dat de beroepers niet aantoonden dat zij niet de sanerings- plichtige zijn; Overwegende dat de beroepers saneringsplichtig zijn en derhalve dienen over te gaan tot bodemsanering (...)";
- De ontvankelijkheid 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen als exceptie aanvoeren dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat zij door de verzoekende partijen niet in kennis werden gesteld van het ingediende beroep, en omdat zij in het verzoekschrift niet worden vermeld; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord antwoorden dat artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State onder de verplichte vermeldingen niets zegt over derden-belanghebbenden, dat artikel 3ter van hetzelfde besluit enkel de verzending van een afschrift ter informatie aan de verwerende partij vraagt, dat artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aan de hoofdgriffier opdraagt eventuele derden-belanghebbende aan te schrijven, dat het dus onduidelijk is waarop de tussenkomende partijen hun exceptie gronden; 2.
- Overwegende dat er voor een verzoekende partij geen verplichting bestaat om eventuele derden-belanghebbenden aan te wijzen en/of hen ter informatie een afschrift van het verzoekschrift toe te zenden; dat de exceptie wordt verworpen;
- Ten gronde 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 10 en 14 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet), van de materiële VII-36.952-7/25 motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldig- heidsbeginsel, doordat vooreerst de bestreden beslissing de conformverklaring door OVAM van het beschrijvend bodemonderzoek ten onrechte bevestigt en daarmee ten onrechte bevestigt dat de verzoekende partijen de enige saneringsplichtigen zouden zijn en er slechts één bron van vervuiling zou zijn, met name die op hun eigendom, en zulks niettegenstaande er meerdere onderzoeken en rapporten wijzen op het bestaan van meer dan één bron van vervuiling, en doordat, vervolgens, deze met documenten gestaafde aanwijzingen van een bijkomende bron van vervuiling om onduidelijke en onjuiste redenen werden genegeerd en ten onrechte geen aanleiding gaven tot aanvullende onderzoeksverrichtingen, en, ten slotte, doordat het beschrijvend bodemonderzoek conform werd verklaard, nog vóórdat de aangestelde gerechtsdeskundige die, onder meer, tot opdracht heeft de oorzaken van de vervuiling na te gaan, zijn onderzoek heeft afgesloten en zijn verslag heeft neergelegd; dat de verzoekende partijen stellen dat in toepassing van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet ook de eigenaar van de grond waarop de andere bron van verontreiniging zich bevindt als saneringsplichtige moet worden aangewezen, temeer omdat de tweede bron van verontreiniging door de verzoekende partijen aan- nemelijk werd gemaakt, dat de onderzoeken in opdracht van de verzoekende partijen die wijzen op een tweede bron van vervuiling minstens aanleiding hadden moeten geven tot een opdracht tot aanvullende onderzoeksverrichtingen overeenk- omstig artikel 14 van het bodemsaneringsdecreet, dat in het raam van de materiële motiveringsplicht en de verplichting tot afdoende formele motivering, alsook gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel, het bestuur de aanwijzingen van een tweede bron van vervuiling niet mocht negeren op basis van onjuiste of onduidelijke motieven, dat in het raam van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vereiste van zorgvuldige feitenvinding, alsook op grond van de materiële motiveringsplicht het eindverslag van de gerechtsdeskundige had moeten worden afgewacht alvorens het beschrijvend bodemonderzoek als afgerond te beschouwen en het conform te verklaren overeenkomstig artikel 14, § 3, van het bodemsaneringsdecreet; Overwegende dat de verzoekende partijen verder toelichten dat zij nooit hebben betwist dat de bodemvervuiling mede is ontstaan ingevolge het lekken van de stookolietank op hun eigendom in oktober 2003, dat het geenszins zeker is dat de vastgestelde bodemverontreiniging uitsluitend het gevolg is van het lekken van hun stookolietank, dat gedurende het nog steeds niet beëindigde gerechtsdeskundig onderzoek, tal van stukken en gegevens werden aangevoerd die wijzen op een vermoedelijke tweede bron van verontreiniging, dat met deze stukken VII-36.952-8/25 en gegevens evenwel geen rekening werd gehouden; dat zij over het beschrijvend bodemonderzoek stellen dat het verslag van de erkende bodemsaneringsdeskundige, de VZW LISEC STUDIECENTRUM VOOR ECOLOGIE (hierna : VZW LISEC), besluit dat er slechts één bron van verontreiniging is, niettegenstaande de VZW LISEC in kennis was gesteld van de bevindingen van de NV ECOREM die wezen op de aanwijzingen van een tweede bron van verontreiniging, dat de verslagen van de NV ECOREM zijn opgenomen in de bijlagen bij het verslag van de VZW LISEC, dat in deze verslagen, inzonderheid in het verslag van oktober 2004, omstandig wordt uiteengezet om welke redenen er sprake kan zijn van een bijkomende verontreinigingsbron, namelijk de verspreiding van de verontreiniging, de ouderdom en de aard ervan, dat deze argumentatie in het verslag met volgende zin wordt afgewezen : "De eventuele verontreiniging met benzine, waarvan sprake in de voorgaan- de onderzoeken, wordt hier niet teruggevonden. Er is dus geen sprake van een tweede verontreiniging", dat deze zin niet van aard is om de omstandige argumentatie van het verslag van de NV ECOREM, waarbij diverse elementen aan bod komen, te weerleggen; dat de verzoekende partijen over latere ontwikkelingen stellen dat na de redactie van het verslag van de VZW LISEC, in het raam van het deskundig onderzoek, een bespreking plaatsvond in aanwezigheid van de gerechtsdeskundige en alle partijen, dat hierbij door de verzoekende partijen opnieuw opmerkingen werden geformuleerd op de conclusies van het verslag van de VZW LISEC, dat de argumenten uit het verslag van de NV ECOREM van oktober 2004 opnieuw door dit bureau werden onderzocht en bevestigd, dat de conclusies van dit bodemonderzoek als volgt luiden : "Het is onduidelijk of de grondwaterverontreiniging met minerale olie op de percelen 95d, 94b en 93b afkomstig is van één bron (stookolietank op perceel 95b) of dat er nog een tweede bron aanwezig was. Er zijn immers een aantal aanwijzingen dat er reeds een grondwaterverontreiniging met minerale olie aanwezig was: - ouderdomsbepalingen toonden aan dat de verontreiniging in peilbuizen PB25 en PB30 6 à 8 jaar oud was, de verontreiniging in de kern was slechts één jaar oud; - er werd een hogere concentratie aan minerale olie aangetroffen in een peilbuis (PB25) die verder van de verontreinigingskern gelokaliseerd was dan in peilbuizen die dichter tegen de kern gelegen zijn, dit is niet volgens de verwachtingen voor het gedrag van een zich verspreidende olieverontreiniging; - de verspreidingssnelheid van de verontreiniging is te traag om op zulke korte termijn peilbuis PB25 te bereiken. Op basis van deze aanwijzingen wordt vermoed dat er reeds een grondwater- verontreiniging aanwezig was op het ogenblik dat de tank leegliep. Op basis VII-36.952-9/25 van de uitgevoerde onderzoeken kan de oorsprong en omvang van die tweede verontreiniging echter nog niet achterhaald worden"; dat zij voorts stellen dat ook een verslag, opgesteld door ingenieur Walter HUYS, van 30 mei 2006 werd voorgelegd, dat ook in dit verslag wordt gewezen op aanwijzingen van meerdere bronnen van vervuiling, met name de concentratie, de samenstelling en de ouderdom van de vervuiling, dat dit aansluit bij de bevindingen van de NV ECOREM, dat verder in dit verslag het onderzoek door AEOLUS in opdracht van de tussenkomende partijen is geanalyseerd en dat ingenieur Walter HUYS hierbij wijst op ongerijmdheden en besluit dat ook dit verslag niets zegt over de herkomst van de vervuiling gemeten in peilbuis PB25 en derhalve geen verklaring geeft voor de aanwijzingen van een tweede bron van vervuiling, dat niettegenstaande deze pertinente opmerkingen op het verslag van de VZW LISEC, hierop nog niet werd gereageerd door de gerechtsdeskundige, dat evenmin een voorverslag werd neergelegd; Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot de materiële en formele motivering van de bestreden beslissing argumenteren dat ook in deze beslissing met de hierboven vermelde bevindingen geen rekening werd gehouden, niettegenstaande het verslag van de NV ECOREM van oktober 2004 bij het verslag van de VZW LISEC was gevoegd en de conclusies van het onderzoek, die het vorige verslag bevestigen, expliciet in de beroepsakte werden aangevoerd, dat de bestreden beslissing ofwel doet alsof de bevindingen van de NV ECOREM niet bestaan, ofwel worden zij erin weerlegd zonder ernstige motieven of op basis van foute motieven, dat de motivering van de bestreden beslissing aldus strijdt met het dossier en niet steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven, zodat zij de materiële motiveringsplicht schendt, alsook de formele motiveringsplicht in de mate dat de in de beslissing weergegeven motieven geen afdoende antwoord bieden op de bevindingen van de verslagen van de NV ECOREM, dat in de bestreden beslissing wordt opgesomd welke vaststellingen kunnen worden gedaan met betrekking tot de verontreinigingsoorzaak, dat hierbij niet eens melding wordt gemaakt van de bevindingen van de NV ECOREM die wijzen op een mogelijke tweede verontreinigingsoorzaak, dat in de bestreden beslissing wordt geponeerd dat alle bodemonderzoeken duidelijk zijn met betrekking tot de oorzaak van de verontreiniging, met name de stookolietank van de verzoekende partijen, dat dit in strijd is met de verslagen van de NV ECOREM en van ingenieur Walter HUYS, dat hieruit blijkt dat het allerminst duidelijk is dat de stookolietank van de verzoekende partijen de enige oorzaak is van de vervuiling, dat de vraag of alleen de stookolie- tank van de verzoekende partijen, of ook nog een tweede bron de vervuiling VII-36.952-10/25 veroorzaakte, zeer relevant is, omdat luidens artikel 10 van het bodemsaneringsde- creet in het eerste geval enkel de verzoekende partijen saneringsplichtig zijn, maar in het tweede geval de saneringsplicht wordt gedeeld door de verzoekende partijen en de eigenaars van de grond waar de tweede bron van verontreiniging zich bevindt, dat in de bestreden beslissing verder wordt vermeld dat de tank van de verzoekende partijen op 19 juli 2003 werd gekeurd, doch dat hiermee geen rekening kan worden gehouden omdat hieromtrent geen stavingsstukken worden voorgelegd, dat allereerst wordt opgemerkt dat de controle gebeurde op 19 juli 2002 in plaats van 2003 en dat zij leidde tot de afgifte van het vereiste conformiteitsattest, dat dit stuk volgens de verzoekende partijen uitermate relevant is aangezien zij de stelling onderuit haalt dat de tank van de verzoekende partijen reeds vele jaren zou lekken, dat dit de enige uitleg is die wordt gegeven voor de door de NV ECOREM en het VITO vastgestelde ouderdomsverschillen in de verontreiniging, dat gelet op het belang van dit conformiteitsattest, OVAM of de bevoegde Vlaamse minister dit stuk had kunnen en moeten opvragen in het kader van de bevoegdheid om aanvullende onderzoeks- verrichtingen op te leggen, verleend door artikel 14, § 3, van het bodemsaneringsde- creet, dat door dit niet te doen hun onderzoek van het dossier niet zorgvuldig is gebeurd en de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat een bijkomende peilbuis waarin geen verontreiniging werd aangetroffen werd geplaatst, zodat kan worden geconcludeerd dat ook volgens de voorwaarden gesteld door de door de beroepers aangestelde deskundigen, er slechts één verontreinigingsbron is, dat dit standpunt is overgeno- men van het advies van de adviescommissie Bodemsanering; dat in een reactie hierop de NV ECOREM er evenwel, volgens de verzoekende partijen, op wijst dat het feit dat in de bijkomende peilbuis geen bodemverontreiniging werd aangetroffen, niet uitsluit dat er een tweede verontreinigingsbron is, dat in de bestreden beslissing het verschil in ouderdom van de verontreiniging wordt afgedaan met de loutere bewering dat de stookolietank van de verzoekende partijen vermoedelijk reeds jaren lekte, dat er voor deze bewering geen enkel stuk in het dossier is dat deze bewering zou rechtvaardigen, dat de verzoekende partijen evenwel het tegendeel bewijzen door het conformiteitsattest van 19 juli 2002, dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het feit dat de firma BE-CON vermeldt dat er meerdere perforaties waren in de tank, waaraan de bestreden beslissing de conclusie koppelt dat de tank van de verzoekende partijen vermoedelijk reeds enkele jaren lekte, dat dit motief niet alleen in strijd is met het conformiteitsattest, maar bovendien ook met de bevindingen van de gerechtsdeskundige in het raam van het deskundig onderzoek, dat, naar aanleiding van de opgraving van de tank, de gerechtsdeskundige immers vaststelde dat er aan de onderkant van de tank slechts één lek is, dat het resultaat van VII-36.952-11/25 dit onderzoek mondeling werd meegedeeld aan de partijen op een vergadering in het raam van het deskundig onderzoek op 2 maart 2007, dat gelet op het feit dat deze melding van zeer recente datum is, de verzoekende partijen op dit ogenblik hiervan nog geen formeel verslag aan hun overtuigingsstukken toevoegen, dat uit deze opsomming duidelijk blijkt dat talrijke motieven van de bestreden beslissing niet in rechte of in feite aanvaardbaar zijn omdat ze niet steunen op stukken in het administratief dossier of meer nog, ermee in strijd zijn, dat andere motieven manifest onjuist zijn, dat de vaststelling blijft dat de bestreden beslissing er niet in slaagt de pertinente opmerkingen van de NV ECOREM en van ingenieur Walter HUYS, die wijzen op een mogelijke tweede bron van verontreiniging, op een ernstige, correcte en afdoende wijze te weerleggen; dat de schending van de materiële en de formele motiveringsplicht dan ook, volgens de verzoekende partijen, vaststaat, dat het bestuur de mogelijkheid heeft om, vooraleer tot de al dan niet conformverklaring over te gaan, overeenkomstig artikel 14, § 3, van het bodemsaneringsdecreet aanvullende onderzoeksverrichtingen te bevelen, dat het bestuur bijgevolg via onderzoeksverrichtingen verder onderzoek kon bevelen dat uitsluitsel zou geven over de aanwijzingen van een tweede bron van verontreiniging, dat door dit niet te doen, ook de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; Overwegende dat de verzoekende partijen ten slotte uiteenzetten dat met de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek had moeten worden gewacht tot de gerechtsdeskundige zijn verslag had neergelegd; dat zij stellen dat louter op basis van het bodemsaneringsdecreet de verwerende partij er niet toe is gehouden om met de conformverklaring van het beschrijvend bodemon- derzoek te wachten tot een gerechtsdeskundige zijn opdracht heeft beëindigd en zijn eindverslag heeft neergelegd, dat het bodemsaneringsdecreet zich hierover niet uitspreekt, dat te dezen het bestuur hiertoe wel is verplicht op grond van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, dat een beschrijvend bodemonderzoek immers tot doel heeft om onder meer de aard, de hoeveelheid, de concentratie en de oorsprong van de verontreiniging vast te stellen, dat dit precies ook deel uitmaakt van de opdracht van de aangestelde gerechtsdeskundige, dat voor de gerechtsdeskundige het beschrijvend bodemonder- zoek van de VZW LISEC evenwel slechts een onderdeel is van zijn onderzoek, doch geenszins het einde van zijn onderzoek, dat na dit verslag zijn werkzaamheden immers werden verdergezet met besprekingen, onderzoek van de stookolietank en bijkomende bemonsteringen, dat tot op heden dit onderzoek niet is afgerond en er zelfs nog geen voorverslag werd neergelegd, dat al deze verdere onderzoeksverrich- tingen uiteraard niet nodig zouden zijn en niet worden verricht indien de gerechts- VII-36.952-12/25 deskundige van mening zou zijn dat aan de hand van het verslag van de VZW LISEC een afdoende antwoord zou kunnen worden verschaft op de vragen door de voorzitter van de rechtbank voorgelegd, waaronder de oorzaak van de verontreini- ging, dat OVAM en, in graad van beroep de verwerende partij, bijgevolg overhaast tot conclusies zijn gekomen en het beschrijvend bodemonderzoek te vroeg conform hebben verklaard, dat door het antwoord op de vragen die openblijven omtrent de mogelijke tweede bron van verontreiniging en het onderzoek van de gerechtsdeskun- dige niet af te wachten, de materiële motiveringsplicht wordt geschonden, dat het verslag van de VZW LISEC immers een onvoldoende en bovendien onjuiste rechtsgrond en motivering voor de conformverklaring is, dat daarenboven, door het verdere deskundigenonderzoek niet af te wachten, de plicht tot zorgvuldige feitenvinding en dus het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij er in haar memorie van antwoord op wijst dat bij nieuwe bodemverontreiniging een zelfstandige sanerings- plicht geldt bij overschrijding of dreigende overschrijding van de bodemsanerings- normen; dat zij stelt dat het doorlopen van de noodzakelijke decretale stappen naar bodemsanering toe, overeenkomstig het bodemsaneringsdecreet, volledig losstaat van de gerechtelijke expertise die op vraag van de verzoekende partijen werd bevolen in het kader van een burgerlijke procedure kort geding voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, dat voor het correct doorlopen van de administratieve procedure van de bodemsanering, het niet noodzakelijk is om het eindverslag van de door de burgerlijke rechtbank aangestelde gerechtsdeskundige af te wachten, dat het bodemsaneringsdecreet zich immers niet uitspreekt over een verplichting in hoofde van OVAM om met de conformverklaring te wachten tot een gerechtsdes- kundige zijn opdracht zou hebben beëindigd en zijn eindverslag zou hebben neergelegd, dat eventueel bijkomende feitenvinding die nog zou geschieden in het kader van het bevolen deskundigenonderzoek in kort geding, niet verder moest worden afgewacht alvorens de administratiefrechtelijk voorziene conformiteitsver- klaring van het beschrijvend bodemonderzoek te laten plaatsvinden, dat er geen sprake is van "overhaast" getrokken conclusies, noch in hoofde van OVAM bij de conformverklaring, noch in hoofde van de verwerende partij oordelend in graad van beroep, dat in het beschrijvend bodemonderzoek de verzoekende partijen niet hebben aangetoond dat zij niet saneringsplichtig zouden zijn in de zin van het bodemsaneringsdecreet, dat alle tot dusver verrichte bodemonderzoeken duidelijk zijn met betrekking tot de oorzaak van de in dit dossier vastgestelde "nieuwe" bodemverontreiniging, namelijk dat de bodemverontreiniging is ontstaan door een lek in de ondergrondse stookolietank op het terrein van de verzoekende partijen, dat VII-36.952-13/25 het tegenstelbaar opgestelde beschrijvend bodemonderzoek van de VZW LISEC, opgesteld in opdracht van de gerechtsdeskundige, bovendien uitdrukkelijk vermeldt dat de ondergrondse stookolietank van de verzoekende partijen werd "overvuld", dat de verzoekende partijen noch het lek in de tank noch het feit dat er zich een "over-vulling" heeft voorgedaan, betwisten, dat aangezien de verzoekende partijen op hun terrein te maken hebben gekregen met een nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt en een ernstige bedreiging vormt, het noodzakelijk is dat de saneringsplichtige overgaat tot sanering, dat aangezien de verzoekende partijen onmiskenbaar saneringsplichtig blijken te zijn, zij moeten overgaan tot bodemsanering, dat de administratieve procedure van bodemsanering nog maar goed is opgestart, dat het beschrijvend bodemonderzoek de administratie een duidelijk beeld geeft van de concrete situatie van de verontreiniging van de grond, dat in die context het verspreidingsrisico, alsook het gevaar op blootstelling eraan van mens, dier en plant alsmede het gevaar voor grond- en oppervlaktewater worden bepaald; dat de verwerende partij zich dan ook de vraag stelt of het wel enige zin heeft om veiligheids- en volledigheidshalve een annulatieberoep in te stellen zoals de verzoekende partijen in dezen hebben gedaan; dat zij stelt dat een beslissing in graad van beroep met betrekking tot de conformverklaring van een beschrijvend onderzoek door OVAM een voor vernietiging vatbare bestuurshande- ling betreft, dat het tussenkomen van de beslissing immers op individuele wijze een element van de juridische positie van de verzoekende partijen zou kunnen wijzigen, dat OVAM in dit stadium evenwel nog haar volledige beoordelingsbevoegdheid en -vrijheid behoudt over toekomstige nog in te dienen saneringsproject(en), dat er immers in de toekomst nog saneringsprojecten zullen moeten worden opgesteld door de uiteindelijke saneringsplichtigen, dat dit evenwel nog niet aan de orde is in de huidige stand van de bodemsanering, dat aangezien de verzoekende partijen niet aantonen dat zij niet saneringsplichtig zijn, en aangezien zij hebben nagelaten om tijdens de decretaal speciaal hiertoe voorziene periode, namelijk hangende de procedure conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek, nog bepaalde bijkomende vragen te stellen en opmerkingen te formuleren ten aanzien van OVAM, er geen sprake kan zijn van enige schending van de artikelen 10 en 14 van het bodemsaneringsdecreet, dat de verzoekende partijen een bodemsaneringsproject zullen moeten laten opstarten door een bodemsaneringsdeskundige en dit moeten betekenen aan OVAM, dat als het bodemsaneringsproject niet zou beantwoorden aan de gestelde eisen, OVAM kan oordelen dat het project niet conform is met het bodemsaneringsdecreet, dat tegen deze beslissing met betrekking tot de conformiteit van het bodemsaneringsproject met het bodemsaneringsdecreet, nog beroep kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering, dat dit een andere beroepsprocedure dan VII-36.952-14/25 deze van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet betreft, meer bepaald de beroepsprocedure dewelke werd uitgewerkt in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, dat het conformiteitsattest met betrekking tot een bodemsaneringsproject vervolgens pas de voorwaarden bepaalt waaronder de bodemsaneringswerken kunnen worden uitgevoerd en de achteraf nodige maatrege- len van bewaking en controle, dat na de uitvoering van de bodemsaneringswerken er dan nog te gepasten tijde een evaluatie-onderzoek door een erkende bodemsane- ringsdeskundige gebeurt waarin de resultaten van de bodemsaneringswerken worden vastgesteld, dat op grond daarvan OVAM uiteindelijk een verklaring zal afleveren waarin de resultaten worden vastgesteld, dat aan de uiteindelijk uit te voeren bodemsanering op het perceel van de verzoekende partijen bijgevolg nog verschil- lende andere decretaal voorziene stappen en beroepsmogelijkheden voorafgaan; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen stellen dat de Raad van State niet in feite een onderzoek moet voeren, doch alleen moet nagaan of er een schending van de aangehaalde wetsartikelen en beginselen is gebeurd, dat de Raad van State geen onderzoek behoeft te doen naar het al dan niet bestaan van een tweede bron van vervuiling, dat in het bestreden besluit zeer uitvoerig wordt ingegaan op de argumenten die door de verzoekende partijen in feite werden aangehaald over het mogelijke bestaan van een tweede bron van vervuiling, dat op zeer uitvoerige wijze in het bestreden besluit het bestaan van een tweede bron van vervuiling wordt weerlegd, met verwijzing naar de verscheidene onderzoeksversla- gen, dat niet alleen uit het bestreden besluit blijkt dat op meer dan voldoende wijze is gemotiveerd waarom het bestaan van een tweede bron van vervuiling niet wordt aanvaard, dat uit de motivering tevens blijkt dat er zonder meer geen sprake kan zijn van een tweede bron van vervuiling, dat er een uitgebreid onderzoek is gevoerd naar alle argumenten van de verzoekende partijen over de beweerde tweede bron van vervuiling, dat de verwerende partij, net zo min als OVAM, onzorgvuldig te werk zouden zijn gegaan bij het onderzoek hiernaar, dat het feit dat het resultaat van hun bevindingen niet is wat de verzoekende partijen ervan verhoopten, niet betekent dat er geen grondig onderzoek zou zijn gevoerd, dat zowel de VZW LISEC, die het onderzoek uitvoerde dat door OVAM conform werd verklaard, als OVAM en de verwerende partij alle stukken en argumenten van de verzoekende partijen hebben onderzocht en besproken, en weerlegd, dat alle argumenten van eerste verzoeker teruggaan op een verslag van de NV ECOREM, de vennootschap die in eerste instantie voor de verzoekende partijen het onderzoek heeft aangevangen, dat dit onderzoek op niet tegensprekelijke wijze is gebeurd, dat op een vergadering met de VII-36.952-15/25 deskundige en alle partijen, de door eerste verzoeker aangestelde bodemdeskundi- gen, de NV ECOREM en AXTRON, volmondig hebben toegegeven dat het bestaan van een tweede bron van vervuiling kon worden uitgesloten, dat alleen ingenieur Walter HUYS, "expert in vanalles", maar vooral geen bodemdeskundige, er nog op blijft hameren, dat deze deskundige is aangesteld door de verzekering van eerste verzoeker en uiteraard de schade voor zijn opdrachtgever tracht te beperken, dat als er een tweede vervuiler kan worden gevonden, zijn opdrachtgever niet voor alle kosten van de sanering moet opdraaien, dat de verzoekende partijen naar de gerechtsdeskundige RUTTEN verwijzen en doen alsof moet worden gewacht op diens verslag alvorens verder iets kan worden uitgevoerd, dat niets minder waar is, dat de VZW LISEC door de gerechtsdeskundige, in overleg met alle partijen, werd aangesteld omdat iedereen het erover eens was dat hoe dan ook de decretaal voorgeschreven procedure voor onderzoek en sanering moet worden gevolgd, dat de partijen het erover eens zijn dat de gerechtsdeskundige zich laat bijstaan door de VZW LISEC, een erkend bodemdeskundige, terwijl de gerechtsdeskundige die erkenning niet bezit, dat de gerechtsdeskundige zich de verslagen en onderzoeken van de VZW LISEC duidelijk eigenmaakt, dat hij erop toeziet dat alles op tegensprekelijke wijze gebeurt, dat tot nu toe niemand, ook de verzoekende partijen niet, hiertegen enig bezwaar heeft geuit, dat men dus hoegenaamd niet hoeft te wachten op bijkomende verslagen van de gerechtsdeskundige, nu het verslag van de VZW LISEC in zijn opdracht en in het kader van de expertise is uitgevoerd, dat de gerechtsdeskundige zelf, als niet-bodemdeskundige, geen relevante bijkomende onderzoeken kan doen, dat hij wel zal overgaan tot het onderzoek van de tank, waar zal moeten worden gezocht naar de oorzaak van het lek, dat dit echter losstaat van de saneringsverplichting die hoe dan ook rust op de eigenaar van het perceel waarop de vervuiling is totstandgekomen, dat die misschien op de leverancier van de stookolie of de keurder van de tank een verhaal kan uitoefenen als blijkt dat die enige fout hebben begaan die het lek heeft veroorzaakt, dat dit irrelevant is voor de sanering van de vervuiling in het kader van het bodemsaneringsdecreet, dat het gegeven dat er bijkomende bemonsteringen in het vooruitzicht werden gesteld, louter is bedoeld om te onderzoeken of de vervuiling zich sedert het opstellen van het bodemonderzoek nog heeft verspreid, dat door het aantekenen van hoger beroep bij de verwerende partij tegen de conformverklaring van het bodemonderzoek door OVAM, de hele zaak immers opnieuw zeven tot acht maanden heeft stilgelegen, dat de werkelijke sanering immers maar verder kon gaan na de uitspraak in beroep door de verwerende partij, dat alle partijen weten dat de milieuschade intussen door het jarenlang wachten bij het nemen van maatregelen van dag tot dat groter wordt, dat de verontreiniging zich via de bodem of minstens via het grondwater verder blijft VII-36.952-16/25 verspreiden, dat men moet weten tot waar de vervuiling zich intussen uitstrekt, dat dit een veranderend gegeven is, dat elke vertraging in de uitvoering van de sanering een bijkomend onderzoek naar de verdere verspreiding van de vervuiling vergt, dat het nemen van nieuwe stalen en bijkomende peilingen dus niet betekent dat de gerechtsdeskundige van oordeel is dat het onderzoek van de VZW LISEC onvolledig of onjuist zou zijn, dat dit argument van eerste verzoeker elke grond mist, dat het gegeven blijft dat de vervuiling door het weglekken van ruim 3.000 liter stookolie uit de tank van de verzoekende partijen bewezen en door hen niet betwist is, dat het bewezen is dat deze vervuiling zich in de afgelopen drie en een half jaar steeds verder heeft verspreid en dat alleen door vertragingsmanoeuvres van eerste verzoeker tot nu toe niets werd ondernomen om de vervuiling te saneren of de verdere verspreiding ervan tegen te gaan, dat het ook duidelijk is dat de minieme hoeveelheid "vreemde" vervuiling die alleen zou blijken uit eenzijdige stukken van eerste verzoeker in het niets verdwijnt in de massale vervuiling die met zekerheid van hem afkomstig is, zodanig dat door iedereen moet worden toegegeven dat nooit zal kunnen worden achterhaald of er werkelijk een tweede bron van vervuiling is, laat staan waar die zich bevindt en wat haar aandeel is in de bestaande vervuiling, dat iedereen beseft dat de virtuele tweede bron van vervuiling, als ze al bestaan zou hebben, volledig is verzwolgen door de massale vervuiling die zich in oktober 2003 heeft voorgedaan, dat niemand tot nu toe heeft aangetoond dat de beweerde tweede bron van vervuiling zelfs maar aanleiding zou kunnen hebben gegeven tot een sanering, terwijl iedereen het er alleszins over eens is dat sanering noodzakelijk is tengevolge van het weglekken van 3.000 liter stookolie, dat het niet behoort dat in het kader van huidige procedure een onderzoek wordt gevoerd naar het bestaan van een eventuele tweede bron van vervuiling, dat de Raad van State alleen kan nagaan of de verwerende partij bij het nemen van haar besluit zorgvuldig is te werk gegaan, dat dit meer dan voldoende blijkt uit het besluit zelf, dat het bovendien niet aan de tussenkomende partijen of wie dan ook toekomt te bewijzen dat er geen andere bron van vervuiling is, dat als de verzoekende partijen menen dat die bron er wel is en aanleiding zou geven tot sanering, los van de bewezen vervuiling die van hen afkomstig is, de verzoekende partijen het bewijs daarvan moeten leveren, dat vage vermoedens en beweringen alles is wat er tot nu toe is gekomen, dan nog weerlegd en tegengesproken door alle andere onderzoeken, dat ook blijkt dat op de twee verspreidingspercelen door de VZW LISEC geen bron van vervuiling is gevonden, dat er blijkt te zijn geantwoord op alle ten tijde van het conformverklaren van het beschrijvend bodemonderzoek door OVAM en het beroep bij de verwerende partij aangedragen argumenten, dat met nadien of in het kader van de huidige procedure bij de Raad van State eventueel nieuw aangebrachte feitelijke argumenten, de Raad VII-36.952-17/25 van State geen rekening moet houden om te beoordelen of het besluit moet worden vernietigd, dat het besluit rechtsgeldig is genomen rekening houdend met alle toen beschikbare gegevens, dat uit het besluit blijkt dat de verslagen en de bevindingen van AXTRON en de NV ECOREM, twee onderzoeken die eenzijdig in opdracht van de verzekering van de verzoekende partijen werden verricht, wel degelijk werden onderzocht en afgewogen tegen de bevindingen van de VZW LISEC, dat ook voldoende uit het besluit blijkt dat er wel degelijk onderzoek is gedaan naar het bestaan van een tweede bron van vervuiling op het perceel van de tussenkomende partijen en op het perceel van de consorten MEDATS-PETYT, maar dat er daar geen vervuilingsbronnen zijn gevonden, dat bijgevolg met alle onderzoeken rekening werd gehouden bij het nemen van het bestreden besluit en dat op voldoende wijze in feite en in rechte werd geantwoord op alle argumenten van de partijen in het beroep bij de verwerende partij; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord repliceren dat de tussenkomende partijen aanvoeren dat zij geen rechtsmiddelen zouden inbrengen tegen de bestreden beslissing, doch enkel "beweringen" en dat het niet de taak is van de Raad van State om een feitelijk onderzoek te voeren naar een tweede bron van vervuiling, dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring volgens hen nochtans duidelijk blijkt welke rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn en waarom dit zo is, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een overzicht geeft van de volledige procedure van bodemvervuiling tot bodemsanering, dat zij evenwel geenszins het middel tot nietigverklaring weerlegt, dat de verwerende partij erop wijst dat de gerechtelijke expertise volkomen losstaat van de bodemsaneringsproce- dure en dat het bodemsaneringsdecreet geen verplichting inhoudt om het deskundi- genonderzoek af te wachten, dat de verzoekende partijen dit ook niet hebben beweerd, dat het echter wel zo is dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht met zich meebrengen dat het eindverslag van de gerechtsdeskundi- ge moest worden afgewacht alvorens het beschrijvend bodemonderzoek als afgerond te beschouwen, dat het immers de opdracht van de gerechtsdeskundige is om de aard, de hoeveelheid, de concentratie en de oorsprong van de verontreiniging vast te stellen, en dat ze identiek is aan het doel van een beschrijvend bodemonderzoek, dat het beschrijvend bodemonderzoek dan wel tegensprekelijk mag zijn uitgevoerd, maar dat de resultaten ervan wel degelijk door de verzoekende partijen werden betwist, dat daarenboven ten tijde van de bestreden beslissing niet eens een voorverslag van de gerechtsdeskundige voorhanden was waarin door de deskundige een stelling werd ingenomen ten aanzien van de door de verzoekende partijen geuite VII-36.952-18/25 bezwaren, dat precies daarom het beschrijvend bodemonderzoek te vroeg conform werd verklaard, dat de conformverklaring immers is gebaseerd op een niet afgewerkt onderzoek, dat deze werkwijze niet met de plicht tot zorgvuldige feitenvinding strookt, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, dat bovendien de bestreden beslissing daardoor op motieven steunt die niet in feite en in rechte aanvaardbaar zijn, zodat ook de materiële motiveringsplicht is geschonden, dat de verwerende partij verder opwerpt dat de artikelen 10 en 14 van het bodemsanerings- decreet niet geschonden kunnen zijn, aangezien de verzoekende partijen gedurende de procedure van conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek hebben nagelaten vragen te stellen en opmerkingen te formuleren; dat de verzoekende partijen opmerken dat zij wel degelijk bij monde van hun experten opmerkingen op het verslag van de VZW LISEC hebben geformuleerd, meer bepaald op de conclusie dat er slechts één bron van vervuiling zou zijn, dat dit naar aanleiding van een bespreking van het verslag op 15 mei 2006 in het raam van het deskundig onderzoek is gebeurd, dat hun argumenten evenwel niet werden beantwoord, dat het daarenboven de taak van OVAM is om overeenkomstig artikel 14 van het bodemsaneringsdecreet autonoom aanvullende onderzoeksverrichtingen te bevelen, indien daartoe aanleiding bestaat, dat deze onderzoeksbevoegdheid geenszins afhankelijk is van vragen of opmerkingen van een van de betrokken partijen, dat te dezen de zorgvuldigheidsplicht tot aanvullende onderzoeksverrichtingen noopte, zoals aangetoond in het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat zij voorts stellen dat de tussenkomende partijen zonder meer aanvoeren dat aan de motiveringsplicht is voldaan en dat alle argumenten werden onderzocht en weerlegd in de bestreden beslissing, dat in het verzoekschrift tot nietigverklaring nochtans heel precies werd aangegeven waarom dit niet het geval is, dat de tussenkomende partijen hier evenwel niet op ingaan, dat de tussenkomende partijen ook wijzen op het tegensprekelijke karakter van het onderzoek door de VZW LISEC, dat de verzoekende partijen bij monde van hun experten wel degelijk opmerkingen hebben geformuleerd op de bevindingen van dit onderzoek, dat het dus niet juist is dat zij zich bij het verslag van de VZW LISEC hebben neergelegd, noch dat alle partijen het erover eens zouden zijn dat er geen tweede bron van vervuiling kan zijn, dat de uiteenzetting van de tussenkomende partijen over de verhouding tussen de twee bronnen van vervuiling door geen enkel stuk wordt gestaafd, dat dit enkel de onvolledigheid van het beschrijvend bodemonderzoek onderstreept en de noodzaak tot aanvullend onderzoek; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie stellen dat het verslag van ingenieur Walter HUYS in het raam van de procedure tot VII-36.952-19/25 nietigverklaring zeer relevant is, aangezien dit verslag de stelling van de verzoeken- de partijen nogmaals bevestigt, dat het bijkomend bewijs is dat de conclusies van de bestreden beslissing onterecht zijn en meer in het bijzonder in strijd met de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, dat het verslag van ingenieur Walter HUYS wel werd voorgelegd in het raam van het deskundigenonderzoek, dat OVAM eerst het resultaat van het deskundigenonderzoek diende af te wachten, zodat een uitspraak kon worden gedaan op basis van een volledig en genuanceerd dossier, nadat alle onduidelijkheden werden weggewerkt, dat het conformiteitsattest aan de wettelijke voorschriften ten tijde van het incident beantwoordde, dat van de verzoekende partijen toch bezwaarlijk meer kan worden gevraagd dan het voorleggen van het vereiste attest conform de op dat ogenblik geldende regelgeving, dat er daarnaast ook nog andere elementen zijn die wijzen op een tweede bron van vervuiling, dat de vraag naar een bijkomende bron van vervuiling relevant is voor de percelen van de verzoekende partijen, dat precies daarom ook nog bijkomend onderzoek werd verricht; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen het in hun verzoek- schrift hebben over "tal van stukken en gegevens (...) die wijzen op een vermoedelij- ke tweede bron van verontreiniging"; dat zij in hun administratief beroep hebben verwezen naar een verslag terzake van de NV ECOREM, dat volgende vaststel- lingen heeft vermeld : "- ouderdomsbepalingen toonden aan dat de verontreiniging in peilbuizen PB25 en PB30 zes à acht jaar oud was, de verontreiniging in de kern was slechts één jaar oud; - er werd een hogere concentratie aan minerale olie aangetroffen in een peilbuis (PB25) die verder van de verontreinigingskern gelokaliseerd was dan in peilbuizen die dichter tegen de kern gelegen zijn, en dit is niet volgens de verwachtingen voor het gedrag van een zich verspreidende olieverontreiniging; - de verspreidingssnelheid van de verontreiniging is te traag om op zulke korte termijn peilbuis PB25 te bereiken"; dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift melding maken van een "rapport opgesteld door ir. Walter Huys dd. 30.05.06"; dat dit evenwel een verslag betreft dat nooit werd voorgelegd aan OVAM of aan de verwerende partij, maar dat enkel naar aanleiding van overleg tussen de gerechtsdeskundige en de partijen in het privaatrechtelijke geschil aan bod is gekomen; dat de verwerende partij bijgevolg bezwaarlijk kan worden aangewreven dat zij niet heeft geantwoord op argumenten die niet werden ingeroepen; dat op de argumenten van de NV ECOREM, zoals door de verzoekende partijen overgenomen in hun administratief beroep, wel degelijk is VII-36.952-20/25 geantwoord; dat wat de ouderdomsbepaling betreft, de bestreden beslissing het volgende stelt : VII-36.952-21/25 "dat wat het verschil in de ouderdom van de verontreiniging betreft, dit kan verklaard worden doordat er plots een grote hoeveelheid stookolie in de bodem is terechtgekomen, zeker gelet op het feit dat BE-CON vermeldt dat er meerdere perforaties waren in de tank; dat de mazouttank van beroepers vermoedelijk reeds enkele jaren lekte (de oudste verontreiniging wordt op ongeveer 8 jaar - met een foutmarge van 2 tot 3 jaar - geschat), zodat de verontreiniging zich heeft kunnen verspreiden; dat in 2003 het lek groter kan geworden zijn, waardoor er bij de vulling van de tank in oktober 2003 een grote hoeveelheid minerale olie in de bodem is terecht gekomen; dat door deze piek de oudere bodemverontreiniging niet meer gemeten wordt t.h.v. PB1"; dat wat de hogere concentraties betreft in sommige peilbuizen verder weg van de stookolietank van de verzoekende partijen dan andere, dichterbijgelegen peilbuizen, de bestreden beslissing het volgende stelt : "Overwegende dat de lithologische verschillen ervoor kunnen gezorgd hebben dat de verontreiniging zich via preferentiële zones verplaatst heeft; dat de toename van de concentratie naarmate men verder van de verontreinigings- bron is verwijderd, kan verklaard worden door de geologische opbouw van de ondergrond; dat alle deskundigen het hiermee eens zijn mits er aangetoond wordt dat de tank T4 op perceel 93B geen tweede verontreinigingsbron is; dat de door AEOLUS geplaatste peilbuis dit aantoonde; dat op een diepte van ca 3 à 4 m-mv een grindlaag voorkomt; dat deze grindlaag veel meer doorlatend is dan leem, waaruit de meerderheid van de ondergrond is opgebouwd; dat de verontreiniging zich voornamelijk in deze laag zal verspreiden; dat deze grindlaag niet overal wordt aangetroffen en dus waarschijnlijk discontinu verloopt; dat waar de grindlaag overloopt in een minder doorlatende leemlaag er een ophoging van de verontreiniging kan ontstaan en zo een hogere concentratie van minerale olie; dat dit de aangetroffen concentraties op het perceel 93B, die hoger zijn dan op het perceel 94B dichter tegen de verontreini- gingskern, kan verklaren"; dat wat de verspreidingssnelheid van de verontreiniging betreft, het bestreden besluit het volgende stelt : "Overwegende dat de snelheid van de grondwaterverplaatsing louter geraamd is zonder metingen op het terrein zodat een grotere snelheid heel goed mogelijk is; dat de afstand die de verontreiniging over een periode van acht jaar gezien afgelegd zou hebben heel goed mogelijk is; dat de horizontale stromingssnelheid van het grondwater theoretisch werd bepaald; dat gelet op de geologische opbouw, meer bepaald de discontinue grindlaag, de effectieve grondwatersnelheid nog groter kan zijn; dat de verontreiniging zich vanaf perceel 95D dus zeker kan verspreid hebben tot op het perceel 93B"; dat, samenvattend, nog het volgende wordt gesteld : "Overwegende dat de verontreiniging afkomstig is van 1 bron, namelijk de tank op het perceel van beroepers; dat immers deze tank waarschijnlijk niet van de ene op de andere dag begon te lekken, maar dit een proces is dat jaren kan geduurd hebben en dit de verschillen in de ouderdom kan verklaren; dat de geologische opbouw van de ondergrond de toename van de concentratie naarmate men verder van de verontreinigingsbron is verwijderd, kan verklaren, alsook de afstand die de verontreiniging heeft afgelegd"; VII-36.952-22/25 Overwegende dat volgens de verzoekende partijen het conformi- teitsattest van de keuring op 19 juli 2002 bewijst dat hun stookolietank tot die datum niet heeft gelekt, zodat volgens hen de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk is; dat de bestreden beslissing hierover het volgende overweegt : "dat het tussentijds verslag AXTRON, opgesteld in opdracht van de beroepers, vermeldt dat op 19 juli 2003 de tank T1 werd gekeurd; dat dit gegeven wordt overgenomen in het beschrijvend bodemonderzoek LISEC, opgesteld in opdracht van de gerechtsdeskundige; dat hieromtrent verder geen gegevens beschikbaar zijn; dat niet wordt vermeld wat het resultaat van deze keuring was; dat geen dichtheidsattest wordt voorgelegd van de lekke tank T1 of van de andere tank T2 die op het terrein van de beroepers aanwezig is; dat over deze tank T2 zelfs geen enkel ander gegeven dan een weergave op de plannen in bijlage van de bodemonderzoeken wordt aangetroffen; dat het niet voldoende is dat in een bodemonderzoek gesteld wordt dat een tank gekeurd werd zonder dat hiervoor stavingsstukken worden voorgelegd; dat met dit gegeven dan ook geen rekening kan worden gehouden (...)"; dat de verzoekende partijen hier tegenoverstellen dat OVAM of de verwerende partij het conformiteitsattest hadden moeten opvragen in het kader van de bevoegdheid om aanvullende onderzoeksverrichtingen op te leggen overeenkomstig artikel 14, § 3, van het bodemsaneringsdecreet; dat de verzoekende partijen het conformiteitsattest bij hun annulatieberoep voorleggen; dat het attest vermeldt dat een visuele controle van de toebehoren, een controle van het overvulbeveiligingssysteem, een controle op de aanwezigheid van water en slib en een meting van het potentiaalverschil werden uitgevoerd; dat het onderzoek bij toepassing van het toenmalige artikel 6.5.7.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne is gebeurd; dat de vraag zich aandient of dit conformiteitsattest een sluitend bewijs levert dat de tank niet lek was vóór 19 juli 2002; dat bij besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende Vlaams reglement betreffende de bodemsanering aan de opgelegde controles een dichtheidsbeproeving werd toegevoegd aangezien de aanvankelijk voorziene controles geacht werden onvoldoende waarborgen te bieden; dat het dan ook niet mogelijk is om uit het conformiteitsattest met zekerheid te besluiten dat de tank tot aan de bedoelde controle niet heeft gelekt; dat zoals verder zal blijken deze kwestie weinig belang heeft; dat de bestreden beslissing ook stelt dat is onderzocht of de op de twee verontreinigde buurpercelen aanwezige stookolietanks hebben gelekt : VII-36.952-23/25 "Overwegende dat ter hoogte van de ondergrondse mazouttank T4 op het perceel 93B er in het vaste deel van de bodem immers geen verontreiniging werd vastgesteld en in het grondwater enkel een verontreiniging met minerale olie boven de achtergrondwaarden werd vastgesteld, niet boven de bodemsane- ringsnorm; dat ter hoogte van de ondergrondse mazouttank T3 op het perceel 94B in het bovenste deel van de bodem en vlak onder het onderste niveau van de tank geen verontreiniging werd vastgesteld; dat de verontreiniging in het vaste deel van de bodem zich situeert ter hoogte van de fluctuatiezone van het grondwater; dat deze vaststellingen voldoende aantonen dat er geen aanwij- zingen zijn dat de tanks op de percelen 93B en 94B bodemverontreiniging hebben veroorzaakt; dat het duidelijk is dat het perceel 95D het bronperceel is en de percelen 93B en 94B de verspreidingspercelen (...)"; dat de vraag of de vastgestelde oudere verontreiniging al dan niet afkomstig is van de stookolietank van de verzoekende partijen, evenmin weinig belang heeft; dat uit het citaat hiervoor van de bestreden beslissing blijkt dat de verontreiniging op het perceel van de tussenkomende partijen beneden de saneringsnormen blijft; dat zelfs indien ooit zou kunnen worden aangetoond dat de verontreiniging niet afkomstig is van de stookolietank van de verzoekende partijen, deze verontreiniging op zich geen aanleiding zou geven tot bodemsanering, en dus ook niet tot de aanwijzing van een andere saneringsplichtige; dat uit de bestreden beslissing bijgevolg blijkt dat op de betrokken percelen geen andere bodemverontreiniging die tot sanering aanleiding geeft werd vastgesteld, dan deze die werd veroorzaakt door het overvullen van en het lek in de stookolietank van de verzoekende partijen; dat bij afwezigheid van een andere dergelijke verontreiniging er vanzelfsprekend ook geen tweede sanerings- plichtige kan worden aangewezen; dat de bestreden beslissing erkent dat de aanwijzingen die de verzoekende partijen in hun administratief beroep hebben gegeven voor de aanwezigheid van een verontreiniging van vóór de gebeurtenissen van 2003 inderdaad op dergelijke oudere verontreiniging wijzen; dat het bestreden besluit evenwel een aannemelijke verklaring geeft die deze verontreiniging kan toeschrijven aan het lek in de tank van de verzoekende partijen, terwijl tegelijk wordt aangegeven dat bij de op de buurpercelen aanwezige tanks geen verontreini- ging werd vastgesteld; dat de verzoekende partijen deze beoordeling en de motivering ervan niet weerleggen, en evenmin aannemelijk maken dat er onvoldoen- de gegevens voorhanden waren om het beschrijvend bodemonderzoek conform te verklaren; dat het enige middel niet gegrond is, VII-36.952-24/25 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.952-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div