← België

Arrest 195154 - Milieuvergunningen - 09/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.154 Rolnummer: A. 180233/VII-36855 Zaak: Arrest 195154 - Milieuvergunningen - 09/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:24 Fiche Arrest nr 195.154 van 9 juli 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 195.154 van 9 juli 2009 in de zaak A. 180.é/VII-36.855. In zake : 1. Georges VANKEUNEBROUCK, 2. Gisèle VAN OVERMEEREN, 3. Mireille VERROKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat L. OCKIER, kantoor houdende te KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : de NV HANNECARD, die woonplaats kiest bij advocaat S. BEELE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 26 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges VANKEUNEBROUCK, Gisèle VAN OVERMEEREN en Mireille VERROKEN op 13 januari 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 november 2006 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006, houdende wijziging van de vergunningsvoorwaarden opgelegd aan de NV HANNETHANE, gelegen aan de Ninoofsesteenweg 589 te Ronse, onontvankelijk wordt verklaard, en 2. de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006, houdende wijziging van de vergunningsvoorwaarden opgelegd aan de NV HANNETHANE, gelegen aan de Ninoofsesteenweg 589 te Ronse; VII-36.855-1/15 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 augustus 2007 ingediend door de NV HANNECARD, voorheen de NV HANNETHANE; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 die de tussenkomst van de NV HANNECARD toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. ROGGE die, loco advocaat L. OCKIER verschijnt voor de verzoekende partijen, van jurist Chr. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. SPRIET die, loco advocaat S. BEELE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partij exploiteert een kunststofverwerkend bedrijf gelegen aan de Ninoofsesteenweg te Ronse. VII-36.855-2/15 Op 15 mei 2006 vraagt zij een wijziging van de vergunningsvoor- waarden in de lopende milieuvergunning. Zij vraagt om het opgelegde en nooit gerealiseerde groenscherm aan de oostzijde te schrappen, en om aan de straatkant oostelijk een opening van 5 meter in het groenscherm toe te laten als doorgang voor de brandweer. 1.2. Op 21 augustus 2006 wijzigt het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse de vergunningsvoorwaarden zoals gevraagd. Dit is de tweede bestreden beslissing. De beslissing wordt bekendgemaakt door aanplakking van 30 augustus 2006 tot 28 september 2006. Op het aangeplakt formulier wordt vermeld dat de uiterste datum voor het indienen van een beroep 28 september 2006 is. Op 19 september 2006 wordt een administratief beroep ingediend door enkele buurtbewoners en eigenaars van woningen in de buurt, waaronder de huidige verzoekende partijen. 1.3. De volgende adviezen worden verleend : (

  1. a)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
  2. b)het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert gunstig; (
  3. c)de provinciale milieudeskundige adviseert het beroep onontvankelijk te verklaren, omdat artikel 54 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning (hierna : Vlarem I) bepaalt dat het beroep moet worden ingediend binnen 10 dagen nadat tot aanplakking van de bekendmaking is overgegaan; (
  4. d)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert eveneens het beroep onontvankelijk te verklaren. 1.4. Op 9 november 2006 wordt het (eerste) thans bestreden besluit genomen : het beroep wordt als volgt onontvankelijk bevonden : "Overwegende dat m.b.t. de ontvankelijkheid van het beroep het volgende kan gesteld worden: Het beroep werd verstuurd op 19 september 2006 (datum postzegel). Het Collegebesluit van 21 augustus 2006 werd bekendgemaakt van 30 augustus 2006 tot en met 28 september 2006 (data attest van aanplakking). Krachtens artikel 54, §§ 1 en 2 van Vlarem I moeten de in artikel 49, §1, 4/ van Vlarem I vermelde personen het beroep tegen een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van Vlarem I in eerste aanleg werden gewijzigd of aangevuld, aantekenen bij de Deputatie binnen de 10 kalenderdagen na de dag dat tot de in artikel 31 van Vlarem I bedoelde aanplakking van de bekendmaking is overgegaan. VII-36.855-3/15 Derhalve werd het beroep laattijdig aangetekend en moet het om die reden onontvankelijk worden verklaard. Ter zake kan verwezen worden naar het arrest nr. 64.267 van de Raad van State van 30 januari 1997 waarin de stelling van de verzoekster wordt bevestigd dat de onjuiste vermelding van de uiterste datum voor het indienen van het beroep op het bekendmakingsformulier geen onoverkomelijke rechtsdwaling teweegbrengt omdat op het formulier de mogelijkheid van beroep tegen de bekendgemaakte beslissing bij de Deputatie 'overeenkomstig de bepalingen van het algemeen reglement betreffende de milieuvergunning' vermeld is en dat met die gegevens het voor de beroepers, handelend als voorzichtige en bedachtza- mer personen, mogelijk en zeker niet onoverkomelijk is te weten dat de beroepstermijn overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I tien dagen bedraagt"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. De tijdigheid van het annulatieberoep 2.1.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie stelt dat uit het inleidende verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen op 13 november 2006 in kennis werden gesteld van de beslissing van de verwerende partij van 9 november 2006 over hun beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006, dat aangezien de verzoekende partijen beroep instelden bij de Raad van State, zij gehouden waren om dit te doen binnen de 60 dagen, dat overeenkomstig artikel 88 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtsple- ging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn er niet wordt inbegrepen, dat dit betekent dat de termijn van 60 dagen begint te lopen de dag volgende op de dag waarop de beslissing werd betekend aan de verzoekende partijen, dat dit in concreto impliceert dat de termijn begon te lopen op 14 november 2006, dat de laatste dag wel is inbegrepen in de termijn van 60 dagen, dat zodoende 12 januari 2007 de laatst mogelijke dag was waarop de verzoekende partijen tijdig beroep konden instellen bij de Raad van State, dat bij de lezing van zowel het verzoekschrift van de verzoekende partijen als hun memorie van wederantwoord eventueel zou moeten blijken dat het annulatieberoep werd ingesteld op de laatst nuttige dag, zijnde 12 januari 2007, dat uit de beschikking van 31 augustus 2007 echter blijkt dat het inleidende verzoekschrift tot annulatie niet op 12 januari 2007, maar pas op 13 januari 2007 door de verzoekende partijen werd neergelegd, dat zodoende het verzoekschrift tot annulatie niet tijdig werd neergelegd en de Raad van State het beroep in hoofde van de verzoekende partijen onontvankelijk moet verklaren; VII-36.855-4/15 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij van het bestaan van de (eerste) bestreden beslissing op de hoogte zijn gesteld middels een aangetekend schrijven vanwege de griffie van de verwerende partij op datum van 13 november 2006, dat het verzoekschrift aldus tijdig wordt ingediend; 2.1.3. Overwegende dat de aangetekende zending waarbij de bestreden beslissing aan derde verzoekster, dit is de contactpersoon voor alle indieners van het administratief beroep, werd verzonden, op 14 november 2006 aan de Post werd afgegeven; dat zij ten vroegste op 15 november 2006 aan de bestemmeling kan zijn uitgereikt, zodat de termijn voor het indienen van het annulatieberoep ten vroegste op 16 november 2006 kon ingaan, en ten vroegste op 14 januari 2007 kon verstrijken; dat het op 13 januari 2007 verzonden annulatieberoep bijgevolg tijdig is ingediend; 2.2. Het belang van de verzoekende partijen 2.2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie met betrekking tot het belang van de verzoekende partijen opwerpt dat de wijziging van de voorwaarden zoals aangevraagd door de tussenkomende partij enkel de afschaffing van een groenscherm aan de oostzijde van haar eigendom betreft, dat aangezien er zich aldaar nog enkele woningen bevinden die volledig omringd zijn door industrie, de verwerende partij in 1992 oordeelde dat een groenscherm de visuele hinder op een aanvaardbaar niveau zou brengen, dat hoewel dit niet in het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) "Klein Frankrijk" was bepaald, de verwerende partij deze voorwaarden toch instelde omdat er enkele klachten waren tijdens het openbaar onderzoek betreffende visuele hinder, dat het groenscherm geografisch enkel van belang zou kunnen zijn voor de woningen dewelke vlak naast de gronden van de tussenkomende partij zijn gelegen, dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring blijkt dat derde verzoekster niet op de Ninoofsesteenweg woont maar wel in de Politiekegevangenenstraat te Ronse, dat bij nazicht blijkt dat de afstand tussen de woonplaats van derde verzoekster en de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij 4,41 km bedraagt, dat derde verzoekster dan ook geen visuele hinder kan hebben temeer omdat haar woning ten westen van de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij ligt en het initieel voorzien was dat het groenscherm enkel aan de oostzijde en straatzijde van het bedrijfsterrein zou komen, dat derde verzoekster dan ook geen enkel belang heeft bij de schrapping van de voorwaarde van het groenscherm aan de oostzijde van de bedrijfsterreinen van de tussenkomende partij, dat het feit dat derde verzoekster blote eigenaar zou zijn van het perceel VII-36.855-5/15 gelegen aan de Ninoofsesteenweg 603 niets afdoet aan de afwezigheid van enig belang in haren hoofde, dat ook de woning van tweede verzoekster te ver ligt van de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij om op enige wijze onaanvaardbare visuele hinder te ondervinden bij de afwezigheid van het groenscherm, dat tussen haar woning en de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij vier woningen liggen zodat elke overmatige visuele hinder dan ook is uitgesloten, dat enkel wanneer tweede verzoekster zich op het einde van haar tuin positioneert en langs de perceelsgrens naar rechts kijkt, zij de gebouwen van de tussenkomende partij kan zien staan, dat de gebouwen van de NV INTERSTOCK veel dichter bij haar woning staan dan deze van de tussenkomende partij, dat de grens van de normale visuele hinder dan ook niet wordt overschreden, dat de woning van eerste verzoeker niet paalt aan de bedrijfsterreinen van de tussenkomende partij, dat zijn woning op ongeveer 50 meter van de site van de tussenkomende partij ligt, dat eerste verzoeker dus niet uitkijkt op de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij maar wel op de woning met nummer 595, dat ook hij in zijn tuin moet staan teneinde de gebouwen van de tussenkomende partij te zien staan, dat het beste bewijs dat er voor hem geen sprake is van overmatige visuele hinder blijkt uit het feit dat de buurman, eigenaar van de woning nummer 595 dewelke wel aan de grond van de tussen- komende partij grenst, niet als verzoekende partij in deze procedure optreedt, dat mocht er sprake zijn van enige abnormale hinder, hij zeker was opgetreden als verzoekende partij, dat de verkoopscompromis van 23 maart 2005 tussen de tussenkomende partij en de eigenaars van de woning nummer 595 hieraan geen enkele afbreuk doet, temeer daar deze partijen overeenkwamen dit compromis te laten vervallen, dat geen van de drie verzoekende partijen enig rechtmatig belang heeft om de afschaffing van het groenscherm te verhinderen gezien de positie van hun woning/woonplaats ten overstaan van de site van de tussenkomende partij, dat de afwezigheid van enig belang in hoofde van de verzoekende partijen ook eens te meer blijkt uit het feit dat bij de toekenning van 29 januari 2001 van een milieuver- gunning klasse 2 voor het verder exploiteren en wijzigen van het bedrijf voor het bekleden van rollen met polyurethaan, er tijdens het openbaar onderzoek geen enkel bezwaar werd ingediend, niettegenstaande in voornoemde nieuwe milieuvergunning er geen enkele melding werd gemaakt van de aanleg van een groenscherm aan de oostzijde van de gronden van de tussenkomende partij, dat het dan ook niet opgaat om vijf jaar later plotseling wel weer te willen opteren voor zo'n groenscherm op het ogenblik dat de tussenkomende partij een aanvraag indient om dit groenscherm langs de oostzijde af te schaffen, temeer omdat de naaste buur van de tussenkomende partij zelf ten tijde van de aanvraag van 15 mei 2006 stelde geen groenscherm te VII-36.855-6/15 willen, terwijl het juist die buur is die de meeste visuele hinder zou moeten ondervinden van de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift met betrekking tot hun belang stellen dat eerste verzoeker eigenaar en bewoner is op de nummers 597 en 599 aan de Ninoofsesteenweg te Ronse, dat tweede verzoekster de woning met het nummer 603 bewoont, waarbij zij over het vruchtgebruik als langstlevende echtgenote beschikt, dat derde verzoekster sedert het overlijden van haar vader, blote eigenaar is van het perceel nummer 603 van de Ninoofsesteenweg, dat de verzoekende partijen aldus allen woonachtig of eigenaar zijn van een eigendom in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf van de tussenkomende partij, binnen een straal van 100 meter van de onderneming, dat aldus de verzoekende partijen "d'office" als belanghebbenden zijn aan te duiden bij de bestreden beslissingen en de uitwerking ervan op de onmiddellijke omgeving, dat een groenscherm van 5 meter breedte over een lengte van ongeveer 100 meter langsheen de zijde van de eigendommen van de verzoekende partijen tot doel heeft als een soort van buffer te fungeren naar de onmiddellijke omgeving, alsook om de visuele hinder ten aanzien van de buurt te beperken, dat dit ten andere de redenen waren waarom de initiële milieuvergunning van 29 oktober 1992 in de bijzondere voorwaarde tot het aanbrengen aan de oostzijde van het bedrijf van een permanent groenscherm voorzag, dat het tot de vaste rechtspraak van de Raad van State behoort dat in principe iedere persoon belang heeft bij de ruimtelijke ordening en de leefomgeving van zijn wijk of buurt, dat naast de vereiste procesbevoegdheid de verzoekende partijen aldus duidelijk beschikken over het rechtens vereiste persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang om tegen de bestreden beslissingen middels een annulatieverzoek op te komen; 2.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog stelt dat er pas sprake is van een belang indien dit persoonlijk, direct, actueel, zeker en wettig is, dat de eerste twee verzoekende partijen geen rechtstreeks zicht hebben op het bestaande bedrijfsgebouw van de tussenkomende partij, dat beide verzoekende partijen op het einde van hun tuin moeten staan om enig zicht te krijgen op die gebouwen, dat de Raad van State in het verleden hieromtrent reeds een duidelijk standpunt heeft ingenomen en heeft geoordeeld dat wanneer men geen rechtstreeks zicht heeft, men geen voldoende belang heeft en de facto een actio popularis instelt; dat de tussenkomende partij hiervoor verwijst naar en citeert uit het arrest van de Raad van State nr. 109.151 van 11 juli 2002; dat zij voorts toevoegt dat teneinde te oordelen over het belang, enkel de bestreden beslissing in aanmerking VII-36.855-7/15 kan worden genomen, dat er immers pas sprake is van een direct belang indien er een direct causaal verband bestaat tussen het beweerde nadeel en de bestreden beslissing, terwijl men het belang niet kan beoordelen op basis van een bouwvergun- ningsaanvraag waaromtrent een andere procedure voor de Raad van State hangende is, dat de Raad van State te dezen enkel het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij kan beoordelen rekening houdend met de onderhavige procedure en de te dezen bestreden beslissing, dat het belang in hoofde van de verzoekende partijen zeker moet zijn terwijl een potentieel belang niet volstaat, dat de uitbreiding van de gebouwen van de tussenkomende partij op heden nog niet zeker is, dat afhankelijk van het arrest van de Raad van State in de zaak A. 183.981/X-12.328, de tussen-komende partij haar gebouwen al dan niet zal kunnen uitbreiden, dat ook nergens blijkt dat het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij wettig is, dat uit de motivatie van de tweede bestreden beslissing blijkt dat de reeds verleende bouwvergunningen geen groenscherm opleggen langs de oostelijke zijde en dat bovendien het BPA "Klein Frankrijk" enkel een zijdelingse bouwvrije strook van 4,5 meter voorschrijft, dat de verzoekende partijen dan ook in strijd met de bestaande stedenbouwkundige voorschriften handelen door een groenscherm te eisen, dat ook in overweging moet worden genomen dat de woningen van de eerste en de tweede verzoekende partij volledig in de industriezone liggen en dergelijke bedrijfsgebouwen zoals deze van de tussenkomende partij passen in het straatbeeld, rekening houdend met de bestemming van de gronden, dat de verzoekende partijen niet ingaan op het feit dat er zowel een objectief als subjectief aspect is bij de beoordeling van het belang, dat er niet alleen sprake moet zijn van benadeling ingevolge een administratieve beslissing maar dat de verzoekende partijen zich ook benadeeld moeten voelen, dat dit subjectief aspect echter niet aanwezig blijkt nu de toenmalige dichtste buur destijds zelf gevraagd heeft om het groenscherm niet aan te leggen, dat ook de huidige eigenaar dat groenscherm niet wenst, dat wanneer ook nog blijkt dat de eerste en de tweede verzoekende partij tijdens de milieuvergun- ningsaanvraag geen klachten hebben ingediend ingevolge het ontbreken van dit groenscherm, men op zich niet kan beweren zich benadeeld te voelen, dat zelfs indien zou blijken dat derde verzoekster op een of andere wijze een zakelijk recht heeft op een van die woningen, zij een actio popularis instelt nu zij zelf op 4,5 km van de bedrijfsgebouwen van de tussenkomende partij woont en dus niet kan beweren enig persoonlijk belang te hebben, dat het schrappen van de voorwaarde van het groenscherm immers op geen enkele wijze enige impact zal hebben op haar beweerde eigendomsrechten, dat zelfs indien de Raad van State de mogelijke uitbreidingsplannen in rekening zou brengen, dit geen enkel nadeel kan toebrengen aan derde verzoekster nu haar woning nu al omringd is door industriegebouwen, dat VII-36.855-8/15 een actio popularis tot onontvankelijkheid leidt bij gebrek aan een rechtstreeks en persoonlijk belang; 2.2.4. Overwegende dat uit het dossier blijkt dat het bedrijfsgebouw zich veel dieper achter de straat uitstrekt dan de nabije woningen, en dat de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden bovendien verband houdt met uitbrei- dingsplannen, waarbij de bedrijfsgebouwen zouden worden uitgebreid zowel richting naburige woningen als naar achter; dat uit de stukken die de verzoekende partijen voorleggen blijkt dat een groenscherm voor de eerste twee verzoekende partijen wel degelijk een impact heeft op het zicht dat zij hebben op de inrichting; dat de grootte van die impact tot de grond van de zaak hoort; dat derde verzoekster bewijst dat zij eigenaar is van de woning van tweede verzoekster; dat er dan ook geen reden is om haar aanspraak te betwijfelen; dat zij als eigenaar belang heeft bij haar annulatieberoep; dat het feit dat de verzoekende partijen in het verleden mogelijkheden om bezwaren te laten gelden zouden hebben laten liggen, hen niet het belang bij huidig annulatieberoep ontneemt; dat de exceptie wordt verworpen; 2.3. De ontvankelijkheid van het beroep tegen het tweede bestreden besluit 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift stellen dat zij in eerste orde de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen aanvechten, dit is de beslissing die in laatste aanleg op administra- tief niveau is genomen over de door de tussenkomende partij aangevraagde wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden, dat, in bijkomende orde en tegelijkertijd, het annulatieberoep zich eveneens richt tot het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006 dat de gevraagde wijziging heeft toegestaan, dat de reden hiertoe is gelegen in het feit dat de verwerende partij het beroep van de verzoekende partijen als onontvankelijk heeft afgewezen, en zich bijgevolg niet over de grond van de zaak heeft uitgesproken, dat de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij evenwel in laatste aanleg is behandeld zodat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse de enige beslissing is die van deze aanvraag het gevolg is, dat ingevolge de beslissing van de verwerende partij over het onontvankelijk verklaren van het beroep van de verzoekende partijen, de door het college van burgemeester en schepenen afgeleverde vergunning voor wijziging van de opgelegde voorwaarden niet uit de rechtsorde is verdwenen, dat bijgevolg in voorliggend geval beide bestreden beslissingen als onderdeel van een complexe administratieve rechtshande- ling moeten worden aanzien, welke als onderscheiden administratieve akten hebben VII-36.855-9/15 bijgedragen tot het bestaan van een definitieve beslissing aangaande de uitbatings- voorwaarden in hoofde van de tussenkomende partij, dat de verzoekende partijen ten aanzien van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen gebruik hebben gemaakt van het georganiseerd administratief beroep ertegen, waarover is beslist, zodat de voorwaarde van uitputting van de beroepsmogelijkheden tot in de laatste aanleg is gerespecteerd, dat de verzoekende partijen belang bij hebben om met betrekking tot beide betrokken administratieve beslissingen de rechtsgeldigheid ervan voor de Raad van State aan te vechten; 2.3.2. Overwegende dat het annulatieberoep dat gericht is tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over de wijziging van de vergunningsvoorwaarden als niet ontvankelijk wordt verworpen; dat in dezen het (tweede) bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006 een in eerste aanleg genomen beslissing is over de wijziging van de vergun- ningsvoorwaarden; dat die beslissing geen in laatste aanleg genomen beslissing is omdat tegen dat besluit een georganiseerd administratief beroep openstond, dat trouwens is aangewend en beëindigd werd met het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 november 2006; dat het annulatieberoep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006 bijgevolg niet ontvankelijk is en moet worden verworpen; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, van de artikelen 23, § 1, en 26, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 31, § 2, c, samengevoegd met de artikelen 36, 5/, en 45, § 4, 3/, van Vlarem I, van de artikelen 54, §1, en 54, §4, 1/, samengevoegd met artikel 50, 1/, a en c, van Vlarem I, van artikel 50, 3/, b, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen (hierna : motiveringswet), van "het algemeen rechtsbeginsel dat aan elke overheid de plicht oplegt zijn beslissingen formeel en materieel te motiveren", van het zorgvuldigheidsbeginsel, het consistentiebeginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, alsook van machtsoverschrijding; Overwegende dat de verzoekende partijen uiteenzetten dat uit het (eerste) bestreden besluit blijkt dat de beroepen beslissing van het college van VII-36.855-10/15 burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006 is bekendge- maakt middels aanplakking tijdens de periode van 30 augustus 2006 tot en met 28 september 2006, dat het college van burgemeester en schepenen in de bekendma- king aangeeft dat de termijn om beroep aan te tekenen bij de verwerende partij op 28 september 2006 verloopt, dat omdat het een wijziging van de geldende vergunningsvoorwaarden betreft, volgens de verwerende partij artikel 54, § 1, en § 2, van Vlarem I van toepassing is, en het beroep bij haar binnen tien kalenderda- gen na de dag dat tot de in artikel 31 van Vlarem I bedoelde aanplakking van de bekendmaking is overgegaan, dient te worden ingediend, dat het door de verzoeken- de partijen ingestelde beroep aldus laattijdig zou zijn aangetekend en om die reden onontvan-kelijk wordt verklaard, dat aangaande de onjuiste vermelding van de uiterste datum voor het indienen van het beroep op het bekendmakingsformulier, de verwerende partij van oordeel is dat deze geen onoverkomelijke rechtsdwaling zou hebben teweeggebracht, omdat op het formulier de mogelijkheid van beroep tegen de bekendgemaakte beslissing bij de verwerende partij "overeenkomstig de bepalingen van het algemeen reglement betreffende de milieuvergunning" is vermeld en dat met die gegevens het voor de beroepers, handelend als voorzichtige en bedachtzame personen, mogelijk en zeker niet onoverkomelijk zou zijn geweest om te weten dat de beroepstermijn overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I tien dagen bedroeg, dat door de verwerende partij in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 64.267 van 30 januari 1997; Overwegende dat het eerste middel in vijf onderdelen uiteenvalt; dat de verzoekende partijen in het derde onderdeel aanvoeren dat de verwerende partij middels de door haar verleende bestreden beslissing de beroepsmogelijkheden van de verzoekende partijen, zoals principieel voorzien door artikel 26, § 1, van het milieuvergunningsdecreet, volledig heeft uitgehold, dat het fundamenteel recht op beroep in al zijn aspecten moet kunnen worden uitgeoefend, dat van alle instanties die bij de tot stand te komen eindbeslissing zijn betrokken, rechtmatig mag worden verwacht dat zij als dusdanig handelen dat de rechten van ieder van de bij de beslissing betrokken partijen worden gevrijwaard en kunnen worden uitgeoefend op de wijze zoals door de toepasselijke regelgeving voorzien, dat de motivering vanwege de verwerende partij dat van een onoverkomelijke rechtsdwaling geen sprake zou kunnen zijn, en dat de verzoekende partijen als voorzichtige en bedachtzame personen te dezen zouden hebben moeten weten dat de beroepstermijn slechts tien dagen bedraagt, niet overtuigt en niet kan worden gevolgd, dat de verzoekende partijen er immers in het licht van artikel 31, § 2, c, van Vlarem I VII-36.855-11/15 rechtsgeldig en rechtmatig mochten van uitgaan dat de aangegeven termijn om beroep in te stellen juist en aanwendbaar was, dat door het beroep van de verzoeken- de partijen eerst ontvankelijk, doch uiteindelijk onontvankelijk te verklaren, alhoewel het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse expliciet heeft aangegeven dat tot 28 september 2006 beroep kon worden aangetekend, de verwerende partij dit fundamenteel recht op beroep, zoals onder meer gevestigd in artikel 26, § 1, van het milieuvergunningsdecreet, in hoofde van de verzoekende partijen geheel heeft miskend, en dat de door haar genomen beslissing aldus door algehele nietigheid is aangetast; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat zij het recht op beroep in hoofde van de verzoekende partijen niet heeft miskend, dat het haar immers niet kan worden verweten dat het beroep laattijdig werd ingediend, dat zij dit enkel kon vaststellen en dat zelfs indien zij dit onmiddellijk zou hebben vastgesteld, dit geen enkel verschil zou hebben uitgemaakt; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord repliceren dat het fundamenteel recht op beroep in al zijn aspecten moet kunnen worden uitgeoefend, en dat van alle instanties die bij de tot stand te komen eindbeslissing zijn betrokken, rechtmatig mag worden verwacht dat zij als dusdanig handelen dat de rechten van ieder van de betrokken partijen worden gevrijwaard en kunnen worden uitgeoefend op de wijze zoals door de toepasselijke regelgeving voorzien, dat artikel 31, § 2, 1/, c, van Vlarem I uitdrukkelijk voorziet dat de termijn tot en met welke dag beroep kan worden ingesteld, moet worden medegedeeld, dat de verzoekende partijen er aldus in het licht van deze bepaling rechtsgeldig en rechtmatig mochten van uitgaan dat de aangegeven termijn om beroep in te stellen juist en aanwendbaar was, dat wanneer in het bestreden besluit wordt gesteld dat de verwijzing naar de toepasselijkheid van de Vlarem I-reglementering voldoende was, er evenwel compleet abstractie wordt gemaakt van de verplichting voortvloeiende uit artikel 31, § 2, 1/, c, van Vlarem I, op grond waarvan de verzoekende partijen zich aan de hand van de kenbaar gemaakte termijn in beroep hebben voorzien, dat de verwerende partij dit tijdens haar beoordeling van het beroep niet mee in overweging heeft genomen, dat de motivering vanwege de verwerende partij dat van een onoverkomelijke rechtsdwaling geen sprake zou kunnen zijn, en de verzoekende partijen als voorzichtige en bedachtzame personen te dezen zouden hebben moeten weten dat de beroepstermijn slechts tien dagen bedraagt, dan ook niet kan worden gevolgd, dat door het beroep van de verzoekende partijen eerst ontvankelijk, doch uiteindelijk VII-36.855-12/15 onontvankelijk te verklaren, alhoewel het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse expliciet heeft aangegeven dat tot 28 september 2006 beroep kon worden aangetekend, de verwerende partij met haar beslissing dit fundamenteel recht op beroep, zoals onder meer bepaald in artikel 26, § 1, van het milieuvergunningsdecreet, in hoofde van de verzoekende partijen wel degelijk geheel heeft miskend; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie doet gelden dat de verzoekende partijen onterecht stellen dat de beroepsmogelijkheden zoals voorzien in artikel 26, § 1, van het milieuvergunningsdecreet zijn uitgehold door de verwerende partij, dat door het feit dat de verwerende partij bij haar prima facie-onderzoek het beroep ontvankelijk heeft verklaard, dit tot gevolg heeft gehad dat alle adviesorganen die in zo'n procedure hun standpunt dienen mede te delen, dit ook effectief hebben gedaan, dat indien er reeds sprake was van onontvankelijkheid bij het prima facie-onderzoek, geen enkel van die adviesinstanties enig advies had kunnen geven, dat doordat alle adviesinstanties hun oordeel hebben kunnen vormen, er met zekerheid kan worden gesteld dat de procedure inzake beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse op een wettige wijze is gebeurd en dat van enige uitholling geen sprake is, dat de beroepsprocedure dan ook in al zijn aspecten is uitgevoerd conform de regels terzake, dat de rechten van iedere betrokken partij dan ook werden gevrijwaard, dat van enige miskenning van het fundamenteel recht op hoger beroep dan ook geen sprake is, laat staan dat de beslissing van de verwerende partij zou zijn aangetast door algehele nietigheid, dat zoals de Raad van State reeds meermaals heeft geoordeeld, de verzoekende partijen Vlarem I dienden toe te passen, dat indien men de wetgeving erop had nagezien, zoals een normaal voorzichtig en vooruitziend persoon doet, minstens wordt geacht te doen, zij geweten hadden dat zij binnen tien dagen beroep moesten aantekenen in plaats van binnen 30 dagen; 3.5. Overwegende dat artikel 26 van het milieuvergunningsdecreet ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "§1. Tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, kan beroep worden ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepschrift. (...) §3. Het beroep bedoeld in dit artikel kan worden ingediend door de personen, vermeld in artikel 24, §1, binnen de 10 dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing. Dat beroep schorst deze beslissing. VII-36.855-13/15 §4. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld"; dat artikel 54 van Vlarem I het volgende bepaalt : "§1. Tegen een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 werden gewijzigd of aangevuld, kan beroep worden aangetekend bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad, door de personen en instanties vermeld in artikel 49, §1. (...) §2. Het in §1 bedoelde beroep dient bij de bevoegde overheid ingediend bij ter post aangetekend schrijven binnen een termijn van tien kalenderdagen: (...) 4/ voor de in artikel 49, §1, 4/ vermelde personen, na de dag dat tot de in artikel 31 bedoelde aanplakking van de bekendmaking is overgegaan (...)"; dat indien de bekendmaking bestaat uit de aanplakking gedurende een bepaalde termijn, die bekendmaking niet volledig is geschied zolang die termijn niet is verstreken; dat de beroepstermijn in dat geval ingaat na het verstrijken van die termijn; dat de verwerende partij zich blijkbaar heeft gebaseerd op de formulering van artikel 54, § 2, 4/,van Vlarem I, om aan te nemen dat de termijn, in dit specifieke geval, begint te lopen de dag na de aanvang van de aanplakkingstermijn; dat zelfs indien dit zo zou zijn bedoeld door Vlarem I, moet worden vastgesteld dat dit onverenigbaar is met de termijn bepaald in artikel 26 van het milieuvergunningsdecreet, zodat deze kortere termijn als onwettig buiten toepassing moet worden gelaten bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet; dat de verzoekende partijen te dezen tijd hadden tot 8 oktober 2006 om een administratief beroep in te dienen; dat hun op 19 september 2006 ingediende administratief beroep dan ook tijdig en in dat opzicht ontvankelijk was; dat door anders te beslissen, de verwerende partij artikel 26 van het milieuvergunningsdecreet heeft geschonden; dat het derde onderdeel van het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 november 2006 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse van 21 augustus 2006, houdende wijziging van de vergunningsvoorwaarden opgelegd aan de NV HANNETHANE, gelegen aan de Ninoofsesteenweg 589 te Ronse, onontvankelijk wordt verklaard. VII-36.855-14/15 Artikel 2. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.855-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.