← België

Arrest 195155 - Milieuvergunningen - 09/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:A

§2

van VLAREM II de exploitant steeds de best beschikbare technieken dient toe te passen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelings- methodes op niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen; Gelet op de BBT-EMIS-studie Textielveredeling'"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst de geschiedenis van de betreffende vergunningsvoorwaarde, te beginnen bij de totstandkoming, schetst; dat zij vervolgens stelt dat bij besluit van 16 januari 2003 een uitstel werd toegestaan tot 1 januari 2004, dat daarna bij besluit van 15 april 2004 een tweede uitstel werd toegestaan, met name tot 1 oktober 2004, dat met het verzoek tot wijziging van de exploitatievoorwaarden dat aanleiding gaf tot de bestreden beslissing, de exploitant de termijn om aan de BBT (Beste Beschikbare Technieken)-normen te voldoen wenste te verlengen tot 31 december 2010, dat dit werd geweigerd, dat in de bestreden beslissing nochtans, voor de zoveelste keer, een tegemoetkoming werd gedaan en de termijn waarop de BBT-normen van kracht werden, werd verschoven tot 1 april 2007; Overwegende dat de verwerende partij uit wat voorgaat een exceptie afleidt; dat zij stelt dat het vaste rechtspraak van de Raad van State is dat de vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij enig voordeel VII-36.968-5/18 moet verschaffen, dat met de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing de exploitant in een toestand zou komen waarin het niet-voldoen aan de BBT-lozingsnormen reeds zou ingaan vanaf 1 oktober 2004, dat terwijl met de bestreden beslissing de termijn om aan de BBT-normen te voldoen werd verlengd tot 1 april 2007, dat de nadelige gevolgen die de exploitant van de bestreden beslissing ondervindt, door een vernietiging dus niet ongedaan worden gemaakt, wel integendeel, dat uit de vergunningshistoriek duidelijk blijkt dat de exploitant het voldoen aan de haar opgelegde lozingsnormen steeds weer op de lange baan schuift, dat ondertussen ongehinderd afvalwater wordt geloosd dat nog steeds niet voldoet aan de BBT-normen, dat in die optiek dient gesteld dat de exploitant minstens vanaf 1 oktober 2004 in overtreding met de haar opgelegde lozingsnormen heeft geëxploiteerd, dat de verzoekende partij aldus met voorliggend verzoekschrift een administratieve rechtshandeling betwist terwijl zij zelf in een onwettige toestand verkeerde, dat er dan ook in hoofde van de verzoekende partij van geen wettig of geoorloofd belang sprake kan zijn, dat het duidelijk mag zijn dat de neiging van de exploitant om de bijna tien jaar aanslepende problematiek steeds weer voor zich uit te schuiven, zich met voorliggend dilatoir beroep tot nietigverklaring opnieuw voortzet; dat het verzoek tot nietigverklaring volgens de verwerende partij onontvankelijk is wegens gebrek aan belang; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zij wel degelijk beschikt over een voldoende belang in huidige procedure, dat haar beroep in die zin ook een nuttig effect kan sorteren indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd, dat de verwerende partij, in het geval dat de bestreden beslissing wordt vernietigd, opnieuw moet oordelen over de wijzigingsaanvraag vanwege de verzoekende partij, dat het doel van deze aanvraag in hoofde van de verzoekende partij juist was om een langere termijn te krijgen om aan de lozingsnormen te voldoen, dat bij een nieuwe beoordeling van de gemotiveerde aanvraag van de verzoekende partij zodoende een nieuw moment ontstaat waarop de verwerende partij zich moet uitspreken, dat het dit is wat de verzoekende partij ook beoogt met haar beroep, dat zij in die zin wel degelijk een rechtens voldoende belang heeft, dat er anders over oordelen, complete abstractie zou maken van het recht van de verzoekende partij om overeenkomstig artikel 45 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) een aanvraag in te dienen, dat in die zin er ook geen sprake is van een dilatoir beroep, dat de verwerende partij dit niet mag verwarren met de vereisten die de Raad van State stelt met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het kader VII-36.968-6/18 van een procedure tot schorsing, dat in dit verband aan de Raad van State inderdaad niet kan worden gevraagd om een onwettige toestand te bestendigen, dat de verzoekende partij zulks echter niet vraagt in de huidige procedure tot nietigverkla- ring; 2.3. Overwegende dat men het belang moet beoordelen aan de hand van wat een verzoeker kan nastreven met zijn beroep; dat te dezen de vernietiging er toe kan leiden dat het bestuur opnieuw moet beslissen over de aanvraag, wat mogelijk alsnog leidt tot de gevraagde vergunning; dat dergelijk annulatieberoep geen onwettig belang nastreeft; dat in voorliggend annulatieberoep, een vernieti- gingsarrest er toe leidt dat de verwerende partij opnieuw uitspraak moet doen over de vraag van de verzoekende partij tot wijziging van de bewuste vergunningsvoor- waarde, met de mogelijkheid dat deze wijziging wordt toegestaan; dat het enkele gegeven dat de "regularisatie" voor de periode tussen 1 oktober 2004 en 1 april 2007 zou vervallen, het belang van de verzoekende partij niet onwettig maakt; dat de exceptie wordt verworpen; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 45 van Vlarem I, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijk- heidsbeginsel; dat zij, eerste onderdeel, stelt dat de verwerende partij zich geen eigen oordeel heeft gevormd, maar zonder meer het niet-bindend advies van de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) heeft overgenomen, dat terzake zelfs de bestreden beslissing niet vermeldt dat zij de argumenten van de VMM tot de hare heeft gemaakt, laat staan dat zij het advies werkelijk heeft geëvalueerd, dat de Raad van State eerder al in gelijkaardige omstandigheden oordeelde dat dit een schending uitmaakt van de motiveringsplicht; dat de verzoekende partij verwijst naar en citeert uit het arrest van de Raad van State nr. 115.464 van 6 februari 2003 en vervolgt dat deze rechtspraak op het gebied van stedenbouw mutatis mutandis kan worden toegepast voor een milieuvergunning, dat dit op zich reeds volstaat om de bestreden beslissing te vernietigen, dat daarbij nog komt dat de verwerende partij niet is ingegaan op de argumenten die de verzoekende partij, schriftelijk en mondeling, nog had ingebracht tegen het advies van de VMM, dat de bestreden beslissing enkel verwijst naar de beperkte repliek van de VMM tijdens de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat dit niet volstaat in het licht van de motiverings- VII-36.968-7/18 plicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, dat de repliek een repliek van de VMM betreft en niet van de verwerende partij, dat de formele motiveringsplicht evenwel op de verwerende partij rust, dat de verwerende partij zich ook nergens in de bestreden beslissing aansluit bij de repliek van de VMM, dat de motivering van de VMM op de argumenten van de verzoekende partij hoe dan ook zeer beperkt en nietszeggend is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat hoe dan ook het advies van de VMM niet afdoende is om de weigering te schragen, dat in haar advies de VMM stelt dat de aanvraag zou zijn gebaseerd op motiveringen die niet voldoende concreet zouden zijn gestaafd, dat nergens wordt bestwist dat de verzoekende partij de investeringen effectief zal doen, dat alleen de plannen volgens de VMM onvoldoende concreet zijn, dat de aanvraag voldoende werd gestaafd en meer bepaald als volgt : "a.1) De sectorale lozingsnormen voor de sector textielveredeling zijn momenteel in herziening. Deze herziening vormt het voorwerp van een wetenschappelijk-technische discussie tussen de verschillende actoren (VMM, Aminal, sectorfederatie, etc.). Uit de eerste resultaten van deze discussie volgt dat het niet evident is om aan de nv Van Coppenolle opgelegde bijzondere voorwaarden te kunnen voldoen. Voor diverse parameters zal waarschijnlijk minstens een nuancering worden ingevoerd i.f.v. de inspanningen die het bedrijf geleverd heeft op het vlak van waterbesparing en i.f.v. de toegepaste BBT/BREF-methodologieën. NV Van Coppenolle kan in deze context t.a.v. haar concurrenten niet in een positie geplaatst worden dat zij zwaardere inspanningen moet leveren t.a.v. het zuiveren van haar afvalwater. NV Van Coppenolle loost nu reeds beneden het gemiddelde van de sector (oppervlaktewaterlozers). - Gemiddelde sector heffingsjaar 2005: 5,60 VE/m³ (*) - Mediaan sector heffingsjaar 2005: 4,23 VE/m³ (*) - Van Coppenolle 2006: 3,98 VE/m³ (*) Bron VMM; verhouding tussen hoogste en laagste: 30! a.2: Zie vertrouwelijk gedeelte in bijlage 1.

  1. b)Over deze lozingsvoorwaarden werd een uitgebreid onderzoek gevoerd door milieu-inspectie en VITO. De sectorfederatie heeft deze normen ook onder- schreven"; dat zij voorts stelt dat in het vertrouwelijke gedeelte hieraan werd toegevoegd dat de verzoekende partij een volledige vernieuwing plant van haar draadververij in 2008, dat samen met een innovatief en reeds opgestart onderzoeksprogramma betreffende verfprocessen, de kwaliteit en de kwantiteit van de verschillende afwaterstromen wordt geregistreerd en wordt nagegaan welke individuele stromen voor hergebruik inzetbaar zijn, dat aangezien de kwaliteit en de kwantiteit van het afvalwater volledig zal verschillen van de huidige karakteristieken en de werking van de afvalwaterzuivering zal moeten worden bekeken wanneer de nieuwe ververij VII-36.968-8/18 operationeel zal zijn, de verzoekende partij geen ingrepen kan verrichten op de bestaande afvalwaterzuivering, dat deze nutteloos zijn en zelfs contraproductief zouden kunnen werken, dat zodoende de verzoekende partij haar plannen wel voldoende concreet heeft omschreven, dat de gegeven motivering zodoende niet alleen in rechte, doch ook in feite faalt, dat indien de verwerende partij effectief van oordeel zou zijn geweest dat de voorgelegde gegevens onvoldoende concreet waren, zij bijkomende inlichtingen diende in te winnen bij de verzoekende partij, dat van een redelijke en zorgvuldige overheid mag worden verwacht dat deze bijkomende inlichtingen opvraagt zodat zij op basis van een volledig dossier en met voldoende kennis van zaken een oordeel zou kunnen vellen, dat de overheid immers een beslissing zorgvuldig moet voorbereiden en zich daarbij behoorlijk moet voorlich- ten, dat dit des te meer geldt nu de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de argumenten van de verzoekende partij aangebracht tijdens de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat de verzoekende partij ook de passage uit het advies betwist waarin de VMM stelt "dat het schrappen van deze normen uit de milieuvergunning een nadeel ten laste van de concurrerende bedrijven zou betekenen"; dat zij argumenteert dat artikel 45 van Vlarem I expliciet voorziet in de mogelijkheid dat de bevoegde overheid bij gemotiveerde beslissing de in de lopende vergunning(
  2. en)opgelegde voorwaarden kan wijzigen of aanvullen, dat door te stellen dat het schrappen van de normen een nadeel ten laste van concurrerende bedrijven kan betekenen, de verwerende partij het wezen van de afwijkingsmogelijk- heid zelf in vraag stelt, dat iedere afwijking immers kan worden beschouwd als concurrentieverstorend ten opzichte van de bedrijven die de afwijking niet hebben aangevraagd of verkregen, dat op deze wijze de mogelijkheid voorzien in artikel 45 Vlarem I dode letter blijft en dit artikel bijgevolg wordt geschonden, dat de overheid immers telkens een afweging moet maken bij de toepassing van artikel 45 van Vlarem I en de toepassing van dit artikel niet in algemene termen kan weigeren, dat daarenboven het niet verlenen van de opschorting concurrentieverstorend werkt tegen de verzoekende partij, dat indien van een bedrijf dat een volledige vernieu- wing plant van de draadververij in 2008 wordt verwacht dat deze zware investering- en zou aangaan om de lozingsnormen te halen gedurende een jaar, van dit bedrijf een financiële meerkost wordt vereist die buiten alle proportie staat met het nagestreefde doel, dat in die zin eveneens sprake is van de schending van het redelijkheidsbegin- sel, dat de VMM ten andere nooit aangeeft of er effectief andere bedrijven zijn die aan de strengere normen onderworpen zijn en of deze de strengere normen ook halen; VII-36.968-9/18 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord met betrekking tot het eerste onderdeel stelt dat de bestreden beslissing veel meer bevat dan een loutere opgave van het advies van de VMM, dat het openbaar onderzoek en de resultaten ervan worden weergegeven, dat alle verleende adviezen zijn opgenomen, dat een gedetailleerde weergave van de bespreking van het dossier ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie is opgeno- men, dat de aanvraag en de argumentatie van de exploitant in extenso zijn vermeld, dat dan de overwegingen volgen met betrekking tot de planologische en milieuhygi- enische aspecten van de aanvraag en ten slotte de bezwaren worden besproken, dat een eerste lezing van de bestreden beslissing meteen duidelijk maakt dat de verwerende partij niet lichtzinnig of overhaast tot een beslissing is gekomen, dat volgens de verzoekende partij, de verwerende partij zonder meer en zonder dit met zoveel woorden te vermelden, de argumenten van de VMM tot de hare zou hebben gemaakt, dat dat onjuist is, dat immers de argumenten van de VMM werden gewikt en gewogen, en gegrond bevonden, dat dit de verwerende partij niet belet om de argumenten van de VMM, de bevoegde instelling op het vlak van waterbeleid, tot de hare te maken, dat dit precies is wat de verwerende partij in voorliggend geval heeft gedaan, dat alle milieuvergunningen afgeleverd door de verwerende partij in het overwegende gedeelte een overzicht bevatten van de milieuhygiënische aspecten, opgedeeld in afzonderlijke hoofdingen per deelaspect, dat dit in de bestreden beslissing niet anders is, dat de formule die daarvoor in elk besluit wordt gehanteerd luidt "overwegende dat met betrekking tot de milieuhygiënische aspecten het volgende kan worden gesteld: (...)" , dat men deze zin niet anders kan begrijpen dan dat hetgeen na "overwegende" volgt de motivering en de argumentatie voor het beschikkende gedeelte van de beslissing staaft, en dus een eigen mening van de verwerende partij vormt, dat de rechtspraak bovendien een indirecte vorm van motivering aanvaardt, met name een motivering door verwijzing naar andere stukken, voorbereidende handelingen, zoals bijvoorbeeld een advies die de vergunning voorafgaat, dat dit recentelijk nog werd bevestigd door de Raad van State in het arrest nr. 124.555 van 23 oktober 2003 waarin hij stelde dat "wanneer de motivering bestaat uit een verwijzing naar een eerder uitgebracht advies, een dergelijke motivering een afdoende formele motivering vormt voor zover het advies waarnaar verwezen wordt aan de betrokkene bekend is en voor zover dat advies zelf afdoende is gemotiveerd", dat dit wel degelijk het geval is, nu de gehele inhoud van het advies van de VMM in de bestreden beslissing is terug te vinden, dat de exploitant de inhoud van het advies van de VMM zelfs op voorhand kende, dat het bestuur daarnaast ook niet verplicht is alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden, dat dit ook recentelijk nog werd VII-36.968-10/18 bevestigd in het reeds genoemde arrest, dat het volstaat dat de motieven die aan de grondslag van de genomen beslissing liggen, voldoende duidelijk zijn en dat de relevante bezwaren die kennelijk indruisen tegen de genomen beslissing op degelijke wijze worden weerlegd, dat de omvang van de motiveringsplicht dus zal afhangen van de inhoud, het belang, de pertinentie en de gedetailleerdheid van de aangevoerde argumenten; Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het tweede onderdeel stelt dat volgens de verzoekende partij, het advies van de VMM geen afdoende motivering bevat om de bestreden beslissing te verantwoorden, dat volgens de verzoekende partij er investeringen zijn gepland en er in de toekomst kwalitatief verschillend afvalwater zal worden geloosd, dat deze beweringen echter niet concreet worden gestaafd, dat tijdens de zitting van de Provinciale Milieuver- gunningscommissie door de exploitant bovendien werd bevestigd dat er geen vrachten en debieten kunnen worden voorspeld, dat de verzoekende partij inderdaad "plannen" heeft, maar dat deze voorlopig loutere voornemens blijven, dat niemand met zekerheid kan zeggen of deze ook ten uitvoer zullen worden gebracht, laat staan wanneer dit dan wel zou gebeuren, dat volgens de exploitant dit in 2008 het geval zou zijn, dat de exploitant de in 2000 opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden tot op vandaag ook nog steeds niet heeft nageleefd, dat destijds ook werd opgelegd dat een studie naar het hergebruik van het effluent opgemaakt diende te worden door de exploitant en dat deze studie twee jaar na het verlenen van de milieuvergunning voorgelegd diende te worden aan de overheid, dat een dergelijke studie nooit werd ontvangen, dat de bestreden beslissing terecht stelt dat de bewering dat er kwalitatief verschillend afvalwater zal worden geloosd niet concreet is, noch voldoende is gestaafd, onder meer bij gebrek aan vrachten en debieten, dat de aanvraag derhalve onvoldoende gegevens bevat om een afwijking van de sectoraanpak te verantwoor- den, dat de verzoekende partij de verwerende partij verwijt dat zij dienaangaande geen bijkomende inlichtingen heeft ingewonnen, dat nochtans de exploitant die een wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden wenst te bekomen, moet aantonen op welke wijze de gevraagde wijziging verantwoord zou zijn, dat de verzoekende partij ten overvloede de kans heeft gehad om zelf bijkomende gegevens te verstrekken, en ook effectief een bijkomende nota heeft ingediend ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat deze gegevens werden besproken ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, zodat de stelling van de verzoekende partij dat de verwerende partij deze argumenten negeert volkomen onterecht is, dat er door de verzoekende partij echter geen nieuwe bijkomende gegevens werden aangebracht die een andersluidende conclusie konden verantwoor- VII-36.968-11/18 den, dat er doorheen de hele procedure onvoldoende concrete argumenten werden aangebracht die de gevraagde wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden toelaten, dat er door de verzoekende partij ook wordt verwezen naar "sectorale normen in herziening" als motivatie, dat het evident is dat wetgeving in herziening geen rechtskracht heeft en bijgevolg ook niet toelaat om rechtsgevolgen te verbinden aan een ontwerp van een tekst, aangezien de definitieve versie daarvan nog in de ene of de andere zin kan wijzigen; dat zij ten slotte stelt dat volgens de verzoekende partij de verwerende partij de toepassing van artikel 45 van Vlarem I in algemene termen heeft geweigerd, door te stellen dat "het schrappen van de gevraagde normen een nadeel ten laste van concurrerende bedrijven zou betekenen", dat deze opmerking volkomen onterecht is, dat elke aanvraag immers individueel moet worden bekeken en op al haar aspecten worden beoordeeld, dat dit dan ook in voorliggend geval is gebeurd, dat de omstandigheid dat de gevraagde schrapping een nadeel ten laste van concurrerende bedrijven zou betekenen, in de bestreden beslissing terecht en terloops wordt opgemerkt, maar dat het zeker niet het doorslaggevende, noch het enige argument is van de verwerende partij om het gevraagde te weigeren, dat de verwerende partij terecht oordeelde dat de vooropge- stelde termijn van het van toepassing worden van de strengere lozingsnormen destijds, reeds in 2000, in overleg met de verzoekende partij werd vergund en dat met deze normen rekening diende te worden gehouden bij de realisatie van de zuiveringsinstallatie, dat er door de verzoekende partij reeds meer dan voldoende uitstel werd verkregen, dat voorliggend verzoekschrift er wellicht opnieuw toe strekt het voldoen aan de opgelegde normen te kunnen uitstellen; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat nergens een eigen motivering te vinden is in de bestreden beslissing vanwege de verwerende partij, dat in het overwegende gedeelte wel wordt verwezen naar het advies van de VMM dat op 6 december 2006 werd uitgebracht, dat de verwijzing naar dit advies de enige milieutechnische motivering is die in de bestreden beslissing kan worden teruggevonden, dat het correct is dat een bestuur zijn beslissingen afdoende kan motiveren door een niet-bindend advies vanwege een overheidsinstantie bij te treden, maar dat dit advies vanzelfsprekend nog actueel moet zijn, dat toegepast op huidig geval, alleen maar kan worden vastgesteld dat het advies dateert van vóór de behandeling van de aanvraag in de schoot van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, alwaar de verzoekende partij een gemotiveerde nota heeft neergelegd waarin net werd geantwoord op het voorafgaande advies van de VMM, dat het bevreemdend is dat de verwerende partij thans beweert dat rekening werd gehouden met de argumenten die de verzoekende VII-36.968-12/18 partij heeft aangebracht tijdens de hoorzitting in de schoot van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat dit in ieder geval niet kan worden afgeleid uit de eigen motivering van de verwerende partij nu hierin enkel wordt verwezen naar een advies van de VMM dat dateert van vóór deze zitting, dat uit niets blijkt dat de verwerende partij de commentaren van de vertegenwoordiger van de VMM tijdens deze hoorzitting tot de hare heeft gemaakt, dat uit de bestreden beslissing enkel kan worden afgeleid dat de verwerende partij het advies van de VMM dat dateert van vóór de bewuste zitting bijtreedt; 3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het eerste onderdeel nog toevoegt dat ook al zou er nog sprake mogen zijn van het gebrek aan een bijzondere motiveringsvereiste in hoofde van de beslissingnemende overheid bij de toepassing van artikel 21 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en artikel 45 van Vlarem I, de verwerende partij haar verplichtingen op grond van de formele en materiële motiveringsplicht nog moet nakomen; dat de verzoekende partij met betrekking tot het tweede onderdeel nog stelt dat zij wel degelijk voldoende concreet was in haar aanvraag en er moeilijk kan worden ontkend dat de motivering die wordt gegeven in het advies van de VMM met betrekking tot de bijzondere voorwaarden niet enkel gedateerd is, maar eveneens bijzonder algemeen is, zonder een in concreto toets te voeren met betrekking tot het bedrijf, dat het bovendien immers zo is dat de BBT- normen in de herziening van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), de exploitant en de vergunningverlener wel degelijk de mogelijkheid geven om hierover in discussie te gaan, dat textielbe- drijven dan ook onderling niet vergelijkbaar zijn, dat daarenboven indien de verwerende partij effectief van oordeel zou zijn geweest dat de voorgelegde gegevens onvoldoende concreet waren, zij bijkomende inlichtingen diende in te winnen bij de verzoekende partij, dat van een redelijke en zorgvuldige overheid mag worden verwacht dat deze bijkomende inlichtingen opvraagt zodat zij op basis van een volledig dossier en met voldoende kennis van zaken een oordeel zou kunnen vellen, dat de overheid immers een beslissing zorgvuldig moet voorbereiden en zich daarbij behoorlijk moet voorlichten, dat dit des te meer geldt nu de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de argumenten van de verzoekende partij aangebracht tijdens de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie; VII-36.968-13/18 3.5. Overwegende dat uit de redactie van de bestreden beslissing afdoende blijkt dat de verwerende partij de motieven van het advies van de VMM tot de hare maakt : "Overwegende dat wat de milieuhygiënische aspecten betreft, het volgende kan gesteld worden: Hiervoor wordt verwezen naar het advies van de VMM, dat hierna wordt weergegeven : (...)"; dat zich vooreerst de vraag aandient of in de bestreden beslissing ook formeel en expliciet moet worden geantwoord op de bedenkingen die de verzoekende partij nog had laten kennen ten aanzien van dit advies, en vervolgens de vraag of de motieven die de verwerende partij heeft overgenomen van het advies inhoudelijk afdoende zijn om de bestreden beslissing te schragen; dat te dezen enkel de motiveringswet van 29 juli 1991 van toepassing is; dat overeenkomstig artikel 21 van het milieuvergun- ningsdecreet en artikel 45 van Vlarem I, de regelgeving voor de wijziging van de lopende vergunningsvoorwaarden geen bijzondere motiveringsvereisten bevat; dat daardoor de eerste vraag vervalt, en enkel de tweede vraag overblijft, met name de vraag of de van de VMM overgenomen motivering de bestreden beslissing inhoudelijk kan schragen; Overwegende dat artikel 45 van Vlarem I een aantal eisen oplegt aan de aanvraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden, waaronder een motivering van de gevraagde wijziging; dat de reden hiervoor niet anders kan worden begrepen dan dat wordt aangenomen dat er reeds een beoordeling van de te verwachten hinder is gebeurd bij het verlenen van de milieuvergunning, en dat die beoordeling tijdens de lopende vergunningstermijn niet moet worden overgedaan als daar geen bijzondere redenen voor zijn; dat deze motivering van de gevraagde wijziging bijgevolg van groot belang is voor de te nemen beslissing en haar motivering; Overwegende dat de verzoekende partij in de motivering van haar aanvraag uiteenlopende redenen opgeeft; dat de eerste reden om de normen zelf gaat; dat er met name wordt gesteld dat de bijzondere voorwaarden moeilijk haalbaar zijn, waarbij wordt gesuggereerd dat andere exploitanten aan minder strenge voorwaarden zijn onderworpen; dat de tweede reden losstaat van de normen; dat de verzoekende partij van oordeel is dat aangezien een grondige hernieuwing van de inrichting wordt gepland, het geen zin heeft de werking van de waterzuivering aan te passen aan het halen van de normen in de aflopende bestaande bedrijfssitua- tie; VII-36.968-14/18 Overwegende dat in het bestreden besluit over de eerste reden het volgende wordt gesteld : "Overwegende dat de bestreden normen zijn geformuleerd in de BBT-studie textielveredeling door het BBT-kenniscentrum van het VITO; dat deze studie werd gepubliceerd in 1998; dat bij de opmaak van deze studie de sector werd betrokken enerzijds door het aanleveren van gegevens en anderzijds door de medewerking van Centexbel aan deze studie; dat deze studie is onderbouwd met reële lozingsgegevens; dat deze BBT-normen grotendeels zijn meegeno- men in het voorstel tot formuleren van nieuwe sectorale lozingsnormen in het Vlarem; (...) Overwegende dat de sector textielveredeling veelal GPBV-bedrijven omvat; dat voor deze bedrijven conform Art. 43ter van Vlarem I alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging dienen getroffen door toepassing van de beste beschikbare technieken zodat geen belangrijke verontreiniging veroorzaakt kan worden; dat vanaf de publicatie van de BBT-studie textielvere- deling deze normen voor verschillende bedrijven in Vlaanderen reeds geïmple- menteerd zijn in de milieuvergunning; dat de analyseresultaten van deze bedrijven de haalbaarheid van de normen aantonen; dat kan worden besloten dat het schrappen van deze normen uit de milieuvergunning een nadeel ten laste van de concurrerende bedrijven zou betekenen; (...) Overwegende dat het bedrijf met de heffingencijfers (VE/m³) aantoont op het gebied van waterverontreiniging in de Vlaamse context een goedscorend bedrijf te zijn; dat hiertoe volgende VMM-cijfers mbt de sector worden afgewogen tegenover de eigen situatie: Gemiddeld OW-lozers heffingsjaar 2005: 0,00560 VE/m³ Mediaan OW-lozers heffingsjaar 2005: 0,00423 VE/m³ Van Coppenolle 2006: 0,00398 VE/m³ Overwegende dat uit de cijfers voor 2005, 2006 door de VMM volgende belasting werd berekend: Van Coppenolle heffingsjaar 2005: 0,0055 VE/m³ (obv cijfers eind 2004: extrapolatie) Van Coppenolle heffingsjaar 2006: 0,0079 VE/m³ (obv cijfers 2005: onder voorbehoud) Overwegende dat deze cijfers een enigszins genuanceerder beeld van de lozing van de NV Textielveredeling Van Coppenolle tov de sector scheppen; dat voor heffingsjaar 2007 (obv cijfers 2006) nog geen berekening kan worden gemaakt; Overwegende dat het BA wordt geloosd op de Molenbeek dat deze als kwaliteitsdoelstelling basiskwaliteit heeft; Gelet op de gegevens afkomstig van het immissiemeetnet van de VMM

(2006)thv het meetpunt 740400 thv de NV Van Coppenolle: (...) Overwegende dat hieruit blijkt dat de basismilieukwaliteitsnormen worden overschreden voor de parameters BZV, CZV, ZS, Pt, Porthofosfaat, Nammoniakaal, Nkj; dat deze normen in het kader van het decreet integraal waterbeleid minstens dienen te zijn bereikt tegen 2015; dat versoepelingen in de milieuvergunningen van op deze waterloop lozende bedrijven aldus niet aan de orde zijn; (...) Gelet op Art 5.3.2.4 §2 van VLAREM II kunnen in de vergunning emissiegrenswaarden opgelegd worden die strenger zijn dan de algemene of sectorale voorwaarden om de voor het ontvangende oppervlaktewater geldende milieukwaliteitsnormen te kunnen halen; VII-36.968-15/18 Overwegende dat Art 3.3.0.1. van VLAREM II het opleggen van bijzondere voorwaarden toelaat met het oog op de bescherming van mens en leefmilieu en daarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen; Overwegende dat conform art 4.1.2.1 §

§2

van VLAREM II de exploitant steeds de best beschikbare technieken dient toe te passen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelings- methodes op niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen; Gelet op de BBT-EMIS-studie Textielveredeling"; dat het bestreden besluit op de motivering van de aanvraag, samengevat stelt dat de nieuwe sectorale normen die in voorbereiding zijn, gebaseerd zijn op dezelfde BBT-studie als de bijzondere vergunningsvoorwaarden die zijn opgelegd aan de verzoekende partij, dat dezelfde normen de afgelopen jaren zijn opgelegd aan meerdere bedrijven in de sector, dat uit de praktijk blijkt dat de normen haalbaar zijn, dat thans de milieukwaliteitsnormen in de ontvangende waterloop niet worden gehaald, en deze moeten worden gehaald tegen 2015, en dat Vlarem II vereist dat steeds de BBT worden toegepast; dat wat de tweede reden betreft, het bestreden besluit het volgende stelt : "Overwegende dat het bedrijf in zijn aanvraag stelt door waterbesparingen de vooropgestelde lozingsnormen niet te kunnen halen; dat de NV Textielverve- rij Van Coppenolle in zijn aanvraag op basis van vertrouwelijke informatie vooropstelt in de toekomst een kwalitatief verschillend afvalwater te gaan lozen; dat deze motiveringen echter niet concreet worden gestaafd in het dossier; dat noch vrachten, noch debieten, noch tijdspannes worden aangehaald; dat op basis van onvolledige gegevens bezwaarlijk afwijkingen van de sectoraanpak kunnen worden toegestaan (...)"; dat op het motief in de aanvraag dat de sectorale normen weldra zullen worden aangepast, het advies en dus de bestreden beslissing antwoorden dat deze aanpassing gebaseerd zal zijn op dezelfde BBT als de vergunningsvoorwaarden van de verzoekende partij; dat op dit punt van het advies de verzoekende partij niet heeft gerepliceerd, en dat zij dat ook nu niet doet; dat op het motief in de aanvraag dat het "niet evident" is de opgelegde normen te halen, het advies en bijgevolg de bestreden beslissing antwoorden dat vergelijkbare normen aan verschillende exploitanten zijn opgelegd, en dat uit analyseresultaten blijkt dat de normen haalbaar zijn; dat de verzoekende partij hierop repliceerde dat alle bedrijven uniek zijn, zonder daarbij evenwel te verduidelijken waarom de normen voor haar moeilijker te halen zouden zijn dan voor de andere bedrijven; dat op het motief in de aanvraag dat de verzoekende partij niet strenger mag worden behandeld dan andere bedrijven in de sector, het advies en de bestreden beslissing antwoorden dat vergelijkbare normen reeds zijn opgelegd aan verschillende bedrijven, en wellicht zullen worden opgelegd als sectorale norm; dat op dit punt van het advies de verzoekende partij niet heeft VII-36.968-16/18 gerepliceerd, en dat zij dat ook nu niet doet; dat tegenover het motief in de aanvraag dat de verzoekende partij nu reeds beter presteert dan het sectorgemiddelde, het advies eigen cijfers plaatste die deze stelling tegenspreken; dat de verzoekende partij daarop repliceerde door de cijfers van de VMM irrelevant te noemen, om verschil- lende redenen; dat deze discussie over de juiste cijfermatige prestatie van de verzoekende partij weinig relevant is ter gelegenheid van een discussie over wat de opgelegde normen moeten zijn; dat bovendien de aanspraak van de verzoekende partij dat zij beter doet dan het gemiddelde niet valt te rijmen met haar stelling dat de normen moeilijk haalbaar zijn, nu blijkt dat deze voor andere bedrijven wel haalbaar zijn; dat op het motief in de aanvraag dat een grondige hernieuwing van de inrichting is gepland, zodat het niet opportuun is om nu aanpassingen te doen aan de waterzuiveringsinstallatie, het advies en dus de bestreden beslissing antwoorden dat over die aanpassing geen concrete informatie wordt gegeven; dat de verzoekende partij erkent dat nog geen informatie kan worden gegeven over debieten en vuilvrachten; dat met betrekking tot de motivering van de bestreden beslissing, de verzoekende partij nog stelt dat als de verwerende partij meer informatie wenste over de geplande wijziging van de exploitatie, zij deze had moeten vragen; dat dit niet opgaat, aangezien de verzoekende partij wist dat de VMM de verstrekte informatie onvoldoende achtte, en daar enkel op reageerde door te stellen dat nog niets was geweten over de te verwachten vuilvrachten en debieten; dat het advies van de VMM en daardoor de motivering van de bestreden beslissing overigens nog motieven bevatten die door de verzoekende partij niet worden bekritiseerd; dat er in het bestreden besluit op wordt gewezen dat de waterloop waarin wordt geloosd niet de basismilieukwaliteitsnorm haalt voor onder meer de parameters waar het in de aanvraag om ging, dat, aangezien deze kwaliteitsnorm moet worden gehaald ten laatste in 2015, versoepelingen niet aan de orde zijn en dat conform artikel 4.1.2.1, §

§ 2

, van Vlarem II de BBT steeds moeten worden toegepast; dat de beide onderdelen van het enige middel niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel

  1. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  2. VII-36.968-17/18 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juli tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.968-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.